Language of document : ECLI:EU:C:2019:444

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

23 mei 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 650/2012 – Artikel 3, lid 1, onder g) en i) – Begrip ‚beslissing’ inzake erfopvolging – Begrip ‚authentieke akte’ inzake erfopvolging – Juridische kwalificatie van de nationale erfrechtverklaring – Artikel 3, lid 2 – Begrip ‚gerecht’ – Geen kennisgeving aan de Europese Commissie door de lidstaat van het feit dat notarissen als niet-gerechtelijke autoriteiten net zoals gerechten rechterlijke functies vervullen”

In zaak C‑658/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Gorzowie Wielkopolskim (rechter in eerste aanleg Gorzów Wielkopolski, Polen) bij beslissing van 10 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 24 november 2017, in de procedure ingeleid door

WB

in tegenwoordigheid van:

Przemysława Bac, handelend in de hoedanigheid van notaris,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader (rapporteur), A. Rosas, L. Bay Larsen en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 november 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        WB, vertegenwoordigd door M. Krzymuski, radca prawny,

–        Przemysława Bac, handelend in de hoedanigheid van notaris, vertegenwoordigd door M. Margoński, zastępca notarialny,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, S. Żyrek en E. Borawska-Kędzierska als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en M. Hellmann als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Jiménez García als gemachtigde,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, G. Koós en M. M. Tátrai als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en S. L. Kalėda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder g) en i), en lid 2, artikel 39, lid 2, artikel 46, lid 3, onder b), en artikel 79 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107), alsook van de bijlagen 1 en 2 bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 van de Commissie van 9 december 2014 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in verordening nr. 650/2012 (PB 2014, L 359, blz. 30).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die WB heeft ingesteld tegen Przemysława Bac, een notaris gevestigd te Słubice (Polen), opdat laatstgenoemde haar onder meer een afschrift van een erfrechtverklaring zou afgeven.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Verordening nr. 650/2012

3        De overwegingen 20 tot en met 22 en 62 van verordening nr. 650/2012 luiden als volgt:

„(20)      Deze verordening dient de verschillende stelsels die in de lidstaten inzake erfopvolging worden toegepast, te eerbiedigen. Voor de toepassing van deze verordening dient derhalve aan de term ‚gerecht’ een brede betekenis te worden gegeven om niet alleen gerechten in de werkelijke betekenis van het woord te dekken maar ook notarissen en griffies in sommige lidstaten, die in bepaalde erfrechtzaken net zoals gerechten gerechtelijke taken uitvoeren, en ook notarissen en juridische beroepsbeoefenaren in sommige lidstaten, die in bepaalde erfkwesties gerechtelijke taken vervullen krachtens een door een gerecht gegeven volmacht. Alle gerechten, zoals in deze verordening gedefinieerd, dienen aan de in deze verordening vastgelegde bevoegdheidsregels gebonden te zijn. Daarentegen dient de term ‚gerecht’ geen betrekking te hebben op de niet-gerechtelijke autoriteiten van een lidstaat, die krachtens het nationale recht bevoegd zijn om erfrechtzaken te behandelen, zoals notarissen in de meeste lidstaten, wanneer zij, zoals meestal het geval is, geen gerechtelijke taken vervullen.

(21)      Krachtens deze verordening moeten notarissen met een bevoegdheid in erfrechtzaken, die bevoegdheid kunnen uitoefenen die zij in de lidstaten op het gebied van erfrecht hebben. Of notarissen in een bepaalde lidstaat al dan niet aan de bevoegdheidsregels van deze verordening gebonden zijn, moet afhangen van de vraag of zij onder het begrip ‚gerecht’ in de zin van deze verordening vallen.

(22)      Akten die door notarissen in de lidstaten in erfrechtzaken zijn opgemaakt, moeten overeenkomstig deze verordening circuleren. Notarissen zijn in de uitoefening van een gerechtelijke functie gebonden aan de bevoegdheidsregels en de circulatie van hun beslissingen moet in overeenstemming met de regels inzake erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen geschieden. Buiten de uitoefening van een gerechtelijke functie zijn notarissen niet aan de bevoegdheidsregels gebonden en de circulatie van de door hen opgemaakte authentieke akten moet voldoen aan de voorschriften betreffende dergelijke akten.

[...]

(62)      De ‚formele geldigheid’ van een authentieke akte moet een autonoom begrip zijn dat gegevens omvat zoals de echtheid van de akte, de vormvereisten, de bevoegdheid van de autoriteit die de akte opmaakt en de procedure volgens welke de akte wordt opgemaakt. Hieronder vallen ook de feitelijke gegevens die door de betrokken autoriteit in de akte zijn vastgesteld, bijvoorbeeld het feit dat de genoemde partijen voor haar op de genoemde datum zijn verschenen en de vermelde verklaringen hebben afgelegd. Een partij die de formele geldigheid van een authentieke akte wenst te betwisten, dient dit te doen voor het bevoegde gerecht van de lidstaat van herkomst van de authentieke akte, volgens het recht van die lidstaat.”

4        Artikel 3 van deze verordening bepaalt:

„1.      In deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

g)      ‚beslissing’: een door een gerecht van een lidstaat inzake erfopvolging gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, alsmede de beslissing betreffende de vaststelling door de griffier van het bedrag van de proceskosten;

[...]

i)      ‚authentieke akte’: een document inzake erfopvolging dat in een lidstaat formeel als authentieke akte is verleden of geregistreerd en waarvan de formele geldigheid:

i)      betrekking heeft op de ondertekening en de inhoud van de akte, en

ii)      is vastgesteld door een overheidsinstantie of door een andere daartoe door de lidstaat van herkomst gemachtigde instantie.

2.      Voor de toepassing van deze verordening wordt onder het begrip ‚gerecht’ verstaan: elke gerechtelijke autoriteit en alle andere autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren met bevoegdheid in een erfrechtzaak, die rechterlijke functies vervullen of handelen krachtens volmacht van, of onder toezicht van, een gerechtelijke autoriteit, voor zover dergelijke autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren waarborgen bieden wat betreft onpartijdigheid en het horen van partijen, en voor zover hun beslissingen overeenkomstig het recht van de lidstaat waar zij gevestigd zijn:

a)      vatbaar zijn voor een rechtsmiddel ten overstaan van een gerechtelijke autoriteit of voor toetsing door een zodanige autoriteit, en

b)      dezelfde rechtskracht en dezelfde werking hebben als een beslissing van een gerechtelijke autoriteit over dezelfde aangelegenheid.

De lidstaten stellen de [Europese] Commissie overeenkomstig artikel 79 in kennis van de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren.”

5        Artikel 59, lid 1, tweede alinea, van die verordening bepaalt:

„Een persoon die van een authentieke akte gebruik wenst te maken in een andere lidstaat, kan de autoriteit die de authentieke akte in de lidstaat van herkomst heeft opgemaakt, verzoeken het in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgestelde formulier in te vullen, waarin de bewijskracht wordt vermeld die in de lidstaat van herkomst aan de authentieke akte wordt verbonden.”

6        Artikel 79, leden 1 en 2, van verordening nr. 650/2012 luidt:

„1.      De Commissie stelt op basis van de kennisgevingen van de lidstaten de lijst van de in artikel 3, lid 2, bedoelde autoriteiten en beoefenaren van juridische beroepen op.

2.      De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van alle latere wijzigingen van de op die lijst staande informatie. De Commissie past de lijst dienovereenkomstig aan.”

 Uitvoeringsverordening nr. 1329/2014

7        Artikel 1 van uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.      Voor de verklaring betreffende een beslissing inzake erfopvolging, zoals bedoeld in artikel 46, lid 3, onder b), van verordening [nr. 650/2012], wordt het in bijlage 1 vastgestelde formulier I gebruikt.

2.      Voor de verklaring betreffende een authentieke akte inzake erfopvolging, zoals bedoeld in artikel 59, lid 1, en artikel 60, lid 2, van verordening [nr. 650/2012], wordt het in bijlage 2 vastgestelde formulier II gebruikt.”

 Pools recht

 Notariswet

8        De ustawa Prawo o notariacie (wet tot invoering van een notariswet) van 14 februari 1991 (Dz. U. nr. 22, volgnr. 91), zoals gewijzigd bij de wet van 13 december 2013 (Dz. U. van 2014, volgnr. 164) (hierna: „notariswet”), bepaalt in artikel 4 dat notarissen een kantoor hebben.

9        Volgens artikel 5, lid 1, van de notariswet oefenen notarissen hun activiteit uit tegen een met de partijen met inachtneming van een tarieflijst overeengekomen vergoeding. Volgens artikel 5, lid 3, ervan wordt deze tarieflijst in samenspraak met de minister van Financiën en na raadpleging van de nationale raad voor het notariaat opgesteld door de minister van Justitie.

10      Het opstellen van erfrechtverklaringen door Poolse notarissen wordt geregeld door de artikelen 95a tot en met 95p van de notariswet.

11      Artikel 95b van deze wet bepaalt:

„Alvorens de erfrechtverklaring op te stellen, maakt de notaris met de medewerking van alle belanghebbenden het proces-verbaal van erfopvolging op, met inachtneming van het bepaalde in artikel 95ca.”

12      Artikel 95c, leden 1 en 2, van de notariswet luidt:

„1.      Alvorens het proces-verbaal van erfopvolging op te maken, wijst de notaris alle hierbij betrokken partijen op hun verplichting om mededeling te doen van alle feiten waarop dat proces-verbaal betrekking heeft, en op hun strafrechtelijke aansprakelijkheid bij het afleggen van valse verklaringen.

2.      Het proces-verbaal van erfopvolging bevat met name:

1)      het unanieme verzoek van de bij het opmaken van het proces-verbaal betrokken personen om de erfrechtverklaring op te stellen;

[...]”

13      Artikel 95ca van de notariswet bepaalt in de leden 1 en 3:

„1.      De notaris stelt op verzoek van de belanghebbende en met diens medewerking het concept‑proces-verbaal van erfopvolging op.

[...]

3.      Door middel van een verklaring ten overstaan van de notaris die het concept‑proces-verbaal van erfopvolging heeft opgesteld, dan wel ten overstaan van een andere notaris, bevestigt de belanghebbende de in dat concept opgenomen informatie en stemt hij ermee in dat het proces‑verbaal conform het concept wordt opgemaakt.”

14      Artikel 95e van de notariswet luidt als volgt:

„1.      Na het proces-verbaal van erfopvolging te hebben opgemaakt, stelt de notaris de erfrechtverklaring op wanneer er geen twijfel bestaat over de bevoegdheid van de nationale rechter, de inhoud van het toepasselijke buitenlandse recht, de identiteit van de erfgenaam, de hoogte van de erfdelen en, ingeval de erflater een ‚vindicatielegaat’ heeft doen opmaken, de identiteit van de legataris en het voorwerp van het legaat.

2.      De notaris weigert de erfrechtverklaring op te stellen wanneer:

1)      er reeds een erfrechtverklaring is opgesteld dan wel een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap is gegeven;

2)      bij het opmaken van het proces-verbaal van erfopvolging is gebleken dat niet alle personen aanwezig waren die als wettelijk of testamentair erfgenaam dan wel als begunstigde van een ‚vindicatielegaat’ in aanmerking kunnen komen, of dat er testamenten bestaan of hebben bestaan die niet zijn geopend of bekendgemaakt;

[...]

4)      de nationale rechter niet bevoegd is.

3.      Indien de nalatenschap zou toevallen aan een gemeente of aan de [Skarbowi Państwa (Poolse schatkist)] als wettelijk erfgenaam en de door de belanghebbende overgelegde bewijzen niet toereikend zijn om de erfrechtverklaring te kunnen opstellen, mag de notaris de erfrechtverklaring pas opstellen nadat hij op kosten van de belanghebbende de erfgenamen via een bekendmaking heeft opgeroepen. De bepalingen van de artikelen 673 en 674 van de [kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering)] zijn van overeenkomstige toepassing.”

15      Artikel 95j van de notariswet bepaalt:

„Een geregistreerde erfrechtverklaring heeft dezelfde werking als een definitieve rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap.”

16      Artikel 95p van die wet luidt:

„Alle andere bepalingen waarin wordt gesproken van de rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap, zijn ook van toepassing op de geregistreerde erfrechtverklaring. [...]”

 Burgerlijk wetboek

17      Artikel 1025, lid 2, van de kodeks cywilny (burgerlijk wetboek) bepaalt dat „[d]egene die een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap of een erfrechtverklaring heeft verkregen, wordt geacht de hoedanigheid van erfgenaam te bezitten”.

18      Volgens artikel 1027 van het burgerlijk wetboek „[kan] [d]e erfgenaam [...] zijn rechten op de nalatenschap tegenover een derde die geen erfrechtelijke aanspraken geldend maakt, uitsluitend door middel van een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap of door middel van een geregistreerde erfrechtverklaring bewijzen”.

19      Artikel 1028 van het burgerlijk wetboek bepaalt dat „[w]anneer degene die een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap of een erfrechtverklaring heeft verkregen, zonder dat hij de hoedanigheid van erfgenaam bezit, ten gunste van een derde over een tot de nalatenschap behorend recht beschikt, [...] die derde het recht [verwerft] of [...] van een verplichting [wordt] ontheven, tenzij hij te kwader trouw was”.

 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

20      Artikel 6691 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt:

„1.      De ter zake van de erfopvolging bevoegde rechter vernietigt de geregistreerde erfrechtverklaring wanneer er inzake dezelfde erfopvolging reeds een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap is gegeven.

2.      Wanneer er twee of meer erfrechtverklaringen zijn geregistreerd voor dezelfde erfopvolging, vernietigt de ter zake van de erfopvolging bevoegde rechter op verzoek van de belanghebbende alle erfrechtverklaringen en geeft hij een beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap.

3.      Afgezien van de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen kan een erfrechtverklaring slechts worden vernietigd in de bij wet bepaalde gevallen.”

21      Artikel 679 van dat wetboek luidt:

„1.      Het bewijs dat degene die een rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap heeft verkregen, geen erfgenaam is dan wel recht heeft op een ander erfdeel dan in die beschikking is vastgesteld, kan uitsluitend worden geleverd in het kader van een procedure die strekt tot vernietiging of tot wijziging van die beschikking, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Een persoon die betrokken is geweest bij de procedure die heeft geleid tot de rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap, kan echter slechts vernietiging of wijziging van die beschikking vorderen indien hij zijn vordering baseert op feiten die hij niet had kunnen aanvoeren tijdens die procedure, en indien hij zijn vordering instelt binnen een jaar nadat dit voor hem mogelijk is geworden.

2.      Elke belanghebbende kan verzoeken dat een dergelijke procedure wordt ingeleid.

3.      Wanneer het bewijs is geleverd dat de nalatenschap of een deel ervan toekomt aan een andere dan de in de definitieve rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap aangewezen persoon, geeft de ter zake van de erfopvolging bevoegde rechter, onder wijziging van die beschikking, een beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap die met de werkelijke rechtssituatie in overeenstemming is.

4.      De bepalingen van de leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de geregistreerde erfrechtverklaring en op de rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van een ‚vindicatielegaat’.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

22      WB’s vader, die op 6 augustus 2016 is overleden, was een Pools onderdaan die zijn gewone verblijfplaats had in Polen. WB was een van de partijen bij de procedure voor de afgifte van een erfrechtverklaring in verband met de erfopvolging van haar vader, welke procedure was ingesteld bij Bac, een in Polen gevestigde notaris. Deze notaris heeft die verklaring op 21 oktober 2016 opgemaakt overeenkomstig het Poolse recht.

23      De overledene was als ondernemer actief geweest in het Duits-Poolse grensgebied. WB wilde weten of hij bij een of meer Duitse banken tegoeden had geplaatst, en zo ja, wat het tot de nalatenschap te rekenen bedrag van die tegoeden was. Daartoe heeft WB op 7 juni 2017 verzocht dat haar een afschrift van de door die notaris opgestelde erfrechtverklaring werd verstrekt, alsook een verklaring – in de vorm van het formulier in bijlage 1 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 – dat het daarbij ging om een inzake erfopvolging gegeven beslissing in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012. Subsidiair, voor het geval dat haar verzoek zou worden afgewezen, heeft verzoekster in het hoofdgeding verzocht om het afschrift van de erfrechtverklaring vergezeld te doen gaan van een verklaring – in de vorm van het formulier in bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 – dat het daarbij ging om een authentieke akte inzake erfopvolging in de zin van artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012.

24      Bij proces-verbaal van 7 juni 2017 heeft een notarieel medewerker van het kantoor van Bac deze verzoeken afgewezen. Hij heeft in wezen gemeend dat de erfrechtverklaring een „beslissing” was in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 en dat, aangezien de Republiek Polen de Commissie geen kennisgeving als bedoeld in artikel 3, lid 2, van deze verordening had gedaan, het voor hem onmogelijk was om het beslissingskarakter te bevestigen door middel van het formulier in bijlage 1 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014. Wat WB’s subsidiaire verzoek betreft, heeft de notarieel medewerker erop gewezen dat de kwalificatie van de erfrechtverklaring als „beslissing” de kwalificatie ervan als „authentieke akte” uitsloot. Hoewel aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 was voldaan, was het volgens hem dus niet mogelijk om de desbetreffende verklaring door middel van het formulier in bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 af te geven.

25      Op 7 juni 2017 heeft WB beroep ingesteld bij de verwijzende rechter en aangevoerd dat de erfrechtverklaring voldeed aan alle voorwaarden om te worden gekwalificeerd als „beslissing” in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012, en dat het feit dat de Republiek Polen de Commissie niet overeenkomstig artikel 3, lid 2, laatste alinea, en artikel 79 van deze verordening ervan in kennis had gesteld dat de notarissen erfrechtverklaringen opstellen, niets zei over het rechtskarakter van de erfrechtverklaring.

26      De verwijzende rechter acht het voor de afdoening van het beroep van WB noodzakelijk te weten of de in bijlage 1 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 opgenomen verklaring ook kan worden afgegeven voor procedurele instrumenten die niet uitvoerbaar zijn. Hij is in dit verband van oordeel dat artikel 46, lid 3, onder b), gelezen in samenhang met artikel 39, lid 2, van verordening nr. 650/2012, pleit voor de uitlegging dat die verklaring kan worden gebruikt voor alle beslissingen, dus ook voor niet‑uitvoerbare beslissingen.

27      Verder meent die rechter dat de definities van de begrippen „beslissing” en „gerecht” in de zin van verordening nr. 650/2012 moeten worden verduidelijkt. Volgens hem oefenen Poolse notarissen die erfrechtverklaringen afgeven, bij het bekrachtigen van de erfopvolging „net zoals gerechten gerechtelijke taken” uit in de zin van overweging 20 van verordening nr. 650/2012. Hij wijst er tevens op dat de erfrechtverklaring dezelfde werking heeft als een definitieve rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap en derhalve moet worden aangemerkt als een „beslissing” in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012. De betrokken rechter vraagt zich evenwel af of het begrip „beslissing” impliceert dat deze moet zijn gegeven door een instantie die bevoegd is om geschilpunten tussen de betrokken partijen te beslechten.

28      Aangaande de omstandigheid dat lidstaten in strijd met artikel 79 van verordening nr. 650/2012 niet de in dat artikel bedoelde kennisgeving hebben gedaan, is de verwijzende rechter van mening dat uit de inhoud van deze bepaling niet duidelijk valt op te maken of die kennisgeving een constitutief dan wel een louter informatief karakter heeft.

29      Tot slot wijst de verwijzende rechter erop dat indien een door een Poolse notaris opgestelde erfrechtverklaring niet zou moeten worden beschouwd als een „beslissing” in de zin van verordening nr. 650/2012, het daarentegen geen twijfel lijdt dat zij voldoet aan de voorwaarden om als „authentieke akte” in de zin van artikel 3, lid 1, onder i), van deze verordening te worden gekwalificeerd.

30      In die omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Gorzowie Wielkopolskim (rechter in eerste aanleg Gorzów Wielkopolski, Polen) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 46, lid 3, onder b), [van verordening nr. 650/2012] juncto artikel 39, lid 2, [ervan] aldus worden uitgelegd dat de verklaring betreffende een beslissing inzake erfopvolging, waarvan het model is opgenomen in bijlage 1 bij [uitvoeringsverordening nr. 1329/2014], ook kan worden afgegeven voor beslissingen die de hoedanigheid van erfgenaam bevestigen, maar niet (ook niet deels) uitvoerbaar zijn?

2)      Moet artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat een erfrechtverklaring die op eensluidend verzoek van alle betrokkenen bij een procedure voor de afgifte van een dergelijke verklaring door een notaris wordt opgesteld en die dezelfde rechtsgevolgen heeft als een definitieve rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap – zoals een door een Poolse notaris opgestelde erfrechtverklaring – als een beslissing in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd[,] [e]n moet artikel 3, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 650/2012 dientengevolge aldus worden uitgelegd dat de notaris die een dergelijke erfrechtverklaring opstelt, als een gerecht in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd?

3)      Moet artikel 3, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat de door een lidstaat overeenkomstig artikel 79 van deze verordening gedane kennisgeving een informatief karakter heeft en geen voorwaarde is om een rechtsbeoefenaar met bevoegdheden op het gebied van erfopvolging die rechterlijke functies vervult, te kunnen aanmerken als een gerecht in de zin van artikel 3, lid 2, eerste volzin, van de verordening, wanneer die rechtsbeoefenaar aan de in laatstgenoemde bepaling geformuleerde voorwaarden voldoet?

4)      Indien de eerste, de tweede of de derde vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat wanneer het nationale procedurele instrument waarmee de hoedanigheid van erfgenaam wordt bevestigd – zoals de Poolse erfrechtverklaring – als een beslissing in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 wordt gekwalificeerd, de kwalificatie ervan als authentieke akte is uitgesloten?

5)      Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat een erfrechtverklaring die op eensluidend verzoek van alle betrokkenen bij een procedure voor de afgifte van een dergelijke verklaring door een notaris wordt opgesteld – zoals een door een Poolse notaris opgestelde erfrechtverklaring – een authentieke akte in de zin van deze bepaling is?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Tweede en derde vraag

31      Met zijn tweede en zijn derde prejudiciële vraag, die samen en eerst moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, ten eerste, of de omstandigheid dat een lidstaat geen kennisgeving als bedoeld in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 650/2012 heeft gedaan van het feit dat notarissen rechterlijke functies vervullen, doorslaggevend is voor de vraag of deze notarissen als „gerechten” kunnen worden aangemerkt en, zo neen, of artikel 3, lid 2, eerste alinea, van deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat een notaris die overeenkomstig een nationale regeling, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure een erfrechtverklaring opmaakt als die in het hoofdgeding, een „gerecht” is in de zin van deze bepaling. Ten tweede wenst hij te vernemen of artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een erfrechtverklaring als die in het hoofdgeding, die op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure wordt opgemaakt door een notaris, een „beslissing” is in de zin van deze bepaling.

32      Volgens artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 slaat de term „beslissing” op een door een gerecht van een lidstaat inzake erfopvolging gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, alsmede de beslissing betreffende de vaststelling door de griffier van het bedrag van de proceskosten.

33      Een beslissing in de zin van deze bepaling wordt dus gekenmerkt door het feit dat zij afkomstig is van een „gerecht”. Om te weten of een nationale erfrechtverklaring als die in het hoofdgeding als een „beslissing” moet worden aangemerkt, dient dus eerst te worden nagegaan of de autoriteit die deze verklaring heeft afgegeven, moet worden beschouwd als een „gerecht” in de zin van artikel 3, lid 2, van deze verordening.

34      Wat de definitie van een „gerecht” betreft, wordt volgens artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 onder dit begrip verstaan: elke gerechtelijke autoriteit en alle andere autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren met bevoegdheid in een erfrechtzaak, die rechterlijke functies vervullen of handelen krachtens volmacht van, of onder toezicht van, een gerechtelijke autoriteit, voor zover dergelijke autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren waarborgen bieden wat betreft onpartijdigheid en het horen van partijen, en voor zover hun beslissingen overeenkomstig het recht van de lidstaat waar zij gevestigd zijn, vatbaar zijn voor een rechtsmiddel ten overstaan van een gerechtelijke autoriteit of voor toetsing door een zodanige autoriteit, en dezelfde rechtskracht en dezelfde werking hebben als een beslissing van een gerechtelijke autoriteit over dezelfde aangelegenheid.

35      Artikel 3, lid 2, tweede alinea, van deze verordening bepaalt dat de lidstaten de Commissie in kennis stellen van onder meer de niet-gerechtelijke autoriteiten die rechterlijke functies vervullen.

36      Dienaangaande preciseert artikel 79 van verordening nr. 650/2012 dat de Commissie op basis van de kennisgevingen van de lidstaten de lijst opstelt van de in artikel 3, lid 2, van deze verordening bedoelde autoriteiten en beoefenaren van juridische beroepen. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van alle latere wijzigingen van de op die lijst staande informatie, en de Commissie past de lijst dienovereenkomstig aan.

37      In casu moet worden geconstateerd dat de Poolse notarissen niet op die lijst staan. De Republiek Polen heeft hen niet opgegeven als niet-gerechtelijke autoriteiten die net zoals gerechten rechterlijke functies vervullen.

38      Alvorens na te gaan of een notaris die krachtens een nationale regeling als die in het hoofdgeding op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure een erfrechtverklaring opmaakt, voldoet aan de criteria van artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012, moet dus worden onderzocht welke consequenties dienen te worden verbonden aan het ontbreken van de in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van deze verordening bedoelde kennisgeving.

 Gevolgen van het ontbreken van de in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 650/2012 bedoelde kennisgeving

39      Er zij op gewezen dat artikel 3, lid 2, van verordening nr. 650/2012 geen opsomming bevat van de autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren die als gerechten in de zin van deze verordening worden beschouwd, maar wel de specifieke voorwaarden aangeeft waaraan die autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren daarvoor moeten voldoen.

40      Zoals uit de rechtspraak van het Hof blijkt, preciseert verordening nr. 650/2012 immers in artikel 3, lid 2, – anders dan bijvoorbeeld verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB 2004, L 143, blz. 15) of verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), die geen algemene bepaling bevatten met voorwaarden waaronder een autoriteit als gerecht wordt aangemerkt – dat onder het begrip „gerecht” in de zin van die verordening niet alleen de gerechtelijke autoriteiten moet worden verstaan maar ook alle andere in erfrechtzaken bevoegde autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren die rechterlijke functies vervullen, voor zover zij voldoen aan de in diezelfde bepaling opgesomde voorwaarden (zie in die zin arresten van 9 maart 2017, Zulfikarpašić, C‑484/15, EU:C:2017:199, punt 35, en 9 maart 2017, Pula Parking, C‑551/15, EU:C:2017:193, punt 48).

41      Bijgevolg moeten in erfrechtzaken bevoegde autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren die geen gerechtelijke autoriteiten zijn, voldoen aan de in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 genoemde criteria om als „gerechten” in de zin van deze bepaling te kunnen worden gekwalificeerd.

42      Met het oog op de vaststelling van de in artikel 79 van verordening nr. 650/2012 bedoelde lijst moet elke lidstaat in het kader van deze verordening nagaan of de in erfrechtzaken bevoegde autoriteiten de in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van deze verordening genoemde voorwaarden vervullen teneinde als „gerechten” te kunnen worden aangemerkt, en de Commissie daarvan overeenkomstig artikel 3, lid 2, tweede alinea, in kennis stellen.

43      Hoewel die kennisgeving aan de Commissie een vermoeden in het leven roept dat de overeenkomstig artikel 79 van verordening nr. 650/2012 aangegeven nationale autoriteiten „gerechten” zijn in de zin van artikel 3, lid 2, van deze verordening, volstaat de omstandigheid dat een nationale autoriteit daarin niet wordt vermeld, op zich niet om te concluderen dat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2 (zie naar analogie arrest van 30 mei 2018, Czerwiński, C‑517/16, EU:C:2018:350, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Zoals uit overweging 21 van verordening nr. 650/2012 blijkt, moet de vraag of notarissen in een bepaalde lidstaat al dan niet aan de bevoegdheidsregels van deze verordening gebonden zijn, immers afhangen van de vraag of zij onder het begrip „gerecht” in de zin van deze verordening vallen, en niet van de vraag of zij voorkomen op de in artikel 79 van de verordening bedoelde lijst, die wordt opgesteld op basis van de in artikel 3, lid 2, tweede alinea, bedoelde kennisgeving.

45      Een nationale rechterlijke instantie die zich dient uit te spreken over een geschil over de vraag of een in erfrechtzaken bevoegde autoriteit of juridische beroepsbeoefenaar als een „gerecht” in de zin van artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 kan worden aangemerkt, of die twijfelt aan de juistheid van de verklaringen van een lidstaat, kan zich de vraag stellen of in de bij haar aanhangige zaak is voldaan aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden en, in voorkomend geval, het Hof hierover een prejudiciële vraag voorleggen.

46      Dienaangaande zij erop gewezen dat de doelstelling van verordening nr. 650/2012, namelijk het waarborgen van een goede rechtsbedeling in de Europese Unie, ernstig in gevaar zou komen indien het elke lidstaat vrijstond om over de kwalificatie van „gerecht” in de zin van artikel 3, lid 2, eerste alinea, van deze verordening te beslissen en voorbij te gaan aan de in deze bepaling uitdrukkelijk vastgestelde voorwaarden, door bepaalde autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren die net zoals gerechten gerechtelijke taken uitvoeren, net wel of net niet in de in artikel 79 van de verordening vermelde kennisgeving aan de Commissie op te nemen.

47      Uit het feit dat de Republiek Polen de Commissie geen kennisgeving in de zin van artikel 79 van verordening nr. 650/2012 heeft doen toekomen met betrekking tot de Poolse notarissen, kan dan ook niet worden afgeleid dat deze niet als „gerechten” kunnen worden aangemerkt wanneer zij de in deze verordening genoemde voorwaarden vervullen.

48      Bijgevolg heeft de omstandigheid dat de Republiek Polen geen kennisgeving als bedoeld in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 650/2012 heeft gedaan over het feit dat notarissen rechterlijke functies uitoefenen, een louter informatief karakter.

49      Derhalve moet los van dat gegeven worden uitgemaakt of een notaris die op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure een erfrechtverklaring opmaakt, aan de in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 gestelde voorwaarden voldoet om als „gerecht” in de zin van deze bepaling te kunnen worden aangemerkt.

 Begrip „gerecht” in de zin van artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012

50      Vooraf moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze dient te worden uitgelegd, niet alleen rekening houdend met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context van deze bepaling en de doelstelling van de betrokken regeling (zie in die zin arrest van 21 juni 2018, Oberle, C‑20/17, EU:C:2018:485, punt 33).

51      Zoals in punt 34 van het onderhavige arrest is gepreciseerd, vallen niet-gerechtelijke autoriteiten of juridische beroepsbeoefenaren met bevoegdheid in erfrechtzaken volgens artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 onder het begrip „gerecht” in de zin van deze bepaling wanneer zij rechterlijke functies vervullen of handelen krachtens volmacht van, of onder toezicht van, een gerechtelijke autoriteit, voor zover zij voldoen aan de in diezelfde bepaling geformuleerde voorwaarden.

52      Zoals de advocaat-generaal in de punten 76 en 77 van zijn conclusie heeft onderstreept, doen de voorwaarden van artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 recht aan het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de lidstaten, dat ten grondslag ligt aan de toepassing van de bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen overeenkomstig hoofdstuk IV ervan, en dat rechtvaardigt dat verschillende juridische regelingen worden toegepast op enerzijds de circulatie van beslissingen en anderzijds de circulatie van akten in de lidstaten.

53      Ook al verschillen rechtsprekende en notariële functies van elkaar, uit overweging 20 van verordening nr. 650/2012 blijkt immers dat aan de term „gerecht” in het kader van deze verordening een brede betekenis moet worden gegeven, zodat ook notarissen die in bepaalde erfrechtzaken gerechtelijke taken uitvoeren, daaronder vallen. Diezelfde overweging preciseert daarentegen ook dat de term „gerecht” geen betrekking dient te hebben op de niet-gerechtelijke autoriteiten van een lidstaat, die krachtens het nationale recht bevoegd zijn om erfrechtzaken te behandelen, zoals notarissen in de meeste lidstaten, wanneer zij, zoals meestal het geval is, geen gerechtelijke taken vervullen.

54      Bijgevolg moet worden bepaald of een notaris die een erfrechtverklaring opstelt, gelet op de context en de opzet van verordening nr. 650/2012, rechterlijke functies vervult in de zin van artikel 3, lid 2, ervan.

55      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof voor recht heeft verklaard dat de uitoefening van rechterlijke functies de bevoegdheid inhoudt om op eigen gezag de eventuele geschilpunten tussen de betrokken partijen te beslechten (zie in die zin arrest van 2 juni 1994, Solo Kleinmotoren, C‑414/92, EU:C:1994:221, punten 17 en 18). Opdat een autoriteit, gelet op de specifieke aard van haar activiteit, kan worden geacht een rechterlijke functie uit te oefenen, moet zij de bevoegdheid hebben om een eventueel geding te beslechten (zie in die zin beschikking van 24 maart 2011, Bengtsson, C‑344/09, EU:C:2011:174, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat is niet het geval wanneer de bevoegdheid van de betrokken beroepsbeoefenaar louter afhangt van de wil van partijen.

56      Derhalve moet worden geoordeeld dat een autoriteit rechterlijke functies uitoefent wanneer zij bevoegd kan zijn in geval van een betwisting inzake erfopvolging. Dit criterium geldt ongeacht of de procedure voor de afgifte van een erfrechtverklaring contentieus dan wel niet-contentieus is (zie in die zin arrest van 21 juni 2018, Oberle, C‑20/17, EU:C:2018:485, punt 44).

57      In casu dient te worden geconstateerd dat artikel 1027 van het burgerlijk wetboek bepaalt dat de notaris in erfopvolgingen waarover geen onenigheid bestaat, erfrechtelijke aanspraken van erfgenamen bindend verklaart voor niet-erfgerechtigde derden door middel van een erfrechtverklaring.

58      Volgens artikel 95c, lid 2, punt 1, van de notariswet kan de notaris die erfrechtverklaring alleen afgeven op unaniem verzoek van de erfgenamen. Hij verifieert ambtshalve de feitelijke gegevens, en volgens artikel 95e, lid 1, van deze wet levert hij de verklaring enkel af indien er geen twijfel bestaat over de nationale bevoegdheid, de inhoud van het toepasselijke buitenlandse recht, de identiteit van de erfgenaam, de hoogte van de erfdelen en, ingeval de erflater een ‚vindicatielegaat’ heeft doen opmaken, de identiteit van de legataris en het voorwerp van het legaat. Bovendien moet de notaris volgens artikel 95e, lid 2, punt 2, van de notariswet met name weigeren de erfrechtverklaring op te stellen wanneer niet alle erfgenamen aanwezig waren bij het opmaken van het proces-verbaal van erfopvolging.

59      Uit deze bepalingen volgt dat de notariële activiteiten betreffende het afgeven van een erfrechtverklaring worden uitgeoefend op eensluidend verzoek van de belanghebbenden en de bevoegdheden van de rechter in geval van onenigheid tussen de partijen onverlet laten. Daaraan wordt niet afgedaan door het feit dat notarissen volgens de Poolse wetgeving moeten nagaan of aan de wettelijke voorwaarden voor de afgifte van een erfrechtverklaring is voldaan, aangezien zij geen beslissingsbevoegdheid uitoefenen.

60      Verder moet worden geconstateerd dat notarissen volgens de artikelen 4 en 5 van de notariswet een vrij beroep uitoefenen, waarbij hun hoofdactiviteit erin bestaat verschillende diensten te leveren tegen een met de partijen met inachtneming van een tarieflijst overeengekomen vergoeding.

61      Deze activiteiten kunnen dus niet worden geacht als zodanig een deelneming aan de uitoefening van rechterlijke functies in te houden.

62      De in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 650/2012 opgesomde voorwaarden zijn cumulatief. Daar in casu niet is voldaan aan de voorwaarde van het vervullen van rechterlijke functies, hoeft dus niet te worden nagegaan of is voldaan aan de andere voorwaarden van deze bepaling.

63      Aangezien een erfrechtverklaring als die in het hoofdgeding niet wordt afgegeven door een gerecht in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 650/2012, is zij overeenkomstig punt 32 van dit arrest dus niet een „beslissing” inzake erfopvolging in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van deze verordening.

64      Gelet op het voorgaande dienen de tweede en de derde vraag te worden beantwoord als volgt:

–        artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 650/2012 moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een lidstaat geen kennisgeving als bedoeld in deze bepaling heeft gedaan van het feit dat notarissen rechterlijke functies vervullen, niet doorslaggevend is voor de vraag of deze notarissen kunnen worden aangemerkt als „gerecht”;

–        artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 moet aldus worden uitgelegd dat een notaris die op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure een akte opmaakt als die in het hoofdgeding, geen „gerecht” in de zin van deze bepaling is, en dat artikel 3, lid 1, onder g), van deze verordening bijgevolg aldus moet worden uitgelegd dat een dergelijke akte geen „beslissing” in de zin van deze bepaling is.

 Eerste en vierde vraag

65      Gelet op het antwoord op de tweede en de derde vraag hoeven de eerste en de vierde vraag niet te worden beantwoord.

 Vijfde vraag

66      Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een erfrechtverklaring zoals de Poolse erfrechtverklaring, die de notaris opstelt op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure, een „authentieke akte” in de zin van deze bepaling is waarvan de afgifte vergezeld kan gaan van het in artikel 59, lid 1, tweede alinea, van deze verordening bedoelde formulier dat is opgenomen in bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014.

67      Volgens artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 is een „authentieke akte” een document inzake erfopvolging dat in een lidstaat formeel als authentieke akte is verleden of geregistreerd en waarvan de formele geldigheid ten eerste betrekking heeft op de ondertekening en de inhoud van de akte en ten tweede is vastgesteld door een overheidsinstantie of door een andere daartoe door de lidstaat van herkomst gemachtigde instantie.

68      Voorts blijkt uit overweging 62 van die verordening dat het begrip „formele geldigheid” autonoom moet worden uitgelegd en betrekking heeft op een reeks gegevens zoals de echtheid van de akte, de vormvereisten, de bevoegdheid van de autoriteit die de akte opmaakt en de procedure volgens welke de akte wordt opgemaakt. Hieronder vallen ook de feitelijke gegevens die door de betrokken autoriteit in de akte zijn vastgesteld, bijvoorbeeld het feit dat de genoemde partijen voor haar op de genoemde datum zijn verschenen en de vermelde verklaringen hebben afgelegd.

69      Zoals de Poolse regering in casu heeft opgemerkt, zijn notarissen krachtens het Poolse recht bevoegd om akten op te stellen in erfopvolgingszaken en wordt de erfrechtverklaring formeel geregistreerd als een authentieke akte. Bovendien heeft deze verklaring volgens artikel 95j van de notariswet dezelfde werking als een definitieve rechterlijke beschikking inzake de verkrijging van de nalatenschap.

70      Ook moet worden geconstateerd dat, zoals in punt 58 van dit arrest in herinnering is gebracht, artikel 95e van de notariswet bepaalt dat de notaris een aantal verificaties verricht op grond waarvan hij kan weigeren de erfrechtverklaring op te stellen. De formele geldigheid van deze verklaring heeft dus betrekking op zowel de ondertekening als de inhoud ervan.

71      Bijgevolg voldoet een erfrechtverklaring als die in het hoofdgeding aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012. Een dergelijke verklaring vormt dus een authentieke akte, waarvan het afgegeven afschrift vergezeld kan gaan van het in artikel 59, lid 1, tweede alinea, van deze verordening bedoelde formulier dat is opgenomen in bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014.

72      Gelet op het voorgaande dient op de vijfde vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een erfrechtverklaring als die in het hoofdgeding, die de notaris opstelt op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure, een „authentieke akte” in de zin van deze bepaling is waarvan de afgifte vergezeld kan gaan van het in artikel 59, lid 1, tweede alinea, van deze verordening bedoelde formulier dat is opgenomen in bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014.

 Kosten

73      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een lidstaat geen kennisgeving als bedoeld in deze bepaling heeft gedaan van het feit dat notarissen rechterlijke functies vervullen, niet doorslaggevend is voor de vraag of deze notarissen kunnen worden aangemerkt als „gerecht”.

Artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012 moet aldus worden uitgelegd dat een notaris die op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure een akte opmaakt als die in het hoofdgeding, geen „gerecht” in de zin van deze bepaling is, en dat artikel 3, lid 1, onder g), van deze verordening bijgevolg aldus moet worden uitgelegd dat een dergelijke akte geen „beslissing” in de zin van deze bepaling is.

2)      Artikel 3, lid 1, onder i), van verordening nr. 650/2012 moet aldus worden uitgelegd dat een erfrechtverklaring als die in het hoofdgeding, die de notaris opstelt op eensluidend verzoek van alle partijen bij de notariële procedure, een „authentieke akte” in de zin van deze bepaling is waarvan de afgifte vergezeld kan gaan van het in artikel 59, lid 1, tweede alinea, van deze verordening bedoelde formulier dat is opgenomen in bijlage 2 bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 van de Commissie van 9 december 2014 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in verordening nr. 650/2012.

ondertekeningen


*      Procestaal: Pools.