Language of document : ECLI:EU:C:2019:379

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

8 mei 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Richtlijn 96/34/EG – Raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof – Clausule 2, punt 6 – Voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer die deeltijds ouderschapsverlof opneemt – Ontslag – Ontslagvergoeding en re‑integratieverlofuitkering – Berekeningsmethoden – Artikel 157 VWEU – Gelijke beloning van vrouwelijke en mannelijke werknemers – Deeltijds ouderschapsverlof, voornamelijk opgenomen door vrouwelijke werknemers – Indirecte discriminatie – Objectief gerechtvaardigde factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht – Geen”

In zaak C‑486/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 11 juli 2018, ingekomen bij het Hof op 23 juli 2018, in de procedure

RE

tegen

Praxair MRC SAS,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader, A. Rosas, L. Bay Larsen en M. Safjan (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        RE, vertegenwoordigd door J. Buk Lament, avocate,

–        Praxair MRC SAS, vertegenwoordigd door J.‑J. Gatineau, avocat,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door E. de Moustier en R. Coesme als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Szmytkowska en C. Valero als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 157 VWEU en clausule 2, punten 4 en 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, gesloten op 14 december 1995 (hierna: „raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof”) en opgenomen als bijlage bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof (PB 1996, L 145, blz. 4), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/75/EG van de Raad van 15 december 1997 (PB 1998, L 10, blz. 24) (hierna: „richtlijn 96/34”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen RE en Praxair MRC SAS betreffende de berekeningsmethoden voor de ontslagvergoeding en de re‑integratieverlofuitkering die haar zijn uitgekeerd in het kader van het ontslag om economische redenen dat haar is gegeven terwijl zij met deeltijds ouderschapsverlof was.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 96/34 en de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof

3        Richtlijn 96/34 is met ingang van 8 maart 2012 ingetrokken bij artikel 4 van richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof en tot intrekking van richtlijn 96/34 (PB 2010, L 68, blz. 13). Gelet op het tijdstip van de feiten in het hoofdgeding blijven richtlijn 96/34 en de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof evenwel van toepassing op dat geding.

4        Richtlijn 96/34 strekte tot de tenuitvoerlegging van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, die werd gesloten door de algemene brancheoverkoepelende organisaties, te weten de Unie van Industrie- en Werkgeversfederaties in Europa (Unice), het Europees Centrum van gemeenschapsbedrijven (CEEP) en het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV).

5        De eerste alinea van de preambule van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof luidde:

„Met [de] raamovereenkomst [inzake ouderschapsverlof] verbinden de Unice, het CEEP en het EVV zich ertoe minimumvoorschriften in te voeren met betrekking tot ouderschapsverlof, en arbeidsverzuim door overmacht als een belangrijke bijdrage tot de combinatie van beroeps- en gezinsleven en de bevordering van gelijke kansen en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.”

6        De punten 4 tot en met 6 van de algemene overwegingen van deze raamovereenkomst luidden:

„4.      Overwegende dat het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden in punt 16 betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bepaalt dat maatregelen moeten worden ontwikkeld waardoor mannen en vrouwen hun beroeps- en gezinstaken met elkaar kunnen verenigen;

5.      Overwegende dat de Raad in zijn resolutie van 16 december 1994 erkent dat voor een doeltreffend beleid op het gebied van gelijke kansen een alomvattend en geïntegreerd perspectief noodzakelijk is waarmee de organisatie en de flexibiliteit van de arbeidstijd kunnen worden verbeterd en de re-integratie in de arbeidsmarkt kan worden vergemakkelijkt, en nota neemt van de belangrijke rol die de sociale partners op dit gebied spelen, ook wat de aan mannen en vrouwen geboden mogelijkheid betreft hun beroeps- en gezinstaken te combineren;

6.      Overwegende dat de maatregelen om het beroeps- en gezinsleven te kunnen combineren de invoering van nieuwe flexibele organisatievormen van de arbeid en de tijd moeten stimuleren, die beter op de veranderende behoeften van de samenleving zijn afgestemd en rekening houden met de behoeften van het bedrijfsleven en van de werknemers.”

7        Clausule 1 van die raamovereenkomst, met als opschrift „Doel en werkingssfeer”, bepaalde:

„1.      Deze overeenkomst behelst minimumvoorschriften die het werkende ouders gemakkelijker moeten maken hun beroeps- en gezinstaken te combineren.

2.      Deze overeenkomst is van toepassing op alle werknemers, zowel mannen als vrouwen, met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding overeenkomstig de in elke lidstaat geldende wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken.”

8        Clausule 2 van de raamovereenkomst had als opschrift „Ouderschapsverlof” en luidde als volgt:

„1.      Krachtens deze overeenkomst wordt onder voorbehoud van clausule 2.2 aan werknemers, zowel mannen als vrouwen, bij geboorte of adoptie van een kind een individueel recht op ouderschapsverlof toegekend om hen in staat te stellen gedurende ten minste drie maanden tot een door de lidstaten en/of de sociale partners vast te stellen leeftijd van maximaal acht jaar voor hun kind te zorgen.

[...]

4.      Teneinde te waarborgen dat de werknemers van hun recht op ouderschapsverlof gebruik kunnen maken, nemen de lidstaten en/of de sociale partners overeenkomstig de wetgeving, de collectieve overeenkomsten of de nationale gebruiken de nodige maatregelen om de werknemers tegen ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof te beschermen.

[...]

6.      De op de datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording blijven ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof. Na afloop van het ouderschapsverlof zijn deze rechten, met inbegrip van de uit de wetgeving, collectieve overeenkomsten of nationale gebruiken voortvloeiende veranderingen, van toepassing.

[...]”

 Raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid

9        Clausule 4, punten 1 en 2, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, gesloten op 6 juni 1997 (hierna: „raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid”) en opgenomen als bijlage bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/23/EG van de Raad van 7 april 1998 (PB 1998, L 131, blz. 10), luidt:

„1.      Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden deeltijdwerkers niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.

2.      Wanneer zulks passend is, wordt het ‚pro rata temporis’-beginsel toegepast.”

 Frans recht

10      Artikel L. 1233‑71 van de code du travail, zoals van toepassing ten tijde van de feiten in het hoofdgeding (hierna: „arbeidswetboek”), bepaalt:

„In ondernemingen en instellingen met minstens duizend werknemers alsook in de in de artikelen L. 2331‑1 en L. 2341‑4 genoemde ondernemingen die in totaal minstens duizend werknemers tewerkstellen, biedt de werkgever elke werknemer die hij voornemens is te ontslaan om economische redenen, re‑integratieverlof aan. Met dit verlof wordt beoogd de werknemer in staat te stellen opleidingen te volgen en zich in een centrum te laten begeleiden als werkzoekende.

Het re‑integratieverlof mag maximaal negen maanden duren.

Aan het begin van dit verlof wordt zo nodig een competentiebalans opgemaakt, op basis waarvan de werknemer een loopbaanplan kan opstellen en eventueel kan bepalen welke opleidingen noodzakelijk zijn voor zijn re-integratie. Deze worden gevolgd tijdens de in de eerste alinea bedoelde periode.

Alle voornoemde opleidingen worden betaald door de werkgever.”

11      Artikel L. 1233‑72 van het arbeidswetboek luidt:

„Het re‑integratieverlof wordt opgenomen tijdens de opzeggingstermijn, waarvan de werknemer wordt vrijgesteld.

Wanneer het re-integratieverlof langer duurt dan de opzeggingstermijn, wordt het einde van de opzeggingstermijn uitgesteld tot aan het einde van het re-integratieverlof.

De vergoeding die na het verstrijken van de opzeggingstermijn wordt betaald, komt overeen met het bedrag van de in artikel L. 5123‑2, nr. 3, genoemde omscholingstoelage. De artikelen L. 5123‑4 en L. 5123‑5 zijn van toepassing op die vergoeding.”

12      Artikel L. 1234‑9 van het arbeidswetboek bepaalt:

„De werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die wordt ontslagen terwijl hij een dienstjaar lang ononderbroken bij dezelfde werkgever heeft gewerkt, heeft recht op een ontslagvergoeding, behalve in geval van een ernstige fout.

De berekeningsmethoden van die vergoeding zijn afhankelijk van het brutoloon dat de werknemer vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst had. [...]”

13      Artikel L. 3123‑13 van het arbeidswetboek luidt:

„De vergoeding bij ontslag en de vergoeding bij pensionering van de werknemer die binnen dezelfde onderneming voltijds en deeltijds werkzaam is geweest, worden berekend naar rato van de tijdvakken van arbeid die hij sinds zijn indiensttreding volgens een van deze twee wijzen heeft vervuld.”

14      Artikel R. 1233‑32 van het arbeidswetboek, betreffende de re‑integratieverlofuitkering, luidt als volgt:

„Tijdens de periode van re-integratieverlof die de opzeggingstermijn overschrijdt, ontvangt de werknemer van de werkgever een maandelijkse vergoeding.

Deze vergoeding bedraagt ten minste 65 % van zijn aan de heffingen van artikel L. 5422‑9 onderworpen gemiddelde brutomaandloon voor de twaalf laatste maanden vóór de kennisgeving van het ontslag.

De vergoeding mag niet lager zijn dan een maandloon dat gelijk is aan 85 % van het product van het in artikel L. 3231‑2 bepaalde welvaartsvaste minimumloon met het aantal uren dat overeenstemt met de collectieve arbeidstijd die in de onderneming is vastgesteld.

De vergoeding mag evenmin lager zijn dan 85 % van het bedrag van de loongarantie die de werkgever betaalt overeenkomstig het bepaalde in artikel 32 van loi n° 2000‑37 du 19 janvier 2000 relative à la réduction négociée du temps de travail (wet nr. 2000‑37 van 19 januari 2000 betreffende de onderhandelde arbeidstijdvermindering).

De werkgever bezorgt de werknemer elke maand een afrekening met het bedrag en de berekeningsmethode van die vergoeding.”

15      Artikel R. 1234‑4 van het arbeidswetboek bepaalt:

„Het voor de berekening van de ontslagvergoeding in aanmerking te nemen loon is volgens de voor de werknemer voordeligste formule:

1°      hetzij een twaalfde van het loon van de twaalf laatste maanden vóór het ontslag;

2°      hetzij een derde van de drie laatste maanden. In dit geval is de in aanmerking te nemen jaarlijkse of uitzonderlijke premie of bonus die aan de werknemer is betaald tijdens deze periode, beperkt tot een naar evenredigheid berekend bedrag.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16      RE is op 22 november 1999 in dienst getreden van Materials Research Corporation, thans Praxair MRC, als verkoopassistente met een voltijdse arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Met een aanhangsel van 21 juli 2000 is deze arbeidsovereenkomst vanaf 1 augustus 2000 omgezet in een voltijdse overeenkomst voor onbepaalde tijd.

17      Na een eerste zwangerschaps‑ en bevallingsverlof van 4 februari 2001 tot en met 19 augustus 2001, gevolgd door ouderschapsverlof van 6 september 2001 tot en met 6 september 2003, heeft RE voor een tweede keer zwangerschaps‑ en bevallingsverlof opgenomen van 6 november 2007 tot en met 6 juni 2008, gevolgd door ouderschapsverlof vanaf 1 augustus 2008 in de vorm van arbeidstijdverkorting met een vijfde. Laatstgenoemd verlof zou normaal eindigen op 29 januari 2011.

18      Op 6 december 2010 is RE in het kader van een collectieve ontslagprocedure ontslagen om economische redenen. Zij heeft ingestemd met negen maanden re‑integratieverlof.

19      Vanaf 1 januari 2011 heeft RE afgezien van de verkorting van haar arbeidstijd, en op 7 september 2011 heeft zij Praxair MRC definitief verlaten.

20      Op 30 september 2011 heeft RE zich tot de conseil de prud’hommes de Toulouse (arbeidsrechter Toulouse, Frankrijk) gewend om haar ontslag aan te vechten en verschillende verzoeken in te dienen, met name tot betaling van een achterstallige ontslagvergoeding van 941,15 EUR en van een achterstallige re‑integratieverlofuitkering van 1 423,79 EUR.

21      Bij vonnis van 12 september 2013 heeft die rechter de twee verzoeken van RE afgewezen.

22      Bij arrest van 14 oktober 2016 heeft de cour d’appel de Toulouse (rechter in tweede aanleg Toulouse, Frankrijk) de afwijzing van de door RE bij de conseil de prud’hommes de Toulouse ingediende verzoeken bevestigd.

23      Op 14 december 2016 heeft RE cassatieberoep ingesteld tegen dat arrest, op grond dat de cour d’appel de Toulouse clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof had geschonden.

24      De Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) wijst erop dat, volgens haar rechtspraak, de aan RE verschuldigde ontslagvergoeding overeenkomstig artikel L. 3123‑13 van het arbeidswetboek moet worden berekend naar rato van de tijdvakken van voltijdse en deeltijdse arbeid. De re‑integratieverlofuitkering moet volgens artikel R. 1233‑32 van het arbeidswetboek worden berekend op basis van het gemiddelde brutomaandloon van de twaalf laatste maanden vóór de kennisgeving van RE’s ontslag.

25      Die rechterlijke instantie benadrukt evenwel dat het Hof in zijn arrest van 22 oktober 2009, Meerts (C‑116/08, EU:C:2009:645), heeft geoordeeld dat wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst van een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer tijdens diens deeltijds ouderschapsverlof zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn eenzijdig beëindigt, de aan de werknemer te betalen vergoeding niet mag worden bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van het ontslag. Volgens die rechter heeft het Hof dezelfde uitlegging toegepast in het arrest van 27 februari 2014, Lyreco Belgium (C‑588/12, EU:C:2014:99), waar het ging over de berekening van een forfaitaire beschermingsvergoeding.

26      De verwijzende rechter vraagt zich af of clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof van toepassing is op de bepalingen betreffende de berekeningsmethoden voor de re‑integratieverlofuitkering, die wordt betaald na het ontslag van de betrokken werknemer.

27      Ingeval het Hof van oordeel zou zijn dat de ontslagvergoeding en de re‑integratieverlofuitkering moeten worden berekend op basis van voltijdse arbeid, brengt het feit dat richtlijnen van de Europese Unie geen rechtstreekse werking hebben in gedingen tussen uitsluitend particulieren volgens de verwijzende rechter mee dat hij ter wille van een conforme uitlegging het volledige nationale recht in de beschouwing dient te betrekken. Artikel L. 3123‑13 van het arbeidswetboek uitleggen in overeenstemming met richtlijn 96/34 en met de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, kan volgens die rechter echter leiden tot een uitlegging contra legem van die nationale bepaling. Bovendien is het niet zeker of artikel R. 1233‑32 van het arbeidswetboek kan worden uitgelegd in overeenstemming met clausule 2, punten 4 en 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof.

28      Verder meent de verwijzende rechter dat artikel 157 VWEU van toepassing is in een geding als het hoofdgeding, aangezien de betrokken prestaties onder het begrip „beloning” in de zin van dit artikel vallen. Hij onderstreept dat aanzienlijk meer vrouwen dan mannen voor deeltijds ouderschapsverlof kiezen en dat dit tot indirecte discriminatie ten aanzien van vrouwelijke werknemers leidt.

29      Bij het onderzoek naar objectieve elementen die een dergelijke discriminatie kunnen rechtvaardigen, moet volgens de verwijzende rechter rekening worden gehouden met clausule 4, punten 1 en 2, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid. Hij benadrukt evenwel dat het Hof in punt 51 van het arrest van 22 oktober 2009, Meerts (C‑116/08, EU:C:2009:645), erop heeft gewezen dat een werknemer die deeltijds ouderschapsverlof geniet en een werknemer die voltijds werkt niet in een andere situatie verkeren wat hun aanvankelijke arbeidsovereenkomst met hun werkgever betreft.

30      In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet clausule 2, punten 4 en 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof [...] aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat op een werknemer met deeltijds ouderschapsverlof op het ogenblik van zijn ontslag een bepaling van nationaal recht wordt toegepast zoals het toentertijd geldende artikel L. 3123‑13 van de code du travail (arbeidswetboek), dat bepaalt dat ‚[d]e vergoeding bij ontslag en de vergoeding bij pensionering van de werknemer die binnen dezelfde onderneming voltijds en deeltijds werkzaam is geweest, worden berekend naar rato van de tijdvakken van arbeid die hij sinds zijn indiensttreding volgens een van deze twee wijzen heeft vervuld’?

2)      Moet clausule 2, punten 4 en 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof [...] aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat op een werknemer met deeltijds ouderschapsverlof op het ogenblik van zijn ontslag een bepaling van nationaal recht wordt toegepast zoals artikel R. 1233‑32 van het arbeidswetboek, dat bepaalt dat tijdens de periode van re‑integratieverlof die de opzeggingstermijn overschrijdt, de werknemer van de werkgever een maandelijkse vergoeding ontvangt, die ten minste 65 % bedraagt van zijn aan de heffingen van artikel L. 5422‑9 van het arbeidswetboek onderworpen gemiddelde brutomaandloon voor de twaalf laatste maanden vóór de kennisgeving van het ontslag?

3)      Ingeval een van de twee bovenstaande vragen bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 157 [VWEU] dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen bepalingen van nationaal recht zoals die van het toentertijd geldende artikel L. 3123‑13 van het arbeidswetboek, alsook van artikel R. 1233‑32 van dat wetboek, aangezien een aanzienlijk groter aantal vrouwen dan mannen voor deeltijds ouderschapsverlof kiest en de indirecte discriminatie die eruit volgt inzake de ontslagvergoeding en de re‑integratieverlofuitkering, die lager zijn vergeleken met die van de werknemers die geen deeltijds ouderschapsverlof hebben opgenomen, niet wordt gerechtvaardigd door objectieve elementen die niets met discriminatie van doen hebben?”

 Eerste en tweede vraag

31      Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 2, punten 4 en 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat wanneer een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer wordt ontslagen tijdens zijn deeltijds ouderschapsverlof, de aan deze werknemer te betalen ontslagvergoeding en re‑integratieverlofuitkering minstens gedeeltelijk worden bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van het ontslag.

 Ontvankelijkheid

32      Praxair MRC en de Franse regering betogen dat, aangezien het hoofdgeding betrekking heeft op een geschil tussen twee particulieren en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet Unierechtconform kan worden uitgelegd, RE zich niet op de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof kan beroepen om zich tegen de toepassing van die regeling te verzetten, gesteld dat deze in strijd zou zijn met het Unierecht. Bijgevolg zijn de eerste en de tweede vraag niet dienstig voor de beslechting van het hoofdgeding. Zij zijn dus hypothetisch en derhalve niet-ontvankelijk.

33      Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een Unierechtelijke regel, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 10 december 2018, Wightman e.a., C‑621/18, EU:C:2018:999, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Bijgevolg worden vragen die het Unierecht betreffen, vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden wanneer de gevraagde uitlegging van een regel van Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 10 december 2018, Wightman e.a., C‑621/18, EU:C:2018:999, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Blijkens de rechtspraak is het Hof bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de bepalingen van het Unierecht, ongeacht of zij al dan niet rechtstreekse werking hebben (arrest van 27 november 2012, Pringle, C‑370/12, EU:C:2012:756, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36      Wat voorts de verplichting tot conforme uitlegging betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting voor de lidstaten om het daarin voorgeschreven resultaat te bereiken en de krachtens artikel 4, lid 3, VEU en artikel 288 VWEU bestaande plicht om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, gelden voor alle met overheidsgezag beklede instanties van de lidstaten en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties (arrest van 4 oktober 2018, Link Logistik N&N, C‑384/17, EU:C:2018:810, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37      Met het oog op de nakoming van die verplichting vereist het beginsel volgens hetwelk het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht dient te worden uitgelegd, dat de nationale autoriteiten binnen hun bevoegdheden, met inachtneming van het gehele nationale recht en met toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doen om de volle werking van het Unierecht te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (arrest van 4 oktober 2018, Link Logistik N&N, C‑384/17, EU:C:2018:810, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      Met betrekking tot dat beginsel dat het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht dient te worden uitgelegd, gelden echter bepaalde beperkingen. Zo wordt de verplichting voor de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht te refereren aan de inhoud van het Unierecht, begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan zij niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (arrest van 4 oktober 2018, Link Logistik N&N, C‑384/17, EU:C:2018:810, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing, zoals in punt 27 van het onderhavige arrest is uiteengezet, dat de verwijzende rechter weliswaar betwijfelt maar ook niet uitsluit dat de in de eerste en de tweede vraag genoemde nationale regeling conform kan worden uitgelegd. Het staat aan die rechter om te bepalen of hij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling kan uitleggen in overeenstemming met het Unierecht.

40      In die omstandigheden moeten de eerste en de tweede vraag worden geacht ontvankelijk te zijn.

 Ten gronde

41      Vooraf moet erop worden gewezen dat blijkens de eerste alinea van de preambule van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof alsook de punten 4 en 5 van de algemene overwegingen van deze raamovereenkomst en clausule 1, punt 1, ervan, deze raamovereenkomst een verbintenis van de sociale partners vormt om door middel van minimumvoorschriften maatregelen in te voeren om zowel mannen als vrouwen de mogelijkheid te bieden hun beroeps- en gezinstaken te combineren (arresten van 22 oktober 2009, Meerts, C‑116/08, EU:C:2009:645, punt 35, en 27 februari 2014, Lyreco Belgium, C‑588/12, EU:C:2014:99, punt 30).

42      Volgens clausule 1, punt 2, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof is deze overeenkomst van toepassing op alle werknemers, zowel mannen als vrouwen, met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding overeenkomstig de in elke lidstaat geldende wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken.

43      Het staat vast dat dit in het hoofdgeding het geval was voor RE, zodat zij binnen de werkingssfeer van deze kaderovereenkomst valt.

44      In zijn eerste en zijn tweede vraag verwijst de verwijzende rechter naar clausule 2, punten 4 en 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof. Clausule 2, punt 4, bepaalt dat, teneinde te waarborgen dat de werknemers van hun recht op ouderschapsverlof gebruik kunnen maken, de lidstaten en/of de sociale partners overeenkomstig de wetgeving, de collectieve overeenkomsten of de nationale gebruiken de nodige maatregelen nemen om de werknemers te beschermen tegen ontslag „wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof”.

45      In casu werd RE ontslagen in het kader van een collectief ontslag om economische redenen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet dat zij werd ontslagen wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof.

46      In die omstandigheden hoeft op de eerste en de tweede vraag niet te worden geantwoord wat clausule 2, punt 4, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof betreft, aangezien alleen clausule 2, punt 6, ervan relevant is.

47      Volgens laatstgenoemde bepaling blijven de op de datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof, en zijn deze rechten, met inbegrip van de uit de wetgeving, collectieve overeenkomsten of nationale gebruiken voortvloeiende veranderingen, van toepassing na afloop van dit verlof.

48      In dit verband blijkt zowel uit de formulering van clausule 2, punt 6, als uit de context van deze bepaling dat zij tot doel heeft te voorkomen dat de uit de arbeidsverhouding voortvloeiende verworven rechten of rechten in wording waarop de werknemer op de datum van ingang van het ouderschapsverlof aanspraak kan maken, verloren gaan of worden beperkt, en te verzekeren dat de werknemer zich na afloop van het verlof, wat deze rechten betreft, in dezelfde situatie bevindt als waarin hij zich vóór dit verlof bevond (arresten van 22 oktober 2009, Meerts, C‑116/08, EU:C:2009:645, punt 39, en 27 februari 2014, Lyreco Belgium, C‑588/12, EU:C:2014:99, punt 43).

49      Gelet op de doelstelling van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, die door de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof wordt nagestreefd, moet clausule 2, punt 6, ervan worden opgevat als de uitdrukking van een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie, zodat zij niet restrictief mag worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 22 oktober 2009, Meerts, C‑116/08, EU:C:2009:645, punt 42).

50      Uit de doelstellingen van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof blijkt dat het begrip „verworven rechten of rechten in wording” in de zin van clausule 2, punt 6, alle rechten en voordelen in geld of in natura omvat die direct of indirect uit de arbeidsverhouding voortvloeien en waarop de werknemer jegens de werkgever aanspraak kan maken op de datum van ingang van het ouderschapsverlof (arrest van 22 oktober 2009, Meerts, C‑116/08, EU:C:2009:645, punt 43).

51      Tot die rechten en voordelen behoren alle rechten en voordelen die verband houden met de arbeidsvoorwaarden, zoals het recht van een voltijdse werknemer die deeltijds ouderschapsverlof geniet om, in geval van eenzijdige beëindiging door de werkgever van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, een opzeggingstermijn te krijgen, waarvan de duur afhangt van de anciënniteit van de werknemer in de onderneming en die tot doel heeft de zoektocht naar een nieuwe betrekking te vergemakkelijken (arrest van 22 oktober 2009, Meerts, C‑116/08, EU:C:2009:645, punt 44).

52      Het is juist dat een in het kader van een voltijdse arbeidsovereenkomst in dienst genomen werknemer tijdens zijn deeltijds ouderschapsverlof niet evenveel uren werkt als een werknemer die voltijds werkt. Deze omstandigheid betekent evenwel niet dat de twee werknemers in een andere situatie verkeren wat hun aanvankelijke arbeidsovereenkomst met hun werkgever betreft (arrest van 22 oktober 2009, Meerts, C‑116/08, EU:C:2009:645, punt 51).

53      Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, moet bij een werknemer die in het kader van een voltijdse arbeidsovereenkomst in dienst is genomen en die deeltijds ouderschapsverlof opneemt, de eenzijdige verbreking door de werkgever immers worden geacht betrekking te hebben op de voltijdse arbeidsovereenkomst (zie in die zin arrest van 22 oktober 2009, Meerts, C‑116/08, EU:C:2009:645, punt 55).

54      In die omstandigheden heeft het Hof voor recht verklaard dat clausule 2, punten 6 en 7, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat, wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst van een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer tijdens diens deeltijds ouderschapsverlof zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn eenzijdig beëindigt, de aan de werknemer te betalen vergoeding wordt bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van het ontslag (arrest van 22 oktober 2009, Meerts, C‑116/08, EU:C:2009:645, punt 56).

55      Wat ten eerste een ontslagvergoeding als die in het hoofdgeding betreft, moet in casu worden geconstateerd dat deze vergoeding wordt betaald uit hoofde van de arbeidsverhouding tussen de begunstigde en zijn voormalige werkgever. Een dergelijke vergoeding valt dan ook binnen de werkingssfeer van clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof.

56      Zoals uit de in punt 54 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt, moet, wanneer een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer wordt ontslagen tijdens diens deeltijds ouderschapsverlof, zijn ontslagvergoeding volledig worden bepaald op basis van het loon voor zijn voltijdse arbeidsprestaties.

57      Een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de uit de arbeidsverhouding voortvloeiende rechten in geval van ouderschapsverlof zouden worden beperkt, zou de werknemer immers ervan kunnen weerhouden een dergelijk verlof te nemen en de werkgever ertoe kunnen aanzetten eerder werknemers met ouderschapsverlof te ontslaan dan andere werknemers. Dat zou regelrecht indruisen tegen de doelstelling van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, die onder meer ertoe strekt het beroeps‑ en gezinsleven beter te kunnen combineren (arrest van 22 oktober 2009, Meerts, C‑116/08, EU:C:2009:645, punt 47).

58      In die omstandigheden verzet clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof zich tegen een nationale bepaling als die in het hoofdgeding die tot gevolg heeft dat rekening wordt gehouden met het verminderde loon dat de werknemer met deeltijds ouderschapsverlof ontvangt op het tijdstip van zijn ontslag, door erin te voorzien dat de ontslagvergoeding voor een werknemer die binnen dezelfde onderneming voltijds en deeltijds werkzaam is geweest, wordt berekend naar rato van de tijdvakken van arbeid die hij sinds zijn indiensttreding volgens een van deze twee wijzen heeft vervuld.

59      Wat ten tweede de re‑integratieverlofuitkering betreft waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet, zij erop gewezen dat die samenhangt met het re‑integratieverlof. Blijkens de verwijzingsbeslissing zijn werkgevers van in die regeling bedoelde ondernemingen gehouden de werknemers die zij voornemens zijn te ontslaan om economische redenen, re‑integratieverlof aan te bieden, welk verlof bedoeld is om de werknemer in staat te stellen opleidingen te volgen en zich in een centrum te laten begeleiden als werkzoekende.

60      Nagegaan moet worden of een prestatie zoals de re‑integratieverlofuitkering binnen de werkingssfeer van clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof valt en, zo ja, of deze bepaling zich ertegen verzet dat die uitkering wordt berekend op de wijze die is vastgesteld in een regeling zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding.

61      Gelet op de in punt 50 van dit arrest aangehaalde rechtspraak vormt een prestatie als de re‑integratieverlofuitkering, gezien de voorwaarden voor toekenning ervan, een uit de arbeidsverhouding voortvloeiend recht waarop de werknemer aanspraak kan maken jegens de werkgever. Het enkele feit dat die uitkering niet automatisch wordt toegekend – de ontslagen werknemer moet deze aanvragen bij de werkgever – en dat ze wordt betaald voor de duur dat het re‑integratieverlof de opzegtermijn overschrijdt, lijkt niet af te doen aan die vaststelling.

62      In die omstandigheden is clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof van toepassing op een prestatie als de re‑integratieverlofsuitkering.

63      Wat de berekeningsmethode voor die uitkering betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling bepaalt dat wanneer een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer wordt ontslagen tijdens zijn deeltijds ouderschapsverlof, die uitkering minstens gedeeltelijk wordt berekend op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van het ontslag.

64      Net als de ontslagvergoeding moet een prestatie als de re‑integratieverlofsuitkering echter op grond van clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof volledig worden bepaald op basis van het loon voor de arbeidsprestaties die de werknemer voltijds heeft verricht.

65      Gelet op het voorgaande dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat wanneer een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer wordt ontslagen tijdens zijn deeltijds ouderschapsverlof, de aan hem te betalen ontslagvergoeding en re‑integratieverlofuitkering minstens gedeeltelijk worden bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van zijn ontslag.

 Derde vraag

66      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 157 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling als die in het hoofdgeding die bepaalt dat wanneer een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer wordt ontslagen tijdens zijn deeltijds ouderschapsverlof, zijn ontslagvergoeding en re‑integratieverlofuitkering minstens gedeeltelijk worden bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van zijn ontslag, wanneer een aanzienlijk groter aantal vrouwen dan mannen voor deeltijds ouderschapsverlof kiest en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling niet kan worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben.

67      Om te beginnen moet erop worden gewezen dat artikel 157 VWEU dwingend recht is, zodat het verbod van discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers niet alleen geldt voor het handelen van de overheid, maar ook van toepassing is op alle overeenkomsten die de arbeid in loondienst collectief regelen, alsmede op contracten tussen particulieren (zie in die zin arresten van 8 april 1976, Defrenne, 43/75, EU:C:1976:56, punt 39, en 18 november 2004, Sass, C‑284/02, EU:C:2004:722, punt 25).

68      Aldus kan het in dit artikel vervatte beginsel voor de nationale rechterlijke instanties met name worden ingeroepen bij discriminatie die rechtstreeks haar oorsprong vindt in wettelijke bepalingen of collectieve arbeidsovereenkomsten en wanneer de arbeid in eenzelfde – particuliere of openbare – instelling of dienst wordt verricht (zie in die zin arresten van 8 april 1976, Defrenne, 43/75, EU:C:1976:56, punt 40, en 13 januari 2004, Allonby, C‑256/01, EU:C:2004:18, punt 45).

69      Volgens artikel 157, lid 2, VWEU moet onder „beloning” worden verstaan het gewone basis‑ of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.

70      Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het begrip „beloning” in de zin van artikel 157, lid 2, VWEU ruim moet worden uitgelegd. Het omvat met name alle huidige of toekomstige voordelen in geld of in natura, mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking worden toegekend, ongeacht of dit op basis van een arbeidsovereenkomst, uit hoofde van wettelijke bepalingen dan wel vrijwillig gebeurt. Bovendien sluit de omstandigheid dat bepaalde uitkeringen na de beëindiging van de dienstbetrekking worden betaald, niet uit dat zij een beloning kunnen vormen in de zin van deze bepaling (arresten van 6 december 2012, Dittrich e.a., C‑124/11, C‑125/11 en C‑143/11, EU:C:2012:771, punt 35, en 19 september 2018, Bedi, C‑312/17, EU:C:2018:734, punt 33).

71      Wat de door de werkgever aan de werknemer bij diens ontslag toegekende vergoedingen betreft, heeft het Hof reeds vastgesteld dat deze een vorm van uitgestelde beloning vormen waarop de werknemer recht heeft uit hoofde van zijn dienstbetrekking maar die hem eerst bij beëindiging van de arbeidsverhouding worden uitbetaald om hem te helpen zich aan te passen aan de daardoor ontstane nieuwe omstandigheden (arresten van 17 mei 1990, Barber, C‑262/88, EU:C:1990:209, punt 13, en 19 september 2018, Bedi, C‑312/17, EU:C:2018:734, punt 35).

72      In casu zij erop gewezen dat prestaties zoals de ontslagvergoeding en de re‑integratieverlofuitkering voldoen aan de in de punten 70 en 71 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden. Dergelijke prestaties moeten dan ook worden gekwalificeerd als „beloningen” in de zin van artikel 157 VWEU.

73      Aangaande de vaststelling of sprake is van discriminatie, moet in herinnering worden gebracht dat dit volgens vaste rechtspraak het geval is wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties (arresten van 13 februari 1996, Gillespie e.a., C‑342/93, EU:C:1996:46, punt 16, en 14 juli 2016, Ornano, C‑335/15, EU:C:2016:564, punt 39).

74      De Franse regering betoogt in dit verband dat een werknemer met deeltijds ouderschapsverlof niet hoeft te worden vergeleken met een werknemer die voltijds werkt, en verwijst daarbij naar clausule 4, punt 2, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, waarin staat dat „[w]anneer zulks passend is, [...] het ‚pro rata temporis’-beginsel [wordt] toegepast”.

75      Deze regering beroept zich, net als Praxair MRC, tevens op punt 63 van het arrest van 16 juli 2009, Gómez-Limón Sánchez-Camacho (C‑537/07, EU:C:2009:462), waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen zich er niet tegen verzet dat een werknemer gedurende deeltijds ouderschapsverlof rechten verwerft op een pensioen wegens blijvende invaliditeit naar evenredigheid van de gewerkte tijd en het ontvangen loon en niet alsof hij voltijds had gewerkt. Een werknemer met deeltijds ouderschapsverlof zou dus niet moeten worden vergeleken met een werknemer die voltijds werkt.

76      In dit verband moet echter een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds rechten die specifiek rekening houden met de situatie van deeltijds ouderschapsverlof, en anderzijds rechten die niet specifiek uit deze situatie voortvloeien.

77      Bij een werknemer die in dienst is genomen in het kader van een voltijdse arbeidsovereenkomst en die deeltijds ouderschapsverlof opneemt, moet, zoals uit punt 53 van dit arrest volgt, de eenzijdige verbreking door de werkgever worden geacht betrekking te hebben op de voltijdse arbeidsovereenkomst.

78      Met betrekking tot het recht op prestaties zoals de ontslagvergoeding en de re‑integratieverlofuitkering is de situatie van een werknemer met deeltijds ouderschapsverlof, zoals volgt uit de punten 51 en 55 van het arrest van 22 oktober 2009, Meerts (C‑116/08, EU:C:2009:645), vergelijkbaar met de situatie van een voltijdse werknemer wat die prestaties betreft. Deze vaststelling geldt eveneens in het kader van artikel 157 VWEU.

79      Volgens vaste rechtspraak van het Hof verzet het in artikel 157 VWEU neergelegde beginsel van gelijke beloning zich niet alleen tegen de toepassing van bepalingen die een rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminatie inhouden, maar ook tegen de toepassing van bepalingen die aan de hand van geslachtsneutrale criteria verschillen in behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers handhaven, indien deze verschillen niet kunnen worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben (zie in die zin arresten van 15 december 1994, Helmig e.a., C‑399/92, C‑409/92, C‑425/92, C‑34/93, C‑50/93 en C‑78/93, EU:C:1994:415, punt 20, en 17 juli 2014, Leone, C‑173/13, EU:C:2014:2090, punt 40).

80      Meer in het bijzonder blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat van indirecte discriminatie op grond van geslacht sprake is wanneer de toepassing van een nationale maatregel, al is deze op neutrale wijze geformuleerd, in feite een groter aantal werknemers van het ene geslacht dan van het andere benadeelt. Een dergelijke maatregel is alleen verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling wanneer het verschil in behandeling tussen de twee categorieën van werknemers gerechtvaardigd is door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben (zie in die zin arrest van 17 juli 2014, Leone, C‑173/13, EU:C:2014:2090, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81      In casu volgt uit de toepassing van een regeling zoals die in het hoofdgeding, die neutraal is geformuleerd, dat wanneer een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer wordt ontslagen terwijl hij met deeltijds ouderschapsverlof is, hij benadeeld wordt ten aanzien van een werknemer die wordt ontslagen terwijl hij voltijds werkt. Bij de werknemer met deeltijds ouderschapsverlof worden de ontslagvergoeding en de re‑integratieverlofuitkering immers minstens gedeeltelijk bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van zijn ontslag.

82      De verwijzende rechter geeft in zijn derde vraag aan dat aanzienlijk meer vrouwen dan mannen voor deeltijds ouderschapsverlof kiezen. Hij wijst er in de verwijzingsbeslissing op dat volgens de advocaat-generaal van de Cour de cassation uit de nationale statistieken van maart 2016 blijkt dat in Frankrijk 96 % van de werknemers die ouderschapsverlof nemen, vrouwen zijn.

83      In een dergelijk geval is een nationale regeling als die in het hoofdgeding alleen verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling indien het aldus gecreëerde verschil in behandeling tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers in voorkomend geval kan worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben.

84      Uit onder meer de bewoordingen van zijn derde vraag blijkt dat de verwijzende rechter meent dat dit verschil in behandeling niet wordt gerechtvaardigd door dergelijke objectieve elementen.

85      In haar schriftelijke opmerkingen voert de Franse regering voor dit verschil in behandeling geen objectief gerechtvaardigde factoren aan die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.

86      In die omstandigheden lijkt een nationale regeling als die in het hoofdgeding niet in overeenstemming te zijn met het in artikel 157 VWEU neergelegde beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid.

87      Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 157 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die bepaalt dat wanneer een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer wordt ontslagen tijdens zijn deeltijds ouderschapsverlof, zijn ontslagvergoeding en re‑integratieverlofuitkering minstens gedeeltelijk worden bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van zijn ontslag, wanneer een aanzienlijk groter aantal vrouwen dan mannen voor deeltijds ouderschapsverlof kiest en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling niet kan worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben.

 Kosten

88      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, gesloten op 14 december 1995 en opgenomen als bijlage bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/75/EG van de Raad van 15 december 1997, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat wanneer een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer wordt ontslagen tijdens zijn deeltijds ouderschapsverlof, de aan hem te betalen ontslagvergoeding en reintegratieverlofuitkering minstens gedeeltelijk worden bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van zijn ontslag.

2)      Artikel 157 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die bepaalt dat wanneer een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer wordt ontslagen tijdens zijn deeltijds ouderschapsverlof, zijn ontslagvergoeding en reintegratieverlofuitkering minstens gedeeltelijk worden bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van zijn ontslag, wanneer een aanzienlijk groter aantal vrouwen dan mannen voor deeltijds ouderschapsverlof kiest en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling niet kan worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.