Language of document : ECLI:EU:C:2019:408

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

15 mei 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Aanvullend Protocol – Artikel 59 – Besluit nr. 3/80 – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Ontheffing van de bepalingen inzake de woonplaats – Artikel 6 – Uitkering bij invaliditeit – Intrekking – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende uitkeringen – Woonplaatsvereiste – Richtlijn 2003/109/EG – Status van langdurig ingezetene”

In zaak C‑677/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) bij beslissing van 1 december 2017, ingekomen bij het Hof op 4 december 2017, in de procedure

M. Çoban

tegen

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, J.‑C. Bonichot, E. Regan, C. G. Fernlund en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 oktober 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        M. Çoban, vertegenwoordigd door R. Akkaya en Z. M. Alaca, advocaten,

–        de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, vertegenwoordigd door J. Hut als gemachtigde,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en M. H. S. Gijzen als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en M. van Beek als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van besluit nr. 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (PB 1983, C 110, blz. 60), gelezen in samenhang met artikel 59 van het Aanvullend Protocol, op 23 november 1970 te Brussel ondertekend en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 293, blz. 1; hierna: „Aanvullend Protocol”). De Associatieraad is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en door de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685; hierna: „Associatieovereenkomst”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M. Çoban en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Nederland) (hierna: „Uwv”) over de afwijzing door het Uwv van zijn aanvraag om een aanvullende prestatie uit hoofde van de Nederlandse wetgeving.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Associatieovereenkomst

3        De Associatieovereenkomst heeft volgens artikel 2, lid 1, tot doel de voortdurende en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, met volledige inachtneming van de noodzaak de versnelde ontwikkeling van de Turkse economie, de verhoging van de werkgelegenheid en de verbetering van de levensomstandigheden van het Turkse volk te verzekeren.

 Aanvullend Protocol

4        Het Aanvullend Protocol bevat een titel II, „Verkeer van personen en diensten”, waarvan hoofdstuk I betrekking heeft op „[w]erknemers”.

5        Artikel 39 van het Aanvullend Protocol, dat behoort tot hoofdstuk I van titel II, bepaalt:

„1.      Vóór het einde van het eerste jaar na de inwerkingtreding van dit protocol, stelt de Associatieraad bepalingen vast ter zake van de sociale zekerheid ten behoeve van de werknemers van Turkse nationaliteit die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en ten behoeve van hun binnen de Gemeenschap woonachtige gezinnen.

[...]

4.      De ouderdoms-, overlijdens‑ en invaliditeitspensioenen die zijn verworven op grond van bepalingen uit hoofde van toepassing van lid 2 moeten naar Turkije kunnen worden uitgevoerd.

[...]”

6        Artikel 59 van het Aanvullend Protocol, dat behoort tot titel IV, „Algemene en slotbepalingen”, luidt:

„Op de onder dit protocol vallende gebieden, mag de behandeling van Turkije niet gunstiger zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap.”

7        Artikel 62 van het Aanvullend Protocol bepaalt:

„Het protocol en de daaraan gehechte bijlagen maken een integrerend deel uit van de [Associatieovereenkomst].”

 Besluit nr. 3/80

8        Artikel 2 van besluit nr. 3/80, met als opschrift „Personele werkingssfeer”, is als volgt geredigeerd:

„Dit besluit is van toepassing:

–        op werknemers op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van Turkije zijn,

–        op de gezinsleden van deze werknemers die op het grondgebied van een van de lidstaten wonen,

–        op de nagelaten betrekkingen van deze werknemers.”

9        Artikel 4 van dat besluit, met als opschrift „Materiële werkingssfeer”, bepaalt:

„1.      Dit besluit is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:

[...]

b)      prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit;

[...]

2.      Dit besluit is van toepassing op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten, alsmede op de regelingen betreffende de verplichtingen van de werkgever of de reder met betrekking tot de in lid 1 bedoelde prestaties.

[...]”

10      Artikel 6 van besluit nr. 3/80, met als opschrift „Ontheffing van de bepalingen inzake de woonplaats [...]”, bepaalt in lid 1, eerste alinea:

„Tenzij in dit besluit anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen alsmede de renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont of op het grondgebied van een andere lidstaat dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.”

 Verordening nr. 883/2004

11      Artikel 7 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (PB 2009, L 284, blz. 43) (hierna: „verordening nr. 883/2004”), heeft als opschrift „Opheffing van de regels inzake de woonplaats” en luidt:

„Tenzij in deze verordening anders bepaald, kunnen de uitkeringen verschuldigd op grond van de wetgeving van een of meer lidstaten of op grond van deze verordening, niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende of de leden van zijn gezin in een andere lidstaat wonen dan die waar zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.”

12      Artikel 70 van verordening nr. 883/2004 bepaalt:

„1.      Dit artikel is van toepassing op bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties waarop wetgeving van toepassing is die, wegens haar personele werkingssfeer, doelstellingen en/of de voorwaarden voor het ingaan van een recht, kenmerken heeft van zowel de in artikel 3, lid 1, bedoelde socialezekerheidswetgeving als van de bijstand.

2.      Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ,bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties’ verstaan prestaties die:

[...]

c)      opgenomen zijn in bijlage X.

3.      Artikel 7 en de andere hoofdstukken van titel III zijn niet van toepassing op de in lid 2 van dit artikel bedoelde prestaties.

4.      De in lid 2 bedoelde uitkeringen zullen uitsluitend worden toegekend door de lidstaat waarin de betreffende persoon woont, overeenkomstig de wetgeving van deze staat. Deze prestaties worden verstrekt door, en voor rekening van, het orgaan van de woonplaats.”

13      Bijlage X bij deze verordening, met als opschrift „Bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties”, noemt voor Nederland de volgende prestaties:

„[...]

b)      Toeslagenwet van 6 november 1986 (TW).”

 Richtlijn 2003/109

14      In de overwegingen 2, 4, 6 en 12 van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB 2004, L 16, blz. 44) wordt verklaard:

„(2)      Tijdens de buitengewone bijeenkomst in Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft de Europese Raad verklaard dat de juridische status van onderdanen van derde landen meer in overeenstemming moet worden gebracht met die van de onderdanen van de lidstaten, en dat iemand die gedurende een nader te bepalen periode legaal in een lidstaat heeft verbleven en een vergunning tot langdurig verblijf heeft, in deze lidstaat een aantal uniforme rechten zou moeten verkrijgen die zo dicht mogelijk bij de rechten van EU‑burgers liggen.

[...]

(4)      De integratie van onderdanen van derde landen die duurzaam in een lidstaat zijn gevestigd is van wezenlijk belang voor de bevordering van de economische en sociale samenhang, een fundamentele doelstelling van de Gemeenschap, die is opgenomen in het Verdrag.

[...]

(6)      Het belangrijkste criterium voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene is de duur van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat. Het moet gaan om een langdurig en ononderbroken verblijf, waaruit blijkt dat de betrokkene sterke banden met het land heeft gekregen. Daarbij moet een zekere flexibiliteit mogelijk zijn om rekening te houden met omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaat tijdelijk verlaat.

[...]

(12)      Om effect te sorteren als instrument voor de maatschappelijke integratie van langdurig ingezetenen moet de status van langdurig ingezetene waarborgen dat de betrokkene op een groot aantal economische en sociale gebieden op dezelfde wijze wordt behandeld als burgers van de lidstaat, onder de relevante voorwaarden die in deze richtlijn worden gesteld.”

15      Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:

„Deze richtlijn heeft ten doel:

a)      de voorwaarden vast te stellen waaronder een lidstaat aan onderdanen van derde landen die legaal op zijn grondgebied verblijven, de status van langdurig ingezetene kan toekennen, of deze status kan intrekken, en te bepalen welke rechten aan deze status verbonden zijn, en

b)      de voorwaarden vast te stellen waaronder onderdanen van derde landen aan wie door een lidstaat de status van langdurig ingezetene is toegekend, in andere lidstaten mogen verblijven.”

16      Artikel 8 van richtlijn 2003/109 bepaalt:

„1.      De status van langdurig ingezetene is permanent, onverminderd artikel 9.

2.      De lidstaten verstrekken aan langdurig ingezetenen een [EU]‑verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De verblijfsvergunning is ten minste vijf jaar geldig. De vergunning wordt, indien nodig en op verzoek, bij het verstrijken van die periode automatisch verlengd.

[...]”

 Nederlands recht

17      Artikel 4a van de Toeslagenwet van 6 november 1986 (Stb. 1986, 567), zoals van toepassing op de feiten van het hoofdgeding (hierna: „TW”), bepaalde:

„1.      Geen recht op toeslag heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont.

2.      De persoon, bedoeld in artikel 2, die op grond van het eerste lid geen recht heeft op toeslag, heeft vanaf de dag dat hij in Nederland woont recht op toeslag, indien hij aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of derde lid, voldoet.”

18      Artikel 8, lid 1, van de Remigratiewet van 22 april 1999 (Stb. 1999, 232) luidt:

„Personen die op grond van deze wet zijn geremigreerd kunnen tot uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop zij zich in het bestemmingsland hebben gevestigd naar Nederland terugkeren.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19      Çoban is Turks staatsburger en heeft gedurende een bepaalde periode in Nederland in loondienst gewerkt.

20      Op 11 september 2006 heeft Çoban zijn werk wegens ziekte gestaakt.

21      Sinds 18 december 2006 bezit hij een EU‑verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, die is uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van richtlijn 2003/109.

22      Per 8 september 2008 heeft het Uwv Çoban op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van 10 november 2005 (Stb. 2005, 572) een uitkering toegekend, die was berekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 % tot 55 %. Bovendien heeft het Uwv Çoban krachtens de TW een aanvullende prestatie in de vorm van een toeslag toegekend om hem van een minimuminkomen te verzekeren.

23      Op 10 februari 2014 heeft Çoban het Uwv op de hoogte gesteld van zijn voornemen om per 1 april 2014 naar Turkije terug te keren. Bij besluit van 12 februari 2014 heeft het Uwv de voorheen aan Çoban toegekende toeslag met ingang van 1 april 2014 beëindigd.

24      In het kader van zijn terugkeer naar Turkije heeft Çoban op zijn verzoek remigratievoorzieningen van de Nederlandse autoriteiten verkregen. Op 18 maart 2014 is Çoban naar Turkije teruggekeerd. Blijkens de verwijzingsbeslissing bezat hij op die datum nog een EU‑verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

25      Op 9 juli 2014 heeft Çoban vanuit Turkije opnieuw een toeslag bij het Uwv aangevraagd. Volgens de verwijzende rechter beoogde hij met deze nieuwe aanvraag de door het Uwv op 12 februari 2014 beëindigde toeslag te herkrijgen.

26      Bij besluit van 1 augustus 2014 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen.

27      Çoban heeft bezwaar tegen dat besluit gemaakt bij het Uwv, dat bij besluit van 20 oktober 2014 de afwijzing van de aanvraag van een toeslag heeft bevestigd onder verwijzing naar artikel 4a van de TW, ingevolge hetwelk enkel personen die in Nederland wonen, recht op toeslag hebben.

28      Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen het besluit van het Uwv van 20 oktober 2014 beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam (Nederland).

29      Bij vonnis van 18 juni 2015 heeft deze rechtbank dat beroep verworpen met name op grond dat Çoban niet verkeerde in een positie die vergelijkbaar is met die van de Turkse staatsburgers om wie het ging in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 mei 2011, Akdas e.a. (C‑485/07, EU:C:2011:346).

30      Çoban heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (Nederland).

31      De verwijzende rechter merkt op dat Çoban de reguliere arbeidsmarkt in Nederland voorgoed heeft verlaten op enig moment na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, zodat hij zijn recht van verblijf in deze lidstaat op grond van de Associatieovereenkomst heeft verloren. In zoverre deze omstandigheid hem in een situatie plaatst die vergelijkbaar is met die van de Turkse staatsburgers om wie het ging in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 mei 2011, Akdas e.a. (C‑485/07, EU:C:2011:346), zou Çoban in beginsel een beroep toekomen op het bij artikel 6, lid 1, eerste alinea, van besluit nr. 3/80 gegeven recht op export van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag.

32      De verwijzende rechter benadrukt echter dat, anders dan de Turkse staatsburgers om wie het ging in die zaak, Çoban Nederland op eigen initiatief heeft verlaten. Volgens deze rechter bezat verzoeker in het hoofdgeding ten tijde van zijn terugkeer naar Turkije de status van langdurig ingezetene, in de zin van richtlijn 2003/109, in die lidstaat. Bovendien mocht hij op grond van de Remigratiewet binnen één jaar na zijn vertrek naar deze lidstaat terugkeren.

33      Aldus vertoont de positie van Çoban ook gelijkenissen met de positie van de Turkse staatsburgers om wie het ging in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 januari 2015, Demirci e.a. (C‑171/13, EU:C:2015:8).

34      Derhalve vraagt de verwijzende rechter zich af, gelet op de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 26 mei 2011, Akdas e.a. (C‑485/07, EU:C:2011:346), en 14 januari 2015, Demirci e.a. (C‑171/13, EU:C:2015:8), of de positie van Çoban voor de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol nuttig kan worden vergeleken met de positie van burgers van de Unie, die een prestatie als die in het hoofdgeding niet kunnen exporteren.

35      In die omstandigheden heeft de Centrale Raad van Beroep de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„[1)]      Moet artikel 6, eerste lid, [eerste alinea], van besluit 3/80 met inachtneming van artikel 59 van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals artikel 4a van de TW, op grond waarvan een toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als de begunstigde naar Turkije verhuist, ook indien deze begunstigde het grondgebied van de lidstaat op eigen initiatief heeft verlaten?

[2)]      Is daarbij van belang dat de betrokkene op het moment van vertrek niet langer een verblijfsrecht heeft op grond van [de Associatieovereenkomst], maar wel beschikt over een EU‑verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen?

[3)]      Is daarbij van belang dat de betrokkene op grond van nationale regelgeving binnen één jaar na vertrek de mogelijkheid heeft om terug te keren om zo de toeslag te herkrijgen, en dat die mogelijkheid verder bestaat zo lang als hij beschikt over de EU‑verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

36      Met zijn vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, eerste alinea, van besluit nr. 3/80, gelezen in samenhang met artikel 59 van het Aanvullend Protocol, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling als die in het hoofdgeding, op grond waarvan een aan een Turks staatsburger toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als hij naar zijn land van herkomst terugkeert en op het moment van zijn vertrek uit de lidstaat van ontvangst de status van langdurig ingezetene in de zin van richtlijn 2003/109 bezit.

37      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat besluit nr. 3/80 strekt tot coördinatie van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten, teneinde Turkse werknemers die in de Unie werkzaam zijn of werkzaam zijn geweest, alsmede de gezinsleden van deze werknemers en hun nagelaten betrekkingen, in aanmerking te doen komen voor prestaties in de traditionele takken van sociale zekerheid (arrest van 10 september 1996, Taflan-Met e.a., C‑277/94, EU:C:1996:315, punt 26).

38      Volgens artikel 2 van besluit nr. 3/80 is dit besluit van toepassing op met name Turkse werknemers op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is.

39      Wat de materiële werkingssfeer van besluit nr. 3/80 betreft, blijkt uit artikel 4, leden 1 en 2, van dat besluit dat het van toepassing is op alle wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid die zien op onder meer prestaties van invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit, en op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten.

40      In casu staat vast dat Çoban een invaliditeitsuitkering ontvangt op basis van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving en dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag strekt tot verhoging van die uitkering teneinde hem van een minimuminkomen te verzekeren. Bijgevolg moet deze toeslag worden gelijkgesteld met een prestatie bij invaliditeit in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit nr. 3/80.

41      Derhalve is besluit nr. 3/80 van toepassing op een situatie als die in het hoofdgeding.

42      Artikel 6, lid 1, eerste alinea, van besluit nr. 3/80, dat uitvoering geeft aan artikel 39, lid 4, van het Aanvullend Protocol, bekrachtigt het recht van Turkse werknemers om de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, alsmede de renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer lidstaten, te behouden in Turkije of op het grondgebied van een andere lidstaat dan die waar het orgaan zich bevindt dat de uitkering verschuldigd is.

43      Besluit nr. 3/80 bevat geen enkele afwijking of beperking van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, vastgestelde ontheffing van de bepalingen inzake de woonplaats (arrest van 26 mei 2011, Akdas e.a., C‑485/07, EU:C:2011:346, punt 80).

44      In casu heeft het Uwv bij besluit van 12 februari 2014 de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag met ingang van 1 april 2014 ingetrokken op grond dat Çoban had laten weten voornemens te zijn op deze laatste datum naar Turkije terug te keren. Op 9 juli 2014 heeft Çoban vervolgens vanuit Turkije een nieuwe aanvraag om een toeslag ingediend, waarmee volgens de toelichting van de verwijzende rechter werd beoogd de door het Uwv ingetrokken toeslag te herkrijgen.

45      Voor zover met deze laatste aanvraag die verzoeker in het hoofdgeding heeft ingediend, volgens de verwijzende rechter wordt beoogd een op grond van de TW verworven recht op een toeslag te herkrijgen, dient te worden geoordeeld, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 60 en 62 van haar conclusie, dat Çoban in het hoofdgeding het recht doet gelden op een prestatie bij invaliditeit die is verworven op grond van de wetgeving van een lidstaat, overeenkomstig artikel 6, lid 1, eerste alinea, van besluit nr. 3/80.

46      In deze omstandigheden valt de situatie van Çoban binnen de werkingssfeer van deze bepaling.

47      Niettemin dient te worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag, doordat de TW is opgenomen in bijlage X bij verordening nr. 883/2004, een „bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie” in de zin van artikel 70, lid 2, van deze verordening vormt.

48      Overeenkomstig artikel 70, lid 3, van verordening nr. 883/2004 geldt het in artikel 7 van deze verordening neergelegde beginsel van opheffing van de regels inzake de woonplaats niet voor dergelijke prestaties. Ingevolge artikel 70, lid 4, van diezelfde verordening worden deze prestaties uitsluitend toegekend in de lidstaat waarin de betreffende persoon woont, overeenkomstig de wetgeving van deze staat.

49      Hieruit vloeit voort dat de burgers van de Unie die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 883/2004 vallen, slechts een bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende uitkering – zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag – kunnen krijgen voor zover zij wonen in de lidstaat die de uitkering heeft toegekend.

50      Bijgevolg blijven de burgers van de Unie onderworpen aan het bij artikel 4a van de TW opgelegde vereiste van verblijf op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, willen zij in aanmerking komen voor een toeslag op grond van deze wetgeving.

51      Volgens artikel 59 van het Aanvullend Protocol mag op de onder dit protocol vallende gebieden de behandeling van Turkije niet gunstiger zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap.

52      Het Aanvullend Protocol heeft overeenkomstig de bewoordingen van titel II ervan met name betrekking op het verkeer van personen en diensten en, inzonderheid, de bepalingen op het gebied van de sociale zekerheid voor werknemers van Turkse nationaliteit die zich binnen de Unie verplaatsen, welke zijn opgenomen in besluit nr. 3/80.

53      Bijgevolg dient in het licht van artikel 59 van dat protocol te worden onderzocht of de omstandigheid dat een Turks staatsburger, zoals Çoban, op grond van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van besluit nr. 3/80 het recht op een aanvullende prestatie, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag, kan behouden na zijn woonplaats naar Turkije te hebben overgebracht, terwijl de burgers van de Unie onderworpen blijven aan het bij artikel 4a van de TW opgelegde woonplaatsvereiste, willen zij voor dat recht in aanmerking komen, ertoe leidt dat deze Turkse staatsburger gunstiger wordt behandeld dan de burgers van de Unie die in een vergelijkbare situatie verkeren.

54      Dienaangaande heeft het Hof in punt 95 van het arrest van 26 mei 2011, Akdas e.a. (C‑485/07, EU:C:2011:346), geoordeeld dat de situatie van voormalige migrerende Turkse werknemers, voor zover zij naar Turkije zijn teruggekeerd nadat zij het recht om in de ontvangende lidstaat te verblijven hadden verloren omdat zij er arbeidsongeschikt waren geworden, voor de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol niet nuttig kan worden vergeleken met de situatie van onderdanen van de Unie, aangezien laatstbedoelden vrij mogen reizen en verblijven op het grondgebied van de lidstaten en aldus het recht behouden om te blijven wonen in de lidstaat waarin de betrokken prestatie is toegekend, zodat zij enerzijds mogen beslissen het grondgebied van die staat te verlaten, waardoor zij die uitkering verliezen, en anderzijds steeds naar de betrokken lidstaat mogen terugkeren.

55      In casu kan de situatie van Çoban niet worden gelijkgesteld met die van de Turkse staatsburgers over wie het ging in de zaak die heeft geleid tot dat arrest, aangezien Çoban op de datum van zijn vertrek uit Nederland naar Turkije zijn recht op verblijf in deze lidstaat niet had verloren.

56      Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt immers dat Çoban op die datum de status van langdurig ingezetene van Nederland in de zin van richtlijn 2003/109 bezat.

57      Ingevolge artikel 8 van richtlijn 2003/109 is de status van langdurig ingezetene permanent onverminderd de bepalingen van artikel 9 van deze richtlijn betreffende de intrekking of het verlies van die status.

58      Bovendien is, zoals blijkt uit de overwegingen 4, 6 en 12 van richtlijn 2003/109, het hoofddoel van deze richtlijn de integratie van onderdanen van derde landen die duurzaam in de lidstaten zijn gevestigd. Zoals blijkt uit overweging 2 van deze richtlijn, heeft zij voorts tot doel om, door toekenning van de status van langdurig ingezetene aan die onderdanen van derde landen, hun juridische status meer in overeenstemming te brengen met die van de onderdanen van de lidstaten (arrest van 18 oktober 2012, Singh, C‑502/10, EU:C:2012:636, punt 45).

59      Bijgevolg was Çoban op grond van die status op de datum van zijn vertrek uit Nederland naar Turkije in staat te voldoen aan het door de TW opgelegde vereiste van woonplaats op het grondgebied van deze lidstaat teneinde voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag in aanmerking te komen, net zoals een burger van de Unie die in Nederland verblijft.

60      Hieruit volgt dat voor de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol de situatie van Çoban moet worden geacht vergelijkbaar te zijn met die van een burger van de Unie die in Nederland verblijft en het recht op een toeslag op grond van de TW heeft verworven.

61      In die omstandigheden zou de omstandigheid dat een Turks staatsburger, zoals Çoban, op grond van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van besluit nr. 3/80 het recht op een aanvullende prestatie, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag, kan behouden na zijn woonplaats naar Turkije te hebben overgebracht, terwijl de burgers van de Unie onderworpen blijven aan het bij artikel 4a van de TW opgelegde vereiste van een woonplaats in het Koninkrijk der Nederlanden, willen zij voor dat recht in aanmerking komen, ertoe leiden dat deze Turkse staatsburger gunstiger wordt behandeld dan de burgers van de Unie die in een vergelijkbare situatie verkeren, hetgeen onverenigbaar zou zijn met de uit artikel 59 van het Aanvullend Protocol voortvloeiende vereisten.

62      Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, eerste alinea, van besluit nr. 3/80, gelezen in samenhang met artikel 59 van het Aanvullend Protocol, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling als die in het hoofdgeding, op grond waarvan een aan een Turks staatsburger toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als hij naar zijn land van herkomst terugkeert en op het moment van zijn vertrek uit de lidstaat van ontvangst de status van langdurig ingezetene in de zin van richtlijn 2003/109 bezit.

 Kosten

63      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, eerste alinea, van besluit nr. 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden, gelezen in samenhang met artikel 59 van het Aanvullend Protocol, op 23 november 1970 te Brussel ondertekend en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling als die in het hoofdgeding, op grond waarvan een aan een Turks staatsburger toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als hij naar zijn land van herkomst terugkeert en op het moment van zijn vertrek uit de lidstaat van ontvangst de status van langdurig ingezetene bezit in de zin van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.

Silva de Lapuerta

Bonichot

Regan

Fernlund

 

      Rodin

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 mei 2019.

De griffier,

 

      De president,

A. Calot Escobar

 

      K. Lenaerts


*      Procestaal: Nederlands.