Language of document : ECLI:EU:C:2019:380

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

8 mei 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Markten voor financiële instrumenten – Richtlijn 2004/39/EG – Artikelen 8, 23, 50 en 51 – Werkingssfeer – Financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten – Agent die verdachte in een strafprocedure is – Nationale wettelijke regeling die voorziet in de mogelijkheid om de uitoefening van de activiteit tijdelijk te verbieden – Fundamentele vrijheden – Zuiver interne situatie – Niet-toepasselijkheid”

In zaak C‑53/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) bij beslissing van 7 juli 2017, ingekomen bij het Hof op 29 januari 2018, in de procedure

Antonio Pasquale Mastromartino

tegen

Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob),

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), E. Levits, C. Vajda en P. G. Xuereb, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Antonio Pasquale Mastromartino, vertegenwoordigd door G. Fonderico en H. Bonura, avvocati,

–        de Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob), vertegenwoordigd door P. Palmisano, S. Providenti en E. Garzia, avvocati,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo, avvocato dello Stato,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Di Bucci en T. Scharf als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB 2004, L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 (PB 2010, L 331, blz. 120) (hierna: „MFI‑richtlijn”), met name de artikelen 8, 23 en 51 ervan, alsmede de beginselen en bepalingen van de Verdragen inzake non-discriminatie, evenredigheid, het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Antonio Pasquale Mastromartino en de Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob) (nationale commissie voor vennootschappen en de beurs, Italië) over de wettigheid van het tijdelijk verbod om buiten de bedrijfsruimten de activiteit van financieel adviseur uit te oefenen, dat Consob verzoeker in het hoofdgeding heeft opgelegd.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 36 en 38 van de MFI‑richtlijn luiden als volgt:

„(36)      Met uitzondering van bepaalde vrijgestelde personen dienen personen die voor rekening van meer dan één beleggingsonderneming beleggingsdiensten verrichten, niet als verbonden agenten maar als beleggingsondernemingen te worden beschouwd indien zij onder de in deze richtlijn vastgestelde definitie vallen.

[...]

(38)      De voorwaarden om activiteiten buiten de bedrijfsruimten van de beleggingsonderneming (huis-aan-huis-verkopen) te ontplooien, hoeven niet onder deze richtlijn te vallen.”

4        Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt:

„1.      Deze richtlijn is van toepassing op beleggingsondernemingen en gereglementeerde markten.

2.      De volgende bepalingen zijn tevens van toepassing op kredietinstellingen waaraan overeenkomstig richtlijn 2000/12/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB 2000, L 126, blz. 1)] vergunning is verleend, wanneer deze één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten verrichten [...].”

5        Artikel 4, lid 1, punten 1, 14 en 25, van de richtlijn luidt:

„1.      In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)      beleggingsonderneming: iedere rechtspersoon wiens gewone beroep of bedrijf bestaat in het beroepsmatig verrichten van een of meer beleggingsdiensten voor derden en/of het uitoefenen van een of meer beleggingsactiviteiten.

De lidstaten kunnen ook ondernemingen die geen rechtspersoon zijn onder de definitie van beleggingsonderneming laten vallen [...]:

[...]

Wanneer een natuurlijke persoon echter diensten verricht die het aanhouden van aan derden toebehorende gelden of effecten met zich brengen, mag hij voor de toepassing van deze richtlijn alleen als een beleggingsonderneming worden beschouwd, indien hij, onverminderd de overige in deze richtlijn en in richtlijn 93/6/EEG gestelde eisen, aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)      de eigendomsrechten van derden ten aanzien van gelden en instrumenten moeten gewaarborgd zijn [...];

b)      de onderneming moet onderworpen zijn aan regels die tot doel hebben toezicht te houden op de solvabiliteit van de onderneming en van haar eigenaars;

c)      de jaarrekening van de onderneming moet worden gecontroleerd [...];

d)      wanneer de onderneming slechts één eigenaar heeft, moet deze maatregelen nemen ter bescherming van de beleggers in geval van beëindiging van de activiteiten van de onderneming ten gevolge van zijn overlijden, onbekwaamheid of andere vergelijkbare omstandigheden.

[...]

14)      gereglementeerde markt: een door een marktexploitant geëxploiteerd en/of beheerd multilateraal systeem dat meerdere koop‑ en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten – binnen dit systeem en volgens de niet-discretionaire regels van dit systeem – samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking tot financiële instrumenten die volgens de regels en de systemen van de markt tot de handel zijn toegelaten, en waaraan vergunning is verleend en die regelmatig werkt, overeenkomstig het bepaalde in titel III;

[...]

25)      verbonden agent: een natuurlijke of rechtspersoon die, onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van slechts één beleggingsonderneming voor rekening waarvan hij optreedt de beleggings‑ en/of nevendiensten bij cliënten of potentiële cliënten promoot, instructies of orders van cliënten met betrekking tot beleggingsdiensten of financiële instrumenten ontvangt en doorgeeft, financiële instrumenten plaatst en/of advies verstrekt aan cliënten of potentiële cliënten met betrekking tot deze financiële instrumenten of diensten;”

6        Volgens artikel 5, lid 1, van de MFI‑richtlijn dienen de lidstaten voor het als gewoon bedrijf beroepsmatig verrichten van beleggingsdiensten of ‑activiteiten vooraf een vergunning te verlenen. In artikel 8 van deze richtlijn zijn de voorwaarden opgenomen waaronder de bevoegde autoriteiten een aan een dergelijke onderneming afgegeven vergunning kunnen intrekken.

7        Artikel 13 van deze richtlijn, „Organisatorische eisen”, bepaalt in lid 2 ervan:

„Een beleggingsonderneming stelt adequate gedragsregels en afdoende procedures vast om te garanderen dat de onderneming, inclusief haar bestuurders, werknemers en verbonden agenten, de verplichtingen van deze richtlijn nakomen, alsmede passende regels voor persoonlijke transacties van die personen.”

8        Artikel 23 van de richtlijn, „Verplichtingen van beleggingsondernemingen wanneer zij verbonden agenten aanwijzen”, luidt:

„1.      De lidstaten kunnen besluiten een beleggingsonderneming toe te staan verbonden agenten aan te wijzen om de diensten van de beleggingsonderneming te promoten, diensten aan te bieden of orders van cliënten of potentiële cliënten te ontvangen en door te geven, financiële instrumenten te plaatsen en advies te verstrekken in verband met deze financiële instrumenten en diensten die door deze beleggingsonderneming worden aangeboden.

2.      De lidstaten schrijven voor dat ingeval een beleggingsonderneming besluit een verbonden agent aan te wijzen, die beleggingsonderneming volledig en onvoorwaardelijk verantwoordelijk moet blijven voor elke handeling of elk verzuim van de verbonden agent die voor rekening van de onderneming optreedt. De lidstaten schrijven voor dat de beleggingsonderneming erop moet toezien dat een verbonden agent kenbaar maakt in welke hoedanigheid hij optreedt en welke onderneming hij vertegenwoordigt wanneer hij contact opneemt of voordat hij zaken doet met een cliënt of potentiële cliënt.

[...]

De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen de werkzaamheden van hun verbonden agenten controleren om te waarborgen dat zij zich doorlopend aan deze richtlijn houden wanneer zij met verbonden agenten werken.

3.      De lidstaten die besluiten beleggingsondernemingen toe te staan om verbonden agenten aan te wijzen, leggen een openbaar register aan. Verbonden agenten worden ingeschreven in het openbaar register in de lidstaat waar zij gevestigd zijn. [...]

[...]

De lidstaten dragen er zorg voor dat de inschrijving van verbonden agenten in het openbaar register slechts mogelijk is wanneer is vastgesteld dat zij voldoende betrouwbaar zijn en dat zij over passende algemene, zakelijke en beroepskennis beschikken om in staat te zijn alle dienstige informatie betreffende de aangeboden dienst accuraat aan de cliënt of potentiële cliënt mede te delen.

[...]

4.      De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen die verbonden agenten aanwijzen afdoende maatregelen treffen ter voorkoming van eventuele negatieve gevolgen die de niet onder deze richtlijn vallende werkzaamheden van de verbonden agent kunnen hebben voor de werkzaamheden die de verbonden agent voor rekening van de beleggingsonderneming verricht.

[...]

5.      De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen uitsluitend verbonden agenten aanwijzen die in de in lid 3 bedoelde openbare registers zijn ingeschreven.

6.      De lidstaten mogen de in dit artikel gestelde eisen aanscherpen of daaraan eisen toevoegen voor in hun rechtsgebied ingeschreven verbonden agenten.”

9        Overeenkomstig artikel 50, lid 1 en lid 2, onder g), van de MFI‑richtlijn worden aan de bevoegde autoriteiten alle controle‑ en onderzoeksbevoegdheden verleend die nodig zijn voor de vervulling van hun taken. Deze bevoegdheden worden uitgeoefend binnen de beperkingen van de nationale wetgeving en omvatten ten minste en met name het recht om „om een tijdelijk verbod op beroepsuitoefening te verzoeken”.

10      Artikel 51, lid 1, van deze richtlijn, „Administratieve sancties”, bepaalt:

„Onverminderd de voor de intrekking van de vergunning geldende procedures en onverminderd het recht van de lidstaten tot het opleggen van strafrechtelijke sancties dragen de lidstaten er zorg voor dat overeenkomstig hun nationale wetgeving passende administratieve maatregelen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan de verantwoordelijke personen indien de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen niet worden nageleefd. De lidstaten zien erop toe dat deze maatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

 Italiaans recht

11      Artikel 31 van decreto legislativo n. 58 – Testo unico delle disposizioni in materia di intermediazione finanziaria, ai sensi degli articoli 8 e 21 della legge 6 febbraio 1996, n. 52 (wetsbesluit nr. 58 houdende geconsolideerde bepalingen inzake financiële intermediairs overeenkomstig de artikelen 8 en 21 van wet nr. 52 van 6 februari 1996) van 24 februari 1998 (gewoon supplement bij GURI nr. 71 van 26 maart 1998) (hierna: „TUF”), bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:

„1.      Voor de uitoefening van activiteiten buiten de bedrijfsruimten wijzen de bevoegde eenheden financieel adviseurs buiten de bedrijfsruimten aan. [...]

2.      De activiteit van financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten wordt uitsluitend uitgeoefend in het belang van één bevoegde eenheid. De adviseur buiten de bedrijfsruimten promoot beleggings‑ en/of nevendiensten bij cliënten of potentiële cliënten en plaatst deze, ontvangt instructies of orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten of beleggingsdiensten en geeft deze door, promoot financiële producten en plaatst deze en/of verstrekt aan cliënten of potentiële cliënten advies met betrekking tot deze producten of diensten. [...]”

12      Volgens artikel 55, lid 2, TUF kan de Consob bij wege van conservatoire maatregel beslissen om de activiteit van een financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten voor maximaal een jaar te schorsen, met name wanneer deze de status van verdachte op grond van artikel 60 van het wetboek van strafvordering heeft in verband met een van de in artikel 55, lid 2, bedoelde strafbare feiten.

13      Artikel 111, lid 2, van de regolamento recante norme di attuazione del decreto legislativo 24 febbraio 1998, n. 58 in materia di intermediari (verordening tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften voor wetsbesluit nr. 58 van 24 februari 1998 betreffende tussenpersonen), vastgesteld door de Consob bij besluit nr. 16190 van 29 oktober 2007, bepaalt:

„Met het oog op de eventuele vaststelling van de conservatoire maatregelen als bedoeld in artikel 55, lid 2, [TUF] beoordeelt de Consob, binnen de grenzen van de haar bij wet toegekende bevoegdheden de omstandigheden waaronder de financieel adviseur die bevoegd is tot het doen van aanbiedingen buiten bedrijfsruimten [...] de status heeft van verdachte voor een van de strafbare feiten die in de bovengenoemde bepaling zijn vermeld. De Consob houdt in het bijzonder rekening met de kwalificatie van het misdrijf en met de mogelijkheid dat bovengenoemde omstandigheden schade berokkenen aan de specifieke belangen die verbonden zijn aan de uitoefening van de functie van financieel adviseur die bevoegd is tot het doen van aanbiedingen buiten bedrijfsruimten.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14      Mastromartino is werkzaam als financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten. Bij besluit van 11 november 2015, genomen op basis van artikel 55, lid 2, TUF, heeft de Consob hem verboden om voor de duur van een jaar deze werkzaamheid uit te oefenen, op grond dat een strafprocedure tegen hem was ingeleid.

15      Mastromartino heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië). Voor die rechter heeft hij met name betoogd dat artikel 55, lid 2, TUF, zijnde de rechtsgrondslag voor het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod om tijdelijk de werkzaamheid van financieel adviseur uit te oefenen, onverenigbaar is met de bepalingen van de MFI‑richtlijn. Voorts zou de omvang van de discretionaire bevoegdheid waarover de Consob op grond van de nationale regeling beschikt om een dergelijk tijdelijk verbod op te leggen, in strijd zijn met de beginselen van transparantie en objectiviteit in de zin van de rechtspraak van het Hof over de fundamentele vrijheden.

16      De Consob betwist dit betoog met name op grond dat de richtlijn niet van toepassing zou zijn op het onderhavige hoofdgeding.

17      Daarop heeft de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Valt de verbonden agent (tied agent) onder de harmonisatie waarin [de MFI‑richtlijn] voorziet, en in welk opzicht?

2)      Staat een nationale regeling, zoals die van artikel 55, lid 2, [TUF], zoals gewijzigd, alsmede artikel 111, lid 2, [van de verordening tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften voor wetsbesluit nr. 58 van 24 februari 1998 betreffende tussenpersonen, vastgesteld door de Consob bij besluit nr. 16190 van 29 oktober 2007], in de weg aan de juiste toepassing van [de MFI‑richtlijn], in het bijzonder de artikelen 8, 23 en 51 daarvan, en van de beginselen en regels van de Verdragen inzake non-discriminatie, evenredigheid, vrijheid van dienstverrichting en van vestiging, voor zover die nationale regeling:

a)      de discretionaire bevoegdheid toekent tot het opleggen van een verbod tot uitoefening van de activiteit van ‚verbonden agent’ (adviseur die bevoegd is tot het doen van aanbiedingen buiten bedrijfsruimten) wegens feiten die niet leiden tot het verlies van betrouwbaarheid, zoals gedefinieerd in het nationale recht, en die tegelijkertijd geen verband houden met de naleving van de regels ter uitvoering van [die] richtlijn;

b)      de discretionaire bevoegdheid toekent tot het opleggen van een verbod, voor maximaal één jaar, tot uitoefening van de activiteit van ‚verbonden agent’ (adviseur die bevoegd is tot het doen van aanbiedingen buiten bedrijfsruimten) bij een procedure ter voorkoming van ‚strepitus’ die het gevolg is van de tenlastelegging in strafprocedures die doorgaans veel langer dan een jaar duren?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

18      Met zijn prejudiciële vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de MFI‑richtlijn, met name de artikelen 8, 23, 50 en 51 daarvan, de bepalingen van het VWEU over de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten alsmede de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een tijdelijk verbod om de werkzaamheid van financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten uit te oefenen, zoals in het hoofdgeding aan de orde is.

 MFIrichtlijn

19      Teneinde de gestelde vragen te beantwoorden moet allereerst worden nagegaan of een dergelijk verbod binnen de werkingssfeer van de MFI‑richtlijn valt.

20      Volgens artikel 1, lid 1, van de MFI‑richtlijn is deze van toepassing op beleggingsondernemingen en gereglementeerde markten. Volgens artikel 1, lid 2, is een aantal bepalingen van de richtlijn tevens van toepassing op kredietinstellingen waaraan overeenkomstig richtlijn 2000/12 een vergunning is verleend, wanneer zij een of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten verrichten.

21      Aangezien het tijdelijk verbod om de activiteit van financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten uit te oefenen dat in het hoofdgeding aan de orde is, in geen geval verband houdt met het beheer van een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van de MFI‑richtlijn en geen kredietinstelling betreft, rijst alleen de vraag of een dergelijk adviseur valt onder het begrip „beleggingsonderneming” in de zin van die richtlijn.

22      Volgens artikel 4, lid 1, punt 1, eerste alinea, van die richtlijn heeft dat begrip betrekking op rechtspersonen wier gewone beroep of bedrijf bestaat in het beroepsmatig verrichten van een of meer beleggingsdiensten voor derden en/of het uitoefenen van een of meer beleggingsactiviteiten. Een natuurlijk persoon kan onder de voorwaarden van artikel 4, lid 1, punt 1, tweede en derde alinea, weliswaar ook als een beleggingsonderneming worden aangemerkt, doch dit geldt niet wanneer die persoon optreedt onder verantwoordelijkheid en voor rekening van één enkele beleggingsonderneming.

23      Een dergelijk persoon vormt geen beleggingsonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van de MFI‑richtlijn, maar valt onder het begrip „verbonden agent” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 25. Laatstgenoemde bepaling omschrijft een „verbonden agent” als „een natuurlijke of rechtspersoon die, onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van slechts één beleggingsonderneming voor rekening waarvan hij optreedt de beleggings‑ en/of nevendiensten bij cliënten of potentiële cliënten promoot, instructies of orders van cliënten met betrekking tot beleggingsdiensten of financiële instrumenten ontvangt en doorgeeft, financiële instrumenten plaatst en/of advies verstrekt aan cliënten of potentiële cliënten met betrekking tot deze financiële instrumenten of diensten”.

24      Uit artikel 4, lid 1, punten 1 en 25, van de richtlijn blijkt dat deze duidelijk onderscheid maakt tussen de begrippen „beleggingsonderneming” en „verbonden agent”, en dat laatstgenoemd begrip vooral gekenmerkt wordt door het feit dat de verbonden agent optreedt onder verantwoordelijkheid en voor rekening van slechts één beleggingsonderneming. Overweging 36 van de richtlijn preciseert in dit verband dat „personen die voor rekening van meer dan één beleggingsonderneming beleggingsdiensten verrichten, niet als verbonden agenten maar als beleggingsondernemingen [dienen] te worden beschouwd”.

25      In casu staat het weliswaar alleen aan de verwijzende rechter om zich op basis van de omstandigheden van het bij hem aanhangig geding uit te spreken over de kwalificatie van „financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten”, doch dit neemt niet weg dat het Hof bevoegd is om de criteria te noemen die hij daartoe moet toepassen (zie in die zin arrest van 16 november 2017, Robeco Hollands Bezit e.a., C‑658/15, EU:C:2017:70, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Volgens de aanwijzingen in de verwijzingsbeslissing promoot en levert een „financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten” in de zin van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, met name beleggings‑ en/of nevendiensten alsmede beleggingsadviezen aan (potentiële) klanten, en dit uitsluitend in het belang van één beleggingsonderneming. Gelet op de door hem uitgeoefende functie, moet een dergelijk adviseur dus worden aangemerkt als een „verbonden agent” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 25, van de MFI‑richtlijn, en niet als een „beleggingsonderneming”.

27      Wat de vraag betreft of de artikelen 8, 23 en 51 van de MFI‑richtlijn waarnaar de verwijzende rechter verwijst, van toepassing zijn op het hoofdgeding, moet allereerst worden vastgesteld dat artikel 8 van die richtlijn de voorwaarden bevat waaronder de bevoegde autoriteiten aan een beleggingsonderneming de vergunning kunnen ontnemen waarvan de lidstaten de verrichting van beleggingsdiensten of ‑activiteiten door die onderneming afhankelijk moeten stellen. Die richtlijn stelt de activiteit van verbonden agenten echter niet afhankelijk van de voorafgaande afgifte van een vergunning, zodat het tijdelijk verbod om de activiteit van „financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten” uit te oefenen zoals in het hoofdgeding aan de orde is, niet onder artikel 8 valt.

28      Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, regelt artikel 23 van de MFI‑richtlijn evenmin de activiteit van verbonden agenten als zodanig, maar noemt het de voorwaarden waaronder beleggingsondernemingen gebruik kunnen maken van dergelijke agenten. Meer bepaald, artikel 23, lid 2, derde alinea, van die richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 2, daarvan, verplicht de beleggingsondernemingen om regels, procedures en controles in te voeren om te kunnen garanderen dat zijzelf aan de verplichtingen van de richtlijn voldoen wanneer zij met verbonden agenten werken, zonder de voorwaarden te noemen waaronder die agenten hun activiteit mogen uitoefenen.

29      Bovendien volgt uit artikel 23, leden 3 en 5, van de MFI‑richtlijn dat de eis dat verbonden agenten zich moeten inschrijven in een openbaar register, wordt opgevat als een voorwaarde waaraan de beleggingsonderneming moet voldoen om een beroep te kunnen doen op dergelijke agenten. Voorts zij opgemerkt dat die inschrijving met name vooronderstelt dat de ingeschreven persoon voldoende betrouwbaar is. Volgens de aanwijzingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing is het litigieuze verbod echter niet gebaseerd op een vermeende onbetrouwbaarheid van Mastromartino, maar op de omstandigheid een strafprocedure tegen hem is ingeleid.

30      Voorts regelt artikel 23 van de MFI‑richtlijn niet de voorwaarden waaronder de nationale autoriteiten de activiteit van de verbonden agent tijdelijk kunnen verbieden. In dit verband bepaalt artikel 23, lid 6, uitdrukkelijk dat de lidstaten de in artikel 23 genoemde eisen kunnen aanscherpen of daaraan eisen mogen toevoegen voor in hun rechtsgebied ingeschreven verbonden agenten. Een van deze eisen kan met name een dergelijk tijdelijk verbod zijn.

31      Overigens valt dit tijdelijk verbod evenmin onder artikel 50 van de richtlijn. Op grond van artikel 50, lid 1 en lid 2, onder g), moeten de bevoegde autoriteiten weliswaar beschikken over het recht om te verzoeken om een tijdelijk verbod op de beroepsuitoefening, doch uit de voorgaande overwegingen volgt dat die richtlijn niet de activiteit van verbonden agenten regelt. Overweging 38 van die richtlijn preciseert met name dat de voorwaarden om activiteiten buiten de bedrijfsruimten van de beleggingsonderneming te ontplooien, niet onder de richtlijn hoeven te vallen. Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde tijdelijk verbod ziet echter specifiek op de activiteit van financieel adviseurs „buiten de bedrijfsruimten” die niet binnen de MFI‑richtlijn vallen.

32      Ten slotte bepaalt artikel 51, lid 1, van de richtlijn dat de lidstaten gepaste administratieve sancties moeten voorzien voor personen die de krachtens die richtlijn vastgestelde bepalingen niet naleven. Volgens de aanwijzingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing houden de feiten die ten grondslag liggen aan het tijdelijk verbod om de activiteit van „financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten” te verrichten dat in het hoofdgeding aan de orde is, geen verband met schending van de regels die de omzetting van die richtlijn verzekeren. Het gaat dus om feiten waarop artikel 51, lid 1, niet van toepassing is.

33      Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde tijdelijk verbod om de activiteit van „financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten” uit te oefenen valt derhalve niet binnen de werkingssfeer van de MFI‑richtlijn, hetgeen de verwijzende rechter echter moet nagaan aan de hand van de omstandigheden van het hoofdgeding. Onder voorbehoud daarvan, heeft die richtlijn dus geen invloed op een dergelijk verbod.

 Bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten alsmede de beginselen van non-discriminatie en van evenredigheid

34      Er zij aan herinnerd dat de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten niet van toepassing zijn op een situatie waarvan alle aspecten zich beperken tot één lidstaat (zie in die zin arresten van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 november 2018, NKBM, C‑215/17, EU:C:2018:901, punt 41).

35      Dienaangaande zij opgemerkt dat in het verzoek om een prejudiciële beslissing twijfels worden geuit over de verenigbaarheid van een tijdelijk verbod om de activiteit van „financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten” uit te oefenen zoals dat in het hoofdgeding aan de orde is, met de fundamentele vrijheden, welke de verwijzende rechter in de situatie van het hoofdgeding van toepassing lijkt te achten, met name gelet op de gevolgen die een dergelijk verbod kan hebben voor de activiteit van de betrokken adviseur, los van het al dan niet grensoverschrijdend karakter van die activiteit.

36      Ofschoon niet van meet af aan kan worden uitgesloten dat een dergelijke nationale regeling die zonder onderscheid van toepassing is op binnenlandse en grensoverschrijdende activiteiten van een dergelijk adviseur, naargelang de omstandigheden van het geval gevolgen kan hebben die niet alleen binnen één lidstaat merkbaar zijn, heeft het Hof in een dergelijk geval reeds geoordeeld dat het zonder enig andere aanwijzing van de verwijzende rechter dan dat de nationale regeling zonder onderscheid van toepassing is, niet mag aannemen dat het verzoek om een prejudiciële uitlegging dat betrekking heeft op bepalingen van het VWEU inzake de fundamentele vrijheden, noodzakelijk is voor de beslechting van het voor die rechter aanhangig geding (zie in die zin arresten van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punten 50 en 54, en 14 november 2018, NKBM, C‑215/17, EU:C:2018:901, punten 42‑44).

37      In casu bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen enkel concreet element om een verband te kunnen vaststellen tussen het voorwerp of de omstandigheden van het hoofdgeding en de zelfs potentiële uitoefening, door Mastromartino, van de door de artikelen 49 en 56 VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden.

38      Voor zover Mastromartino in zijn schriftelijke opmerkingen de nadruk legt op de gevolgen die een tijdelijk verbod om de activiteit van „financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten” uit te oefenen zoals in het hoofdgeding aan de orde is, in abstracto kan hebben voor de mogelijkheid om die activiteit binnen de gehele Unie uit te oefenen, volgt uit zijn opmerkingen echter niet dat dergelijke gevolgen enige relevantie voor de beslechting van het hoofdgeding hebben.

39      De door de artikelen 49 en 56 VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden zijn derhalve niet van toepassing op een tijdelijk verbod om de activiteit van „financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten” uit te oefenen zoals in het hoofdgeding aan de orde is, en hebben dus geen invloed op dat verbod.

40      Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat de MFI‑richtlijn, met name de artikelen 8, 23, 50 en 51 daarvan, de artikelen 49 en 56 VWEU alsmede de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat, in een situatie zoals die in het hoofdgeding, een tijdelijk verbod om de werkzaamheid van financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten uit te oefenen, noch binnen de werkingssfeer van die richtlijn, noch binnen die van de artikelen 49 en 56 VWEU noch binnen die van de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid valt. In een dergelijke situatie verzetten de artikelen 8, 23, 50 en 51 van die richtlijn, de artikelen 49 en 56 VWEU en de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid zich niet tegen een dergelijk verbod.

 Kosten

41      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010, met name de artikelen 8, 23, 50 en 51 daarvan, de artikelen 49 en 56 VWEU alsmede de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid moeten aldus worden uitgelegd dat, in een situatie zoals die in het hoofdgeding, een tijdelijk verbod om de werkzaamheid van financieel adviseur buiten de bedrijfsruimten uit te oefenen, noch binnen de werkingssfeer van die richtlijn, noch binnen die van de artikelen 49 en 56 VWEU noch binnen die van de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid valt. In een dergelijke situatie verzetten de artikelen 8, 23, 50 en 51 van die richtlijn, de artikelen 49 en 56 VWEU en de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid zich niet tegen een dergelijk verbod.

ondertekeningen


*      Procestaal: Italiaans.