Language of document : ECLI:EU:C:2019:406

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

15 mei 2019 (*)

„Hogere voorziening – Uniemerk – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Verordening (EU) 2015/2424 – Nietigheidsprocedure – Woordmerk Vermögensmanufaktur – Nietigverklaring – Recht op een eerlijk proces – Ambtshalve onderzoek van de feiten – Terugwerkende kracht – Bevoegdheid van het Gerecht – Motivering van de arresten”

In zaak C‑653/17 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 november 2017,

VM Vermögens-Management GmbH, gevestigd te Düsseldorf (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Dolde en P. Homann, Rechtsanwälte,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door S. Hanne als gemachtigde,

verweerder in eerste aanleg,

DAT Vermögensmanagement GmbH, gevestigd te Baldham (Duitsland),

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan (rapporteur), kamerpresident, C. Lycourgos, E. Juhász, M. Ilešič en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Met haar hogere voorziening verzoekt VM Vermögens-Management GmbH om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 september 2017, VM/EUIPO – DAT Vermögensmanagement (Vermögensmanufaktur) (T‑374/15, EU:T:2017:589; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot vernietiging van de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 29 april 2015 (zaak R 418/2014‑5) (hierna: „litigieuze beslissing”) inzake een nietigheidsprocedure tussen DAT Vermögensmanagement GmbH en VM Vermögens-Management.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 207/2009

2        Artikel 7 van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het [Uniemerk] (PB 2009, L 78, blz. 1), met als opschrift „Absolute weigeringsgronden”, bepaalt in lid 1:

„Geweigerd wordt inschrijving van:

[...]

b)      merken die elk onderscheidend vermogen missen;

c)      merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;

[...]”

3        Artikel 65 van die verordening, met als opschrift „Beroep bij het Hof van Justitie”, luidt:

„1.      Tegen de beslissingen in beroep van de kamer van beroep kan beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese [Unie].

2.      Beroep kan worden ingesteld wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag, van deze verordening of een uitvoeringsregeling daarvan, of wegens misbruik van bevoegdheid.

3.      Het Hof van Justitie kan de bestreden beslissing vernietigen of herzien.

[...]”

4        Artikel 75 van die verordening, met als opschrift „Gronden van de beslissing”, bepaalt:

„De beslissingen van het Bureau worden met redenen omkleed. Zij kunnen slechts worden genomen op gronden waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren.”

5        Artikel 76 van die verordening, met als opschrift „Ambtshalve onderzoek van de feiten”, luidt als volgt:

„1.      Tijdens de procedure onderzoekt het Bureau ambtshalve de feiten; in procedures inzake relatieve afwijzingsgronden blijft dit onderzoek echter beperkt tot de door de partijen aangevoerde feiten, bewijsmiddelen en argumenten en tot de door hen ingestelde vordering.

2.      Het Bureau hoeft geen rekening te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd.”

 Verordening 2015/2424

6        Artikel 1, punt 28, van verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van verordening nr. 207/2009 en van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 2869/95 van de Commissie inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen (PB 2015, L 341, blz. 21) bepaalt:

„Artikel 28 [van verordening nr. 207/2009] wordt vervangen door:

‚Artikel 28

Aanduiding en indeling van waren en diensten

[...]

8.      Houders van vóór 22 juni 2012 aangevraagde Uniemerken die voor een volledige klasseomschrijving van de Classificatie van Nice zijn ingeschreven, kunnen verklaren dat zij op de datum van indiening het voornemen hadden bescherming aan te vragen voor nog andere waren of diensten dan die welke onder de letterlijke betekenis van de klasseomschrijving vallen, op voorwaarde dat de aldus aangewezen waren of diensten voorkomen op de alfabetische lijst voor die klasse van de op de datum van indiening geldende versie van de Classificatie van Nice.

De verklaring wordt uiterlijk op 24 september 2016 bij het Bureau ingediend en vermeldt op duidelijke, nauwkeurige en specifieke wijze de andere oorspronkelijk door de houder bedoelde waren en diensten dan die welke duidelijk onder de letterlijke betekenis van de benamingen van de klasseomschrijving vallen. Het Bureau neemt passende maatregelen om het register dienovereenkomstig te wijzigen. De mogelijkheid om een verklaring af te leggen overeenkomstig de eerste alinea van dit lid doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 15, artikel 42, lid 2, artikel 51, lid 1, onder a), en artikel 57, lid 2.

Uniemerken waarvoor binnen de in de tweede alinea bedoelde termijn geen verklaring is ingediend, worden na afloop van deze termijn geacht alleen betrekking te hebben op de waren en diensten die voor de desbetreffende klasse onder de letterlijke betekenis van de benamingen van de klasseomschrijving vallen.

9.      Bij wijziging van het register verhinderen de uitsluitende rechten die overeenkomstig artikel 9 voortvloeien uit het Uniemerk derden niet gebruik te blijven maken van een merk met betrekking tot waren en diensten wanneer en voor zover het gebruik van het merk voor die waren of diensten:

a)      een aanvang heeft genomen vóór de wijziging van het register, en

b)      geen inbreuk vormde op de rechten van de houder op grond van de letterlijke betekenis van de lijst van waren en diensten die op dat moment waren ingeschreven.

De wijziging van de lijst van in het register ingeschreven waren of diensten verleent de houder van het Uniemerk niet het recht zich te verzetten tegen of te verzoeken om nietigverklaring van een jonger merk wanneer en voor zover:

a)      het jongere merk al in gebruik was, of de aanvraag [om] het merk voor waren of diensten in te schrijven, al was ingediend vóór het register werd gewijzigd, en

b)      het gebruik van het merk met betrekking tot die waren of diensten geen inbreuk vormde of zou hebben gevormd op de rechten van de houder op grond van de letterlijke betekenis van de lijst van waren en diensten die op dat moment waren ingeschreven.’ ”

 Mededelingen nr. 4/03 en nr. 2/12

7        Punt IV, eerste alinea, van mededeling nr. 4/03 van de voorzitter van het EUIPO van 16 juni 2003, inzake het gebruik van de klasseomschrijvingen in de lijsten met waren en diensten voor aanvragen en inschrijvingen van een gemeenschapsmerk, luidde:

„De 34 klassen voor waren en de 11 klassen voor diensten omvatten alle waren en diensten. Dientengevolge betekent het gebruik van alle algemene benamingen van de klasseomschrijving van een bepaalde klasse dat ten aanzien van alle waren of diensten die in deze bepaalde klasse vallen, aanspraak op bescherming wordt gemaakt.”

8        Op 20 juni 2012 heeft de voorzitter van het EUIPO mededeling nr. 2/12 vastgesteld, tot intrekking van mededeling nr. 4/03 en inzake het gebruik van de klasseomschrijvingen in de lijsten met waren en diensten voor aanvragen en inschrijvingen van een gemeenschapsmerk. Punt V van deze mededeling bepaalde:

„Wat de [Uniemerken] betreft die werden ingeschreven vóór de inwerkingtreding van [mededeling nr. 2/12] en die gebruik hebben gemaakt van alle algemene benamingen van de klasseomschrijving van een bepaalde klasse, is het [EUIPO] van oordeel dat, gelet op de inhoud van mededeling nr. 4/03, het oogmerk van de aanvrager erin bestond alle waren en diensten te omvatten die zijn opgenomen in de alfabetische lijst van die klasse in de versie die gold op het tijdstip van indiening.”

 Voorgeschiedenis van het geding

9        De voorgeschiedenis van het geding wordt uiteengezet in de punten 1 tot en met 16 van het bestreden arrest en kan met het oog op de onderhavige procedure worden samengevat als volgt.

10      Op 18 december 2009 heeft rekwirante, VM Vermögens-Management, bij het EUIPO een Uniemerkaanvraag ingediend krachtens verordening nr. 207/2009. Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, was het woordteken „Vermögensmanufaktur” (hierna: „litigieus merk”).

11      De diensten waarvoor inschrijving werd aangevraagd, behoorden tot de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd (hierna: „Overeenkomst van Nice”). Zij waren voor elk van deze klassen omschreven als volgt:

–        klasse 35: „Reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten”;

–        klasse 36: „Verzekeringen; financiële zaken; monetaire zaken; vermogensbeheer, vermogensadvies; makelaardij in onroerende goederen”.

12      Op 8 februari 2011 is de Uniemerkaanvraag in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 26/2011 gepubliceerd. Op 18 mei 2011 is het betrokken merk onder nummer 8770042 ingeschreven.

13      Op 30 juli 2012 heeft interveniënte in eerste aanleg, DAT Vermögensmanagement, bij het EUIPO een vordering ingediend tot nietigverklaring van het betwiste merk voor alle diensten waarvoor het was ingeschreven, op grond van artikel 52, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009, juncto artikel 7, lid 1, onder b) en c), van deze verordening (hierna: „vordering tot nietigverklaring”).

14      Op 15 januari 2013 heeft rekwirante opmerkingen ingediend met het verzoek de vordering tot nietigverklaring in haar geheel af te wijzen. Op 7 juni 2013 heeft interveniënte in eerste aanleg haar opmerkingen over rekwirantes opmerkingen van 15 januari 2013 ingediend en de in punt 3 van de litigieuze beslissing vermelde bijlagen 7 tot en met 25 overgelegd. Zij heeft tevens verzocht om een langere termijn om de extra bewijzen over te leggen waar zij het Deutsche Patent- und Markenamt (Duits octrooi- en merkenbureau) om had verzocht, maar die zij nog niet had ontvangen.

15      Op 12 augustus 2013 heeft rekwirante verzocht om termijnverlenging om opmerkingen te maken, wat de nietigheidsafdeling heeft toegestaan.

16      Op 23 augustus 2013 heeft interveniënte in eerste aanleg nieuwe opmerkingen ingediend, waarbij de in punt 3 van de litigieuze beslissing vermelde bijlagen 26 tot en met 30 (hierna: „litigieuze bijlagen”) waren gevoegd. De nietigheidsafdeling heeft deze opmerkingen bij vergissing aangemerkt als opmerkingen van rekwirante en op 2 september 2013 als zodanig ter kennis van interveniënte in eerste aanleg gebracht. Zij heeft beide partijen er tevens van op de hoogte gebracht dat de contradictoire fase van de procedure was gesloten. Op dezelfde dag heeft de nietigheidsafdeling, die haar vergissing had opgemerkt, haar mededeling aan rekwirante ingetrokken.

17      Op 14 oktober 2013 heeft het EUIPO rekwirante meegedeeld dat het verzoek om termijnverlenging dat interveniënte in eerste aanleg op 7 juni 2013 had ingediend, was afgewezen omdat interveniënte dit verzoek niet met redenen had omkleed, en dat de opmerkingen van 23 augustus 2013 niet in aanmerking werden genomen. Het EUIPO heeft haar verduidelijkt dat een kopie van de brief van interveniënte in eerste aanleg van 23 augustus 2013 haar louter ter informatie was toegestuurd.

18      Op 30 oktober 2013 heeft rekwirante haar opmerkingen over de opmerkingen van interveniënte in eerste aanleg van 7 juni 2013 ingediend.

19      Op 8 november 2013 heeft de nietigheidsafdeling interveniënte in eerste aanleg de opmerkingen van rekwirante van 30 oktober 2013 bezorgd, en daarbij aangegeven dat deze opmerkingen betrekking hadden op de opmerkingen van 23 augustus 2013, en de contradictoire fase van de procedure opnieuw beëindigd.

20      Op 10 december 2013 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring in haar geheel afgewezen. In wezen heeft zij haar beslissing gebaseerd op het feit dat het Duitse woord „Manufaktur” geen concrete betekenis kon hebben voor de bedoelde diensten, omdat deze immaterieel zijn. Bijgevolg bezat de combinatie van de Duitse woorden „Vermögen” en „Manufaktur” volgens haar op de datum van indiening van de inschrijvingsaanvraag voor het betwiste merk onderscheidend vermogen en kon het geen diensten beschrijven.

21      Op 5 februari 2014 heeft interveniënte in eerste aanleg krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

22      Bij de litigieuze beslissing heeft de vijfde kamer van beroep van het EUIPO dit beroep toegewezen. In de eerste plaats was zij van oordeel dat de documenten die rekwirante en interveniënte in eerste aanleg voor haar hadden overgelegd slechts bewijzen waren die de reeds voor de nietigheidsafdeling overgelegde bewijzen aanvulden en concretiseerden en dat zij dus op grond van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 van haar beoordelingsbevoegdheid gebruikmaakte om deze te aanvaarden. In de tweede plaats heeft zij geoordeeld dat het betwiste merk beschrijvend was en onderscheidend vermogen miste. Bijgevolg heeft zij de beslissing van de nietigheidsafdeling vernietigd en het betwiste merk nietig verklaard voor de diensten van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice.

 Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

23      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 juli 2015, heeft rekwirante beroep ingesteld tot vernietiging van de litigieuze beslissing. Rekwirante heeft ter ondersteuning van dit beroep vier middelen aangevoerd: ten eerste, schending van artikel 75 van verordening nr. 207/2009, aangezien de kamer van beroep rekening had gehouden met de opmerkingen die interveniënte in eerste aanleg op 23 augustus 2013 had ingediend, terwijl deze wegens tardiviteit waren afgewezen, ten tweede, schending van artikel 76 van deze verordening, aangezien de kamer van beroep in het kader van haar onderzoek ambtshalve rekening had gehouden met feiten die partijen niet tijdig hadden aangevoerd, ten derde, schending van artikel 7, lid 1, onder c), van deze verordening, waardoor de kamer van beroep had geoordeeld dat het betwiste merk beschrijvend was voor de bedoelde diensten, en, ten slotte, ten vierde, schending van artikel 7, lid 1, onder b), van deze verordening, aangezien de kamer van beroep ten onrechte tot de slotsom was gekomen dat het betwiste merk onderscheidend vermogen miste.

24      Nadat het beroep was ingesteld, heeft het EUIPO het Gerecht er op 15 november 2016 van op de hoogte gebracht dat rekwirante op 23 september 2016 een verklaring had ingediend krachtens artikel 28, lid 8, van verordening nr. 207/2009, zoals gewijzigd bij verordening 2015/2424 (hierna: „verklaring van 2016”), om de in haar aanvraag tot inschrijving van het betwiste merk bedoelde diensten nader te omschrijven. Het EUIPO heeft erop gewezen dat volgens de op 7 november 2016 in het Uniemerkenblad gepubliceerde nieuwe lijst van diensten, naast de in punt 11 van dit arrest vermelde diensten, de door het betwiste merk aangeduide diensten van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice voor elk van deze klassen waren omschreven als volgt:

–        klasse 35: „Veilingdiensten; zakelijk onderzoek; handelsinformatie en ‑adviezen voor consumenten; economische prognoses; diensten van agentschappen voor handelsinlichtingen; onderzoek op zakelijk gebied; marktstudie; [...] knipseldiensten; opiniepeiling; prijsvergelijkingsdiensten; publicrelationsdiensten; sponsorwerving”;

–        klasse 36: „Advisering op financieel gebied; financiële informatie; advisering op het gebied van verzekeringen; informatie op het gebied van verzekeringen; bewaarneming in kluizen; sponsoring; bewaarneming van waardepapieren”.

25      In haar opmerkingen over de brief van het EUIPO van 15 november 2016 heeft rekwirante het Gerecht subsidiair verzocht om de litigieuze beslissing alleen te bevestigen voor de in punt 11 van dit arrest vermelde diensten van de klassen 35 en 36 van de Overeenkomst van Nice, en om voor recht te verklaren dat het betwiste merk wettelijk ingeschreven bleef voor de diensten waarop de verklaring van 2016 betrekking had, en, meer subsidiair, de litigieuze beslissing alleen te bevestigen voor de in punt 11 van dit arrest vermelde diensten van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice, en de zaak voor een eerste onderzoek inzake de diensten waarop de verklaring van 2016 betrekking had, terug te verwijzen naar de nietigheidsafdeling van het EUIPO.

26      Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht rekwirantes beroep in zijn geheel verworpen.

 Conclusies van partijen voor het Hof

27      Rekwirante verzoekt het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen;

–        de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en

–        het EUIPO te verwijzen in de kosten.

28      Het EUIPO verzoekt het Hof:

–        de hogere voorziening af te wijzen, en

–        rekwirante te verwijzen in de kosten.

 Hogere voorziening

29      Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante zes middelen aan, inzake, ten eerste, schending van artikel 65, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), ten tweede, schending van artikel 36, eerste zin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ten derde, schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009, ten vierde, schending van artikel 7, lid 1, onder b), van deze verordening, ten vijfde, schending van artikel 75 van deze verordening en, ten zesde, schending van artikel 76 van deze verordening.

 Eerste en tweede middel

 Argumenten van partijen

30      Met haar twee eerste middelen verwijt rekwirante het Gerecht dat het artikel 65, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 47 van het Handvest, heeft geschonden door in wezen niet te erkennen dat door de terugwerkende kracht van de wijziging van het register van Uniemerken (hierna: „register”) naar aanleiding van haar verklaring van 2016, het betwiste merk bij de litigieuze beslissing alleen nietig was verklaard voor de diensten die vielen onder de letterlijke betekenis van de klasseomschrijvingen van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice, en dat dus op geen enkel ogenblik had kunnen worden onderzocht of dit merk voor de door deze verklaring nieuw toegevoegde diensten kon worden ingeschreven. Rekwirante verwijt het Gerecht tevens dat het hierdoor het bestreden arrest ontoereikend heeft gemotiveerd.

31      In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 152 van het bestreden arrest geoordeeld dat rekwirante het Gerecht met haar argumenten had verzocht de litigieuze beslissing te herzien, zoals bepaald in artikel 65, lid 3, van verordening nr. 207/2009.

32      Het Gerecht heeft in punt 153 van het bestreden arrest echter vastgesteld dat het op basis van artikel 65, lid 2, van die verordening een beslissing van een kamer van beroep van het EUIPO alleen kon vernietigen of herzien wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag, van deze verordening of een uitvoeringsregeling daarvan, of wegens misbruik van bevoegdheid.

33      Nadat het Gerecht eraan had herinnerd dat het overeenkomstig de rechtspraak van het Hof een dergelijke beslissing niet kon vernietigen of herzien op gronden die na de vaststelling ervan aan het licht komen, heeft het in punt 154 van het bestreden arrest vastgesteld dat de verklaring van 2016 dateerde van na de litigieuze beslissing, en heeft het bijgevolg in punt 155 van het bestreden arrest de vorderingen die rekwirante in haar in punt 25 van het onderhavige arrest bedoelde opmerkingen heeft geformuleerd, niet-ontvankelijk verklaard.

34      Rekwirante voert echter aan dat de toepassing van deze beginselen moet worden uitgesloten wanneer dit ertoe leidt dat zij in haar belangen, die door grondbeginselen worden beschermd, zonder feitelijke rechtvaardiging of grondige motivering wordt geschaad, hetgeen in casu het geval is.

35      Naar aanleiding van het arrest van 19 juni 2012, Chartered Institute of Patent Attorneys (C‑307/10, EU:C:2012:361), voorziet artikel 28, lid 8, van verordening nr. 207/2009, zoals gewijzigd bij verordening 2015/2424, ter bescherming van het gewettigde vertrouwen van de houders van Uniemerken, in een overgangsperiode gedurende welke deze houders, die hadden vertrouwd op de toen geldende praktijk van het EUIPO en hun merken hadden ingeschreven voor de volledige klasseomschrijving van klassen van de Overeenkomst van Nice, konden verklaren dat zij op de datum van indiening het voornemen hadden bescherming aan te vragen voor nog andere waren of diensten dan die welke onder de letterlijke betekenis van de klasseomschrijving vielen, op voorwaarde dat de aldus aangewezen waren of diensten voorkwamen op de alfabetische lijst voor die klassen van de Overeenkomst van Nice.

36      Doordat deze bepaling met name was gericht op het voornemen van de houder van een Uniemerk op de datum van indiening van de aanvraag, was het de bedoeling dat de wijziging van het register naar aanleiding van een verklaring op grond van artikel 28, lid 8, van verordening nr. 207/2009, zoals gewijzigd bij verordening 2015/2424, terugwerkte tot op de datum van indiening van de aanvraag tot inschrijving van het Uniemerk.

37      Het Gerecht had het betwiste merk dus moeten onderzoeken alsof het op de datum van de litigieuze beslissing niet alleen was ingeschreven voor de algemene benamingen van de klasseomschrijvingen van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice, maar ook voor de door de verklaring van 2016 nieuw toegevoegde diensten.

38      Het Gerecht is echter voorbijgegaan aan de terugwerkende kracht van de wijziging van het register die voortvloeide uit de verklaring van 2016, door in punt 154 van het bestreden arrest vast te stellen dat rekwirantes vorderingen waren gebaseerd op een feit dat had plaatsgevonden nadat de litigieuze beslissing was vastgesteld.

39      Hierdoor heeft het Gerecht rekwirante de mogelijkheid ontnomen om te doen nagaan of de uitdrukking „Vermögensmanufaktur” als Uniemerk kon worden ingeschreven voor de diensten die waren toegevoegd door de verklaring van 2016, en bijgevolg een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op de bescherming van haar in artikel 17 van het Handvest bedoelde recht op intellectuele eigendom, en schending begaan van haar uit artikel 47 van dit Handvest voortvloeiende recht om te worden gehoord.

40      In de tweede plaats voert rekwirante een ontoereikende motivering aan van de door het Gerecht in de punten 149 tot en met 155 van het bestreden arrest gevolgde redenering, op basis waarvan het de argumenten niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond waarvan rekwirante hem had verzocht in wezen te erkennen dat de litigieuze beslissing het betwiste merk niet had vernietigd voor de diensten waarop de verklaring van 2016 betrekking had.

41      Zoals blijkt uit vaste rechtspraak moet de motivering van een arrest van het Gerecht de gevolgde redenering duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen. Rekwirante merkt op dat de motivering van het Gerecht weliswaar impliciet mag zijn, maar dat het alle vorderingen en de belangrijkste punten van het betoog van de partijen voldoende moet onderzoeken.

42      Bij wijze van motivering overweegt het Gerecht in de punten 152 tot en met 154 van het bestreden arrest echter dat het de litigieuze beslissing niet kan vernietigen of herzien om redenen die zich voordoen na de uitspraak ervan, zonder de terugwerkende kracht van de wijziging van het register naar aanleiding van de verklaring van 2016 te onderzoeken. Ondanks de door rekwirante ingediende opmerkingen heeft het Gerecht dus een wezenlijk punt van haar betoog niet onderzocht.

43      Bovendien heeft rekwirante in haar repliek aangevoerd dat de motivering van de kamer van beroep inzake de vermeende onmogelijkheid om de uitdrukking „Vermögensmanufaktur” als Uniemerk in te schrijven voor de algemene benamingen van de klasseomschrijvingen van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice, niet gewoon kan worden toegepast op de door de verklaring van 2016 toegevoegde diensten.

44      Een dergelijke toepassing is alleen mogelijk voor diensten die zo rechtstreeks en concreet verbonden zijn met de algemene benamingen van de klasseomschrijvingen van de Overeenkomst van Nice dat zij een homogene categorie diensten vormen.

45      Noch het EUIPO, noch het Gerecht heeft echter aangetoond dat de motivering inzake de vermeende onmogelijkheid om het betwiste merk in te schrijven niet alleen van toepassing zou zijn op de algemene benamingen van de klasseomschrijvingen van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice, maar ook op de door de verklaring van 2016 nieuw toegevoegde diensten.

46      Volgens het EUIPO zijn de twee eerste middelen ongegrond.

 Beoordeling door het Hof

47      Voor zover rekwirante het Gerecht verwijt dat het in de punten 149 tot en met 155 van het bestreden arrest, ten eerste, artikel 65, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/20009, gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 47 van het Handvest, heeft geschonden en, ten tweede, het bestreden arrest ontoereikend heeft gemotiveerd, dient te worden opgemerkt dat de door haar aangevoerde argumenten berusten op de premisse dat de inschrijving van het betwiste merk, en dus de aan de controle door het Gerecht onderworpen litigieuze beslissing, alleen betrekking had op de algemene benamingen van de klasseomschrijvingen van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice, met als gevolg dat de bescherming van dit merk door de verklaring van 2016 was uitgebreid tot de daardoor toegevoegde diensten, waarop de litigieuze beslissing waarbij het betwiste merk nietig werd verklaard, bijgevolg geen betrekking had.

48      Opgemerkt zij echter dat de aanduiding van de klasseomschrijvingen van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice in de aanvraag voor het merk Vermögensmanufaktur, overeenkomstig de in punt IV, eerste alinea, van mededeling nr. 4/03 en punt V van mededeling nr. 2/12 uiteengezette aanpak, tot doel had dit merk te beschermen voor alle diensten op de alfabetische lijst van deze klassen (zie in die zin arrest van 16 februari 2017, Brandconcern/EUIPO en Scooters India, C‑577/14 P, EU:C:2017:122, punten 31 en 32).

49      Daaruit volgt dat de bescherming die het betwiste merk genoot op de datum waarop het werd ingeschreven reeds de diensten omvatte waarop de verklaring van 2016 betrekking had. Dienaangaande zij opgemerkt dat artikel 28, lid 8, derde alinea, van verordening nr. 207/2009, zoals gewijzigd bij verordening 2015/2424, bepaalt dat merken als het in het hoofdgeding aan de orde zijnde merk waarvoor geen verklaring is ingediend, vanaf 24 september 2016 worden geacht alleen betrekking te hebben op de waren en diensten die voor de desbetreffende klasse van de Overeenkomst van Nice onder de letterlijke betekenis van de benamingen van de klasseomschrijving vallen.

50      Anders dan rekwirante stelt, strekte de verklaring van 2016 er dus niet toe nieuwe diensten onder de bescherming van het betwiste merk te brengen, maar te verzekeren dat de diensten waarop deze verklaring betrekking had, na afloop van de termijn bedoeld in artikel 28, lid 8, derde alinea, van verordening nr. 207/2009, zoals gewijzigd bij verordening 2015/2424, deze bescherming blijven genieten, ondanks dat zij niet duidelijk onder de letterlijke betekenis van de benamingen van de klasseomschrijving van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice vallen.

51      Zoals het EUIPO in zijn schrifturen terecht heeft opgemerkt, had de litigieuze beslissing – terwijl deze is uitgesproken vóór de verklaring van 2016 – dus betrekking op alle diensten waarvoor het betwiste merk is ingeschreven, en dus op alle diensten van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice, met inbegrip van de diensten waarop deze verklaring betrekking had, zodat deze beslissing dit merk voor al deze diensten nietig heeft verklaard.

52      Aangezien de argumenten die rekwirante in het kader van de twee eerste middelen heeft ontwikkeld, berusten op een premisse die niet overeenstemt met de omvang van de bescherming die het betwiste merk werkelijk genoot, zijn zij bijgevolg gebaseerd op een juridisch onjuiste premisse.

53      Tevens dient te worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 154 van het bestreden arrest een motivering heeft gegeven die rekwirante in staat stelt te weten waarom het haar verzoeken tot herziening van de litigieuze beslissing heeft afgewezen. Bijgevolg is het bestreden arrest in dit opzicht niet ontoereikend gemotiveerd.

54      Derhalve moeten de twee eerste middelen worden afgewezen.

 Derde middel

 Argumenten van partijen

55      Met haar derde middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 heeft geschonden, door vast te stellen dat het betwiste merk beschrijvend was voor alle door dit merk aangeduide diensten, met uitzondering van „reclame” en „administratieve diensten”.

56      In de eerste plaats berust het bestreden arrest op onjuiste overwegingen met betrekking tot de perceptie door het relevante publiek van de uitdrukking „Vermögensmanufaktur”.

57      Het Gerecht heeft in punt 53 van genoemd arrest overwogen dat dit publiek in staat was om de betekenis van de Duitse woorden „Vermögen” en „Manufaktur” te begrijpen. Voorts heeft het in de punten 57 en 58 van dit arrest vastgesteld dat de combinatie van deze twee woorden een duidelijke en ondubbelzinnige betekenis had, namelijk „vermogensmanufactuur”, die niet uitsteeg boven het geheel aan informatie die deze twee elementen geven, en daaruit afgeleid dat het relevante publiek in staat was te begrijpen dat het betwiste merk verwees naar een structuur of een specifieke plaats waar op niet-gestandaardiseerde wijze diensten werden verricht of aangeboden met een zeer specifieke thematische inhoud die nauw verband hield met vermogen en financiën.

58      Volgens rekwirante wordt de term „Manufaktur” in het gewone taalgebruik alleen voor goederen gebruikt. Voor diensten geeft het woord „Vermögensmanufaktur” bij het relevante publiek aanleiding tot een denkproces en wordt het niet rechtstreeks en onmiddellijk in verband gebracht met geïndividualiseerde diensten van hoge kwaliteit.

59      In de tweede plaats heeft het Gerecht het beschrijvende karakter van het betwiste merk voor „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” van klasse 35 in de zin van de Overeenkomst van Nice vastgesteld op basis van een onjuiste uitlegging van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009.

60      Allereerst heeft het Gerecht in punt 73 van het bestreden arrest opgemerkt dat het woord „Manufaktur” kan verwijzen naar de plaats waar de diensten worden verricht, en dat de uitdrukking „Vermögensmanufaktur” dus kan worden beschouwd als de aanduiding van een dergelijke plaats. Bijgevolg heeft het Gerecht overwogen dat „beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” in een dergelijke „vermogensmanufactuur” kunnen worden verricht.

61      Vervolgens heeft het Gerecht in punt 74 van dat arrest aangegeven dat de term „Manufaktur” kan verwijzen naar geïndividualiseerde diensten van hoge kwaliteit, zodat de uitdrukking „vermogensmanufactuur” de bestemming van het „beheer van commerciële zaken” en de „zakelijke administratie” beschrijft, in die zin dat deze diensten worden opgevat als diensten van uitstekende kwaliteit, op basis waarvan op geïndividualiseerde wijze een vermogen kan worden verworven.

62      Anders dan artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 vereist, bestaat het betwiste merk echter niet uitsluitend uit een aanduiding die in de handel dient tot aanduiding van de bestemming van deze diensten. „Beheer van commerciële zaken” en „zakelijke administratie” zijn bestemd om het operationele en economische succes van een onderneming te verzekeren. Zij zijn dus niet bestemd om een vermogen te verwerven.

63      Voorts geven de eventuele aanduidingen inzake diensten van „bijzonder hoge kwaliteit” of „geïndividualiseerde diensten” geen informatie over de bestemming van deze diensten.

64      In de derde plaats heeft het Gerecht zich ook gebaseerd op een onjuiste uitlegging van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009, om in de punten 66 tot en met 69 van het bestreden arrest tot de conclusie te komen dat het betwiste merk beschrijvend is voor de diensten van klasse 36 van de Overeenkomst van Nice.

65      Deze redenering berust uitsluitend op de stelling dat de term „Vermögensmanufaktur” wordt opgevat als de plaats waar de diensten van deze klasse 36 worden verricht. Het is echter hooguit de verrichter van deze diensten die aldus wordt aangeduid, en geen kenmerk van deze diensten.

66      Voorts is de motivering van het bestreden arrest tegenstrijdig. Terwijl het Gerecht in de punten 46 en 47 van dat arrest veronderstelt dat het woord „Manufaktur” wordt opgevat op een manier die de oorspronkelijke betekenis ervan overstijgt, als betrekking hebbend op diensten van hoge kwaliteit, blijkt uit punt 69 van dat arrest dat deze term voor diensten van klasse 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice zijn oorspronkelijke betekenis moet behouden, en moet verwijzen naar de specifieke plaats waar de betrokken diensten worden verricht.

67      Volgens het EUIPO is het derde middel kennelijk ongegrond.

 Beoordeling door het Hof

68      In herinnering zij gebracht dat de hogere voorziening volgens artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de bewijselementen te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en bewijselementen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie met name arrest van 6 september 2018, Bundesverband Souvenir – Geschenke – Ehrenpreise/EUIPO, C‑488/16 P, EU:C:2018:673, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69      Vastgesteld zij echter dat rekwirante, onder het voorwendsel van een onjuiste uitlegging van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 en een tegenstrijdige motivering van het bestreden arrest, zich ertoe beperkt de feitelijke beoordelingen van het Gerecht te betwisten, zowel wat betreft de perceptie van het betwiste merk door het relevante publiek, als wat betreft het beschrijvende karakter ervan voor de diensten van de klassen 35 en 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice.

70      Bijgevolg verzoekt rekwirante het Hof in werkelijkheid om zijn analyse in de plaats te stellen van die van het Gerecht in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten en het bewijsmateriaal, zonder evenwel enige onjuiste opvatting daarvan aan te voeren.

71      Derhalve moet het derde middel niet-ontvankelijk worden verklaard.

 Vierde middel

 Argumenten van partijen

72      Met haar vierde middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 onjuist heeft toegepast, waardoor het in punt 113 van het bestreden arrest tot de slotsom is gekomen dat het betwiste merk onderscheidend vermogen miste.

73      Zij stelt allereerst dat het Gerecht in punt 110 van het bestreden arrest alleen aangeeft dat het relevante publiek dit merk, gelet op de betrokken diensten, duidelijk en rechtstreeks aldus opvat dat het verwijst naar diensten van hoge kwaliteit en dat het op basis daarvan mag hopen dat het verrichten van deze diensten hem een vermogensvoordeel zal opleveren.

74      Vervolgens geeft het Gerecht in punt 111 van het bestreden arrest alleen aan dat het betwiste merk noch voldoende origineel of kernachtig is, noch een voldoende ongewone formele structuur heeft, om van het relevante publiek een zekere uitleggingsinspanning of een denk- of analyse-inspanning te verlangen, terwijl volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 21 januari 2010, Audi/BHIM, C‑398/08 P, EU:C:2010:29, punt 47) het bestaan van dergelijke kenmerken geen noodzakelijke voorwaarde is voor de vaststelling van onderscheidend vermogen van een lovende verwijzing.

75      Met name in de punten 112 en 113 van het bestreden arrest motiveert het Gerecht zijn conclusie dat het betwiste merk onderscheidend vermogen mist dus alleen met de overweging dat het relevante publiek het zou opvatten als een lovende verwijzing of een verkoopbevorderende boodschap aangaande de efficiëntie van de betrokken diensten.

76      Hierdoor is het Gerecht voorbijgegaan aan de rechtspraak van het Hof dat een dergelijke vaststelling niet volstaat om te oordelen dat een merk onderscheidend vermogen mist, aangezien het tegelijk kan worden opgevat als een verkoopbevorderende boodschap en een herkomstaanduiding, met onderscheidend vermogen (arrest van 21 januari 2010, Audi/BHIM, C‑398/08 P, EU:C:2010:29, punt 44).

77      Het Gerecht heeft dus niet bewezen, en evenmin afdoende gemotiveerd, dat het betwiste merk onderscheidend vermogen mist, en het vermeende beschrijvende karakter van de uitdrukking „Vermögensmanufaktur” kan volgens rekwirante evenmin rechtvaardigen dat het onderscheidend vermogen mist, aangezien niet is voldaan aan de in artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 bedoelde voorwaarden.

78      Volgens het EUIPO is het vierde middel kennelijk ongegrond.

 Beoordeling door het Hof

79      Rekwirantes argument dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in wezen vast te stellen dat het betwiste merk onderscheidend vermogen miste, in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, alleen omdat de uitdrukking „Vermögensmanufaktur” een lovende verwijzing is, berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

80      Dienaangaande zij ten eerste opgemerkt dat het Gerecht in punt 95 van dat arrest in herinnering heeft gebracht dat een merk dat beschrijvend is, in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009, hierdoor noodzakelijkerwijs onderscheidend vermogen mist.

81      Ten tweede heeft het Gerecht in punt 96 van dat arrest vastgesteld dat, daarentegen, wanneer een merk niet beschrijvend is in de zin van die bepaling, het hierdoor niet noodzakelijkerwijs onderscheidend vermogen heeft, en dat in een dergelijk geval nog dient te worden onderzocht of het intrinsiek de wezenlijke functie van het merk kan vervullen, namelijk de commerciële herkomst van de betrokken waar of dienst aanduiden, zodat de consument die de door dit merk aangeduide waar heeft verkregen of aan wie de door dit merk aangeduide dienst is verleend, bij een latere aankoop of opdracht, in geval van een positieve ervaring, die keuze kan herhalen of, in geval van een negatieve ervaring, een andere keuze kan maken.

82      Voorts heeft het Gerecht er in punt 99 van het bestreden arrest ook aan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof de lovende connotatie van een woordmerk niet uitsluit dat dit merk in staat is om voor de consumenten de herkomst van de erdoor aangeduide waren of diensten te waarborgen. Aldus is het mogelijk dat het relevante publiek een merk tegelijkertijd als een verkoopbevorderende formulering en als een aanduiding van de commerciële herkomst van de erdoor aangeduide waren of diensten opvat (arrest van 21 januari 2010, Audi/BHIM, C‑398/08 P, EU:C:2010:29, punt 45).

83      In punt 111 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter vastgesteld dat het betwiste merk noch voldoende origineel of kernachtig is, noch een voldoende ongewone formele structuur heeft om van het relevante publiek een zekere uitleggingsinspanning of een denk- of analyse-inspanning te verlangen, zodat dit publiek dit meteen in verband brengt met de erdoor aangeduide diensten.

84      In deze omstandigheden heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat niet kan worden toegestaan dat een onderneming de uitdrukking „Vermögensmanufaktur” als Uniemerk kan monopoliseren, terwijl het relevante publiek op basis van dit merk geen onderscheid kan maken tussen de door deze onderneming verrichte diensten en de door een andere onderneming binnen dezelfde sector verrichte diensten.

85      Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 112 van het bestreden arrest vastgesteld dat het relevante publiek er niet toe wordt gebracht in het betwiste merk, naast een verkoopbevorderende boodschap, een specifieke herkomstaanduiding te zien op basis waarvan het bij een latere opdracht, in geval van een positieve ervaring, die keuze kan herhalen of, in geval van een negatieve ervaring, een andere keuze kan maken.

86      Daaruit volgt dat rekwirante niet met succes kan stellen dat aan de conclusie van het Gerecht, dat – zoals blijkt uit punt 113 van het bestreden arrest – het betwiste merk onderscheidend vermogen mist, alleen de lovende aard van dit merk ten grondslag ligt.

87      Hieruit volgt dat het vierde middel ongegrond is.

 Vijfde en zesde middel

 Argumenten van partijen

88      Met haar vijfde en haar zesde middel stelt rekwirante dat het Gerecht met de overwegingen in de punten 123 tot en met 133 en 135 tot en met 148 van het bestreden arrest, dat de kamer van beroep de door interveniënte in eerste aanleg overgelegde litigieuze bijlagen 26 tot en met 30 niet op doorslaggevende in aanmerking had genomen bij haar beoordeling of het betwiste merk kon worden ingeschreven, schending heeft begaan van, ten eerste, artikel 75, tweede zin, van verordening nr. 207/2009, dat bepaalt dat de beslissingen van het EUIPO slechts kunnen worden genomen op gronden waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren, en, ten tweede, artikel 76, lid 2, van deze verordening, krachtens hetwelk het EUIPO geen rekening hoeft te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd.

89      Wat de litigieuze bijlagen 27, 29 en 30 betreft, heeft het Gerecht in de punten 125 en 141 van het bestreden arrest vastgesteld dat deze niet uitdrukkelijk zijn vermeld in het kader van de beoordeling van de kamer van beroep.

90      Rekwirante erkent weliswaar dat de kamer van beroep niet uitdrukkelijk heeft verwezen naar deze bijlagen, maar stelt dat in de punten 29 en 40 van de litigieuze beslissing de bewoordingen van de litigieuze bijlage 29 worden overgenomen. Bijgevolg heeft de kamer van beroep deze bijlage volgens rekwirante in aanmerking genomen, zonder dat zij haar opmerkingen over de litigieuze bijlagen heeft kunnen indienen.

91      Bovendien is het Gerecht, aangezien het de grieven inzake schending van artikel 75, tweede zin, en artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 alleen heeft afgewezen op grond dat de litigieuze bijlagen 27, 29 en 30 in de litigieuze beslissing niet uitdrukkelijk waren vermeld, niet nagegaan of deze bijlagen doorslaggevende elementen waren geweest bij de beoordeling door de kamer van beroep, dan wel slechts aanvullende bewijzen.

92      Wat de litigieuze bijlagen 26 en 28 betreft, heeft het Gerecht met name in de punten 128, 132 en 142 van het bestreden arrest overwogen dat deze niet doorslaggevend waren geweest voor de beoordeling door de kamer van beroep en dat deze slechts aanvullende bewijzen waren.

93      De litigieuze bijlage 28 betreft echter specifiek hetzelfde Duitse merk Finanzmanufaktur als de litigieuze bijlage 29, waarvan de kamer van beroep de bewoordingen letterlijk heeft overgenomen. Het is dus duidelijk dat de kamer van beroep in haar beoordeling ook rekening heeft gehouden met deze bijlage 28.

94      De litigieuze bijlage 26 betreft een beslissing van het Duitse octrooi- en merkenbureau over de vraag of het merk Kreditmanufaktur kan worden ingeschreven. Aangezien de kamer van beroep de motivering van deze beslissing nagenoeg volledig heeft overgenomen, is de verklaring van het Gerecht dat deze bijlage slechts een aanvullend bewijs was en niet doorslaggevend was bij de beoordeling van de kamer van beroep, onjuist.

95      Volgens het EUIPO zijn het vijfde en het zesde middel kennelijk ongegrond.

 Beoordeling door het Hof

96      Voor zover gelijkenissen kunnen worden vastgesteld tussen de litigieuze bijlagen en de motivering van de litigieuze beslissing, zoals rekwirante aanvoert, kan niet worden ontkend dat het discutabel is bewijzen over te nemen die niet tijdig zijn overgelegd en waartegen partijen geen verweer hebben kunnen voeren. Toch moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 128, 130 en 131 van het bestreden arrest heeft opgemerkt dat de kamer van beroep haar redenering mocht baseren op andere door interveniënte in eerste aanleg overgelegde bijlagen, die met name in de punten 43 en 50 van het bestreden arrest worden vermeld, en waarvan niet wordt betwist dat deze tijdig zijn overgelegd, dat rekwirante daarvan kennis had en dat zij daartegen verweer heeft kunnen voeren.

97      Het Gerecht heeft daaruit in de punten 132 en 142 van het bestreden arrest afgeleid dat de litigieuze bijlagen niet doorslaggevend waren geweest voor de beoordeling door de kamer van beroep en dat deze slechts aanvullende bewijzen waren.

98      Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat rekwirante in het kader van haar hogere voorziening in wezen gewoon de argumenten herhaalt die zij in eerste aanleg heeft ontwikkeld, zonder aan te geven in welk opzicht het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de conclusie, in de punten 134 en 144 van het bestreden arrest, dat de middelen inzake een eventuele inaanmerkingneming van de litigieuze bijlagen door de kamer van beroep niet ter zake dienend waren.

99      Het vijfde en het zesde middel moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

100    Hieruit volgt dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.

 Kosten

101    Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

102    Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.

103    Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van het EUIPO worden verwezen in haar eigen kosten en in die van het EUIPO.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1)      De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)      VM Vermögens-Management GmbH draagt haar eigen kosten en die van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.