Language of document : ECLI:EU:C:2019:409

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

15 mei 2019 (*)

„Hogere voorziening – Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) – Uitgaven die van financiering door de Europese Unie zijn uitgesloten – Uitgaven door de Helleense Republiek – Verordening (EG) nr. 1782/2003 – Verordening (EG) nr. 796/2004 – Regeling inzake oppervlaktegebonden steun – Begrip ‚blijvend grasland’ – Forfaitaire financiële correcties – Aftrek van eerdere correctie”

In zaak C‑341/17 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 6 juni 2017,

Helleense Republiek, vertegenwoordigd door G. Kanellopoulos, A. Vasilopoulou en E. Leftheriotou als gemachtigden,

rekwirante,

ondersteund door:

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door M. A. Sampol Pucurull als gemachtigde,

interveniënt in hogere voorziening,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou en A. Sauka als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: J. Malenovský, waarnemend voor de president van de Achtste kamer, M. Safjan en D. Šváby (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 september 2018,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 december 2018,

het navolgende

Arrest

1        Met haar hogere voorziening verzoekt de Helleense Republiek om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2017, Griekenland/Commissie (T‑112/15, EU:T:2017:239; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep heeft verworpen tegen uitvoeringsbesluit 2014/950/EU van de Commissie van 19 december 2014 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2014, L 369, blz. 71; hierna: „litigieus besluit”).

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 1782/2003

2        De overwegingen 3, 4, 21 en 24 van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB 2003, L 270, blz. 1), luidden als volgt:

„(3)      Om te vermijden dat landbouwgrond wordt opgegeven en te waarborgen dat de grond in goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden, moeten normen worden vastgesteld, die al dan niet op bepalingen van de lidstaten kunnen berusten. Daarom is het dienstig een communautair kader te bepalen waarbinnen de lidstaten normen kunnen stellen met inachtneming van de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden, inclusief de bodem- en klimaatgesteldheid en de bestaande landbouwsystemen (grondgebruik, vruchtwisseling, landbouwmethoden) en landbouwstructuren.

(4)      Aangezien blijvend grasland een positief milieueffect heeft, is het dienstig maatregelen ter bevordering van de instandhouding van bestaand blijvend grasland vast te stellen om een massale omzetting in bouwland te voorkomen.

[...]

(21)      De rechtstreekse inkomenssteun waarin de steunregelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorzien, heeft vooral tot doel de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren. Dit doel hangt nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden. Om een verkeerde besteding van communautaire middelen te voorkomen, mogen geen steunbetalingen worden gedaan aan landbouwers die de voorwaarden voor het verkrijgen van die betalingen kunstmatig hebben gecreëerd.

[...]

(24)      Het concurrerender maken van de communautaire landbouw en het bevorderen van de toepassing van voedselkwaliteit- en milieunormen gaan noodzakelijkerwijs gepaard met een verlaging van de institutionele prijzen voor landbouwproducten en een stijging van de productiekosten voor de communautaire landbouwbedrijven. Voor het bereiken van deze doelstellingen en het bevorderen van een marktgerichtere en duurzame landbouw moet de verschuiving van productiesteun naar steun aan de producent worden voltooid door de invoering van een systeem met ontkoppelde inkomenssteun voor elk bedrijf. Terwijl de ontkoppeling de feitelijk aan de landbouwers betaalde bedragen ongewijzigd zal laten, zal dankzij de ontkoppeling sprake zijn van een veel doeltreffender inkomenssteun. Het is daarom dienstig de ene bedrijfstoeslag afhankelijk te stellen van de naleving van randvoorwaarden op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede de handhaving van het landbouwbedrijf in goede landbouw- en milieuconditie.”

3        Deze verordening bevatte titel III, met als opschrift „Bedrijfstoeslagregeling”, waarvan hoofdstuk 3 deel uitmaakte dat betrekking had op „toeslagrechten”. Afdeling 1 van dat hoofdstuk, betreffende de „op oppervlakten gebaseerde toeslagrechten”, bevatte artikel 44 betreffende het „gebruik van de toeslagrechten”, dat in lid 2 bepaalde:

„Onder ‚subsidiabele hectare’ wordt verstaan welke landbouwgrond ook van het bedrijf in de vorm van bouwland en blijvend grasland met uitzondering van de grond die voor blijvende teelten, als bosgrond of voor niet-landbouwactiviteiten in gebruik was.”

4        In diezelfde titel III bevatte hoofdstuk 4, „Grondgebruik in het kader van de bedrijfstoeslagregeling”, in afdeling 1 ervan artikel 51 met betrekking tot het „gebruik van de grond voor landbouw”. Dit artikel bepaalde:

„De landbouwers kunnen de percelen die zij overeenkomstig artikel 44, lid 3, hebben aangegeven, gebruiken voor enigerlei landbouwactiviteit, behalve voor blijvende teelten en behalve voor de productie van de producten als bedoeld in artikel 1, lid 2, van verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit [(PB 1996, L 297, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 47/2003 van de Commissie van 10 januari 2003 (PB 2003, L 7, blz. 64) en] artikel 1, lid 2, van verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit [(PB 1996, L 297, blz. 29), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 453/2002 van de Commissie van 13 maart 2002 (PB 2002, L 72, blz. 9)] [...].”

5        In titel IV („Andere steunregelingen”) van verordening nr. 1782/2003 bevatte hoofdstuk 12, dat betrekking had op „rundvleesbetalingen”, artikel 132 van die verordening, met het opschrift „extensiveringsbedrag”. Lid 3 van dit artikel luidde als volgt:

„Voor de toepassing van lid 2:

a)      wordt in afwijking van artikel 131, lid 2, onder a), bij de vaststelling van het veebezettingsgetal van het bedrijf rekening gehouden met de mannelijke runderen, koeien en vaarzen die tijdens het betrokken kalenderjaar op dat bedrijf aanwezig zijn, en met de schapen en/of de geiten waarvoor voor dat kalenderjaar premieaanvragen zijn ingediend. Het aantal dieren wordt in [grootvee-eenheden (GVE)] omgerekend aan de hand van de omrekeningstabel genoemd in artikel 131, lid 2, onder a);

b)      worden, onverminderd artikel 131, lid 2, onder b), derde streepje, arealen die gebruikt worden voor de productie van akkerbouwgewassen als gedefinieerd in bijlage IX niet als ‚voederareaal’ beschouwd;

c)      bestaat het voederareaal dat gebruikt wordt voor de berekening van het veebezettingsgetal, ten minste voor 50 % uit grasland.

‚Grasland’ wordt gedefinieerd door de lidstaten. Die definitie omvat ten minste het criterium dat grasland weidegrond is die volgens de plaatselijke veehouderijpraktijken erkend is als bestemd voor het laten grazen van runderen en/of schapen. Dit sluit een gecombineerd gebruik van het grasland in de loop van het jaar (gras, hooi, kuilgras) echter niet uit.”

 Verordening nr. 796/2004

6        Artikel 2, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB 2004, L 141, blz. 18), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 972/2007 van de Commissie van 20 augustus 2007 (PB 2007, L 216, blz. 3) (hierna: „verordening nr. 796/2004”), was als volgt verwoord:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

1 bis.      ‚perceel landbouwgrond’: een aaneengesloten stuk grond waarop één enkele gewasgroep wordt geteeld door één enkele landbouwer; in het geval echter dat in het kader van de onderhavige verordening een afzonderlijke aangifte van het gebruik van een oppervlakte binnen een gewasgroep nodig is, wordt het perceel landbouwgrond verder begrensd door dat specifieke gebruik;

[...]

2.      ‚blijvend grasland’: grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf werd opgenomen met uitzondering van de grond die valt onder [...] braakleggingsregelingen [...];

2 bis.      ‚grassen of andere kruidachtige voedergewassen’: alle kruidachtige planten die in de lidstaat traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels voor grasland worden opgenomen (ongeacht of het betrokken grasland al dan niet voor het weiden van dieren wordt gebruikt). De lidstaten kunnen in bijlage IX bij verordening (EG) nr. 1782/2003 vermelde gewassen ertoe rekenen;

[...]”

7        Overweging 1 van verordening (EG) nr. 239/2005 van de Commissie van 11 februari 2005 (PB 2005, L 42, blz. 3), waarbij verordening nr. 796/2004 is gewijzigd, luidde in de oorspronkelijke versie:

„Artikel 2 van verordening [nr. 796/2004 in de oorspronkelijke versie ervan] bevat een aantal begripsomschrijvingen die verduidelijking behoeven. Met name moet de omschrijving van ‚blijvend grasland’ in punt 2 van dat artikel worden verduidelijkt en dient ook een begripsomschrijving van de daarin gebruikte term ‚grassen of andere kruidachtige voedergewassen’ te worden opgenomen. In dit verband dient echter in aanmerking te worden genomen dat de lidstaten behoefte hebben aan enige flexibiliteit om rekening te kunnen houden met plaatselijke landbouwkundige omstandigheden.”

8        Artikel 8 van verordening nr. 796/2004, „Algemene beginselen met betrekking tot de percelen landbouwgrond”, bepaalt in lid 1:

„Een perceel met bomen wordt voor de toepassing van de oppervlaktegebonden steunregelingen als een perceel landbouwgrond beschouwd mits het op dat perceel mogelijk is de in artikel 51 van verordening [nr. 1782/2003] bedoelde landbouwactiviteiten of, indien van toepassing, de voorgenomen productie op soortgelijke wijze te beoefenen als op percelen zonder bomen in dezelfde regio.”

9        Titel III van die verordening, betreffende „controles”, bevatte artikel 30 ervan, met als opschrift „Constatering van de oppervlakten”. Lid 2 van dit artikel was als volgt verwoord:

„De totale oppervlakte van een perceel landbouwgrond kan in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat het volgens de gebruikelijke normen van de betrokken lidstaat of regio om een volledig gebruikt perceel gaat. Is dit niet het geval, dan wordt de werkelijk gebruikte oppervlakte in aanmerking genomen.

Voor de regio’s waar bepaalde elementen, met name heggen, sloten en muren, van oudsher deel uitmaken van de goede landbouwmethoden op het gebied van teelten of grondgebruik, kunnen de lidstaten besluiten dat de oppervlakte van die elementen als een onderdeel van de volledig gebruikte oppervlakte moet worden beschouwd op voorwaarde dat zij een door de lidstaten te bepalen totale breedte niet overschrijdt. Die breedte moet overeenkomen met een traditionele breedte in de betrokken regio en mag niet meer dan 2 m bedragen.

[...]”

 Verordening nr. 1290/2005

10      Titel IV, „Goedkeuring van de rekeningen en bewaking door de Commissie”, van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1), bevatte artikel 31 van die verordening, met als opschrift „Conformiteitsgoedkeuring”. Lid 3 van dat artikel luidde als volgt:

„Voordat enig besluit tot weigering van financiering wordt genomen, doet de Commissie schriftelijk mededeling van de resultaten van haar verificaties, en de betrokken lidstaat van zijn antwoorden daarop, waarna beide partijen pogen overeenstemming te bereiken over de te nemen maatregelen.

Wordt geen overeenstemming bereikt, dan kan de lidstaat verzoeken om opening van een procedure die tot doel heeft de respectieve standpunten binnen een termijn van vier maanden tot elkaar te brengen en waarvan de resultaten worden vermeld in een verslag dat aan de Commissie wordt meegedeeld en door haar wordt onderzocht voordat zij een besluit neemt over een eventuele weigering van financiering.”

 Verordening nr. 885/2006

11      Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening [nr. 1290/2005] met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het Elfpo (PB 2006, L 171, blz. 90), bevatte een artikel 11, met als opschrift „Conformiteitsgoedkeuring”. De leden 1 tot en met 3 van dit artikel luidden:

„1.      Indien de Commissie als gevolg van een onderzoek van mening is dat uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn gedaan, deelt zij haar bevindingen aan de betrokken lidstaat mee en geeft zij aan welke correctiemaatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat die voorschriften in de toekomst worden nageleefd.

In de mededeling wordt naar dit artikel verwezen. De lidstaat antwoordt binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling en de Commissie kan ten gevolge van dat antwoord haar standpunt wijzigen. De Commissie kan in gevallen waarin dat gerechtvaardigd is, instemmen met een verlenging van de antwoordtermijn.

Na afloop van de antwoordtermijn belegt de Commissie een bilaterale vergadering en pogen beide partijen tot overeenstemming te komen over de te nemen maatregelen en over de beoordeling van de ernst van de overtreding en van de aan de Gemeenschapsbegroting toegebrachte financiële schade.

2.      Binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de notulen van de in lid 1, derde alinea, bedoelde bilaterale vergadering doet de lidstaat mededeling van de eventueel in die vergadering gevraagde gegevens of van welke andere gegevens ook die hij nuttig acht voor het lopende onderzoek.

In gevallen waarin dat gerechtvaardigd is, kan de Commissie op een met redenen omkleed verzoek van de lidstaat een verlenging van de in de eerste alinea bedoelde termijn toestaan. Het verzoek moet vóór het verstrijken van die termijn tot de Commissie worden gericht.

Na het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde termijn deelt de Commissie haar conclusies op basis van de in het kader van de procedure voor de conformiteitsgoedkeuring ontvangen gegevens formeel aan de lidstaat mee. In de mededeling wordt de beoordeling vermeld van de uitgaven waarvoor de Commissie onttrekking aan communautaire financiering overeenkomstig artikel 31 van verordening [nr. 1290/2005] overweegt, en wordt naar artikel 16, lid 1, van de onderhavige verordening verwezen.

3.      De lidstaat stelt de Commissie in kennis van de correctiemaatregelen die hij heeft genomen om ervoor te zorgen dat de communautaire voorschriften worden nageleefd, en van de feitelijke datum van tenuitvoerlegging van deze maatregelen.

Na een eventueel overeenkomstig hoofdstuk 3 van de onderhavige verordening door het Bemiddelingsorgaan opgesteld rapport te hebben onderzocht, geeft de Commissie zo nodig overeenkomstig artikel 31 van verordening [nr. 1290/2005] een of meer beschikkingen tot onttrekking aan communautaire financiering van de door de niet-naleving van communautaire voorschriften beïnvloede uitgaven tot het tijdstip dat de lidstaat de correctiemaatregelen daadwerkelijk ten uitvoer heeft gelegd.

Bij de beoordeling van de aan communautaire financiering te onttrekken uitgaven kan de Commissie met eventueel na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde termijn door de lidstaat meegedeelde gegevens rekening houden indien dit voor een betere schatting van de aan de Gemeenschapsbegroting toegebrachte financiële schade nodig is, mits de latere toezending van de gegevens door uitzonderlijke omstandigheden wordt gerechtvaardigd.”

12      Artikel 16 van die verordening, „Bemiddelingsprocedure”, bepaalde in lid 1:

„Een lidstaat kan binnen 30 werkdagen na ontvangst van de in artikel 11, lid 2, derde alinea, bedoelde formele mededeling van de Commissie een aangelegenheid aan het Bemiddelingsorgaan voorleggen door een met redenen omkleed verzoek om bemiddeling te doen toekomen aan het secretariaat van het Bemiddelingsorgaan.

De te volgen procedure en het adres van het secretariaat worden ter kennis van de lidstaten gebracht via het Comité voor de Landbouwfondsen.”

 Verordening nr. 1307/2013

13      Artikel 4, lid 1, onder h), van verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 608), bevat de volgende definitie:

„‚blijvend grasland en blijvend weiland’ (samen ‚blijvend grasland’): grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen, alsmede, indien lidstaten daartoe besluiten, begraasbaar land dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in weiland”.

 Voorgeschiedenis van het geding

14      De voorgeschiedenis van het geding wordt weergegeven in de punten 1 tot en met 11 van het bestreden arrest en kan ten behoeve van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.

15      In september 2008 en februari 2009 voerde de Europese Commissie twee onderzoeken uit met betrekking tot uitgaven inzake, respectievelijk, oppervlaktegebonden steun en maatregelen voor plattelandsontwikkeling, die de Helleense Republiek had verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, en in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) voor het aanvraagjaar 2008.

16      Vervolgens heeft de Commissie in een brief van 21 november 2008 opgemerkt dat naar aanleiding van de tijdens de betrokken verificaties uitgevoerde controles ter plaatse was gebleken dat bepaalde oppervlakten waarvoor steun was verleend niet voldeden aan de subsidiabiliteitscriteria van artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1782/2003 en artikel 2 van verordening nr. 796/2004. De Commissie heeft ter onderbouwing van deze vaststelling een reeks voorbeelden genoemd, die zijn weergegeven in punt 40 van het bestreden arrest.

17      Na mededeling van de opmerkingen van de Commissie en de antwoorden van de Helleense Republiek vond op 8 april 2010 een bilaterale vergadering plaats. Op 2 juni 2010 deed de Commissie haar conclusies toekomen aan de Helleense Republiek, waarop deze laatste op 2 augustus 2010 heeft geantwoord.

18      Op 31 mei 2013 deelde de Commissie de Helleense Republiek mee dat zij vasthield aan haar standpunt inzake het nettobedrag en de motivering van de beoogde correcties.

19      De Helleense Republiek wendde zich op 11 juli 2013 tot het bemiddelingsorgaan. Dit orgaan heeft zijn advies uitgebracht op 31 januari 2014, waarna de Commissie pas op 26 maart 2014 haar definitieve standpunt innam. Daarin constateerde de Commissie, ten eerste, tekortkomingen in de werking van het systeem voor de identificatie van percelen landbouwgrond en van het geografische informatiesysteem (hierna: „LPIS-GIS”), die gevolgen hadden voor de kruiscontroles en de administratieve controles; ten tweede, tekortkomingen bij de controles ter plaatse en, ten derde, foutieve berekeningen van betalingen en sancties. Voorts wees de Commissie erop dat die constateringen een recurrent karakter hadden. Het uiteindelijke nettobedrag van de aan de Helleense Republiek opgelegde correctie bedroeg toen 86 007 771,11 EUR.

20      Dientengevolge heeft de Commissie op 19 december 2014 het litigieuze besluit vastgesteld, houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de Helleense Republiek heeft verricht in het kader van het EOGFL, afdeling Garantie, het ELGF of het Elfpo.

21      Bij dit besluit heeft de Commissie voor het aanvraagjaar 2008 forfaitaire correcties op het gebied van oppervlaktegebonden steun toegepast voor een totaalbedrag van 61 012 096,85 EUR, waarop zij een bedrag van 2 135 439,32 EUR in mindering heeft gebracht. Bij deze correctie werd met name rekening gehouden met een forfaitair correctiepercentage van 10 % voor de landbouwers die alleen grasland hadden aangegeven, dat neerkwam op 32 542 837,74 EUR. Hiernaast heeft de Commissie voor het aanvraagjaar 2008 correcties toegepast op het gebied van plattelandsontwikkeling voor een bedrag van 5 007 867,36 EUR voor het begrotingsjaar 2009 en een bedrag van 5 496 524,54 EUR voor het begrotingsjaar 2010, ofwel voor een totaalbedrag van 10 504 391,90 EUR, waarop zij een bedrag van 2 588 231,20 EUR in mindering heeft gebracht, bestaande uit 2 318 055,75 EUR voor het begrotingsjaar 2009 en 270 175,45 EUR voor het begrotingsjaar 2010. Hieruit volgt dat de financiële impact van het litigieuze besluit voor de Helleense Republiek in het kader van de forfaitaire correcties op het gebied van areaalgerelateerde steun en op het gebied van plattelandsontwikkeling respectievelijk 58 876 657,53 EUR en 7 916 160,70 EUR was.

22      Ter rechtvaardiging van de forfaitaire correcties heeft de Commissie in het in punt 41 van het bestreden arrest genoemde syntheseverslag, dat aan het litigieuze besluit was gehecht, de volgende gronden aangevoerd:

–        wat het LPIS-GIS betreft: de diensten van de Commissie waren van mening dat dit niet in overeenstemming was met de vereisten van artikel 20 van verordening nr. 1782/2003. In het bijzonder:

–      waren onjuistheden geconstateerd betreffende de grenzen van de referentiepercelen en de maximumoppervlakte ervan die voor steun in aanmerking kwam, waarbij die gegevens grotendeels onnauwkeurig waren. In het bijzonder waren onjuistheden geconstateerd in verband met de als grasland gebruikte oppervlakten die, volgens de verificaties, niet steeds konden worden geacht voor steun in aanmerking te komen op grond van artikel 2, eerste alinea, punten 2 en 2 bis, van verordening nr. 796/2004. Bijgevolg waren de landbouwers niet naar behoren geïnformeerd over de subsidiabiliteit van de percelen die zij voornemens waren aan te geven. Voorts waren de kruiscontroles die beogen te voorkomen dat dezelfde steun ten onrechte meermaals voor hetzelfde perceel wordt toegekend niet sluitend, tenzij controles ter plaatse, waarmee de onjuiste lokalisatie van de percelen werd opgespoord en hun subsidiabiliteit werd vastgesteld, hadden plaatsgevonden;

–      vanaf 2009 werd nieuwe informatie in het LPIS-GIS gebruikt voor de aangiftes en de kruiscontroles. De resultaten van de kruiscontroles konden echter niet worden gebruikt voor de beoordeling van het risico voor het Fonds voor het jaar 2008. In dat jaar gaven de landbouwers hun percelen immers aan op basis van het oude LPIS-GIS. Indien het systeem correct zou hebben gefunctioneerd in 2008, zou echter een gedeelte van die percelen niet-subsidiabel zijn verklaard, waaronder een aanzienlijk deel van het blijvend grasland dat volgens de Griekse autoriteiten subsidiabel was en met betrekking waartoe de Commissie in eerdere briefwisseling reeds had aangegeven dat het niet in aanmerking kwam wegens niet-naleving van de relevante wettelijke bepalingen;

–        de controles ter plaatse voldeden voor het aanvraagjaar 2008 niet aan de vereisten van de artikelen 23 en 30 van verordening nr. 796/2004. Meer in het bijzonder:

–      wat grasland betreft: de niet-opmeting van grasland werd geacht bijzonder verontrustend te zijn. In een aantal gevallen was op de voor steun in aanmerking komende oppervlakten een vegetatie van houtachtige gewassen aanwezig en op andere percelen was op een deel van het perceel een vegetatie van kruidachtige voedergewassen aanwezig, waardoor zij niet voldeden aan de criteria voor blijvend grasland van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004. De aangegeven oppervlakten waren vaak gelegen in afgelegen gebieden, hadden geen zichtbare grenzen en waren moeilijk toegankelijk. Geconstateerd werd dat de inspecteurs de oppervlakten niet hadden opgemeten conform de eisen van artikel 30 van verordening nr. 796/2004. Terwijl de Helleense Republiek herhaaldelijk had gesteld dat de betwiste oppervlakten steeds als grasland waren gebruikt zonder dat de Commissie had betwist dat zij voor steun in aanmerking kwamen, kwamen die oppervlakten ook niet voor steun in aanmerking vanuit het oogpunt van de vóór 2006 geldende regels en ook het directoraat-generaal (DG) Landbouw had kritiek geuit op de subsidiabiliteit ervan (onderzoek AP/2001/06);

–      wat de controles ter plaatse door middel van teledetectie betreft, was de toegepaste procedure niet in overeenstemming met de toepasselijke vereisten. Bijgevolg werd steun betaald voor percelen die niet subsidiabel waren uit hoofde van artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1782/2003 en artikel 2 van verordening nr. 796/2004;

–      wat de traditionele controles ter plaatse betreft heeft de „nieuwe meting” verschillen aan het licht gebracht, maar daaruit bleek geen systematische tekortkoming in de werking van dit type controle, met uitzondering van die betreffende grasland. In 2008 heeft de Helleense Republiek met het oog op de invoering van een nieuw LPIS-GIS, in dat systeem niet de coördinaten ingevoerd van de percelen waarvoor traditionele controles ter plaatse werden uitgevoerd. Bijgevolg bestond er geen enkele grafische voorstelling waarmee meervoudige aangiften konden worden opgespoord;

–      de geconstateerde tekortkomingen vormden een voortdurend gebrek in de werking van de essentiële controles en de aanvullende controles en creëerden een risico voor het fonds wat de oppervlaktegebonden steun betreft. Voorts hadden die vaststellingen een recurrent karakter;

–      de geconstateerde tekortkomingen hadden gevolgen voor de aanvullende aan de oppervlakte „gekoppelde” steun.

23      In het licht van de geconstateerde tekortkomingen in het LPIS-GIS en bij de controles ter plaatse heeft de Commissie de volgende typen correcties toegepast:

–      aan landbouwers die uitsluitend grasland aangaven is een forfaitaire correctie van 10 % opgelegd wegens een problematische situatie in het LPIS en de uitkomst van de controles ter plaatse, die indicatief waren voor een hoog percentage fouten, en bijgevolg voor grote onregelmatigheden. Hoewel volgens de Commissie een correctie van 25 % gerechtvaardigd was, leek de toepassing van een forfaitaire correctie van 10 % meer gepast, gelet op het „buffereffect”;

–      aan landbouwers die geen grasland hadden aangegeven is een forfaitaire correctie van 2 % opgelegd, waarbij rekening werd gehouden met het „buffereffect”, de verbetering in de traditionele controles ter plaatse en met het feit dat bij die categorie landbouwers het niveau van vastgestelde onregelmatigheden lager lag en dat de traditionele controles ter plaatse een aanzienlijk deel van de controles uitmaakten;

–      voor aanvullende oppervlaktegebonden steun is een forfaitaire correctie van 5 % opgelegd wegens de negatieve gevolgen die deze steun ondervond door het te late starten met de controles ter plaatse en wegens het ontbreken van een „buffereffect”;

–      voor alle areaalgerelateerde maatregelen voor plattelandsontwikkeling werd een forfaitaire correctie van 5 % opgelegd.

 Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

24      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 maart 2015, heeft de Helleense Republiek beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld, waarbij zij in wezen vijf middelen aanvoerde.

25      Met het eerste middel, betreffende de forfaitaire financiële correctie van 10 % die is toegepast op landbouwers die alleen grasland hadden aangegeven, voor een bedrag van 32 542 837,74 EUR, werd aangevoerd dat artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 onjuist was uitgelegd en toegepast en dat er sprake was van een ontoereikende motivering en een schending van het evenredigheidsbeginsel en van de grenzen van de discretionaire bevoegdheid van de Commissie. Met het tweede middel, betreffende de forfaitaire financiële correctie van 5 % voor de aanvullende gekoppelde steun, werd aangevoerd dat er sprake was van een feitelijke vergissing, een ontoereikende motivering en schending van het evenredigheidsbeginsel. Het derde middel, betreffende de financiële correctie van 5 % op steun van de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), die de plattelandsontwikkeling betreft, was ontleend aan een motiveringsgebrek, een feitelijke vergissing en schending van het evenredigheidsbeginsel.

26      Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de eerste twee middelen afgewezen en het beroep toegewezen wat betreft het derde middel. Het heeft derhalve in punt 1 van het dictum van het bestreden arrest het litigieuze besluit nietig verklaard „voor zover het de correctie van 5 007 867,36 EUR, de verlaging van 2 318 055,75 EUR en de financiële impact van 2 689 811,61 EUR betreft, welke bedragen zien op uitgaven die door de Helleense Republiek zijn verricht in de sector plattelandsontwikkeling Elfpo As 2 (2007‑2013, areaalgerelateerde maatregelen) voor het begrotingsjaar 2009, wegens tekortkomingen in het systeem voor de identificatie van percelen landbouwgrond (LPIS) en bij de controles ter plaatse (tweede pijler, aanvraagjaar 2008)” en, in punt 2 van dat dictum, het beroep verworpen voor het overige.

 Conclusies van partijen voor het Hof

27      Met haar hogere voorziening verzoekt de Helleense Republiek het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen;

–        het litigieuze besluit nietig te verklaren, en

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

28      De Commissie verzoekt het Hof:

–        de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond te verklaren, en

–        de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.

29      Het Koninkrijk Spanje, interveniënt aan de zijde van de Helleense Republiek, verzoekt het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen en

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

 Hogere voorziening

30      Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Helleense Republiek zes middelen aan. De eerste drie middelen zijn gericht tegen de beoordeling van het Gerecht betreffende de financiële correctie van 10 % op de oppervlaktegebonden steun voor landbouwers die alleen grasland hebben aangegeven. Het vierde en het vijfde middel hebben betrekking op de beoordeling van het Gerecht betreffende de financiële correctie van 5 % op aanvullende oppervlaktegebonden steun. Het zesde middel ziet op de beoordeling van het Gerecht van de financiële correctie van 5 % op steun van de tweede pijler van het GLB, die de plattelandsontwikkeling betreft.

 Eerste middel

 Argumenten van partijen

31      Het eerste middel bestaat uit drie onderdelen.

32      Met het eerste onderdeel van haar eerste middel voert de Helleense Republiek in essentie aan dat het Gerecht, in de punten 24 tot en met 67 van het bestreden arrest, een onjuiste uitlegging en toepassing heeft gegeven aan artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004, dat de definitie van „blijvend grasland” bevat. Meer in het bijzonder verwijt zij het Gerecht dat het – in de punten 34 tot en met 36 van het bestreden arrest – dat begrip te restrictief heeft uitgelegd, door een criterium te hanteren dat uitsluitend betrekking heeft op het type vegetatie op het betrokken land. De Helleense Republiek, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, pleit daarentegen voor een ruime opvatting van dat begrip, die de bedoeling van de wetgever weerspiegelt en ook zogenoemd „mediterraan” grasland omvat, dat wil zeggen begraasbaar land met houtachtige of bosrijke vegetatie waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen.

33      Volgens de Helleense Republiek wordt die uitlegging ondersteund door de bewoordingen van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004, alsook door de context en doelstellingen van die verordening. Ook benadrukt zij dat die ruime opvatting van „blijvend grasland” volgt uit zowel artikel 4, lid 1, onder h), van verordening nr. 1307/2013, als uit de op 2 april 2008 door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO) van de Commissie gepubliceerde leidraad die richtsnoeren bevat betreffende de meest geschikte handelwijzen om te voldoen aan de geldende wettelijke voorschriften inzake het GLB, alsook uit het door de Griekse autoriteiten en de Commissie in oktober 2012 uitgewerkte actieplan (hierna: „actieplan van 2012”).

34      Het Koninkrijk Spanje voert ter ondersteuning van dit betoog in essentie aan dat het Gerecht onvoldoende rekening heeft gehouden met de context en de doelstellingen van verordening nr. 1782/2003, waaronder de handhaving van bepaalde aan de productie gekoppelde betalingen. Meer in het bijzonder spreekt artikel 132 van verordening nr. 1782/2003, dat de extensiveringspremie betreft, van grasland, zonder daarbij te preciseren dat dit grasland volledig bedekt moet zijn met kruidachtige vegetatie.

35      De Commissie voert hiertegen aan dat het Gerecht de in artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 opgenomen definitie van „blijvend grasland” correct heeft uitgelegd en toegepast. Uit die definitie blijkt dat het criterium inzake het type vegetatie op de betrokken landbouwgrond doorslaggevend is. Bovendien zijn de in punt 33 van het onderhavige arrest genoemde leidraad, het actieplan van 2012, en verordening nr. 1307/2013, die van toepassing is sinds 1 januari 2015 en een ruimere definitie van „blijvend grasland” bevat, irrelevant voor de uitlegging van het recht dat van toepassing was ten tijde van de feiten in het onderhavige geval en voor de beoordeling van de financiële correctie waartoe de Commissie heeft besloten.

36      Met het tweede onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening verwijt de Helleense Republiek het Gerecht in essentie dat het in punt 66 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de litigieuze oppervlakten, ongeacht de gehanteerde uitlegging van het begrip „blijvend grasland”, niet subsidiabel waren, vanwege geconstateerde tekortkomingen bij de toepassing van de regels betreffende grasland en bij de werking van het LPIS-GIS controlesysteem.

37      De Helleense Republiek meent namelijk dat het Gerecht, ingevolge de toepassing van het „buffereffect”, uit de geconstateerde specifieke tekortkomingen bij de werking van het LPIS-GIS voor bepaalde in punt 40 van het bestreden arrest genoemde percelen, niet kon afleiden dat alle voor het jaar 2008 als grasland aangegeven en bij de financiële correctie betrokken oppervlakten hoe dan ook niet subsidiabel waren, ongeacht of de enge definitie van artikel 2 van verordening nr. 796/2004 dan wel een gunstigere definitie op grond van het actieplan van 2012 of artikel 4, lid 1, onder h), van verordening nr. 1307/2013 werd gehanteerd.

38      De Commissie concludeert tot afwijzing van dit betoog.

39      In het kader van het derde onderdeel van haar eerste middel verwijt de Helleense Republiek het Gerecht een ontoereikende motivering voor zover het in de punten 20 tot en met 22 van het bestreden arrest zijn beoordeling heeft gebaseerd op de rechtspraak inzake de verdeling van de bewijslast in het kader van de procedure voor de conformiteitsgoedkeuring. Deze rechtspraak is immers irrelevant voor de uitlegging van het begrip „blijvend grasland” in de zin van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004.

40      De Commissie concludeert tot afwijzing van dit betoog.

 Beoordeling door het Hof

41      Vooraf dient te worden opgemerkt dat de Commissie, zonder formeel een middel van niet-ontvankelijkheid op te werpen, twijfelt of de hogere voorziening ontvankelijk is voor zover de Helleense Republiek zich beperkt tot een herhaling van haar betoog in eerste aanleg.

42      Dit argument van de Commissie moet echter worden verworpen.

43      Het is juist dat volgens vaste rechtspraak een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punt 34).

44      In casu beperkt de Helleense Republiek zich er echter niet toe de middelen en argumenten die zij voor het Gerecht heeft aangedragen, te herhalen of woordelijk over te nemen, maar betwist zij voor het Hof de wijze waarop het Gerecht het Unierecht in het bestreden heeft uitgelegd of toegepast.

45      De door de Helleense Republiek aangevoerde middelen dienen derhalve ten gronde te worden onderzocht.

46      Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.

47      Artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 definieert „blijvend grasland” als „grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf wordt opgenomen”.

48      Hieruit volgt dat, hoewel dit artikel uitdrukkelijk spreekt van de aanwezigheid van „grassen en andere kruidachtige voedergewassen”, zodat bij een oppervlak waarop uitsluitend kruidachtige gewassen aanwezig zijn ongetwijfeld sprake is van „blijvend grasland”, de aanwezigheid van andere typen vegetatie, zoals hout- of boomachtige vegetatie, niet wordt uitgesloten. Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 56 van haar conclusie, blijven de bewoordingen van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 dus dubbelzinnig wat betreft de vraag of voor de kwalificatie als „blijvend grasland” een criterium omtrent het type vegetatie op de betrokken grond geldt, en of die kwalificatie daarom afhangt van de aanwezigheid van uitsluitend grassen of andere kruidachtige gewassen.

49      Wat de context van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 betreft, volgt om te beginnen uit overweging 1 van verordening nr. 239/2005 dat, gelet op de behoefte om het begrip „blijvend grasland” te verduidelijken, het de bedoeling van de Uniewetgever is geweest om lidstaten enige flexibiliteit te geven om rekening te kunnen houden met verschillende plaatselijke landbouwkundige omstandigheden.

50      Voorts volgt uit de bewoordingen van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 796/2004, die verwijzen naar artikel 51 van verordening nr. 1782/2003, dat het daadwerkelijke landbouwkundige gebruik van landbouwgrond een belangrijker criterium vormt dan het type vegetatie op de betrokken grond. Volgens artikel 8, lid 1, wordt een perceel met bomen immers beschouwd als een „perceel landbouwgrond” mits het op dat perceel mogelijk is om de voorgenomen productie op soortgelijke wijze te beoefenen als op percelen zonder bomen in dezelfde regio.

51      Bovendien moet worden opgemerkt dat het criterium omtrent het type vegetatie op de betrokken grond ook wordt gerelativeerd door artikel 30, lid 2, van verordening nr. 796/2004, in het kader van de controle van de oppervlakte van een landbouwperceel. Overeenkomstig deze bepaling kunnen de lidstaten besluiten dat oppervlakten die in beslag worden genomen door heggen moeten worden beschouwd als een onderdeel van de volledige oppervlakte van een landbouwperceel, mits dat element van oudsher deel uitmaakt van de goede landbouwmethoden op het gebied van grondgebruik.

52      Tot slot, voor zover de definitie van „blijvend grasland” staat in verordening nr. 796/2004, die strekt tot uitvoering van verordening nr. 1782/2003, moet dat begrip krachtens vaste rechtspraak van het Hof conform de basishandeling worden uitgelegd (arrest van 26 juli 2017, Tsjechië/Commissie, C‑696/15 P, EU:C:2017:595, punt 33).

53      Verordening nr. 1782/2003 vereist geen bepaald type vegetatie om te kunnen spreken van „blijvend grasland”, aangezien artikel 44, lid 2, van die verordening bepaalt dat alleen „blijvende teelten”, „bosgrond” en grond die „voor niet-landbouwactiviteiten in gebruik was” niet kunnen worden aangemerkt als „subsidiabele hectare”.

54      Uit het voorgaande volgt dus, zoals de advocaat-generaal heeft uiteengezet in punt 63 van haar conclusie, dat het doorslaggevende criterium voor de definitie van „blijvend grasland” niet het type vegetatie op de landbouwgrond is, maar het daadwerkelijke gebruik van deze grond voor een landbouwactiviteit die typisch is voor „blijvend grasland”. Bijgevolg kan de aanwezigheid van hout- of boomachtige gewassen er als zodanig niet aan in de weg staan dat land wordt ingedeeld als „blijvend grasland”, wanneer daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de daadwerkelijke uitoefening van een landbouwactiviteit (zie in die zin arrest van 9 juni 2016, Planes Bresco, C‑333/15 en C‑334/15, EU:C:2016:426, punt 35).

55      Een dergelijke uitlegging wordt bovendien gestaafd door de doelstellingen van verordening nr. 1782/2003, te weten de stabilisatie van het landbouwbedrijfsinkomen en de bescherming van het milieu.

56      In de eerste plaats, wat de doelstelling van stabilisatie van het landbouwbedrijfsinkomen betreft, volgt uit de overwegingen 21 en 24 van verordening nr. 1782/2003 dat de bedrijfstoeslagregeling afhankelijk is gesteld van handhaving van het landbouwbedrijf in goede landbouw- en milieuconditie en strekt tot het verzekeren van een redelijke levensstandaard voor landbouwers. Die bedrijfstoeslagregeling beoogt dan ook van toepassing te zijn op alle landbouwers, zonder dat toegang tot de toeslagen afhankelijk wordt gesteld van het type vegetatie op de betrokken grond.

57      In de tweede plaats benadrukken de overwegingen 3 en 4 van verordening nr. 1782/2003 het positieve milieueffect van blijvend grasland en plaatsen zij verordening nr. 1782/2003 in het streven naar een tweeledige doelstelling, te weten te voorkomen, ten eerste, dat landbouwgrond wordt opgegeven en, ten tweede, dat blijvend grasland in bouwland wordt omgezet. Zoals is vastgesteld door de advocaat-generaal in punt 68 van haar conclusie, volgt hieruit dat een restrictieve uitlegging van het begrip „blijvend grasland”, als uitsluitend betrekking hebbende op het type vegetatie op de landbouwgrond, niet strookt met het nastreven van deze doelstellingen.

58      Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat het doorslaggevende criterium dat in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling of de betrokken grond moet worden aangemerkt als „blijvend grasland”, in de zin van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004, niet het type vegetatie op die grond is, maar het daadwerkelijke gebruik ervan voor een landbouwactiviteit die typisch is voor „blijvend grasland”.

59      Door in de punten 35 en 36 van het bestreden arrest te oordelen dat het relevante criterium het type vegetatie op de betrokken grond was, en zijn beoordeling op dat criterium te baseren, heeft het Gerecht dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en toepassing van het begrip „blijvend grasland”, zoals omschreven in artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004. Hieruit volgt dat de overweging van het Gerecht in punt 65 van het onderhavige arrest, volgens welke de Helleense Republiek de onjuistheid van de beoordelingen van de Commissie niet heeft aangetoond, onjuist is.

60      Dit gezegd hebbende moet worden opgemerkt dat het forfaitair correctiepercentage van 10 % voor de landbouwers die alleen grasland hadden aangegeven, in het syntheseverslag is gerechtvaardigd op grond van alle gebreken die zijn uiteengezet in de punten 16, 21 en 22 van het onderhavige arrest, die in wezen overeenkomen met de punten 40 en 41 van het bestreden arrest. De Commissie heeft dit percentage dus gerechtvaardigd aan de hand van tekortkomingen in het LPIS-GIS die de bewijskracht van de administratieve procedures en kruiscontroles hebben aangetast, en tekortkomingen bij de controles ter plaatse.

61      In dit verband heeft het Gerecht bij zijn beoordeling van het eerste middel van het bij hem ingestelde beroep in de punten 23 tot en met 106 van het bestreden arrest overwogen dat het percentage van 10 % dat is toegepast op de landbouwers die alleen grasland hadden aangegeven, nog steeds gerechtvaardigd was op grond van de andere vastgestelde tekortkomingen.

62      Meer in het bijzonder heeft het Gerecht in de punten 66, 85 en 95 van het bestreden arrest overwogen dat de tekortkomingen in het LPIS-GIS, los van de onenigheid over de definitie van „blijvend grasland”, een rechtvaardiging vormen voor een forfaitair correctiepercentage van 10 % voor de landbouwers die alleen grasland hadden aangegeven. Tegen deze achtergrond heeft de in punt 59 van het onderhavige arrest vermelde onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht geen gevolgen voor het dictum van het bestreden arrest, omdat de overwegingen in de punten 66, 88 en 95 ervan volstaan om dat dictum te rechtvaardigen.

63      De in punt 59 van het onderhavige arrest vastgestelde onjuiste rechtsopvatting kan dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest.

64      Aangaande het tweede onderdeel van het eerste middel volstaat het om op te merken dat het Gerecht, in punt 66 van het bestreden arrest, alleen heeft geoordeeld dat, zelfs als de door hem gehanteerde definitie van „blijvend grasland” niet in overeenstemming zou zijn met de bewoordingen van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004, de litigieuze oppervlakten hoe dan ook niet subsidiabel waren, „gelet op de gebreken die met betrekking tot de toepassing van de regels betreffende grasland en tot de werking van het controlesysteem van het LPIS-GIS zijn geconstateerd, waarnaar in de punten 40 en 41 [van het bestreden arrest] wordt verwezen”.

65      In punt 40 van het bestreden arrest somt het Gerecht immers een reeks voorbeelden op van percelen die door de Commissie zijn aangehaald ter rechtvaardiging van de forfaitaire correctie en die, gesteld dat hun ligging kon worden vastgesteld, niet voldeden aan de subsidiabiliteitscriteria van artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1782/2003, aangezien zij niet waren bestemd voor landbouwactiviteiten.

66      Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen en ongegrond worden verklaard.

67      Aangaande het derde onderdeel van het eerste middel moet worden opgemerkt dat het Gerecht, in de punten 20 tot en met 22 van het bestreden arrest, voorafgaand aan zijn specifieke beoordeling van elk van de door de Helleense Republiek aangedragen middelen en zonder daar in dit stadium rechtsgevolgen aan te verbinden, zich ertoe heeft beperkt om de algemene beginselen in herinnering te brengen die voortvloeien uit de vaste rechtspraak inzake de verdeling van de bewijslast bij geschillen over Europese fondsen, tussen enerzijds de Commissie en anderzijds de betrokken lidstaat.

68      Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen en niet-ontvankelijk worden verklaard.

69      Het eerste middel kan dus, ook al is het eerste onderdeel ervan gegrond, niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest.

70      Gelet op het voorgaande moet het eerste middel worden afgewezen als deels niet ter zake dienend, deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

 Tweede middel

 Argumenten van partijen

71      Met haar tweede middel voert de Helleense Republiek in essentie aan dat het Gerecht in de punten 68 tot en met 76 niet heeft voldaan aan zijn motiveringsplicht, aangezien het niet heeft gereageerd op alle door de Helleense Republiek aangevoerde argumenten omtrent het begrip „blijvend grasland” en in het bijzonder omtrent het begrip „mediterraan grasland”.

72      De Commissie concludeert tot afwijzing van dit middel.

 Beoordeling door het Hof

73      Volgens vaste rechtspraak kan de op het Gerecht rustende verplichting om zijn beslissingen te motiveren niet in die zin worden uitgelegd dat het op elk argument van een partij in detail moet antwoorden, met name wanneer het argument niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is en niet wordt gestaafd door omstandig bewijs (arrest van 11 januari 2007, Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, C‑404/04 P, niet gepubliceerd, EU:C:2007:6, punt 90).

74      In dit verband moet worden opgemerkt dat het Gerecht de punten 24 tot en met 64 van het bestreden arrest heeft gewijd aan een gedetailleerde beoordeling van de argumenten van de Helleense Republiek omtrent de uitlegging van het begrip „blijvend grasland” en, in het bijzonder, omtrent het belang van het type vegetatie op de landbouwgrond.

75      Hiernaast heeft rekwirante in de punten 15 en 16 van het inleidend verzoekschrift voor het Gerecht enkel gesteld dat er „al het mediterrane grasland bijzondere kenmerken” heeft, die „van grote milieuwaarde” zouden zijn. Daar deze stelling niet voldoet aan het vereiste van duidelijkheid en nauwkeurigheid, kan het Gerecht niet worden verweten er niet uitdrukkelijk op te hebben geantwoord.

76      Hieruit volgt dat het Gerecht zijn motiveringsplicht is nagekomen. Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

 Derde middel

 Argumenten van partijen

77      Het derde middel bestaat uit twee onderdelen.

78      Met het eerste onderdeel van haar derde middel voert de Helleense Republiek in essentie aan dat het Gerecht in de punten 88 tot en met 103 van het bestreden arrest om meerdere redenen niet heeft voldaan aan zijn motiveringsplicht. Volgens de Helleense Republiek heeft het Gerecht de motivering van het litigieuze besluit namelijk op ongeoorloofde wijze aangevuld, door te oordelen dat de onregelmatigheden in het beheers- en controlesysteem op zichzelf het correctiepercentage van 10 % rechtvaardigen, terwijl uit het syntheseverslag blijkt dat dit correctiepercentage alleen gerechtvaardigd kan zijn als de aangegeven oppervlakten niet subsidiabel waren als „blijvend grasland”. Bovendien heeft het Gerecht zijn besluit niet naar behoren gemotiveerd, zowel met betrekking tot de verhoging tot 10 %, ten opzichte van het in het voorgaande jaar geldende correctiepercentage van 5 %, als met betrekking tot de geconstateerde verbeteringen van de controles ter plaatse. Tot slot verwijt de Helleense Republiek het Gerecht dat het niet voldoende rekening heeft gehouden met het „buffereffect”.

79      Met het tweede onderdeel van dat middel voert de Helleense Republiek aan dat het Gerecht het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, door – in de punten 88 tot en met 103 van het bestreden arrest – het correctiepercentage van 10 % ten aanzien van de steun voor landbouwers die alleen grasland hebben aangegeven, te bevestigen. Volgens de Helleense Republiek zou, gelet op het „buffereffect”, een correctiepercentage van 5 % gerechtvaardigd zijn.

80      De Commissie betoogt dat dit middel in zijn geheel ongegrond moet worden verklaard.

 Beoordeling door het Hof

81      Wat het eerste onderdeel van het derde middel betreft, dient om te beginnen te worden opgemerkt dat – anders dan de Helleense Republiek betoogt – het door de Commissie gehanteerde forfaitaire correctiepercentage van 10 % niet alleen berust op de niet-subsidiabiliteit van de betrokken oppervlakten, maar op alle tekortkomingen in het controlesysteem die de Commissie heeft vastgesteld in het syntheseverslag en die door het Gerecht in herinnering zijn gebracht in de punten 10 en 89 tot en met 94 van het bestreden arrest.

82      Het Gerecht heeft dan ook zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting in punt 95 van het bestreden arrest kunnen overwegen dat het de tekortkomingen in het controlesysteem zijn die, tezamen met alle andere geconstateerde gebreken, een zeer gebrekkige tenuitvoerlegging van het controlesysteem vormen, die gepaard gaat met een hoog percentage fouten.

83      Hieruit volgt dat de stelling van de Helleense Republiek, volgens welke uit het syntheseverslag blijkt dat het forfaitaire correctiepercentage alleen is gerechtvaardigd op grond van de niet-subsidiabiliteit van de als „blijvend grasland” aangegeven oppervlakten, moet worden afgewezen.

84      Vervolgens moet, aangaande de stelling dat geen rekening is gehouden met de geconstateerde verbetering in de controles ter plaatse en met het voor het aanvraagjaar 2007 vastgestelde financiële correctiepercentage van 5 %, worden opgemerkt dat – anders dan de Helleense Republiek betoogt – het Gerecht het belang van deze elementen heeft beoordeeld in de punten 98 tot en met 101 van het bestreden arrest.

85      Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 99 van het bestreden arrest benadrukt dat, hoewel in het syntheseverslag was geconstateerd dat de controles ter plaatse in 2008 kwantitatief waren verbeterd, desalniettemin uit dat verslag ook bleek dat de controles ter plaatse kwalitatief gezien niet waren verbeterd. Op basis van deze constatering en van de vaststelling dat de Helleense Republiek haar stelling dat de controles ter plaatse kwalitatief waren verbeterd, niet had onderbouwd, kon het Gerecht in punt 100 van het bestreden arrest die laatste stelling terecht afwijzen, zonder daarbij zijn motiveringsplicht te schenden.

86      Die stelling komt derhalve voort uit een onjuiste lezing van het bestreden arrest en is dan ook feitelijk onjuist.

87      Tot slot, wat de stelling betreft dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met het „buffereffect”, moet worden opgemerkt dat het Gerecht dit effect in de punten 95, 102 en 103 van het bestreden arrest in beschouwing heeft genomen.

88      Meer in het bijzonder heeft het Gerecht in punt 95 van het bestreden arrest, na in de punten 85 tot en met 94 te hebben onderzocht of sprake was van een zeer gebrekkige tenuitvoerlegging van het controlesysteem, geoordeeld dat alle tekortkomingen in het controlesysteem, gezamenlijk bezien, blijk geven van een dergelijke zeer gebrekkige tenuitvoerlegging, die derhalve de toepassing van een forfaitair correctiepercentage van 25 % rechtvaardigde. Niettemin heeft het Gerecht vervolgens in datzelfde punt 95 overwogen dat de Commissie rekening had gehouden met een geringer risico van verliezen voor het fonds als gevolg van het „buffereffect”, op grond waarvan voor de activering van toeslagrechten slechts een deel van de aangegeven oppervlakten in aanmerking wordt genomen, om, zonder daarbij een fout te maken, een forfaitair correctiepercentage van 10 % toe te passen.

89      Die stelling vloeit derhalve voort uit een onjuiste lezing van het bestreden arrest en is dan ook feitelijk onjuist.

90      Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard.

91      Het tweede onderdeel van het derde middel is ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel door het Gerecht, in die zin dat het forfaitaire correctiepercentage – gegeven de tekortkomingen in het controlesysteem – niet 10 %, maar 5 % had moeten zijn.

92      In dit verband moet worden opgemerkt dat het Gerecht, na een omstandige analyse in de punten 85 tot en met 94 van het bestreden arrest, heeft geoordeeld dat de tekortkomingen in het controlesysteem, tezamen met alle andere geconstateerde gebreken, een zeer gebrekkige tenuitvoerlegging van het controlesysteem vormden, die gepaard ging met een hoog percentage fouten, waaruit bleek dat er sprake was van wijdverspreide onregelmatigheden, en die waarschijnlijk zeer grote verliezen voor het fonds tot gevolg heeft gehad.

93      Het Gerecht heeft in punt 82 van het bestreden arrest benadrukt, zonder op dit punt in het kader van de onderhavige hogere voorziening te zijn bekritiseerd door de Helleense Republiek, dat blijkens document nr. VI/5330/97 van de Commissie van 23 december 1997, waarin richtsnoeren op het gebied van financiële correcties zijn vastgesteld, een dergelijke zeer gebrekkige tenuitvoerlegging van het controlesysteem de toepassing van een correctie van 25 % van de uitgaven kan rechtvaardigen, aangezien het risico bestaat dat het fonds bijzonder grote verliezen lijdt.

94      Het Gerecht heeft derhalve bij de vaststelling – in punt 96 van het bestreden arrest – dat de Commissie geen fout heeft gemaakt door een forfaitaire correctie van 10 % toe te passen, het evenredigheidsbeginsel niet geschonden.

95      Uit het voorgaande volgt dat het tweede onderdeel van het derde middel ongegrond moet worden verklaard.

96      Gelet op de voorgaande overwegingen dient het derde middel ongegrond te worden verklaard.

 Vierde middel

 Argumenten van partijen

97      Het vierde middel is er in essentie aan ontleend dat het Gerecht – in de punten 110 tot en met 120 – blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een ontoereikende motivering bij zijn uitlegging en toepassing van artikel 31 van verordening nr. 1290/2005 juncto artikel 11 van verordening nr. 885/2006. Meer in het bijzonder voert de Helleense Republiek aan dat haar procedurele waarborgen zijn geschonden doordat de Commissie haar niet heeft uitgenodigd om tijdens de bilaterale vergadering diens bevindingen over vertragingen in de uitvoering van controles ter plaatse met betrekking tot de aanvullende oppervlaktegebonden steun te bespreken.

98      De Commissie werpt tegen dat het vierde middel ongegrond moet worden verklaard.

 Beoordeling door het Hof

99      Allereerst moet worden opgemerkt dat, in het kader van de procedure voor de conformiteitsgoedkeuring, uit artikel 31, lid 3, van verordening nr. 1290/2005 blijkt dat, voordat enig besluit tot weigering van financiering wordt genomen, de Commissie schriftelijk mededeling doet van de resultaten van haar verificaties, en de betrokken lidstaat van zijn antwoorden daarop, waarna beide partijen pogen overeenstemming te bereiken over de te nemen maatregelen.

100    Deze procedure is voorts geconcretiseerd in artikel 11 van verordening nr. 885/2006, waarin de modaliteiten ervan zijn vastgesteld. Zo volgt uit artikel 11, lid 1, eerste alinea, van die verordening, dat indien de Commissie als gevolg van een onderzoek van mening is dat uitgaven niet overeenkomstig de Unierechtelijke voorschriften zijn gedaan, zij haar bevindingen meedeelt aan de betrokken lidstaat en aangeeft welke correctiemaatregelen nodig zijn. Artikel 11, lid 1, tweede alinea, van voornoemde verordening bepaalt vervolgens dat de lidstaat antwoordt binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling van de Commissie, die ten gevolge van dat antwoord haar standpunt kan wijzigen. Tot slot vermeldt artikel 11, lid 1, derde alinea, van diezelfde verordening, dat na afloop van de antwoordtermijn de Commissie een bilaterale vergadering belegt en beide partijen pogen tot overeenstemming te komen over de te nemen maatregelen en over de beoordeling van de ernst van de overtreding en van de aan de Unie toegebrachte financiële schade.

101    Het blijkt dus duidelijk, ten eerste, uit artikel 11, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 885/2006, dat de Commissie haar standpunt kan wijzigen op grond van het antwoord van de betrokken lidstaat en, ten tweede, uit artikel 11, lid 1, derde alinea, van die verordening, dat de Commissie niet verplicht is om in de convocatie voor de bilaterale vergadering alle aspecten van de tijdens die vergadering te bespreken vaststellingen te preciseren.

102    Zoals door de advocaat-generaal in punt 112 van haar conclusie is opgemerkt, wordt de bilaterale vergadering daarentegen niet zozeer gehouden om de betrokken lidstaat te informeren over de reikwijdte van de vaststellingen van de Commissie, maar om het, op basis van de eerder plaatsgevonden uitwisseling van informatie, mogelijk te maken dat de door artikel 31, lid 3, van verordening nr. 1290/2005 verlangde overeenstemming over de te nemen maatregelen wordt bereikt.

103    Hieruit volgt dat de stelling van de Helleense Republiek omtrent een vermeende schending van haar procedurele waarborgen, op basis van artikel 11 van verordening nr. 885/2006, omdat de Commissie haar niet zou hebben uitgenodigd om tijdens de bilaterale vergadering de vertragingen in de uitvoering van controles ter plaatse met betrekking tot de aanvullende oppervlaktegebonden steun te bespreken, moet worden afgewezen.

104    Wat ten slotte de stelling van de Helleense Republiek ontleend aan een ontoereikende en tegenstrijdige motivering van het bestreden arrest betreft, volstaat het om op te merken dat het Gerecht, na in de punten 113 tot en met 116 van het bestreden arrest te hebben gewezen op het belang van de eerste schriftelijke mededeling in de zin van artikel 11 van verordening nr. 885/2006, heeft vastgesteld, na een heldere en omstandige analyse in de punten 118 tot en met 120 van dat arrest, dat de mededeling van de resultaten van het onderzoek rechtens genoegzaam had aangeduid dat de controles ter plaatse met betrekking tot de aanvullende oppervlaktegebonden steun te laat hadden plaatsgevonden.

105    Gelet op het voorgaande moet het vierde middel worden afgewezen.

 Vijfde middel

 Argumenten van partijen

106    In het kader van haar vijfde middel verwijt de Helleense Republiek het Gerecht dat het in de punten 126 tot en met 128 en de punten 132 en 133 van het bestreden arrest de motivering van het litigieuze besluit heeft aangevuld ter rechtvaardiging van het ten aanzien van de aanvullende oppervlaktegebonden steun toegepaste correctiepercentage van 5 %. Meer in het bijzonder voert zij aan dat het Gerecht de motivering van het litigieuze besluit heeft aangevuld ter rechtvaardiging van het verschil tussen het op aanvullende oppervlaktegebonden steun toegepaste correctiepercentage van 5 % en het op steun voor andere oppervlakten dan graslanden toegepaste correctiepercentage van 2 %.

107    Volgens de Commissie moet dit middel worden afgewezen, primair, als niet-ontvankelijk onder toepassing van artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, aangezien dit middel op te beknopte en vage wijze is geformuleerd. Subsidair meent de Commissie dat het bestreden arrest naar behoren is gemotiveerd. Hieruit volgt dat dit middel moet worden afgewezen.

 Beoordeling door het Hof

108    Aangaande de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie wegens het vage en beknopte karakter van het vijfde middel, waardoor zij daarop niet had kunnen antwoorden, dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Dienaangaande wordt in artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gepreciseerd dat de aangevoerde middelen en argumenten rechtens nauwkeurig moeten aangeven tegen welke rechtsoverwegingen van de beslissing van het Gerecht zij zijn gericht (zie in die zin arrest van 4 september 2014, Spanje/Commissie, C‑197/13 P, EU:C:2014:2157, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109    In casu moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek in punt 79 van haar hogere voorziening heeft aangeduid tegen welke specifieke punten van het bestreden arrest haar vijfde middel is gericht, en een argumentatie heeft ontwikkeld die voldoende concreet is om het Hof in staat te stellen dat middel te behandelen. Het vijfde middel van de Helleense Republiek is dus ontvankelijk.

110    Ten gronde heeft het Gerecht in de punten 126 tot en met 128 alsmede 132 en 133 van het bestreden arrest – anders dan de Helleense Republiek betoogt – niet de motivering van het litigieuze besluit aangevuld ter rechtvaardiging van het verschil tussen het op aanvullende oppervlaktegebonden steun toegepaste correctiepercentage van 5 % en het op steun voor andere oppervlakten dan graslanden toegepaste correctiepercentage van 2 %.

111    In de eerste plaats volgt immers uit de overwegingen van het Gerecht in de punten 123 tot en met 131 van het bestreden arrest dat de Commissie het percentage van 5 % in haar syntheseverslag heeft gerechtvaardigd onder verwijzing naar de onregelmatigheden in het controlesysteem met betrekking tot essentiële controles. In de tweede plaats volgt uit punt 136 van het bestreden arrest dat het op steun voor andere oppervlakten dan graslanden toegepaste percentage van 2 % is gerechtvaardigd op grond van het „buffereffect”. Zoals de advocaat-generaal in de punten 79 en 118 van haar conclusie heeft opgemerkt, is dit „buffereffect” niet relevant voor aanvullende oppervlaktegebonden steun, aangezien die steun wordt gekoppeld aan de productie, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van toeslagrechten. In de laatste plaats, voor zover de Helleense Republiek punt 133 van het bestreden arrest betwist, moet worden opgemerkt dat het Gerecht zich in dit punt heeft beperkt tot een feitelijke beoordeling bij zijn weerlegging van de stelling dat de vermeende verbeteringen in het LPIS-GIS werden toegepast gedurende het aanvraagjaar 2008.

112    Het vijfde middel van de hogere voorziening berust derhalve op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en moet ongegrond worden verklaard.

 Zesde middel

 Argumenten van partijen

113    Met haar zesde middel stelt de Helleense Republiek dat het Gerecht geen enkele motivering heeft gegeven voor de afwijzing van de tweede grief van haar derde middel ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring, dat betrekking had op de op het gebied van plattelandsontwikkeling opgelegde correctie en volgens welke het litigieuze besluit nietig moest worden verklaard omdat de door een eerder besluit van de Commissie opgelegde correcties niet waren afgetrokken van de correcties die in het kader van het litigieuze besluit zijn toegepast en in rekening zijn gebracht. Meer in het bijzonder heeft het Gerecht, zonder hiervoor een motivering te verstrekken, de vordering van de Helleense Republiek beperkt tot het bedrag van 5 007 867,36 EUR, dat overeenkomt met de correctie die in rekening is gebracht voor het begrotingsjaar 2009, terwijl zij het totaalbedrag van de bij het litigieuze besluit opgelegde correctie, te weten 10 504 391,90 EUR, dat overeenkomt met de som van de voor de begrotingsjaren 2009 (5 007 867,36 EUR) en 2010 (5 496 524,54 EUR) opgelegde correcties, had betwist.

114    Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk. Ten eerste betwist de Helleense Republiek enkel het definitieve nettobedrag van de bij het litigieuze besluit opgelegde correctie, alsmede het bedrag waarmee de uiteindelijke correctie is verminderd, wat vaststellingen van feitelijke aard zijn die buiten de toetsingsbevoegdheid van het Hof in het kader van een hogere voorziening vallen. Ten tweede is de grief van de Helleense Republiek over het brutobedrag van 10 504 391,90 EUR op geen enkel moment opgeworpen gedurende de procedure voor het Gerecht, wat betekent dat die grief een verruiming van het voorwerp van het geschil in het kader van de hogere voorziening zou vormen, die moet worden beschouwd als een nieuw middel en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

 Beoordeling door het Hof

115    Vastgesteld moet worden dat de Helleense Republiek in de punten 9 en 41 tot en met 43 van haar verzoekschrift in eerste aanleg, heeft verzocht om nietigverklaring van het litigieuze besluit omdat het voorzag in de toepassing van forfaitaire correcties op het gebied van oppervlaktegebonden steun van 5 % van de totale uitgaven op het gebied van plattelandsontwikkeling, voor een bedrag van 10 504 391,90 EUR, dat overeenkomt met de som van de voor de begrotingsjaren 2009 (5 007 867,36 EUR) en 2010 (5 496 524,54 EUR) opgelegde correcties. Meer in het bijzonder heeft de Helleense Republiek voor het Gerecht aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de correctie die eerder – met betrekking tot het aanvraagjaar 2008 – voor de begrotingsjaren 2009 en 2010 ten aanzien van steun voor plattelandsontwikkeling is toegepast bij uitvoeringsbesluit 2013/214/EU van de Commissie van 2 mei 2013 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2013, L 123, blz. 11).

116    Vastgesteld moet worden dat, in het onderhavige geval, het Gerecht, in de punten 155 tot en met 168 van het bestreden arrest, het beroep van de Helleense Republiek heeft afgewezen, waarbij het zonder verdere motivering zijn beoordeling heeft beperkt tot alleen de correctie voor het aanvraagjaar 2008 die is toegepast op het begrotingsjaar 2009.

117    Derhalve is het Gerecht, door na te laten te antwoorden op een wezenlijk deel van het betoog van De Helleense Republiek, de motiveringsplicht niet nagekomen die op hem rustte krachtens artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat van toepassing is op het Gerecht krachtens artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut en artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

118    Dientengevolge moet het zesde middel van de Helleense Republiek worden aanvaard voor zover het Gerecht het bij hem ingestelde beroep heeft verworpen maar daarbij zijn beoordeling van de tweede grief ter ondersteuning van het derde middel van dit beroep heeft beperkt tot alleen de correctie voor het aanvraagjaar 2008 die in rekening is gebracht in het begrotingsjaar 2009.

119    Hieruit volgt dat, aangezien het zesde middel van de hogere voorziening gegrond moet worden verklaard, punt 2 van het dictum van het bestreden arrest dient te worden vernietigd, voor zover het Gerecht het beroep van de Helleense Republiek heeft verworpen maar daarbij zijn beoordeling heeft beperkt tot de correctie voor het aanvraagjaar 2008 die in rekening is gebracht in het begrotingsjaar 2009 in het kader van de financiële correctie van 5 % die is toegepast op steun van de tweede pijler van het GLB, die de plattelandsontwikkeling betreft, en geen onderzoek heeft gedaan naar de correctie voor het aanvraagjaar 2008 die in rekening is gebracht in het begrotingsjaar 2010 voor een bedrag van 5 496 524,54 EUR in het kader van de financiële correctie van 5 % die is toegepast op steun van de tweede pijler van het GLB, die de plattelandsontwikkeling betreft.

 Beroep bij het Gerecht

120    Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, ingeval het de beslissing van het Gerecht vernietigt, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.

121    Met betrekking tot de tweede grief ter ondersteuning van het derde middel van het bij het Gerecht ingestelde beroep volgt uit de punten 155 tot en met 168 van het bestreden arrest dat het Gerecht de reikwijdte van het verzoek van de Helleense Republiek inzake het bestaan van een dubbele correctie heeft beperkt tot alleen het begrotingsjaar 2009, terwijl de Helleense Republiek zich in haar inleidend verzoekschrift richtte op zowel het begrotingsjaar 2009 als het begrotingsjaar 2010.

122    In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat het litigieuze besluit, wat de correctie in het begrotingsjaar 2010 voor het aanvraagjaar 2008 betreft, niet rechtens genoegzaam preciseert in hoeverre het bedrag van de correctie waartoe in het litigieuze besluit is besloten daadwerkelijk – ter vermijding van een dubbele correctie – is verrekend met de bij besluit 2013/214 opgelegde correctie.

123    In de tweede plaats is het vanwege dit motiveringsgebrek niet mogelijk om rechtens genoegzaam vast te stellen of – en in voorkomend geval in hoeverre – de Commissie bij de berekening van de in het begrotingsjaar 2010 toe te passen correctie voor het aanvraagjaar 2008 rekening heeft gehouden met de correctie die voortvloeit uit besluit 2013/214.

124    Hieruit volgt dat de tweede grief ter ondersteuning van het derde middel van het bij het Gerecht ingestelde beroep moet worden toegewezen en het litigieuze besluit derhalve nietig moet worden verklaard wegens een motiveringsgebrek, voor zover het betrekking heeft op het in aanmerking nemen van besluit 2013/214 bij de berekening van de correctie van 5 496 524,54 EUR, de verlaging van 270 175,45 EUR en de financiële impact van 5 226 349,09 EUR, welke bedragen zien op uitgaven die door de Helleense Republiek zijn verricht in de sector plattelandsontwikkeling Elfpo As 2 (2007‑2013, areaalgerelateerde maatregelen) en zijn opgelegd voor het begrotingsjaar 2010 wegens tekortkomingen in het LPIS en in de controles ter plaatse (tweede pijler, aanvraagjaar 2008).

 Kosten

125    Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet, ten aanzien van de proceskosten.

126    Krachtens artikel 138, lid 3, van dat Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, draagt elk van de partijen haar eigen kosten indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.

127    Aangezien de Helleense Republiek en de Commissie elk op een of meer punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen zij hun eigen kosten dragen in verband met de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening.

128    Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten.

129    Het Koninkrijk Spanje zal, als interveniënt in hogere voorziening, zijn eigen kosten dragen.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart:

1)      De punten 2 en 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2017, Griekenland/Commissie (T112/15, EU:T:2017:239), worden vernietigd voor zover het Gerecht, ten eerste, het beroep van de Helleense Republiek heeft verworpen maar daarbij zijn beoordeling heeft beperkt tot de correctie voor het aanvraagjaar 2008 die in rekening is gebracht in het begrotingsjaar 2009 in het kader van de financiële correctie van 5 % die is toegepast op steun van de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), die de plattelandsontwikkeling betreft, en geen onderzoek heeft gedaan naar de correctie voor het aanvraagjaar 2008 die in rekening is gebracht in het begrotingsjaar 2010 voor een bedrag van 5 496 524,54 EUR in het kader van de financiële correctie van 5 % die is toegepast op steun van de tweede pijler van het GLB, die de plattelandsontwikkeling betreft, en, ten tweede, heeft beslist ten aanzien van de kosten.

2)      De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.

3)      Uitvoeringsbesluit 2014/950/EU van de Commissie van 19 december 2014 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), wordt nietig verklaard voor zover het betrekking heeft op het in aanmerking nemen van uitvoeringsbesluit 2013/214/EU van de Commissie van 2 mei 2013 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) bij de berekening van de correctie van 5 496 524,54 EUR, de verlaging van 270 175,45 EUR en de financiële impact van 5 226 349,09 EUR, welke bedragen zien op uitgaven die door de Helleense Republiek zijn verricht in de sector plattelandsontwikkeling Elfpo As 2 (20072013, areaalgerelateerde maatregelen) en zijn opgelegd voor het begrotingsjaar 2010 wegens tekortkomingen in het systeem voor de identificatie van percelen landbouwgrond (LPIS) en in de controles ter plaatse (tweede pijler, aanvraagjaar 2008).

4)      De Helleense Republiek en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten in verband met de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening.

5)      Het Koninkrijk Spanje draagt zijn eigen kosten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Grieks.