Language of document : ECLI:EU:C:2019:440

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

22 mei 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Artikel 212 bis – Invoerprocedures – Douaneschuld – Vrijstelling – Dumping – Subsidies – Invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China – Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 1238/2013 en (EU) nr. 1239/2013 tot instelling van een antidumpingrecht en een compenserend recht – Vrijstellingen”

In zaak C‑226/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) bij beslissing van 22 februari 2018, ingekomen bij het Hof op 29 maart 2018, in de procedure

Krohn & Schröder GmbH

tegen

Hauptzollamt Hamburg-Hafen,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, K. Jürimäe, D. Šváby, S. Rodin en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: G. Hogan,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 31 januari 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        Krohn & Schröder GmbH, vertegenwoordigd door L. Harings, Rechtsanwalt,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Caeiros, B.‑R. Killmann, T. Maxian Rusche en F. Clotuche‑Duvieusart als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 maart 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 212 bis van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB 2005, L 117, blz. 13) (hierna: „douanewetboek”), artikel 3, lid 1, onder a) tot en met c), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 325, blz. 1), en artikel 2, lid 1, onder a) tot en met c), van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 325, blz. 66).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Krohn & Schröder GmbH en het Hauptzollamt Hamburg-Hafen (douanehoofdkantoor voor de haven van Hamburg, Duitsland) (hierna: „douanehoofdkantoor”) betreffende de toepassing jegens deze onderneming van een antidumpingrecht en een compenserend recht omdat niet was voldaan aan een verplichting met betrekking tot de tijdelijke opslag van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen.

 Toepasselijke bepalingen

 Douanewetgeving

3        Volgens artikel 4, punt 10, van het douanewetboek wordt verstaan onder:

„rechten bij invoer:

–        de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn;

[...]”

4        In artikel 36 bis van dit wetboek wordt het volgende bepaald:

„1.      Van goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, wordt een summiere aangifte gedaan, behalve wanneer de goederen uitsluitend door de territoriale wateren of het luchtruim van het douanegebied worden vervoerd zonder dat er een tussenstop in dit gebied wordt gemaakt.

2.      De summiere aangifte wordt ingediend bij het douanekantoor van binnenkomst.

[...]”

5        Artikel 49, lid 1, van dit wetboek luidt:

„Indien voor de goederen een summiere aangifte is gedaan, dienen de formaliteiten te worden vervuld om deze goederen een douanebestemming te geven binnen de volgende termijnen:

[...]

b)      twintig dagen te rekenen vanaf de datum van indiening van de summiere aangifte voor goederen die anders dan over zee zijn aangevoerd.”

6        Artikel 53, lid 1, van dit wetboek bepaalt:

„De douaneautoriteiten nemen onverwijld alle nodige maatregelen, met inbegrip van de verkoop van de goederen, om de situatie te regelen van goederen ten aanzien waarvan binnen de overeenkomstig artikel 49 vastgestelde termijnen geen begin is gemaakt met de formaliteiten die moeten worden vervuld om de goederen een douanebestemming te geven.”

7        Artikel 184 van het douanewetboek luidt:

„De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de gevallen vast waarin, wegens bijzondere omstandigheden, bij het in het vrije verkeer brengen of de uitvoer van goederen vrijstelling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt verleend.”

8        Artikel 204, lid 1, onder a), van dit wetboek is als volgt verwoord:

„Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a)      indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst [...]”.

9        Artikel 212 bis van het douanewetboek bepaalt:

„Wanneer de douanewetgeving in een gunstige tariefbehandeling van bepaalde goederen uit hoofde van hun aard of bijzondere bestemming[, in een ontheffing] of in een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de in‑ of uitvoerrechten krachtens de artikelen 21, 82, 145 of 184 tot en met 187 voorziet, is deze gunstige behandeling, [ontheffing,] of vrijstelling eveneens van toepassing in de gevallen waarin uit hoofde van de artikelen 202 tot en met 205, 210 of 211 een douaneschuld ontstaat, indien het gedrag van de belanghebbende niet van frauduleus handelen of van manifeste nalatigheid getuigt en deze laatste aantoont dat aan de overige voorwaarden voor de toekenning van de gunstige tariefbehandeling[, de ontheffing] of de vrijstelling is voldaan.”

 Handelsbeschermingsmaatregelen

10      De overwegingen 6 en 8 van besluit 2013/423/EU van de Commissie van 2 augustus 2013 tot aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 209, blz. 26) zijn als volgt verwoord:

„(6)      Om het gevaar te verminderen dat uitvoer wordt omgeleid via andere ondernemingen en om op een haalbare en praktische wijze het aantal deelnemende exporteurs te kunnen volgen, boden de Chinese exporteurs aan te waarborgen dat de hoeveelheid producten die in het kader van de verbintenis worden ingevoerd, jaarlijks min of meer op het niveau van hun huidige marktprestaties zou liggen.

[...]

(8)      De schadelijke gevolgen van de dumping worden dus opgeheven door een prijsverbintenis voor invoer binnen een bepaald jaarlijks niveau en bovendien een voorlopig ad‑valoremrecht op de invoer die het in overweging 6 bedoelde jaarlijkse niveau overschrijdt.”

11      In de overwegingen 13 en 14 van uitvoeringsbesluit 2013/707/EU van de Commissie van 4 december 2013 tot bevestiging van de aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumping‑ en de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China voor de periode waarin de definitieve maatregelen worden toegepast (PB 2013, L 325, blz. 214), staat het volgende te lezen:

„(13)      De MIP’s [minimuminvoerprijzen] en het jaarlijkse niveau vallen onder de geheimhoudingsplicht [...].

(14)      [...] Deze overwegingen gelden voor zowel de MIP als het jaarlijkse niveau, waarover geen verdere bijzonderheden bekendgemaakt mogen worden.”

12      Artikel 1, lid 3, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 luidt:

„Tenzij anders vermeld zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.”

13      In artikel 3, leden 1 en 2, van deze uitvoeringsverordening is het volgende bepaald:

„1.      Ingevoerde producten die voor het vrije verkeer zijn aangegeven, die momenteel zijn ingedeeld onder GN‑code ex 8541 40 90 (Taric-codes 8541 40 90 21, 8541 40 90 29, 8541 40 90 31 en 8541 40 90 39), die zijn gefactureerd door ondernemingen waarvan de Commissie verbintenissen heeft aanvaard en wier namen zijn vermeld in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU, zijn vrijgesteld van het bij artikel 1 ingestelde antidumpingrecht op voorwaarde dat:

a)      een in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU vermelde onderneming, direct of via haar verbonden onderneming die ook in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU is vermeld, de bovengenoemde producten heeft vervaardigd voor en verzonden en gefactureerd aan ofwel hun verbonden ondernemingen in de Unie die als importeur optreden en de goederen inklaren voor het vrije verkeer in de Unie, ofwel de eerste onafhankelijke afnemer die als importeur optreedt en de goederen inklaart voor het vrije verkeer in de Unie; en

b)      de goederen vergezeld gaan van een verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die ten minste de gegevens en de verklaring bevat die in bijlage III bij deze verordening zijn vermeld; [en]

c)      de goederen vergezeld gaan van een verbinteniscertificaat voor uitvoer, overeenkomstig bijlage IV bij deze verordening; en

d)      de goederen die bij de douane worden aangegeven en aangeboden, exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur.

2.      Er ontstaat een douaneschuld op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer:

a)      wanneer ten aanzien van de in lid 1 beschreven ingevoerde goederen wordt vastgesteld dat aan een of meer van de in dat lid genoemde voorwaarden niet is voldaan; [...]

[...]”

14      Bijlage III bij deze uitvoeringsverordening bevat een opsomming van de gegevens die moeten worden vermeld op de handelsfactuur die de in de Unie verkochte goederen waarop een goedgekeurde verbintenis van toepassing is, vergezelt. Volgens punt 9 van deze bijlage moet op deze factuur worden vermeld:

„de naam van de werknemer van de onderneming die de factuur heeft opgesteld alsmede de hiernavolgende ondertekende verklaring:

‚Ondergetekende bevestigt dat de verkoop voor rechtstreekse uitvoer naar de Europese Unie van de goederen waarop deze factuur betrekking heeft, plaatsvindt in het kader en op de voorwaarden van de verbintenis die door [ONDERNEMING] werd aangeboden en door de Europese Commissie bij [uitvoerings]besluit 2013/707/EU van de Commissie werd aanvaard. Hij/zij verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.’”

15      Artikel 1, lid 3, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 luidt:

„Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.”

16      In artikel 2, leden 1 en 2, van deze uitvoeringsverordening is het volgende bepaald:

„1.      Ingevoerde producten die voor het vrije verkeer zijn aangegeven, die momenteel zijn ingedeeld onder GN‑code ex 8541 40 90 (Taric-codes 8541 40 90 21, 8541 40 90 29, 8541 40 90 31 en 8541 40 90 39), die zijn gefactureerd door ondernemingen waarvan de Commissie verbintenissen heeft aanvaard en wier namen zijn vermeld in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU, zijn vrijgesteld van het bij artikel 1 ingestelde compenserende recht op voorwaarde dat:

a)      een in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU vermelde onderneming, direct of via haar verbonden onderneming die ook in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU is vermeld, de bovengenoemde producten heeft vervaardigd voor en verzonden en gefactureerd aan ofwel hun verbonden ondernemingen in de Unie die als importeur optreden en de goederen inklaren voor het vrije verkeer in de Unie, ofwel de eerste onafhankelijke afnemer die als importeur optreedt en de goederen inklaart voor het vrije verkeer in de Unie; en

b)      de goederen vergezeld gaan van een verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die ten minste de gegevens en de verklaring bevat die in bijlage 2 bij deze verordening zijn vermeld; en

c)      de goederen vergezeld gaan van een verbinteniscertificaat voor uitvoer, overeenkomstig bijlage3 bij deze verordening; en

d)      de goederen die bij de douane worden aangegeven en aangeboden, exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur.

2.      Er ontstaat een douaneschuld op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer:

a)      wanneer ten aanzien van de in lid 1 beschreven ingevoerde goederen wordt vastgesteld dat aan een of meer van de in dat lid genoemde voorwaarden niet is voldaan; [...]

[...]”

17      Bijlage 2 bij deze uitvoeringsverordening bevat een opsomming van de gegevens die moeten worden vermeld op de handelsfactuur die de in de Unie verkochte goederen waarop een goedgekeurde verbintenis van toepassing is, vergezelt. Volgens punt 9 van deze bijlage moet op deze factuur worden vermeld:

„de naam van de werknemer van de onderneming die de factuur heeft opgesteld alsmede de hiernavolgende ondertekende verklaring:

‚Ondergetekende bevestigt dat de verkoop voor rechtstreekse uitvoer naar de Europese Unie van de goederen waarop deze factuur betrekking heeft, plaatsvindt in het kader en op de voorwaarden van de verbintenis die door [ONDERNEMING] werd aangeboden en door de Europese Commissie bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU van de Commissie werd aanvaard. Hij/zij verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.’”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18      Verzoekster in het hoofdgeding beheert een pakhuis in de haven van Hamburg (Duitsland). Op 21 augustus 2014 heeft zij in dit pakhuis twee leveringen van fotovoltaïsche modules opgeslagen. Zij heeft een summiere aangifte voor de goederen ingediend en deze in tijdelijke opslag geplaatst.

19      Op 11 september 2014 heeft het douanehoofdkantoor verzoekster in het hoofdgeding erop gewezen dat binnen de in artikel 49 van het douanewetboek bedoelde termijn van twintig dagen geen enkele formaliteit was vervuld om deze goederen een andere douanebestemming te geven. Het heeft haar eveneens verzocht om de documenten over te leggen die vereist waren om de toepasselijke douaneheffingen vast te stellen.

20      Bij brief van 26 september 2014 heeft verzoekster in het hoofdgeding het douanehoofdkantoor documenten gestuurd waaruit bleek dat de betrokken goederen vervaardigd waren door Wuxi Suntech Power, een Chinese onderneming waarvan de naam is opgenomen in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707, en dat zij verzonden waren naar een met deze laatste verbonden onderneming in Duitsland. Onder deze documenten bevonden zich een factuur van Wuxi Suntech Power van 11 juli 2014, die een verwijzing bevatte naar besluit 2013/423, en een geldig verbinteniscertificaat voor uitvoer van de China Chamber of Commerce for Import & Export of Machinery & Electronic Products (Chinese kamer van koophandel voor de in‑ en uitvoer van machines en elektronica), voorzien van een verwijzing naar uitvoeringsbesluit 2013/707.

21      Bij kennisgeving van 24 november 2014 heeft het douanehoofdkantoor onder meer een antidumpingrecht en een compenserend recht op de goederen vastgesteld, na te hebben geconstateerd dat overeenkomstig artikel 204 van het douanewetboek op 11 september 2014 een douaneschuld was ontstaan omdat de in artikel 49 van dit wetboek vastgestelde termijn niet was geëerbiedigd.

22      Op 28 november 2014 heeft verzoekster in het hoofdgeding bezwaar aangetekend tegen deze kennisgeving. Zij stelde daarbij met name dat zelfs indien wegens schending van een verplichting in het kader van de tijdelijke opslag een douaneschuld bij invoer was ontstaan, de vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten waarin respectievelijk artikel 3, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 voorzien, krachtens artikel 212 bis van het douanewetboek toch moest worden verleend omdat hier sprake was van een gunstige tariefbehandeling of ontheffing van invoerrechten in de zin van dit laatste artikel. Volgens haar was het niet van belang dat op de handelsfactuur besluit 2013/423 stond vermeld in plaats van besluit 2013/707.

23      Op 4 mei 2015 heeft het douanehoofdkantoor het tarief van de antidumpingrechten en de compenserende rechten verlaagd tot de tarieven die volgens uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 (hierna samen: „uitvoeringsverordeningen”) op door Wuxi Suntech Power vervaardigde fotovoltaïsche modules van toepassing zijn. Vrijstelling van deze rechten heeft het kantoor daarentegen geweigerd op grond dat niet was voldaan aan de voorwaarden daartoe. De door verzoekster in het hoofdgeding overgelegde verbintenisfactuur bevatte namelijk een verwijzing naar besluit 2013/423 in plaats van naar uitvoeringsbesluit 2013/707.

24      Op 19 mei 2015 heeft verzoekster in het hoofdgeding een gecorrigeerde verbintenisfactuur met een verwijzing naar uitvoeringsbesluit 2013/707 overgelegd.

25      Nadat de vereiste zekerheid was gesteld, heeft het douanehoofdkantoor de goederen vrijgegeven en zijn deze geleverd aan de met de betrokken Chinese exporteur verbonden vennootschap.

26      Op 7 juli 2015 heeft het douanehoofdkantoor het bezwaar van verzoekster in het hoofdgeding afgewezen onder herhaling van zijn argument dat de goederen bij het verstrijken van de termijn voor tijdelijke opslag geen nieuwe douanebestemming hadden gekregen. Het heeft verder verduidelijkt dat de antidumpingrechten en compenserende rechten geen gunstige behandeling of vrijstelling van invoerrechten in de zin van artikel 212 bis van het douanewetboek vormden.

27      Het douanehoofdkantoor was van mening dat de in de uitvoeringsverordeningen bedoelde vrijstelling niet kon worden verleend, aangezien de betrokken goederen niet in het vrije verkeer waren gebracht en de overgelegde factuur niet voldeed aan de in deze verordeningen vervatte formele vereisten.

28      Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland).

29      Zij betoogt dat de vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten een gunstige tariefbehandeling is of in ieder geval een vrijstelling van douanerechten overeenkomstig artikel 212 bis van het douanewetboek vormt. Zij is voorts van mening dat de factuur die zij aanvankelijk aan het douanehoofdkantoor had overgelegd, voldeed aan de voorwaarden van deze uitvoeringsverordeningen en dat dit a fortiori ook geldt voor de gecorrigeerde factuur. Zij merkt tevens op dat het gezien de toepassingsvoorwaarden voor artikel 212 bis niet relevant is of de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht en dat daarom van haar niet kon worden verlangd dat zij een verbintenisfactuur overlegde op het moment dat de termijn van artikel 49, lid 1, van het douanewetboek werd overschreden.

30      Het douanehoofdkantoor is primair van oordeel dat artikel 212 bis van het douanewetboek niet van toepassing is, op grond dat een vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten geen gunstige behandeling uit hoofde van de aard van het goed, noch een niet-tarifaire ontheffing vormt. Bovendien is niet aan alle voorwaarden van deze uitvoeringsverordeningen voldaan, aangezien de schuldenaar van de douanerechten niet degene is wiens naam op de factuur is vermeld. Tot slot is het ook niet mogelijk om naderhand aangepaste handelsfacturen over te leggen.

31      Daarop heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Ziet artikel 212 bis van het douanewetboek op de vrijstelling van een antidumpingrecht overeenkomstig artikel 3, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 respectievelijk op de vrijstelling van een compenserend recht overeenkomstig artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013?

2)      Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: is bij toepassing van artikel 212 bis van het douanewetboek op het geval waarin een douaneschuld ontstaat in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek wegens overschrijding van de termijn van artikel 49, lid 1, van het douanewetboek, voldaan aan de in artikel 3, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en in artikel 2, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 vastgestelde voorwaarden, wanneer de onderneming die gelieerd is met de in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU genoemde onderneming – die de desbetreffende goederen heeft vervaardigd, verzonden en gefactureerd –, weliswaar niet als importeur van de betrokken goederen is opgetreden en evenmin ervoor heeft gezorgd dat zij in het vrije verkeer werden gebracht, maar voornemens was dat te doen en tevens de onderneming was waaraan de desbetreffende goederen ook daadwerkelijk werden geleverd?

3)      Indien de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: indien artikel 212 bis van het douanewetboek wordt toegepast op het geval waarin een douaneschuld ontstaat in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek wegens overschrijding van de termijn van artikel 49, lid 1, van het douanewetboek, kunnen een verbintenisfactuur en een verbinteniscertificaat voor uitvoer in de zin van artikel 3, lid 1, onder b) en c), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en in de zin van artikel 2, lid 1, onder b) en c), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 dan alsnog worden overgelegd binnen een door de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 53, lid 1, van het douanewetboek gestelde termijn?

4)      Indien de derde prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: voldoet een verbintenisfactuur in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013, waarin niet uitvoeringsbesluit 2013/707/EU maar besluit 2013/423/EU wordt vermeld, in de omstandigheden van het hoofdgeding en rekening houdend met de algemene rechtsbeginselen, aan de voorwaarden van punt 9 van bijlage III bij uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en punt 9 van bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1239/2013?

5)      Indien de vierde prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: indien artikel 212 bis van het douanewetboek wordt toegepast op het geval waarin een douaneschuld ontstaat in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek wegens overschrijding van de termijn van artikel 49, lid 1, van het douanewetboek, kan een verbintenisfactuur in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 dan alsnog worden overgelegd in de beroepsprocedure tegen de vaststelling van de douaneschuld?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

32      Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie te vernemen of artikel 212 bis van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op de vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten waarin respectievelijk artikel 3, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 voorzien.

33      Vooraf moet worden opgemerkt dat de gehele douanewetgeving, zoals die met name in het douanewetboek is uitgewerkt, alleen van toepassing is op antidumpingrechten of compenserende rechten indien dit is bepaald in de verordeningen waarbij dergelijke rechten worden ingesteld.

34      In het onderhavige geval wordt in artikel 1, lid 3, van de uitvoeringsverordeningen bepaald dat de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing zijn, tenzij anders vermeld. Bijgevolg is artikel 212 bis van het douanewetboek, bij gebreke van andersluidende bepalingen in deze verordeningen, in beginsel van toepassing op de vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten waarin deze verordeningen voorzien.

35      Artikel 212 bis van het douanewetboek is evenwel slechts van toepassing indien deze vrijstelling in de zin van dit artikel wordt beschouwd als een gunstige tariefbehandeling van bepaalde goederen uit hoofde van hun aard of bijzondere bestemming, als een ontheffing of als een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de in‑ of uitvoerrechten krachtens de artikelen 21, 82, 145 of 184 tot en met 187 van het douanewetboek.

36      In de eerste plaats vallen volgens artikel 4, punt 10, van het douanewetboek onder rechten bij invoer onder meer de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn.

37      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat heffingen van gelijke werking bestaan in elke eenzijdig opgelegde geldelijke last, ongeacht de benaming of de structuur ervan, die wegens grensoverschrijding over goederen wordt geheven en geen douanerecht in eigenlijke zin is (arresten van 8 juni 2006, Koornstra, C‑517/04, EU:C:2006:375, punt 15, en 26 oktober 2006, Koninklijke Coöperatie Cosun, C‑248/04, EU:C:2006:666, punt 30).

38      Antidumpingrechten en compenserende rechten zijn eenzijdig opgelegde geldelijke lasten die over goederen worden geheven omdat deze de Uniegrens overschrijden en het douanegebied van de Unie binnenkomen. Zij vormen bijgevolg heffingen van gelijke werking als een douanerecht in de zin van artikel 4, punt 10, van het douanewetboek.

39      In de tweede plaats moet het begrip „ontheffing” in artikel 212 bis van het douanewetboek voor de toepassing van dit artikel in het bijzonder worden begrepen als een verwijzing naar een in kwantiteit of waarde uitgedrukte drempel die op in de Unie ingevoerde goederen wordt toegepast, waaronder de importeur profiteert van een vrijstelling van invoerrechten.

40      Aangezien artikel 3, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 refereren aan uitvoeringsbesluit 2013/707, moeten deze bepalingen aldus worden uitgelegd dat daarbij een ontheffing van invoerrechten in de zin van artikel 212 bis van het douanewetboek wordt ingesteld.

41      Zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft benadrukt, geven de overwegingen 13 en 14, 16 tot en met 23 en 26 van dit uitvoeringsbesluit, gelezen in samenhang met de overwegingen 6 en 8 van besluit 2013/423, immers de inhoud weer van de door haar in dit kader aanvaarde verbintenissen, die niet alleen betrekking hebben op een door de Chinese producenten-exporteurs te eerbiedigen minimuminvoerprijs, maar tevens op een door hen te eerbiedigen jaarlijks invoerniveau naar de Unie.

42      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 212 bis van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op de vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten waarin respectievelijk artikel 3, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 voorzien.

 Tweede vraag

43      Met haar tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 212 bis van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat bij toepassing van dit artikel op het geval waarin een douaneschuld in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek ontstaat wegens overschrijding van de termijn van artikel 49, lid 1, van het douanewetboek, is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 3, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013, wanneer de onderneming die gelieerd is met de onderneming die is genoemd in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707 en die de desbetreffende goederen heeft vervaardigd, verzonden en gefactureerd, noch als importeur van de desbetreffende goederen is opgetreden, noch ervoor heeft gezorgd dat deze in het vrije verkeer werden gebracht, ook al was die onderneming voornemens dat te doen en zijn de betrokken goederen daadwerkelijk aan haar geleverd.

44      In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat volgens het Hof het begrip „belanghebbende” in de zin van artikel 212 bis van het douanewetboek, gelet op de bewoordingen van dit artikel, aldus moet worden begrepen dat het betrekking heeft op elke natuurlijke of rechtspersoon die op grond van één van de artikelen 202 tot en met 205 van dit wetboek als schuldenaar van een douaneschuld wordt aangemerkt, met name doordat het gedrag van deze persoon ten grondslag lag aan het op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Unie (arrest van 25 januari 2017, Ultra-Brag, C‑679/15, EU:C:2017:40, punt 38).

45      Aangezien verzoekster in het hoofdgeding op grond van artikel 204 van het douanewetboek wordt aangemerkt als schuldenaar van een douaneschuld, is zij een „belanghebbende” in de zin van artikel 212 bis van dit wetboek.

46      In de tweede plaats kunnen vrijstellingen van antidumpingrechten en compenserende rechten slechts onder bepaalde voorwaarden worden verleend, in specifiek daartoe vastgestelde gevallen, en vormen zij derhalve uitzonderingen op de gewone regelingen inzake antidumpingrechten en compenserende rechten. Bepalingen die in dergelijke vrijstellingen voorzien, moeten dan ook strikt worden uitgelegd (arrest van 17 september 2014, Baltic Agro, C‑3/13, EU:C:2014:2227, punt 24).

47      Derhalve moet voor de toepassing van artikel 212 bis van het douanewetboek en, meer in het bijzonder, van het daarin opgenomen begrip „overige voorwaarden”, zijn voldaan aan de verschillende voorwaarden van de bepalingen van de uitvoeringsverordeningen waarin een vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten is vastgelegd.

48      In dit verband worden in artikel 3, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 diverse voorwaarden verbonden aan de daarin vastgelegde vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten.

49      Om te beginnen wordt, zoals de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, in deze twee bepalingen vastgesteld dat de ingevoerde goederen voor het vrije verkeer moeten zijn aangegeven.

50      Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt echter dat binnen de termijn voor tijdelijke opslag bedoeld in artikel 49, lid 1, van het douanewetboek geen aangifte is gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen die in het hoofdgeding aan de orde zijn. Doordat verzoekster in het hoofdgeding deze termijn niet in acht heeft genomen, is krachtens artikel 204, lid 1, onder a), van dit wetboek een douaneschuld ontstaan.

51      Voorts wordt in artikel 3, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 vermeld dat een in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707 genoemde onderneming de betrokken goederen moet hebben vervaardigd voor en verzonden en gefactureerd aan hetzij haar verbonden ondernemingen in de Unie die als importeur optreden en deze goederen in de Unie in het vrije verkeer brengen, hetzij de eerste onafhankelijke afnemer die als importeur optreedt en deze goederen in de Unie in het vrije verkeer brengt.

52      In het onderhavige geval waren de in het hoofdgeding aan de orde gestelde goederen bestemd voor een met de Chinese producent-exporteur in het hoofdgeding verbonden onderneming, maar deze onderneming had de goederen bij het ontstaan van de douaneschuld noch in ontvangst genomen noch in het vrije verkeer gebracht omdat de in artikel 49, lid 1, van het douanewetboek gestelde termijn voor tijdelijke opslag niet in acht was genomen. Op grond van de omstandigheid dat een dergelijke onderneming voornemens was om als importeur van deze goederen op te treden en ze in het vrije verkeer te brengen alsook dat zij deze goederen uiteindelijk daadwerkelijk in ontvangst heeft genomen, kan de voorwaarde uit het vorige punt niet als vervuld worden beschouwd.

53      Ten slotte moet tevens worden opgemerkt dat deze invoer volgens artikel 3, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 vergezeld moet gaan van een verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die ten minste de gegevens en de verklaring bevat die in respectievelijk bijlage III bij uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 zijn vermeld.

54      In dit verband volgt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat er geen enkele factuur is ingediend op het tijdstip waarop de douaneschuld aan de orde in het hoofdgeding is ontstaan. Bovendien bevatte de op 11 juli 2014 gedateerde factuur die na deze datum, namelijk op 26 september 2014, werd ingediend, niet alle vermeldingen die op grond van de relevante bijlagen bij de uitvoeringsverordeningen vereist waren. Op de verklaring die ondertekend moest zijn door de verantwoordelijke van de onderneming die de betreffende factuur had afgegeven, stond uitvoeringsbesluit 2013/707 namelijk niet vermeld.

55      Vastgesteld moet worden dat een dergelijke vermelding van bijzonder belang is in het kader van de bij de uitvoeringsverordeningen vastgestelde regeling, aangezien de douaneautoriteiten aan de hand daarvan op het tijdstip van de feiten kunnen verifiëren of aan alle vereisten voor de vrijstelling van de betrokken antidumpingrechten en compenserende rechten is voldaan (zie in die zin arrest van 29 juli 2010, Isaac International, C‑371/09, EU:C:2010:458, punt 43).

56      Toepassing van artikel 212 bis van het douanewetboek kan er in die omstandigheden dan ook niet toe leiden dat een dergelijke vrijstelling, die volgens artikel 3, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 aan voorwaarden is onderworpen, toch kan worden toegekend, ook al zijn deze voorwaarden niet in acht genomen (zie naar analogie arrest van 29 juli 2010, Isaac International, C‑371/09, EU:C:2010:458, punt 44).

57      Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 212 bis van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat bij toepassing van dit artikel op het geval waarin een douaneschuld in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek ontstaat wegens overschrijding van de termijn van artikel 49, lid 1, van het douanewetboek, niet is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 3, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013, wanneer de onderneming die gelieerd is met de onderneming die is genoemd in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707 en die de desbetreffende goederen heeft vervaardigd, verzonden en gefactureerd, noch als importeur van de desbetreffende goederen is opgetreden, noch ervoor heeft gezorgd dat deze in het vrije verkeer werden gebracht, ook al was die onderneming voornemens dat te doen en zijn de betrokken goederen daadwerkelijk aan haar geleverd.

 Derde tot en met vijfde vraag

58      Gelet op het antwoord op de tweede vraag, behoeven de derde tot en met vijfde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

59      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 212 bis van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op de vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten waarin is voorzien bij respectievelijk artikel 3, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China, en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China.

2)      Artikel 212 bis van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, moet aldus worden uitgelegd dat bij toepassing van dit artikel op het geval waarin een douaneschuld in de zin van artikel 204, lid 1, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd, ontstaat wegens overschrijding van de termijn van artikel 49, lid 1, van deze verordening, niet is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 3, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013, wanneer de onderneming die gelieerd is met de onderneming die is genoemd in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU van de Commissie van 4 december 2013 tot bevestiging van de aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumping en de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China voor de periode waarin de definitieve maatregelen worden toegepast, en die de desbetreffende goederen heeft vervaardigd, verzonden en gefactureerd, noch als importeur van de desbetreffende goederen is opgetreden, noch ervoor heeft gezorgd dat deze in het vrije verkeer werden gebracht, ook al was die onderneming voornemens dat te doen en zijn de betrokken goederen daadwerkelijk aan haar geleverd.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.