Language of document : ECLI:EU:C:2019:473

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

6 juni 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 66 – Werkingssfeer ratione temporis – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Werkingssfeer ratione materiae – Burgerlijke en handelszaken – Artikel 1, lid 1 en lid 2, onder a) – Uitgesloten gebieden – Huwelijksgoederenrecht – Artikel 54 – Verzoek tot afgifte van een certificaat dat aantoont dat de door het gerecht van oorsprong gegeven beslissing uitvoerbaar is – Rechterlijke beslissing betreffende een schuldvordering die is ontstaan uit de ontbinding van de uit een niet-geregistreerd partnerschap voortvloeiende vermogensregeling”

In zaak C‑361/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Szekszárdi Járásbíróság (rechter in eerste aanleg Szekszárd, Hongarije) bij beslissing van 16 mei 2018, ingekomen bij het Hof op 5 juni 2018, in de procedure

Ágnes Weil

tegen

Géza Gulácsi,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: C. Toader (rapporteur), kamerpresident, A. Rosas en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér als gemachtigde,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en A. Tokár als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 1 en lid 2, onder a), en artikel 53, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Ágnes Weil, woonachtig in Hongarije, en Géza Gulácsi, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, over de afgifte van het in artikel 53 van verordening nr. 1215/2012 bedoelde certificaat, met het oog op de tenuitvoerlegging van een jegens laatstgenoemde gegeven onherroepelijke beslissing.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Verordening (EG) nr. 44/2001

3        De overwegingen 16 tot en met 18 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), luiden als volgt:

„(16)            Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd.

(17)      Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in deze verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten.

(18)      De eerbiediging van de rechten van de verdediging houdt evenwel in dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel in te stellen tegen de verklaring van uitvoerbaarheid, wanneer hij van mening is dat een van de gronden voor niet-uitvoering van toepassing is. Ook de eiser moet een rechtsmiddel kunnen instellen indien zijn verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid wordt afgewezen.”

4        Artikel 1 van deze verordening bepaalt:

„1.      Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

2.      Deze verordening is niet van toepassing op:

a)      de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen;

[...]”

5        Artikel 53 van voornoemde verordening luidt als volgt:

„1.      De partij die een beroep doet op de erkenning of om een verklaring van uitvoerbaarheid verzoekt, moet een expeditie van de beslissing overleggen, die voldoet aan de voorwaarden nodig voor haar echtheid.

2.      De partij die om een verklaring van uitvoerbaarheid verzoekt, moet bovendien het in artikel 54 bedoelde certificaat overleggen, onverminderd artikel 55.”

6        Artikel 54 van dezelfde verordening bepaalt:

„Het gerecht of de bevoegde autoriteit van een lidstaat waar een beslissing is gegeven, geeft ten verzoeke van elke belanghebbende partij een certificaat af volgens het modelformulier in bijlage V bij deze verordening.”

7        Artikel 55 van verordening nr. 44/2001 bepaalt in lid 1:

„Wordt het in artikel 54 bedoelde certificaat niet overgelegd, dan kan het gerecht of de bevoegde autoriteit voor de overlegging een termijn bepalen of gelijkwaardige documenten aanvaarden, dan wel, indien dat gerecht of die autoriteit zich voldoende voorgelicht acht, van de overlegging vrijstelling verlenen.”

 Verordening nr. 1215/2012

8        Artikel 1 van verordening nr. 1215/2012 luidt:

„1.      Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta iure imperii).

2.      Deze verordening is niet van toepassing op:

a)      de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijkvermogensrecht of het vermogensrecht ter zake van relatievormen waaraan volgens het hierop toepasselijke recht gevolgen worden verbonden welke vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk;

[...]”

9        Artikel 66 van deze verordening bepaalt:

„1.      Deze verordening is slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen op of na 10 januari 2015.

2.      Niettegenstaande artikel 80 blijft verordening (EG) nr. 44/2001 van toepassing op beslissingen gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld, op authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en op gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen vóór 10 januari 2015 en die onder die verordening vallen.”

 Hongaars recht

 Wet op de gerechtelijke tenuitvoerlegging

10      § 31/C, lid 1, onder g), van de bírósági végrehajtásról szóló 1994. évi LIII. törvény (wet nr. LIII van 1994 op de gerechtelijke tenuitvoerlegging) bepaalt:

„Het gerecht in eerste aanleg geeft op verzoek [...] het in artikel 53 van verordening nr. 1215/2012 bedoelde certificaat af en gebruikt daarvoor het formulier in bijlage I bij verordening nr. 1215/2012.”

 Burgerlijk wetboek

11      § 578/G, leden 1 en 2, onder punt 3, met als opschrift „Vermogensrechtelijke betrekkingen van personen die duurzaam samenwonen”, van hoofdstuk XLVI van titel IV, getiteld „Verbintenissenrecht”, van de Polgári Törvénykönyvről szóló 1959. évi IV. törvény (wet nr. IV van 1959 tot vaststelling van het burgerlijk wetboek), in de versie die van toepassing was op de datum van uitspraak van de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd (hierna: „burgerlijk wetboek”), luidde:

„1.      Gedurende hun samenleven verkrijgen de levenspartners gezamenlijk eigendom naar rato van hun respectieve bijdragen aan de eigendomsverwerving. Indien de bijdrage aan de eigendomsverwerving niet kan worden vastgesteld, wordt aangenomen dat beide partners in gelijke mate hebben bijgedragen. Werken in het huishouden wordt beschouwd als bijdrage aan de eigendomsverwerving.

2.      Deze regels zijn – met uitzondering van echtgenoten en geregistreerde partners – ook van toepassing op vermogensverhoudingen van andere verwanten die tot hetzelfde huishouden behoren.”

12      § 685/A van het burgerlijk wetboek, onder titel VI ervan, „Slotbepalingen”, bepaalde:

„Van niet-geregistreerd partnerschap is sprake wanneer twee personen, zonder echtgenoten of geregistreerde partners van elkaar te zijn, als huisgenoten een emotionele en economische eenheid (leefgemeenschap) vormen, geen van de betrokken personen door huwelijk, geregistreerd partnerschap of feitelijk samenwonen een levenspartnerschap vormt met een derde, en de betrokkenen geen rechtstreekse bloedverwanten, broer of zuster dan wel halfbroer of halfzuster van elkaar zijn.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13      Weil en Gulácsi waren niet-geregistreerde partners in de zin van § 685/A van het burgerlijk wetboek, die in de periode van februari 2002 tot en met oktober 2006 samenleefden.

14      Bij op 23 april 2009 definitief en uitvoerbaar geworden vonnis van de Szekszárdi Városi Bíróság (rechter in eerste aanleg Szekszárd, Hongarije) is Gulácsi veroordeeld tot betaling aan Weil van 665 133 Hongaarse forint (HUF) (ongeveer 2 060 EUR), vermeerderd met vertragingsrente, uit hoofde van de ontbinding van de vermogensrechtelijke betrekking die voortvloeide uit hun niet-geregistreerd partnerschap.

15      Om betaling van die schuldvordering te verkrijgen, heeft Weil in Hongarije een procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging ingesteld jegens Gulácsi, welke procedure zonder resultaat bleef wegens een gebrek aan activa in Gulácsi’s vermogen.

16      Daar Weil had vernomen dat Gulácsi sinds 2006 in het Verenigd Koninkrijk woonde en daar een regelmatig inkomen had, heeft zij op 22 november 2017 bij de Szekszárdi Járásbíróság (rechter in eerste aanleg Szekszárd, Hongarije) – dezelfde rechter als die welke het vonnis van 23 april 2009 had gewezen – een verzoek ingesteld om afgifte van het in artikel 53 van verordening nr. 1215/2012 bedoelde certificaat, met het oog op de tenuitvoerlegging van dat vonnis.

17      De verwijzende rechter, waarbij dit verzoek is ingediend, twijfelt in de eerste plaats of, voor het verlenen van het in artikel 53 van verordening nr. 1215/2012 bedoelde certificaat, kan worden nagegaan of de vordering die heeft geleid tot het vonnis van 23 april 2009, binnen de werkingssfeer van die verordening valt.

18      Hij merkt in dit verband op dat het feit dat verordening nr. 1215/2012 de exequatur heeft afgeschaft, met zich meebrengt dat het gerecht van de aangezochte lidstaat een verzoek tot tenuitvoerlegging enkel formeel kan toetsen. Indien het gerecht van de lidstaat van oorsprong gehouden zou zijn om het in artikel 53 van verordening nr. 1215/2012 bedoelde certificaat automatisch af te geven, zou dus het gevaar bestaan dat zaken die buiten de werkingssfeer van die verordening vallen toch worden onderworpen aan de tenuitvoerleggingsregeling ervan, nu de weigeringsgronden in deze verordening limitatief zijn vermeld.

19      Voor het geval het in artikel 53 van verordening nr. 1215/2012 bedoelde certificaat niet automatisch zou worden verstrekt, vraagt de verwijzende rechter zich in de tweede plaats af of de uit een niet-geregistreerd partnerschap voortvloeiende vermogensrechtelijke regeling onder burgerlijke of handelszaken in de zin van artikel 1, lid 1, van die verordening valt, dan wel betrekking heeft op zaken die zijn uitgesloten van de werkingssfeer ervan, zoals met name vermogensrechtelijke regelingen ter zake van relatievormen waaraan volgens het hierop toepasselijke recht gevolgen worden verbonden die vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk, in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van voornoemde verordening.

20      In dat verband merkt de verwijzende rechter op dat de vermogensrechtelijke betrekkingen tussen niet-geregistreerde partners krachtens § 578/G, lid 1, van het burgerlijk wetboek, onder het verbintenissenrecht vallen.

21      Deze rechter wijst er ook op dat in de Hongaarse taalversie van artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 1215/2012, in tegenstelling tot de andere taalversies van die bepaling, de zinsnede „waaraan [...] gevolgen worden verbonden welke vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk” is vertaald als „heeft met het huwelijk vergelijkbare rechtsgevolgen”. Bijgevolg vraagt hij zich af of meer belang moet worden gehecht aan de inhoud van een niet-geregistreerd partnerschap, dan wel aan de juridische gevolgen ervan. De verwijzende rechter preciseert in dat verband dat er in inhoudelijk opzicht geen wezenlijk verschil bestaat tussen een dergelijk partnerschap en een huwelijk, aangezien beide zijn gebaseerd op een emotionele en economische gemeenschap. Vanuit juridisch oogpunt daarentegen werden de twee vormen van leefgemeenschap door het Hongaarse recht verschillend geregeld, met name wat de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, de onderhoudsverplichting, het gebruik van de gezamenlijke woning en de nalatenschap betreft. Op het gebied van sociale uitkeringen, belastingvoordelen en subsidies voor huisvesting voor gezinnen was er echter geen wezenlijk verschil in de positie van echtgenoten respectievelijk niet-geregistreerde partners.

22      In die omstandigheden heeft de Szekszárdi Járásbíróság de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 53 van [verordening nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat het gerecht van de lidstaat dat de beslissing heeft genomen het in dat artikel bedoelde certificaat betreffende die beslissing op verzoek automatisch moet afgeven, zonder te onderzoeken of de beslissing binnen de werkingssfeer van [verordening nr. 1215/2012] valt?

2)      Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 1, lid 2, onder a), van [verordening nr. 1215/2012] dan aldus worden uitgelegd dat een vordering tot compensatie tussen partners in een niet-geregistreerd partnerschap valt onder de vermogensrechtelijke regelingen met betrekking tot relatievormen die (rechts-)gevolgen hebben die vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Toepasselijke verordening

23      De verwijzende rechter formuleert zijn vragen onder verwijzing naar verordening nr. 1215/2012, waarbij hij in aanmerking neemt op welke datum het verzoek tot afgifte van het certificaat is ingediend, te weten 22 november 2017.

24      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat, zoals volgt uit artikel 66 van verordening nr. 1215/2012, deze verordening met name van toepassing is op rechtsvorderingen die zijn ingesteld vanaf 10 januari 2015, en dat verordening nr. 44/2001 van toepassing blijft op beslissingen die zijn gegeven inzake rechtsvorderingen die vóór 10 januari 2015 zijn ingesteld. Om vast te stellen welke verordening ratione temporis van toepassing is, moet bijgevolg in aanmerking worden genomen op welke datum de vordering is ingesteld die heeft geleid tot een beslissing waarvan om tenuitvoerlegging is verzocht, en niet een latere datum, zoals de datum van het verzoek tot afgifte van een certificaat dat aantoont dat een dergelijke beslissing uitvoerbaar is.

25      In het hoofdgeding is de beslissing ten aanzien waarvan is verzocht om een certificaat dat de uitvoerbaarheid ervan aantoont, genomen op 23 april 2009. Vanzelfsprekend is dus ook de vordering die tot die beslissing heeft geleid, ingesteld vóór de voor de toepassing van verordening nr. 1215/2012 relevante datum, te weten 10 januari 2015. Derhalve moet worden vastgesteld, in navolging van de Hongaarse regering en de Europese Commissie, dat in het onderhavige geval verordening nr. 44/2001 ratione temporis van toepassing is.

26      De omstandigheid dat de nationale rechter bij de formulering van zijn prejudiciële vraag formeel naar bepaalde bepalingen van verordening nr. 1215/2012 heeft verwezen, staat er echter volgens vaste rechtspraak niet aan in de weg dat het Hof deze rechter alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding, ongeacht of de uitgelegde bepalingen in zijn vragen worden genoemd (zie in die zin arresten van 29 september 2016, Essent Belgium, C‑492/14, EU:C:2016:732, punt 43, en 7 juni 2018, Inter-Environnement Bruxelles e.a., C‑671/16, EU:C:2018:403, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

 Eerste vraag

27      Gelet op de in de punten 23 tot en met 26 van het onderhavige arrest geformuleerde overwegingen, dient de eerste vraag aldus te worden opgevat dat de verwijzende rechter in essentie wenst te vernemen of artikel 54 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een gerecht van een lidstaat, waarbij is verzocht om afgifte van een certificaat dat de uitvoerbaarheid van een door de rechter van oorsprong gegeven beslissing aantoont, moet nagaan of het geding binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, dan wel dat dit gerecht ertoe gehouden is dat certificaat automatisch af te geven.

28      Vooraf moet worden opgemerkt dat alle partijen die in de onderhavige zaak opmerkingen hebben ingediend, het erover eens zijn dat een rechter in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding bevoegd is om na te gaan of het geding dat aanleiding heeft gegeven tot de beslissing ten aanzien waarvan is verzocht om afgifte van een certificaat dat de uitvoerbaarheid ervan aantoont, binnen de werkingssfeer valt van het juridische instrument dat voorziet in de afgifte van een dergelijk certificaat, of het nu gaat om verordening nr. 44/2001 dan wel om verordening nr. 1215/2012.

29      In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof, het stelsel van erkenning en tenuitvoerlegging dat bij verordening nr. 44/2001 is ingesteld, berust op het wederzijdse vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Europese Unie. Dat vertrouwen verlangt niet alleen dat in een lidstaat gegeven rechterlijke beslissingen in een andere lidstaat van rechtswege worden erkend, maar ook dat de procedure om die beslissingen in die andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel is (arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 27).

30      Een dergelijke procedure dient volgens overweging 17 van genoemde verordening slechts te bestaan in een eenvoudige formele controle van de documenten die voor de uitvoerbaarverklaring in de aangezochte lidstaat moeten worden overgelegd (arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 28).

31      Daartoe moet overeenkomstig artikel 53 van verordening nr. 44/2001 de partij die om een verklaring van uitvoerbaarheid verzoekt, een expeditie van de beslissing die voldoet aan de voorwaarden ten bewijze van haar echtheid en het in artikel 54 van die verordening bedoelde certificaat van de autoriteiten van de lidstaat van herkomst overleggen (zie in die zin arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 29).

32      Dientengevolge is de functie van het in artikel 54 van verordening nr. 44/2001 bedoelde certificaat juist om de uitvoerbaarverklaring van de in de lidstaat van herkomst gegeven beslissing te vergemakkelijken, zodat deze nagenoeg automatisch wordt verleend, zoals uitdrukkelijk is vermeld in overweging 17 van die verordening (zie in die zin arrest van 6 september 2012, Trade Agency, C‑619/10, EU:C:2012:531, punt 41).

33      Uit deze rechtspraak volgt dat de noodzaak om de snelle tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te waarborgen en daarbij de rechtszekerheid te behouden, waarop het wederzijdse vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Europese Unie berust, er met name in een situatie als die in het hoofdgeding, waarin het gerecht dat de ten uitvoer te leggen beslissing heeft gegeven zich bij de vaststelling daarvan niet heeft uitgesproken over de toepasselijkheid van verordening nr. 44/2001, een rechtvaardiging voor vormt dat de rechter die om afgifte van dit certificaat is verzocht, nagaat of het geding binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.

34      De omstandigheid dat het volgens artikel 55 van voornoemde verordening niet verplicht is om ter tenuitvoerlegging van een beslissing een dergelijk certificaat over te leggen, doet niet af het feit dat een rechter die is verzocht om deze af te geven, verplicht is om na te gaan of het geding naar aanleiding waarvan de beslissing is genomen, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt.

35      Deze conclusie wordt gestaafd door het feit dat de tenuitvoerleggingsprocedure van verordening nr. 44/2001, net als tenuitvoerlegging onder toepassing van verordening nr. 1215/2012, belet dat een rechter van de aangezochte lidstaat later op enige wijze nagaat of de vordering die heeft geleid tot de beslissing waarvan om tenuitvoerlegging wordt verzocht, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt, aangezien deze verordening voorziet in een beperkt aantal gronden voor het instellen van een beroep tegen de uitspraak omtrent de uitvoerbaarheid van die beslissing.

36      Bovendien moet worden opgemerkt dat een rechter, bij de toetsing of hij bevoegd is om het certificaat krachtens artikel 54 van verordening nr. 44/2001 af te geven, de vorige gerechtelijke procedure voortzet onder waarborging van de volledige doeltreffendheid ervan, en een procedure van gerechtelijke aard voert, zodat een nationale rechterlijke instantie bij wie een dergelijke procedure aanhangig is gemaakt, een verzoek om een prejudiciële beslissing kan indienen bij het Hof (zie naar analogie arrest van 28 februari 2019, Gradbeništvo Korana, C‑579/17, EU:C:2019:162, punten 39 en 41).

37      Gelet op deze overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 54 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een gerecht van een lidstaat waarbij is verzocht om afgifte van een certificaat dat de uitvoerbaarheid van een door de rechter van oorsprong gegeven beslissing aantoont, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de rechter die de ten uitvoer te leggen beslissing heeft gegeven zich bij de vaststelling daarvan niet heeft uitgesproken over de toepasselijkheid van die verordening, moet nagaan of het geding binnen de werkingssfeer van voornoemde verordening valt.

 Tweede vraag

38      Gelet op hetgeen is opgemerkt in de punten 23 tot en met 26 van het onderhavige arrest, dient de tweede vraag aldus te worden opgevat dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 1, lid 1 en lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een vordering zoals die in het hoofdgeding, die betrekking heeft op een verzoek tot ontbinding van de uit een niet-geregistreerd partnerschap voortvloeiende vermogensrechtelijke betrekkingen, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van dat lid 1 en daarmee binnen de materiële werkingssfeer van die verordening valt.

39      Vooraf dient te worden opgemerkt dat artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001 het huwelijksgoederenrecht uitsluit van de werkingssfeer van deze verordening. Die uitsluiting is pas bij verordening nr. 1215/2012 uitgebreid tot vermogensrechtelijke regelingen ter zake van relatievormen waaraan volgens het hierop toepasselijke recht gevolgen worden verbonden welke vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk.

40      Ook dient in herinnering te worden gebracht dat verordening nr. 44/2001 in de plaats is getreden van het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zodat de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot de bepalingen van dat verdrag ook geldt voor die van deze verordening, wanneer de bepalingen van deze communautaire instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd (arrest van 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41      Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 1, tweede alinea, punt 1, van voornoemd verdrag, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001, zodat – zoals opgemerkt in het voorgaande punt van het onderhavige arrest – de uitlegging die het Hof aan eerstgenoemde bepaling heeft gegeven ook geldt voor de tweede, ziet het begrip „huwelijksgoederenrecht” op vermogensrechtelijke betrekkingen die rechtstreeks uit de huwelijksband – dan wel uit het slaken van de band – voortvloeien (zie in die zin arrest van 27 maart 1979, de Cavel, 143/78, EU:C:1979:83, punt 7).

42      Aangezien, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, de partijen in het hoofdgeding niet verbonden waren door een huwelijksband, kan ten aanzien van de uit hun niet-geregistreerd partnerschap voortvloeiende vermogensrechtelijke betrekkingen niet worden gesproken van „huwelijksgoederenrecht” in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001.

43      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de in artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001 opgenomen uitsluiting een uitzondering vormt die als zodanig strikt moet worden uitgelegd. Het Hof heeft immers reeds geoordeeld – onder verwijzing naar het doel van verordening nr. 44/2001 om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en te ontwikkelen door het bevorderen van het vrije verkeer van beslissingen – dat de uitsluitingen van de werkingssfeer van deze verordening uitzonderingen vormen die – zoals iedere uitzondering – strikt moeten worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 23 oktober 2014, flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑302/13, EU:C:2014:2319, punt 27).

44      Voor een uitlegging van het begrip „huwelijksgoederenrecht” in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001, volgens welke een niet-geregistreerd partnerschap zoals aan de orde in het hoofdgeding niet onder die bepaling valt, is bovendien steun te vinden in de wetswijziging die in laatstgenoemde uitzondering is aangebracht bij verordening nr. 1215/2012. Zoals opgemerkt in punt 39 van het onderhavige arrest, is bij deze laatstgenoemde verordening de werkingssfeer van die uitzondering uitgebreid tot buiten het huwelijksgoederenrecht, en dit uitsluitend met betrekking tot relatievormen die vergelijkbaar zijn met het huwelijk. Artikel 1, lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001 kan dus niet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een niet-geregistreerd partnerschap zoals aan de orde in het hoofdgeding, omdat voornoemde wijziging anders volledig zou worden uitgehold.

45      Gelet op deze overwegingen dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 1 en lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een vordering zoals die in het hoofdgeding, die betrekking heeft op een verzoek tot ontbinding van de uit een niet-geregistreerd partnerschap voortvloeiende vermogensrechtelijke betrekkingen, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van dat lid 1 en daarmee binnen de materiële werkingssfeer van die verordening valt.

 Kosten

46      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 54 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een gerecht van een lidstaat waarbij is verzocht om afgifte van een certificaat dat de uitvoerbaarheid van een door de rechter van oorsprong gegeven beslissing aantoont, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de rechter die de ten uitvoer te leggen beslissing heeft gegeven zich bij de vaststelling daarvan niet heeft uitgesproken over de toepasselijkheid van die verordening, moet nagaan of het geding binnen de werkingssfeer van voornoemde verordening valt.

2)      Artikel 1, lid 1 en lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat een vordering zoals die in het hoofdgeding, die betrekking heeft op een verzoek tot ontbinding van de uit een niet-geregistreerd partnerschap voortvloeiende vermogensrechtelijke betrekkingen, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van dat lid 1 en daarmee binnen de materiële werkingssfeer van die verordening valt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Hongaars.