Language of document : ECLI:EU:C:2019:403

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

14 mei 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Asielbeleid – Internationale bescherming – Richtlijn 2011/95/EU – Vluchtelingenstatus – Artikel 14, leden 4 tot en met 6 – Weigering van verlening of intrekking van de vluchtelingenstatus wanneer er sprake is van een gevaar voor de veiligheid of de samenleving van de lidstaat van toevlucht – Geldigheid – Artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 78, lid 1, VWEU – Artikel 6, lid 3, VEU – Verdrag van Genève”

In de gevoegde zaken C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17,

betreffende drie verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) bij beslissing van 16 juni 2016, ingekomen bij het Hof op 14 juli 2016 (C‑391/16), en door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) bij beslissingen van 8 februari 2017 en 10 februari 2017, ingekomen bij het Hof op 13 februari 2017 (C‑77/17 en C‑78/17 ), in de procedures

M

tegen

Ministerstvo vnitra (C‑391/16),

en

X (C‑77/17),

X (C‑78/17)

tegen

Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, A. Prechal, T. von Danwitz (rapporteur), C. Toader, kamerpresidenten, E. Levits, L. Bay Larsen, M. Safjan, D. Šváby, C. G. Fernlund en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 maart 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        M, vertegenwoordigd door J. Mašek, advokát,

–        X (C‑77/17), vertegenwoordigd door P. Vanwelde en S. Janssens, advocaten,

–        X (C‑78/17), vertegenwoordigd door J. Hardy, advocaat,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en A. Brabcová als gemachtigden,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Pochet, M. Jacobs en C. Van Lul als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en R. Kanitz als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Armoët, E. de Moustier en D. Colas als gemachtigden,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, G. Koós, Z. Biró-Tóth en M. M. Tátrai als gemachtigden,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. M. de Ree en M. K. Bulterman als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Brandon als gemachtigde, bijgestaan door D. Blundell, barrister,

–        het Europees Parlement, vertegenwoordigd door K. Zejdová, O. Hrstková Šolcová en D. Warin als gemachtigden,

–        de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door E. Moro, A. Westerhof Löfflerová, S. Boelaert, M. Chavrier en J. Monteiro als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Šimerdová en M. Condou-Durande als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 juni 2018,

het navolgende

Arrest

1        De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging en de geldigheid van artikel 14, leden 4 tot en met 6, van de op 9 januari 2012 in werking getreden richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9) in het licht van artikel 78, lid 1, VWEU, artikel 6, lid 3, VEU en artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Die verzoeken zijn ingediend in het kader van drie gedingen, het eerste (zaak C‑391/16) tussen M en het Ministerstvo vnitra (ministerie van Binnenlandse Zaken, Tsjechië) over het besluit waarbij het recht van M op asiel wordt ingetrokken, het tweede (zaak C‑77/17) tussen X en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (België; hierna: „commissaris-generaal”) over het besluit waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen en hem subsidiaire bescherming te verlenen, en het derde (zaak C‑78/17) tussen X en de commissaris-generaal over het besluit waarbij zijn vluchtelingenstatus wordt ingetrokken.

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

3        Het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende Verdrag betreffende de status van vluchtelingen [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954); hierna: „Verdrag van Genève”] is op 22 april 1954 in werking getreden. Het is aangevuld door het op 31 januari 1967 te New York gesloten Protocol betreffende de status van vluchtelingen (hierna: „protocol”), dat op 4 oktober 1967 in werking is getreden.

4        Alle lidstaten zijn partij bij het Verdrag van Genève. De Europese Unie is daarentegen geen partij bij dit verdrag.

5        In de preambule van het Verdrag van Genève wordt kennis genomen van het feit dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR) belast is met het toezicht op de toepassing van de internationale verdragen die voorzien in de bescherming van vluchtelingen, en wordt vermeld dat de lidstaten zich ertoe verbinden om met de UNHCR samen te werken in de uitoefening van zijn functie en in het bijzonder om zijn taak van toezicht op de toepassing van de bepalingen van die instrumenten te vergemakkelijken.

6        Artikel 1, afdeling A, van dat verdrag bepaalt:

„Voor de toepassing van dit verdrag geldt als ‚vluchteling’ elke persoon:

[...]

2)      die [...] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en [...] verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.

Indien een persoon meer dan één nationaliteit bezit, betekent de term ,het land waarvan hij de nationaliteit bezit’ elk van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit. Een persoon wordt niet geacht van de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, verstoken te zijn, indien hij, zonder geldige redenen ingegeven door gegronde vrees, de bescherming van één van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit, niet inroept.”

7        In artikel 1, afdeling C, van het Verdrag van Genève is bepaald:

„Dit verdrag houdt op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van afdeling A, indien:

1)      hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit;

2)      hij, indien hij zijn nationaliteit had verloren, deze vrijwillig heeft herkregen;

3)      hij een nieuwe nationaliteit heeft verkregen en de bescherming geniet van het land waarvan hij de nieuwe nationaliteit bezit;

4)      hij zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij uit vrees voor vervolging verblijf hield;

5)      hij niet langer kan blijven weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen, omdat de omstandigheden in verband waarmede hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan;

[...]

6)      hij, indien hij geen nationaliteit bezit, kan terugkeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, omdat de omstandigheden in verband waarmede hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan;

[...]”

8        Artikel 1, afdeling D, eerste alinea, van dat verdrag luidt:

„Dit verdrag is niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen.”

9        Artikel 1, afdeling E, van hetzelfde verdrag is als volgt verwoord:

„Dit verdrag is niet van toepassing op een persoon die door de bevoegde autoriteiten van het land waar hij zich heeft gevestigd, beschouwd wordt de rechten en verplichtingen te hebben, aan het bezit van de nationaliteit van dat land verbonden.”

10      Artikel 1, afdeling F, van het Verdrag van Genève luidt:

„De bepalingen van dit verdrag zijn niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a)      hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b)      hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c)      hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.”

11      In artikel 3 van dit verdrag staat te lezen:

„De verdragsluitende staten zullen zonder onderscheid naar ras, godsdienst of land van herkomst de bepalingen van dit verdrag op vluchtelingen toepassen.”

12      Artikel 4 van dat verdrag luidt:

„De verdragsluitende staten zullen de vluchtelingen op hun grondgebied ten minste even gunstig behandelen als hun onderdanen, wat betreft de vrijheid tot uitoefening van hun godsdienst en de vrijheid ten aanzien van de godsdienstige opvoeding van hun kinderen.”

13      In artikel 16, lid 1, van hetzelfde verdrag is bepaald:

„Een vluchteling heeft het genot van rechtsingang op het grondgebied van alle verdragsluitende staten.”

14      Artikel 22, lid 1, van het Verdrag van Genève is als volgt verwoord:

„De verdragsluitende staten zullen, wat het lager onderwijs betreft, de vluchtelingen op dezelfde wijze behandelen als de onderdanen.”

15      Artikel 31 van dit verdrag luidt:

„1.      De verdragsluitende staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.

2.      De verdragsluitende staten zullen de bewegingsvrijheid van zodanige vluchtelingen niet verder beperken dan noodzakelijk; deze beperkingen zullen alleen worden toegepast totdat hun status in het land van toevlucht is geregeld of totdat zij erin geslaagd zijn toegelaten te worden in een ander land. De verdragsluitende staten zullen aan deze vluchtelingen een redelijk uitstel, alsmede de nodige faciliteiten, verlenen teneinde toelating te verkrijgen in een ander land.”

16      Artikel 32 van dat verdrag is als volgt verwoord:

„1.      De verdragsluitende staten zullen een rechtmatig op hun grondgebied vertoevende vluchteling niet uitzetten behoudens om redenen van nationale veiligheid of openbare orde.

2.      De uitzetting van een zodanige vluchteling zal alleen mogen plaatsvinden ter uitvoering van een besluit dat is genomen in overeenstemming met de wettelijk voorziene procedure. Behoudens indien dwingende redenen van nationale veiligheid zich daartegen verzetten, is het de vluchteling toegestaan bewijs over te leggen om zich vrij te pleiten, alsmede zich te wenden tot een bevoegde autoriteit en zich te dien einde te doen vertegenwoordigen bij die autoriteit of bij één of meer speciaal door die bevoegde autoriteit aangewezen personen.

3.      De verdragsluitende staten zullen een zodanige vluchteling een redelijk uitstel gunnen teneinde hem in staat te stellen te pogen in een ander land rechtmatig toegelaten te worden. De verdragsluitende staten behouden het recht, gedurende dat uitstel, zodanig interne maatregelen toe te passen als zij noodzakelijk achten.”

17      Artikel 33 van hetzelfde verdrag luidt:

„1.      Geen der verdragsluitende staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

2.      Op de voordelen van deze bepaling kan evenwel geen aanspraak worden gemaakt door een vluchteling ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land.”

18      Artikel 42, lid 1, van het Verdrag van Genève is als volgt verwoord:

„Bij de ondertekening, bekrachtiging of toetreding mag elke staat voorbehouden ten aanzien van de artikelen van dit verdrag maken, met uitzondering van de artikelen 1, 3, 4, 16, lid 1, 33, 36 tot en met 46.”

 Unierecht

 Richtlijn 2011/95

19      Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304, blz. 12), is ingetrokken bij richtlijn 2011/95, die is vastgesteld op de grondslag van artikel 78, lid 2, onder a) en b), VWEU.

20      In de overwegingen 3, 4, 10, 12, 16, 17, 21, 23 en 24 van richtlijn 2011/95 staat te lezen:

„(3)      De Europese Raad is tijdens zijn bijzondere bijeenkomst in Tampere op 15 en 16 oktober 1999 overeengekomen te streven naar de invoering van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat stoelt op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het [Verdrag van Genève], zoals aangevuld door het [protocol], en zo het verbod tot uitzetting of terugleiding (non-refoulement) te handhaven en te garanderen dat niemand naar het land van vervolging wordt teruggestuurd.

(4)      Het Verdrag van Genève en het protocol vormen de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen.

[...]

(10)      Gezien de resultaten van de verrichte evaluaties is het moment gekomen om de onderliggende beginselen van [richtlijn 2004/83] te bevestigen en om te streven naar een hoger harmonisatieniveau van de regels inzake de verlening en de inhoud van internationale bescherming op basis van hogere normen.

[...]

(12)      Het hoofddoel van deze richtlijn is enerzijds te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk bescherming behoeven en anderzijds ervoor te zorgen dat deze personen in alle lidstaten over bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken.

[...]

(16)      Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het [Handvest]. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid en het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden ten volle te eerbiedigen en de toepassing van de artikelen 1, 7, 11, 14, 15, 16, 18, 21, 24, 34 en 35 van dat Handvest te bevorderen, en dient derhalve dienovereenkomstig te worden toegepast.

(17)      Met betrekking tot de behandeling van personen die onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, zijn de lidstaten gebonden aan de verplichtingen uit hoofde van de instrumenten van internationaal recht waarbij zij partij zijn, met name die welke discriminatie verbieden.

[...]

(21)      De erkenning van de vluchtelingenstatus heeft declaratoire kracht.

[...]

(23)      Er dienen normen voor de omschrijving en de inhoud van de vluchtelingenstatus te worden vastgesteld om de bevoegde nationale instanties van de lidstaten bij de toepassing van het Verdrag van Genève voor te lichten.

(24)      Het is nodig gemeenschappelijke begrippen in te voeren van de criteria op grond waarvan asielzoekers als vluchtelingen in de zin van artikel 1 van het Verdrag van Genève worden aangemerkt.”

21      Artikel 1 van richtlijn 2011/95 luidt:

„Het doel van deze richtlijn is normen vast te stellen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, alsmede voor de inhoud van de verleende bescherming.”

22      Artikel 2 van dezelfde richtlijn bepaalt:

„In deze richtlijn gelden de volgende definities:

a)      ‚internationale bescherming’: de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus zoals omschreven in de punten e) en g);

b)      ,persoon die internationale bescherming geniet’: een persoon aan wie de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus is verleend in de zin van punten e) en g);

[...]

d)      ,vluchteling’: een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is;

e)      ‚vluchtelingenstatus’: de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als vluchteling;

[...]”

23      Hoofdstuk II („Beoordeling van verzoeken om internationale bescherming”) van richtlijn 2011/95 omvat de artikelen 4 tot en met 8. Deze artikelen bevatten de voorschriften over de wijze waarop de lidstaten dergelijke verzoeken dienen te beoordelen.

24      Hoofdstuk III („Voorwaarden voor het verkrijgen van de vluchtelingenstatus”) van richtlijn 2011/95 omvat de artikelen 9 tot en met 12. Wat meer bepaald de artikelen 9 en 10 betreft, zij opgemerkt dat daarin respectievelijk de voorwaarden worden vermeld waaronder een handeling kan worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève, en de elementen waarmee de lidstaten rekening moeten houden wanneer zij de gronden van vervolging beoordelen.

25      Artikel 11 van richtlijn 2011/95, met als opschrift „Beëindiging”, bepaalt:

„1.      Een onderdaan van een derde land of staatloze houdt op vluchteling te zijn wanneer hij:

a)      vrijwillig opnieuw de bescherming inroept van het land van zijn nationaliteit; of

b)      na verlies van zijn nationaliteit deze vrijwillig opnieuw heeft verworven; of

c)      een nieuwe nationaliteit heeft verworven en de bescherming geniet van het land van zijn nieuwe nationaliteit; of

d)      zich vrijwillig opnieuw gevestigd heeft in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij zich bevond uit vrees voor vervolging; of

e)      omdat de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling werd erkend, hebben opgehouden te bestaan, niet langer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land van zijn nationaliteit; of

f)      indien hij staatloos is, kan terugkeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, omdat de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling is erkend, hebben opgehouden te bestaan.

2.      [...]

3.      De punten e) en f) van lid 1 zijn niet van toepassing op een vluchteling die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, in te roepen.”

26      Artikel 12 van die richtlijn, met als opschrift „Uitsluiting”, luidt:

„1.      Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer:

a)      hij onder artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op het genieten van bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de UNHCR. Is die bescherming of bijstand om welke reden ook opgehouden zonder dat de positie van de betrokkene definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn;

b)      hij door de bevoegde autoriteiten van het land waar hij zich heeft gevestigd, beschouwd wordt de rechten en verplichtingen te hebben, welke met het bezit van de nationaliteit van dat land verbonden zijn, of daarmee gelijkwaardige rechten en verplichtingen.

2.      Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:

a)      hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;

b)      hij buiten het land van toevlucht een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten, dat wil zeggen de afgifte van een verblijfstitel op grond van de toekenning van de vluchtelingenstatus; bijzonder wrede handelingen kunnen, zelfs indien zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige, niet-politieke misdrijven aangemerkt worden;

c)      hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties.

3.      Lid 2 is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de daar genoemde misdrijven of daden.”

27      Artikel 13 („Verlening van de vluchtelingenstatus”) van richtlijn 2011/95, dat is opgenomen in hoofdstuk IV („Vluchtelingenstatus”) van deze richtlijn, is als volgt verwoord:

„De lidstaten verlenen de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als vluchteling wordt erkend.”

28      Artikel 14 („Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de vluchtelingenstatus”) van die richtlijn, dat eveneens is opgenomen in hoofdstuk IV ervan, bepaalt:

„1.      Met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na de inwerkingtreding van [richtlijn 2004/83], trekken de lidstaten de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie verleende vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze in, beëindigen zij deze of weigeren zij deze te verlengen indien hij volgens de criteria van artikel 11 geen vluchteling meer is.

[...]

3.      De lidstaten trekken de vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of staatloze in, beëindigen deze of weigeren deze te verlengen indien, nadat hem de vluchtelingenstatus is verleend, door de betrokken lidstaat wordt vastgesteld dat:

a)      hij op grond van artikel 12 van de vluchtelingenstatus uitgesloten is of had moeten zijn;

b)      hij feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus.

4.      De lidstaten kunnen de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie aan een vluchteling verleende status intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen wanneer:

a)      er goede redenen bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt;

b)      hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf.

5.      De lidstaten mogen onder de in lid 4 omschreven omstandigheden besluiten geen status te verlenen aan een vluchteling wanneer nog geen besluit in die zin is genomen.

6.      Personen op wie lid 4 of lid 5 van toepassing is, genieten de rechten die zijn vastgelegd in de artikelen 3, 4, 16, 22, 31, 32 en 33 van het Verdrag van Genève of daarmee vergelijkbare rechten, voor zover zij in de lidstaat aanwezig zijn.”

29      Hoofdstuk VII („Kenmerken van de internationale bescherming”) van richtlijn 2011/95 omvat de artikelen 20 tot en met 35 ervan. Artikel 20, leden 1 en 2, van deze richtlijn luidt:

„1.      Dit hoofdstuk geldt onverminderd de in het Verdrag van Genève neergelegde rechten.

2.      Dit hoofdstuk geldt zowel voor vluchtelingen als voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, tenzij anders is bepaald.”

30      Artikel 21 van die richtlijn is als volgt verwoord:

„1.      De lidstaten eerbiedigen het beginsel van non-refoulement met inachtneming van hun internationale verplichtingen.

2.      Wanneer dit op grond van de in lid 1 genoemde internationale verplichtingen niet verboden is, mogen de lidstaten een al dan niet formeel erkende vluchteling uitzetten of terugleiden wanneer:

a)      er goede redenen bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt; of

b)      hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf.

3.      De lidstaten mogen de verblijfstitel van een vluchteling op wie lid 2 van toepassing is, intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen of te verstrekken.”

31      Artikel 24, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2011/95 luidt:

„Zo spoedig mogelijk nadat internationale bescherming is verleend en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan artikel 21, lid 3, verstrekken de lidstaten aan personen met de vluchtelingenstatus een verblijfstitel die ten minste drie jaar geldig is en kan worden verlengd, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde zich daartegen verzetten.”

32      In artikel 28 van deze richtlijn staat te lezen:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat personen die internationale bescherming genieten dezelfde behandeling krijgen als de eigen onderdanen, wat de erkenning van buitenlandse diploma’s, getuigschriften en andere bewijzen van officiële kwalificaties betreft.

2.      De lidstaten spannen zich in de volledige toegang te vergemakkelijken voor personen die internationale bescherming genieten en die geen bewijsstukken kunnen overleggen van hun kwalificaties, tot passende regelingen voor de beoordeling, validering en erkenning van hun eerdere scholing. Dergelijke maatregelen moeten in overeenstemming zijn met artikel 2, lid 2, en artikel 3, lid 3, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties [(PB 2005, L 255, blz. 22)].”

33      Artikel 34 van richtlijn 2011/95 luidt:

„Teneinde de integratie van personen die internationale bescherming genieten in de samenleving te vergemakkelijken, bieden de lidstaten toegang tot integratieprogramma’s welke zij passend achten om rekening te houden met de specifieke behoeften van personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus, of zorgen zij voor de omstandigheden waaronder de toegang tot dergelijke programma’s gewaarborgd is.”

 Nationaal recht

 Tsjechisch recht

34      Zákon č. 325/1999 Sb., o azylu (wet nr. 325/1999 betreffende het asiel), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „asielwet”), regelt de verlening en intrekking van internationale bescherming.

35      Overeenkomstig § 2, lid 2, van deze wet wordt onder vluchteling in de zin van die wet (azylant) verstaan „de vreemdeling aan wie op grond van deze wet asiel is verleend, zulks tijdens de geldigheidsduur van het besluit tot verlening van asiel”. Volgens de toelichting van de verwijzende rechter is een persoon van wie het asiel is ingetrokken, niet langer een vluchteling (azylant) en geniet hij niet langer de bij die wet toegekende rechten.

36      Volgens § 17, lid 1, onder i), van de asielwet wordt het asiel ingetrokken „indien er gegronde redenen bestaan om de vluchteling te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de staat”. Voorts bepaalt § 17, lid 1, onder j), van die wet dat het asiel wordt ingetrokken „indien de vluchteling definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en dus een gevaar vormt voor de veiligheid van de staat”.

37      Volgens § 28, lid 1, van de asielwet is het asiel een van de vormen van internationale bescherming die in Tsjechië aan een vreemdeling wordt verleend.

 Belgisch recht

38      Artikel 48/3, paragraaf 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad, 31 december 1980, blz. 14584), luidt in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet van 15 december 1980”):

„De vluchtelingenstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het [Verdrag van Genève], zoals gewijzigd bij het [protocol].”

39      Artikel 48/4, paragraaf 1, van deze wet luidt:

„De subsidiairebeschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9 ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt.”

40      Artikel 52/4 van die wet is als volgt verwoord:

„Indien de vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend overeenkomstig de artikelen 50, 50 bis, 50 ter of 51, een gevaar vormt voor de samenleving, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf, of als er redelijke gronden bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid, zendt de minister of zijn gemachtigde onverwijld alle elementen in die zin over aan de commissaris-generaal.

De [commissaris-generaal] kan weigeren de status van vluchteling te erkennen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de samenleving, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf, of als er redelijke gronden bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid. In dat geval brengt de [commissaris-generaal] een advies uit over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4.

De minister kan, wanneer hij zulks nodig acht voor de handhaving van de openbare orde of de nationale veiligheid, betrokkene verplichten in een bepaalde plaats te verblijven gedurende de tijd dat zijn vraag in onderzoek is.

In uitzonderlijk ernstige omstandigheden kan de minister, wanneer hij zulks nodig acht voor de handhaving van de openbare orde of de nationale veiligheid, betrokkene voorlopig ter beschikking van de regering stellen.”

41      Artikel 55/3/1 van dezelfde wet bepaalt:

„§ 1.            De [commissaris-generaal] kan de vluchtelingenstatus intrekken indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de samenleving, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf, of als er redelijke gronden bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid.

[...]

§ 3.      Wanneer de commissaris-generaal de vluchtelingenstatus intrekt met toepassing van paragraaf 1 of van paragraaf 2, 1°, verstrekt hij in het kader van zijn beslissing een advies over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4.”

42      Artikel 55/4, paragraaf 2, van de wet van 15 december 1980 luidt:

„Een vreemdeling wordt ook uitgesloten van de subsidiairebeschermingsstatus wanneer hij een gevaar voor de samenleving of voor de nationale veiligheid vormt.”

 Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

 Zaak C-391/16

43      Bij besluit van 21 april 2006 heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken aan M, die afkomstig is uit Tsjetsjenië (Rusland), asiel verleend omdat hij gegronde vrees had voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging in de staat waarvan hij onderdaan is.

44      Voordat hem asiel werd verleend, had M een diefstal gepleegd waarvoor hij was veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie jaar. Nadat hem asiel was verleend, is hij bovendien wegens als recidivist gepleegde feiten van diefstal en afpersing veroordeeld tot een vrijheidsstraf van negen jaar, die in een zwaar bewaakte gevangenis moest worden uitgezeten. Gelet op deze omstandigheden heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken op 29 april 2014 besloten het asiel van M in te trekken en hem geen subsidiaire bescherming te verlenen, omdat hij definitief was veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormde voor de veiligheid van de staat.

45      M heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Městský soud v Praze (rechter voor de stad Praag, Tsjechië). Nadat dit beroep was verworpen, is M in cassatie gegaan bij de verwijzende rechter.

46      Deze rechter twijfelt met name aan de geldigheid van artikel 14, leden 4 en 6, van richtlijn 2011/95 in het licht van artikel 18 van het Handvest, artikel 78, lid 1, VWEU en de algemene beginselen van het Unierecht in de zin van artikel 6, lid 3, VEU, omdat die bepalingen van richtlijn 2011/95 mogelijk in strijd zijn met het Verdrag van Genève.

47      In dit verband refereert de verwijzende rechter aan een op 29 juli 2010 gepubliceerd rapport van de UNHCR met als titel „Commentaar van de UNHCR op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, en de inhoud van de verleende bescherming [COM(2009) 551 van 21 oktober 2009]”, waarin de UNHCR zijn voordien reeds geuite twijfels over de verenigbaarheid van artikel 14, leden 4 en 6, van richtlijn 2004/83 met het Verdrag van Genève heeft herhaald.

48      Uit dit rapport blijkt volgens de verwijzende rechter dat artikel 14, lid 4, van dat voorstel voor een richtlijn – dat ten grondslag ligt aan artikel 14, lid 4, van richtlijn 2011/95 – de gronden voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus uitbreidt tot andere gronden dan de in artikel 1 van het Verdrag van Genève neergelegde uitsluitings‑ en beëindigingsgronden, terwijl deze gronden uitputtend zijn en artikel 42, lid 1, van dat verdrag de verdragsluitende staten verbiedt om voorbehoud te maken ten aanzien van artikel 1 ervan. Uit dat rapport blijkt tevens dat artikel 33 van het Verdrag van Genève weliswaar toestaat dat een persoon naar zijn land van herkomst of een ander land wordt teruggeleid, maar dat die bepaling geen enkele invloed heeft op de vluchtelingenstatus van die persoon in het land waar hij verblijft. De verwijzende rechter benadrukt dat de twijfels van de UNHCR worden gedeeld door onder meer de European Council on Refugees and Exiles, de International Association of Refugee and Migration Judges en de Tsjechische ombudsman.

49      De verwijzende rechter voegt daaraan evenwel toe dat richtlijn 2011/95 volgens een deel van de rechtsleer in overeenstemming is met het Verdrag van Genève. Dienaangaande merkt hij op dat richtlijn 2011/95 volgens de toelichting bij het in punt 47 van dit arrest vermelde voorstel voor een richtlijn met name tot doel heeft de volledige en niet-restrictieve toepassing van dat verdrag te waarborgen. Die richtlijn is gedetailleerder en in artikel 2, onder d) en e), wordt een onderscheid gemaakt tussen het begrip „vluchteling” en het begrip „vluchtelingenstatus”. De verlening van de vluchtelingenstatus in de zin van richtlijn 2011/95 resulteert in een hoger niveau van bescherming dan dat waarin het Verdrag van Genève voorziet. Derhalve genieten personen van wie de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 14, lid 4, van richtlijn 2011/95 wordt ingetrokken, niet langer de uit deze richtlijn voortvloeiende rechten en voordelen, met uitzondering van bepaalde minimumrechten die in dat verdrag worden erkend. Die bepaling lijkt te berusten op de aanname dat die personen niet kunnen worden teruggeleid naar hun land van herkomst, zelfs niet wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève. De betrokken personen zouden dus worden gedoogd in de lidstaat van toevlucht en beschikken over een „lichtere” vluchtelingenstatus.

50      Het Hof heeft zich in het arrest van 24 juni 2015, H. T. (C‑373/13, EU:C:2015:413, punten 71 en 94‑98), weliswaar reeds uitgesproken over de verhouding tussen artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève en richtlijn 2011/95, maar heeft nog niet onderzocht of artikel 14, leden 4 en 6, van deze richtlijn verenigbaar is met artikel 1, afdeling C, en artikel 42, lid 1, van het Verdrag van Genève. Het heeft dus evenmin onderzocht of artikel 14, leden 4 en 6, van die richtlijn verenigbaar is met artikel 78, lid 1, VWEU, artikel 18 van het Handvest en de algemene beginselen van het Unierecht in de zin van artikel 6, lid 3, VEU.

51      De verwijzende rechter merkt op dat de asielwet volgens de Tsjechische ombudsman niet de omzetting vormt van artikel 14, lid 6, van richtlijn 2011/95, dat de in artikel 14, lid 4, van deze richtlijn bedoelde personen bepaalde in het Verdrag van Genève neergelegde rechten waarborgt. Volgens die ombudsman is de intrekking van het asiel op grond van artikel 17, lid 1, onder i) en j), van de asielwet dan ook in strijd met het Unierecht. Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat op basis van een gedetailleerde analyse van de Tsjechische rechtsorde niet kan worden uitgesloten dat in bepaalde individuele gevallen aan de betrokkenen geen van de uit de artikelen 3, 4, 16, 22, 31, 32 en 33 van het Verdrag van Genève voortvloeiende rechten wordt gewaarborgd. In het hoofdgeding heeft verzoeker evenwel de mogelijkheid om deze rechten in Tsjechië te doen gelden.

52      In deze omstandigheden heeft de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is artikel 14, leden 4 en 6, van [richtlijn 2011/95] ongeldig wegens schending van artikel 18 van het [Handvest], artikel 78, lid 1, [VWEU] en de algemene beginselen van het Unierecht in de zin van artikel 6, lid 3, [VEU]?”

 Zaak C-77/17

53      Op 10 maart 2010 is X – een onderdaan van Ivoorkust – door de tribunal de première instance de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België) veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf, deels met uitstel, wegens opzettelijke slagen en verwondingen, bezit van een blank wapen zonder wettige reden en bezit van een verboden wapen. Bovendien heeft het hof van beroep Brussel (België) de betrokkene op 6 december 2011 veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens verkrachting van een minderjarige van meer dan 14 en minder dan 16 jaar oud.

54      Op 3 november 2015 heeft X een asielaanvraag ingediend, ter ondersteuning waarvan hij aanvoerde dat hij vreesde voor vervolging omdat zijn vader en andere familieleden nauwe banden hadden met het voormalige Ivoriaanse regime en met de voormalige president Laurent Gbagbo.

55      Bij beslissing van 19 augustus 2016 heeft de commissaris-generaal op grond van artikel 52/4, tweede alinea, van de wet van 15 december 1980 geweigerd om X de vluchtelingenstatus te verlenen, omdat hij in België strafbare feiten had gepleegd. De commissaris-generaal heeft met name geoordeeld dat X een gevaar vormde voor de samenleving in de zin van die bepaling, daar die strafbare feiten bijzonder ernstig waren en meermaals waren gepleegd. Om dezelfde redenen was hij van mening dat X overeenkomstig artikel 55/4, paragraaf 2, van de wet van 15 december 1980 moest worden uitgesloten van subsidiaire bescherming. De commissaris-generaal heeft evenwel op grond van artikel 52/4 van deze wet een advies uitgebracht, waarin hij stelde dat X – gelet op de gegronde vrees voor vervolging – niet direct of indirect kon worden teruggeleid naar Ivoorkust, omdat een dergelijke verwijderingsmaatregel onverenigbaar was met de artikelen 48/3 en 48/4 van diezelfde wet.

56      X heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

57      Deze rechter wijst erop dat artikel 52/4, tweede alinea, van de wet van 15 december 1980 – waarop de litigieuze beslissing is gebaseerd – artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95 in Belgisch recht omzet.

58      De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95 geldig is uit het oogpunt van artikel 18 van het Handvest en artikel 78, lid 1, VWEU. Volgens hem is de Unie krachtens deze bepalingen verplicht het Verdrag van Genève na te leven, zodat het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met dit verdrag. Artikel 1, afdeling A, van dat verdrag bepaalt zeer duidelijk wie onder het begrip „vluchteling” valt en artikel 1, afdeling F, noch enige andere bepaling van dat verdrag staat toe dat de verlening van de vluchtelingenstatus algemeen en definitief wordt geweigerd aan een persoon om de enkele reden dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of een ernstig gevaar vormt voor de samenleving van het land van toevlucht. Artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95 biedt echter de mogelijkheid om de verlening van de vluchtelingenstatus te weigeren op een van die gronden, die overeenkomen met de situaties als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van het Verdrag van Genève, terwijl laatstgenoemde artikelen betrekking hebben op de uitzetting van vluchtelingen en niet op de voorwaarden voor de verlening van die status.

59      De vraag rijst dus of met artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95 een nieuwe grond om iemand uit te sluiten van de vluchtelingenstatus in het leven wordt geroepen, waarin het Verdrag van Genève niet voorziet. De invoering van een nieuwe uitsluitingsgrond vormt een wezenlijke wijziging van dat verdrag, wat indruist tegen de beginselen van internationaal recht. Indien met het Verdrag van Genève was beoogd de bescherming van vluchtelingen uit te sluiten of deze bescherming te weigeren op gronden die verband houden met de nationale veiligheid, de openbare orde of het gevaar voor de samenleving van het land van toevlucht, zou dit in dat verdrag uitdrukkelijk zo zijn bepaald, zoals onder meer is gebeurd voor ernstige, niet-politieke misdrijven die buiten het land van toevlucht zijn begaan.

60      Tevens moet rekening worden gehouden met de mogelijk zware gevolgen van die uitsluitingsgrond, aangezien hij het verlies van de aan de vluchtelingenstatus verbonden rechten en voordelen meebrengt. Zo heeft het Hof in zijn arrest van 24 juni 2015, H. T. (C‑373/13, EU:C:2015:413, punt 95), duidelijk in herinnering gebracht dat de intrekking van een verblijfstitel en die van de vluchtelingenstatus twee afzonderlijke kwesties zijn die verschillende gevolgen hebben. In een in januari 2005 gepubliceerd advies met als titel „Geannoteerde commentaar van de UNHCR op [richtlijn 2004/83]” was de UNHCR overigens bijzonder kritisch over identieke bepalingen van richtlijn 2004/83.

61      In deze omstandigheden heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 14, lid 5, van [richtlijn 2011/95] aldus worden uitgelegd dat daarmee een nieuwe grond in het leven wordt geroepen om iemand uit te sluiten van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 van die richtlijn en dus als bedoeld in artikel 1, [afdeling] A, van het Verdrag van Genève?

2)      Ingeval [de eerste vraag] bevestigend wordt beantwoord, is het aldus uitgelegde artikel 14, [lid] 5, verenigbaar met artikel 18 van het [Handvest] en artikel 78, lid 1, [VWEU], waarin met name is bepaald dat het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève, waarvan de in artikel 1, [afdeling] F, opgenomen uitsluitingsbepaling exhaustief is geformuleerd en restrictief moet worden uitgelegd?

3)      Ingeval [de eerste vraag] ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95 dan aldus worden uitgelegd dat daarbij een grond tot weigering van de vluchtelingenstatus in het leven is geroepen waarin niet is voorzien in het Verdrag van Genève, dat overeenkomstig artikel 18 van het [Handvest] en artikel 78, lid 1, [VWEU] dient te worden nageleefd?

4)      Ingeval [de derde vraag] bevestigend wordt beantwoord, is artikel 14, lid 5, van [...] [richtlijn 2011/95] verenigbaar met artikel 18 van het [Handvest] en artikel 78, lid 1, [VWEU] – waarin met name is bepaald dat het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève – voor zover in eerstgenoemde bepaling een grond wordt ingevoerd om de vluchtelingenstatus te weigeren zonder dat is onderzocht of er vrees voor vervolging bestaat, hetgeen wordt vereist door artikel 1, [afdeling] A, van het Verdrag van Genève?

5)      Ingeval de [eerste en de derde vraag] ontkennend worden beantwoord, hoe kan artikel 14, lid 5, van [...] [richtlijn 2011/95] dan worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 18 van het Handvest en artikel 78, lid 1, [VWEU], waarin met name is bepaald dat het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève?”

 Zaak C-78/17

62      Bij beslissing van 21 februari 2007 is X – een onderdaan van de Democratische Republiek Congo – door de commissaris-generaal erkend als vluchteling.

63      Op 20 december 2010 is X door het hof van assisen Brussel (België) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaar wegens moord en diefstal met verzwarende omstandigheden. Bij beslissing van 4 mei 2016 heeft de commissaris-generaal de vluchtelingenstatus van X ingetrokken overeenkomstig artikel 55/3/1, paragraaf 1, van de wet van 15 december 1980, met name omdat X – gelet op de bijzonder ernstige aard van de gepleegde strafbare feiten – een gevaar voor de samenleving in de zin van die bepaling vormde. Daarnaast heeft de commissaris-generaal overeenkomstig artikel 55/3/1, paragraaf 3, van die wet een advies uitgebracht waarin hij zich op het standpunt stelde dat de verwijdering van X verenigbaar was met de artikelen 48/3 en 48/4 van die wet, aangezien de in 2007 door X aangevoerde vrees niet langer actueel was.

64      X heeft tegen de beslissing van de commissaris-generaal beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Deze rechter merkt op dat artikel 55/3/1 van de wet van 15 december 1980 – waarop die beslissing is gebaseerd – artikel 14, lid 4, van richtlijn 2011/95 in Belgisch recht omzet. Net zoals in zaak C‑77/17 en om dezelfde redenen als in die zaak is de verwijzende rechter van oordeel dat op meerdere gronden twijfels rijzen over de geldigheid van artikel 14, lid 4, van richtlijn 2011/95 uit het oogpunt van artikel 18 van het Handvest en artikel 78, lid 1, VWEU.

65      In deze omstandigheden heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 14, lid 4, van [richtlijn 2011/95] aldus worden uitgelegd dat daarmee een nieuwe grond in het leven wordt geroepen om iemand uit te sluiten van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 van die richtlijn en dus als bedoeld in artikel 1, [afdeling] A, van het Verdrag van Genève?

2)      Ingeval [de eerste vraag] bevestigend wordt beantwoord, is het aldus uitgelegde artikel 14, lid 4, verenigbaar met artikel 18 van het [Handvest] en artikel 78, lid 1, [VWEU], waarin met name is bepaald dat het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève, waarvan de in artikel 1, [afdeling] F opgenomen uitsluitingsbepaling exhaustief is geformuleerd en restrictief moet worden uitgelegd?

3)      Ingeval [de eerste vraag] ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 14, lid 4, van [richtlijn 2011/95] dan aldus worden uitgelegd dat daarbij een grond tot intrekking van de vluchtelingenstatus in het leven is geroepen waarin niet is voorzien in het Verdrag van Genève, dat overeenkomstig artikel 18 van het [Handvest] en artikel 78, lid 1, [VWEU] dient te worden nageleefd?

4)      Ingeval [de derde vraag] bevestigend wordt beantwoord, is artikel 14, lid 4, van [...] [richtlijn 2011/95] verenigbaar met artikel 18 van het [Handvest] en artikel 78, lid 1, [VWEU] – waarin met name is bepaald dat het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève – voor zover in eerstgenoemde bepaling een grond voor de intrekking van de vluchtelingenstatus wordt ingevoerd die in het Verdrag van Genève niet voorkomt en daarin ook helemaal geen grondslag vindt?

5)      Ingeval de [eerste en de derde vraag] ontkennend worden beantwoord, hoe kan artikel 14, lid 4, van [...] [richtlijn 2011/95] dan worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 18 van het [Handvest] en artikel 78, lid 1, [VWEU], waarin met name is bepaald dat het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève?”

 Procedure bij het Hof

66      Bij beslissing van de president van het Hof van 17 maart 2017 zijn de zaken C‑77/17 en C‑78/17 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest. Bij beslissing van de president van het Hof van 17 januari 2018 zijn deze zaken en zaak C‑391/16 gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.

 Bevoegdheid van het Hof

67      De lidstaten en de instellingen die schriftelijke opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, hebben uiteenlopende standpunten ingenomen over de vraag of het Hof bevoegd is om in het kader van de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing te beoordelen of richtlijn 2011/95 geldig is uit het oogpunt van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest, in welke bepalingen wordt verwezen naar het Verdrag van Genève.

68      In dit verband stelt de Duitse regering zich op het standpunt dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord wat de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken C‑77/17 en C‑78/17 betreft, daar met die verzoeken in wezen wordt verzocht om uitlegging van het Verdrag van Genève, terwijl de bevoegdheid van het Hof om dit verdrag uit te leggen beperkt is, zoals blijkt uit het arrest van 17 juli 2014, Qurbani (C‑481/13, EU:C:2014:2101, punten 20, 21 en 28).

69      De Raad en de Commissie merken op hun beurt op dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over de noodzaak om de bepalingen van richtlijn 2011/95 uit te leggen in overeenstemming met het Verdrag van Genève. Volgens het Parlement vormt deze richtlijn een autonome wetgevingshandeling van de Unie – waarvan het Hof de voorrang, eenheid en doeltreffendheid waarborgt – zodat het onderzoek van de geldigheid van die richtlijn uitsluitend moet worden verricht op basis van het VEU, het VWEU en het Handvest. Richtlijn 2011/95 moet zoveel mogelijk aldus worden uitgelegd dat geen afbreuk wordt afgedaan aan de geldigheid ervan, waarbij met name de fundamentele beginselen van het Verdrag van Genève in acht worden genomen.

70      De Franse en de Nederlandse regering beklemtonen daarentegen dat de Unie weliswaar geen partij is bij het Verdrag van Genève, maar krachtens artikel 78 VWEU en artikel 18 van het Handvest niettemin verplicht is dat verdrag na te leven. Het Hof is dan ook bevoegd om te beoordelen of artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 met dat verdrag verenigbaar is.

71      In dit verband blijkt uit artikel 19, lid 3, onder b), VEU en artikel 267, eerste alinea, onder b), VWEU dat het Hof bevoegd is om, zonder enige uitzondering, bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging en de geldigheid van handelingen die zijn vastgesteld door de instellingen van de Unie. Deze handelingen moeten volledig verenigbaar zijn met de bepalingen van de Verdragen, de daaruit voortvloeiende constitutionele beginselen en de bepalingen van het Handvest (zie in die zin arrest van 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK, C‑266/16, EU:C:2018:118, punten 44 en 46).

72      In casu zij opgemerkt dat richtlijn 2011/95 is vastgesteld op de grondslag van artikel 78, lid 2, onder a) en b), VWEU. Volgens artikel 78, lid 1, VWEU moet het gemeenschappelijke beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming, dat ertoe strekt „iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming behoeft, een passende status te verlenen en de naleving van het beginsel van non-refoulement te garanderen”, „in overeenstemming zijn met het [Verdrag van Genève], het [protocol] alsmede met de andere toepasselijke verdragen”.

73      Voorts bepaalt artikel 18 van het Handvest dat het „recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het [Verdrag van Genève] en het [protocol], en overeenkomstig het [VEU] en het [VWEU]”.

74      Derhalve is de Unie weliswaar geen partij bij het Verdrag van Genève, maar dient zij krachtens artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest niettemin de voorschriften van eerstgenoemd verdrag in acht te nemen. Op grond van die bepalingen van primair recht moet richtlijn 2011/95 dan ook in overeenstemming zijn met die voorschriften (zie in die zin arresten van 1 maart 2016, Alo en Osso, C‑443/14 en C‑444/14, EU:C:2016:127, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 19 juni 2018, Gnandi, C‑181/16, EU:C:2018:465, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75      Bijgevolg is het Hof bevoegd om te onderzoeken of artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 geldig is uit het oogpunt van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest, en om in het kader van dit onderzoek na te gaan of die richtlijnbepaling aldus kan worden uitgelegd dat zij het door de voorschriften van het Verdrag van Genève gewaarborgde beschermingsniveau in acht neemt.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

76      Met hun vragen over de geldigheid van artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of artikel 14, leden 4 en 5, van deze richtlijn tot gevolg heeft dat de betrokken derdelander of staatloze die voldoet aan de materiële voorwaarden van artikel 2, onder d), van die richtlijn, de hoedanigheid van vluchteling wordt ontzegd, en of die bepaling daardoor in strijd is met artikel 1 van het Verdrag van Genève. Hun vragen houden meer bepaald verband met het feit dat de in artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 bedoelde gevallen niet overeenkomen met de gronden voor uitsluiting en beëindiging die worden genoemd in artikel 1, afdelingen C tot en met F, van het Verdrag van Genève, terwijl deze gronden voor uitsluiting en beëindiging binnen het stelsel van dat verdrag uitputtend zijn.

77      In herinnering dient te worden gebracht dat een handeling van de Unie volgens een algemeen uitleggingsbeginsel zoveel mogelijk aldus moet worden uitgelegd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de geldigheid ervan en dat het gehele primaire recht, waaronder met name de bepalingen van het Handvest, in acht wordt genomen (arrest van 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een bepaling van afgeleid Unierecht voor meer dan één uitlegging vatbaar is, verdient de uitlegging die ervoor zorgt dat de bepaling in overeenstemming is met het primaire recht, dan ook de voorkeur boven de uitlegging die met zich meebrengt dat zij in strijd is met dat recht (arrest van 26 juni 2007, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., C‑305/05, EU:C:2007:383, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78      Bijgevolg moet worden nagegaan of artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 aldus kan worden uitgelegd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het door de voorschriften van het Verdrag van Genève gewaarborgde beschermingsniveau, zoals artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest vereisen.

 Bij richtlijn 2011/95 ingevoerde regeling

79      Richtlijn 2011/95 heeft blijkens overweging 12 ervan tot doel de toepassing te verzekeren van gemeenschappelijke criteria voor de identificatie van personen die internationale bescherming behoeven, en ervoor te zorgen dat deze personen in alle lidstaten over bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken.

80      In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit overweging 3 van richtlijn 2011/95, het gemeenschappelijke Europese asielstelsel – waarvan die richtlijn deel uitmaakt – gebaseerd is op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève en het protocol, alsmede op de garantie dat niemand naar het land van vervolging wordt teruggestuurd (zie in die zin arresten van 21 december 2011, N. S. e.a., C‑411/10 en C‑493/10, EU:C:2011:865, punt 75, en 1 maart 2016, Alo en Osso, C‑443/14 en C‑444/14, EU:C:2016:127, punt 30).

81      Bovendien blijkt uit de overwegingen 4, 23 en 24 van richtlijn 2011/95 dat het Verdrag van Genève de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen vormt en dat de bepalingen van die richtlijn die zien op de voorwaarden voor de toekenning van de vluchtelingenstatus en op de inhoud van deze status, zijn vastgesteld teneinde de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te helpen om bij de toepassing van het Verdrag van Genève gemeenschappelijke begrippen en criteria te hanteren voor de erkenning van asielzoekers als vluchteling in de zin van artikel 1 van dat verdrag (zie in die zin arresten van 31 januari 2017, Lounani, C‑573/14, EU:C:2017:71, punt 41, en 13 september 2018, Ahmed, C‑369/17, EU:C:2018:713, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

82      Voorts wordt in overweging 16 van richtlijn 2011/95 gepreciseerd dat deze richtlijn de menselijke waardigheid en het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden ten volle tracht te eerbiedigen, waarbij voornoemd recht op asiel volgens artikel 18 van het Handvest wordt gegarandeerd met inachtneming van het Verdrag van Genève en het protocol.

83      Derhalve voert richtlijn 2011/95 weliswaar een normatief stelsel in dat begrippen en criteria bevat die de lidstaten gemeen hebben en die dus eigen zijn aan de Unie, maar is zij niettemin gebaseerd op het Verdrag van Genève en beoogt zij met name ervoor te zorgen dat artikel 1 van dit verdrag ten volle in acht wordt genomen.

84      Na deze preciseringen zij opgemerkt dat wat het begrip „vluchteling” betreft, artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 in wezen de definitie van artikel 1, afdeling A, lid 2, van het Verdrag van Genève overneemt. In dit verband wordt in hoofdstuk III van deze richtlijn („Voorwaarden voor het verkrijgen van de vluchtelingenstatus”) gepreciseerd aan welke materiële voorwaarden een derdelander of staatloze moet voldoen om te worden beschouwd als een vluchteling in de zin van artikel 2, onder d), van die richtlijn.

85      In artikel 2, onder e), van richtlijn 2011/95 wordt het begrip „vluchtelingenstatus” dan weer gedefinieerd als „de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als vluchteling”. Zoals blijkt uit overweging 21 van die richtlijn, heeft deze erkenning declaratoire kracht en is zij niet constitutief voor de hoedanigheid van vluchteling.

86      Derhalve is een derdelander of staatloze die voldoet aan de in hoofdstuk III van richtlijn 2011/95 genoemde materiële voorwaarden, in het kader van het bij deze richtlijn ingevoerde stelsel alleen al om die reden een vluchteling in de zin van artikel 2, onder d), van die richtlijn en artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève.

87      Aan de systematische uitlegging van richtlijn 2011/95, volgens welke hoofdstuk III ervan enkel ziet op de hoedanigheid van vluchteling, kan niet worden afgedaan door het feit dat onder meer in de Franse taalversie van artikel 12, leden 1 en 2, van die richtlijn – dat deel uitmaakt van hoofdstuk III – het begrip „vluchtelingenstatus” wordt gebruikt. In andere taalversies van artikel 12, leden 1 en 2, zoals de Spaanse, de Duitse, de Engelse, de Portugese en de Zweedse taalversie, wordt immers het begrip „vluchteling” gebruikt in plaats van het begrip „vluchtelingenstatus”.

88      Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet, wanneer er verschillen bestaan tussen de onderscheiden taalversies van een bepaling van het Unierecht, bij de uitlegging van de betreffende bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arresten van 1 maart 2016, Alo en Osso, C‑443/14 en C‑444/14, EU:C:2016:127, punt 27, en 24 januari 2019, Balandin e.a., C‑477/17, EU:C:2019:60, punt 31). In zoverre heeft hoofdstuk III van richtlijn 2011/95 [in de Franse taalversie] als opschrift „Conditions pour être considéré comme réfugié” (voorwaarden om als vluchteling te worden erkend), terwijl hoofdstuk IV van deze richtlijn het opschrift „Vluchtelingenstatus” heeft en zowel artikel 13 betreffende de verlening van die status als artikel 14 betreffende de intrekking, beëindiging en weigering tot verlenging ervan omvat.

89      Het Hof heeft geoordeeld dat de lidstaten op grond van artikel 13 van richtlijn 2011/95 de vluchtelingenstatus verlenen aan iedere derdelander of staatloze die voldoet aan de materiële voorwaarden om overeenkomstig de hoofdstukken II en III van die richtlijn als vluchteling te worden erkend, zonder dat zij daarbij over discretionaire bevoegdheid beschikken (zie in die zin arresten van 24 juni 2015, H. T., C‑373/13, EU:C:2015:413, punt 63, en 12 april 2018, A en S, C‑550/16, EU:C:2018:248, punten 52 en 54).

90      Dat de hoedanigheid van „vluchteling” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 en artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève niet afhangt van de formele erkenning van deze hoedanigheid door verlening van de „vluchtelingenstatus” in de zin van artikel 2, onder e), van die richtlijn, wordt overigens bevestigd door de bewoordingen van artikel 21, lid 2, van voornoemde richtlijn, volgens welke een „vluchteling” onder de in deze bepaling gestelde voorwaarde kan worden teruggeleid, ongeacht of hij „een al dan niet formeel erkende vluchteling” is.

91      De formele erkenning van de hoedanigheid van vluchteling door verlening van de vluchtelingenstatus heeft tot gevolg dat de betrokken vluchteling krachtens artikel 2, onder b), van richtlijn 2011/95 internationale bescherming in de zin van deze richtlijn geniet, zodat hij – zoals de advocaat-generaal in punt 91 van zijn conclusie heeft opgemerkt – beschikt over alle rechten en voordelen waarin is voorzien bij hoofdstuk VII van die richtlijn, dat rechten bevat die gelijkwaardig zijn aan die van het Verdrag van Genève, maar ook – zoals met name het Parlement en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben opgemerkt – verstrekkendere rechten, die geen tegenhanger hebben in dat verdrag, zoals de rechten die zijn neergelegd in artikel 24, lid 1, en in de artikelen 28 en 34 van richtlijn 2011/95.

92      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de hoedanigheid van „vluchteling” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 en artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève niet afhangt van de formele erkenning van die hoedanigheid door verlening van de „vluchtelingenstatus” in de zin van artikel 2, onder e), van die richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 13 ervan.

 Artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95

93      De in artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 bedoelde gevallen waarin de lidstaten de vluchtelingenstatus kunnen intrekken of kunnen weigeren deze status te verlenen, komen – zoals de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie heeft opgemerkt – in wezen overeen met de gevallen waarin de lidstaten krachtens artikel 21, lid 2, van die richtlijn en artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève een vluchteling kunnen terugleiden.

94      In de eerste plaats zij evenwel opgemerkt dat artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève in dergelijke gevallen de vluchteling weliswaar het genot ontzegt van het beginsel van non-refoulement naar een land waar zijn leven of vrijheid gevaar zou lopen, maar dat bij de uitlegging en toepassing van artikel 21, lid 2, van richtlijn 2011/95 – zoals in overweging 16 ervan wordt bevestigd – de door het Handvest gewaarborgde rechten moeten worden geëerbiedigd. Dit geldt met name voor de rechten die worden gewaarborgd door artikel 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, op grond waarvan het volstrekt verboden is om personen te onderwerpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, ongeacht het gedrag van de betrokkene, alsook om personen te verwijderen naar een staat waar er een ernstig risico bestaat dat zij aan dergelijke behandelingen worden onderworpen. Bijgevolg kunnen de lidstaten een vreemdeling niet verwijderen, uitzetten of uitleveren wanneer er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op behandelingen die door artikel 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest verboden zijn [zie in die zin arresten van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 86‑88, en 24 april 2018, MP (Subsidiaire bescherming van een slachtoffer van eerdere foltering), C‑353/16, EU:C:2018:276, punt 41].

95      Wanneer de terugleiding van een vluchteling die zich in een van de in artikel 14, leden 4 en 5, en artikel 21, lid 2, van richtlijn 2011/95 bedoelde situaties bevindt, het risico meebrengt dat zijn in artikel 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest neergelegde grondrechten worden geschonden, mag de betreffende lidstaat dan ook niet afwijken van het beginsel van non-refoulement in de zin van artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève.

96      Derhalve biedt het Unierecht de betrokken vluchtelingen een ruimere internationale bescherming dan het Verdrag van Genève, voor zover de lidstaten krachtens artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 in de daarin bedoelde situaties de „vluchtelingenstatus” in de zin van artikel 2, onder e), van deze richtlijn kunnen intrekken of kunnen weigeren deze status te verlenen, terwijl een zich in een van die situaties bevindende vluchteling op grond van artikel 33, lid 2, van dat verdrag kan worden teruggeleid naar een land waar zijn leven of vrijheid gevaar zou lopen.

97      In de tweede plaats kan artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 – zoals is opgemerkt door de Commissie, de Raad, het Parlement en meerdere lidstaten die schriftelijke opmerkingen bij het Hof hebben ingediend – niet aldus worden uitgelegd dat in de context van het bij deze richtlijn ingevoerde stelsel de intrekking van de vluchtelingenstatus of de weigering om deze status te verlenen tot gevolg heeft dat de betrokken derdelander of staatloze die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, onder d), van die richtlijn, gelezen in samenhang met de bepalingen van hoofdstuk III ervan, de hoedanigheid van vluchteling in de zin van voornoemd artikel 2, onder d), en artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève verliest.

98      Naast hetgeen in punt 92 van het onderhavige arrest is opgemerkt, betekent de omstandigheid dat de betrokken persoon zich in een van de in artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 bedoelde situaties bevindt, immers als zodanig niet dat hij niet meer beantwoordt aan de voorwaarden waarvan de hoedanigheid van vluchteling afhangt, die verband houden met het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in zijn land van herkomst.

99      Het is juist dat wanneer een lidstaat op grond van artikel 14, lid 4 of lid 5, van richtlijn 2011/95 beslist de vluchtelingenstatus in te trekken of deze status niet te verlenen, de betrokken derdelanders of staatlozen die status wordt ontzegd, zodat zij niet of niet langer alle rechten en voordelen genieten waarin hoofdstuk VII van die richtlijn voorziet, aangezien deze rechten en voordelen verbonden zijn aan die status. Zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 14, lid 6, van richtlijn 2011/95, zijn of blijven die personen evenwel in het genot van een aantal rechten die zijn vastgelegd in het Verdrag van Genève (zie in die zin arrest van 24 juni 2015, H. T., C‑373/13, EU:C:2015:413, punt 71), hetgeen bevestigt dat zij, zoals de advocaat-generaal in punt 100 van zijn conclusie heeft beklemtoond, niettegenstaande die intrekking of weigering vluchteling in de zin van met name artikel 1, afdeling A, van dat verdrag zijn of blijven.

100    Hieruit volgt dat artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 niet aldus kan worden uitgelegd dat de intrekking van de vluchtelingenstatus of de weigering deze status te verlenen tot gevolg heeft dat de betrokken derdelander of staatloze die voldoet aan de materiële voorwaarden van artikel 2, onder d), van die richtlijn, gelezen in samenhang met de bepalingen van hoofdstuk III ervan, de hoedanigheid van vluchteling in de zin van artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève wordt ontzegd, waardoor hem de internationale bescherming zou worden onthouden die hem krachtens artikel 18 van het Handvest moet worden geboden met inachtneming van dat verdrag.

 Artikel 14, lid 6, van richtlijn 2011/95

101    Artikel 14, lid 6, van richtlijn 2011/95 bepaalt dat personen op wie lid 4 of lid 5 van dat artikel van toepassing is, de rechten genieten die zijn vastgelegd „in de artikelen 3, 4, 16, 22, 31, 32 en 33 van het Verdrag van Genève of daarmee vergelijkbare rechten, voor zover zij in de lidstaat aanwezig zijn”.

102    Om te beginnen kan het in artikel 14, lid 6, van richtlijn 2011/95 gebruikte voegwoord „of” taalkundig gezien een alternatieve dan wel een cumulatieve betekenis hebben, zodat het moet worden gelezen in de context waarin het wordt gebruikt en in het licht van de doelstellingen van de betreffende handeling (zie naar analogie arrest van 12 juli 2005, Commissie/Frankrijk, C‑304/02, EU:C:2005:444, punt 83). In casu moet dat in artikel 14, lid 6, van richtlijn 2011/95 gebezigde voegwoord – gelet op de context en het doel van richtlijn 2011/95, zoals deze blijken uit de overwegingen 3, 10 en 12 ervan, en op de in punt 77 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak – in cumulatieve zin worden opgevat.

103    Wat vervolgens de draagwijdte van het in voornoemd artikel 14, lid 6, voorkomende begrip „daarmee vergelijkbare rechten” betreft, zij opgemerkt dat de toepassing van artikel 14, lid 4 of lid 5, van richtlijn 2011/95, zoals de advocaat-generaal in punt 110 van zijn conclusie heeft benadrukt, met name tot gevolg heeft dat de betrokkene de verblijfstitel wordt ontzegd die artikel 24 van deze richtlijn verbindt aan de status van vluchteling in de zin van die richtlijn.

104    Een vluchteling jegens wie een maatregel wordt vastgesteld op grond van artikel 14, lid 4 of lid 5, van richtlijn 2011/95, kan voor het bepalen van de rechten die hem krachtens het Verdrag van Genève moeten worden toegekend, dan ook worden beschouwd als iemand die niet of niet langer rechtmatig verblijft op het grondgebied van de betrokken lidstaat.

105    Derhalve moet worden geoordeeld dat wanneer de lidstaten uitvoering geven aan artikel 14, lid 4 of lid 5, van richtlijn 2011/95, zij in beginsel enkel ertoe gehouden zijn om aan de vluchtelingen die op hun respectieve grondgebied verblijven, de uitdrukkelijk in artikel 14, lid 6, van die richtlijn vermelde rechten toe te kennen, alsmede de in het Verdrag van Genève neergelegde rechten die worden gegarandeerd aan elke vluchteling die zich op het grondgebied van een verdragsluitende staat bevindt en voor het genot waarvan geen rechtmatig verblijf is vereist.

106    Benadrukt dient evenwel te worden dat de vluchteling die zich in een van de in artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 genoemde situaties bevindt, niettegenstaande het feit dat hem de verblijfstitel wordt ontzegd die is verbonden aan de vluchtelingstatus in de zin van deze richtlijn, mogelijkerwijs op een andere rechtsgrondslag legaal op het grondgebied van de lidstaat in kwestie mag verblijven (zie in die zin arrest van 24 juni 2015, H. T., C‑373/13, EU:C:2015:413, punt 94). In een dergelijk geval staat artikel 14, lid 6, van die richtlijn geenszins eraan in de weg dat die lidstaat waarborgt dat de betrokkene alle rechten geniet die het Verdrag van Genève aan de hoedanigheid van „vluchteling” verbindt.

107    Overeenkomstig artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest moet artikel 14, lid 6, van richtlijn 2011/95 bijgevolg aldus worden uitgelegd dat de lidstaat die gebruikmaakt van de door artikel 14, leden 4 en 5, van deze richtlijn geboden mogelijkheden, verplicht is om de vluchteling die in een van de situaties als bedoeld in laatstgenoemde leden verkeert en die zich op het grondgebied van die lidstaat bevindt, op zijn minst de in het Verdrag van Genève neergelegde rechten toe te kennen waarnaar in voornoemd artikel 14, lid 6, uitdrukkelijk wordt verwezen, alsmede de in dat verdrag neergelegde rechten voor het genot waarvan geen rechtmatig verblijf is vereist, en dit onverminderd eventuele voorbehouden van de betrokken lidstaat uit hoofde van artikel 42, lid 1, van dat verdrag.

108    Afgezien van de rechten die de lidstaten de betrokken personen moeten garanderen krachtens artikel 14, lid 6, van richtlijn 2011/95, dient overigens te worden benadrukt dat aan deze richtlijn in geen geval een uitlegging mag worden gegeven waardoor zij die staten ertoe zou aanzetten zich te onttrekken aan hun uit het Verdrag van Genève voortvloeiende internationale verplichtingen, doordat zij de door die personen aan dat verdrag ontleende rechten zou beperken.

109    Hoe dan ook dient te worden gepreciseerd dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 133 en 134 van zijn conclusie heeft opgemerkt en zoals blijkt uit de overwegingen 16 en 17 van richtlijn 2011/95, de toepassing van artikel 14, leden 4 tot en met 6, van deze richtlijn hoe dan ook niet afdoet aan de verplichting van de betrokken lidstaat om de relevante bepalingen van het Handvest na te leven. Het gaat onder meer om de verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 7, dat ziet op de eerbiediging van het privéleven en het familie‑ en gezinsleven, artikel 15, dat ziet op de vrijheid van beroep en het recht te werken, artikel 34, dat ziet op sociale zekerheid en sociale bijstand, en artikel 35, dat ziet op gezondheidszorg.

110    Uit het voorgaande volgt dat personen die zich bevinden in een van de in artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 beschreven situaties, op grond van artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève kunnen worden teruggeleid of uitgezet naar hun land van herkomst, en dit zelfs indien hun leven of vrijheid daar bedreigd zou worden, terwijl dergelijke personen niet kunnen worden teruggeleid op grond van artikel 21, lid 2, van richtlijn 2011/95 indien zij daardoor het risico zouden lopen dat hun in artikel 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest neergelegde grondrechten worden geschonden. Ten aanzien van die personen kan in de betrokken lidstaat weliswaar een besluit tot intrekking van de vluchtelingenstatus in de zin van artikel 2, onder e), van richtlijn 2011/95 worden vastgesteld, dan wel een besluit waarbij wordt geweigerd deze status te verlenen, maar de vaststelling van dergelijke besluiten laat hun hoedanigheid van vluchteling onverlet wanneer zij voldoen aan de materiële voorwaarden om te worden aangemerkt als vluchtelingen in de zin van artikel 2, onder d), van die richtlijn, gelezen in samenhang met de bepalingen van hoofdstuk III ervan, en dus in de zin van artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève.

111    Deze uitlegging van artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 waarborgt dan ook dat geen afbreuk wordt gedaan aan het minimale beschermingsniveau van het Verdrag van Genève, zoals artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest vereisen.

112    Bijgevolg moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat uit het onderzoek van artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die de geldigheid van die bepaling uit het oogpunt van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest kunnen aantasten.

 Kosten

113    Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Uit het onderzoek van artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die de geldigheid van die bepaling uit het oogpunt van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kunnen aantasten.

ondertekeningen


*      Procestalen: Tsjechisch en Frans.