Language of document : ECLI:EU:T:2019:379

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

6 juni 2019 (*)

„Gemeenschapsmodel – Nietigheidsprocedure – Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie – Ingeschreven gemeenschapsmodel dat het motorvoertuig VW Caddy weergeeft – Ouder gemeenschapsmodel – Nietigheidsgrond – Eigen karakter – Geïnformeerde gebruiker – Verschillende algemene indruk – Artikel 6 en artikel 25, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 6/2002 – Op de verzoekende partij in de nietigheidsprocedure rustende bewijslast – Aan de afbeelding van het oudere model gestelde vereisten”

In zaak T‑192/18,

Rietze GmbH & Co. KG, gevestigd te Altdorf (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Krogmann, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door S. Hanne als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Volkswagen AG, gevestigd te Wolfsburg (Duitsland), vertegenwoordigd door C. Klawitter, advocaat,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO van 11 januari 2018 (zaak R 1244/2016‑3) inzake een nietigheidsprocedure tussen Rietze en Volkswagen,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: A. M. Collins (rapporteur), president, M. Kancheva en G. De Baere, rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien het op 16 maart 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 31 mei 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,

gezien de op 29 mei 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,

na de terechtzitting op 24 januari 2019,

het navolgende


Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Interveniënte Volkswagen AG is houdster van de internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie van het model dat op 1 februari 2010 is gedeponeerd en op dezelfde dag onder nummer DM/073118‑3 is ingeschreven bij het internationaal bureau van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) en dat op 31 oktober 2010 in het publicatieblad van het internationaal bureau van de WIPO is gepubliceerd (hierna: „litigieus model”).

2        De voortbrengselen waarop het litigieuze model zal worden toegepast, behoren tot klasse 12‑08 in de zin van de Overeenkomst van Locarno van 8 oktober 1968 tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, zoals gewijzigd, en worden omschreven als volgt: „Motorvoertuigen”. Het litigieuze model wordt weergegeven als volgt:


Image not found


Image not found



Image not found

Aanzicht 1

Aanzicht 2

Aanzicht 3


Image not found


Image not found


Image not found

Aanzicht 4

Aanzicht 5

Aanzicht 6


Image not found


Image not found


Image not found

Aanzicht 7

Aanzicht 8

Aanzicht 9

Image not found


Aanzicht 10


3        Op 5 januari 2015 heeft verzoekster, Rietze GmbH & Co. KG, die miniatuurauto’s verhandelt, bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een vordering tot nietigverklaring van de gevolgen van het litigieuze model in de Europese Unie ingesteld op grond van artikel 106 septies van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 25, lid 1, onder b), van die verordening, op grond dat het litigieuze model niet nieuw was, overeenkomstig artikel 5 van die verordening, en eigen karakter miste, overeenkomstig artikel 6 van die verordening.

4        Ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring heeft verzoekster aangevoerd dat het litigieuze model een model was dat de door interveniënte in 2011 op de markt gebrachte MPV (multipurpose vehicle) VW Caddy aanduidt. Om de openbaarmaking van een ouder model te bewijzen, heeft verzoekster verwezen naar een vorig model van dat motorvoertuig, namelijk het model VW Caddy (2K) Life, dat door interveniënte in 2004 op de markt is gebracht. Verzoekster heeft haar vordering met name gebaseerd op het op 7 juli 2003 door interveniënte aangevraagde gemeenschapsmodel nr. 49895‑0002, waarvan de inschrijving op 9 december 2003 is gepubliceerd.

5        Bij beslissing van 20 juni 2016 heeft de nietigheidsafdeling van het EUIPO het litigieuze model nietig verklaard op grond dat het geen eigen karakter had, overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 6/2002.

6        Op 7 juli 2016 heeft interveniënte krachtens de artikelen 55 tot en met 60 van verordening nr. 6/2002 beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

7        Bij beslissing van 11 januari 2018 (zaak R 1244/2016‑3) (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de derde kamer van beroep van het EUIPO het beroep toegewezen, de beslissing van de nietigheidsafdeling vernietigd en de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze model afgewezen. Zij heeft geoordeeld dat het litigieuze model nieuw was in de zin van artikel 5 van verordening nr. 6/2002 en een eigen karakter had in de zin van artikel 6 van die verordening.

 Conclusies van de partijen

8        Verzoekster concludeert tot:

–        vernietiging van de bestreden beslissing;

–        nietigverklaring van het litigieuze model;

–        verwijzing van het EUIPO in de kosten.

9        Het EUIPO en interveniënte concluderen tot:

–        verwerping van het beroep;

–        verwijzing van verzoekster in de kosten.

 In rechte

10      Tot staving van haar beroep voert verzoekster één middel aan: schending van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, en artikel 6 van deze verordening. In wezen verwijt zij de kamer van beroep te hebben geoordeeld dat het litigieuze model een eigen karakter had op grond dat de erdoor bij de geïnformeerde gebruiker gewekte algemene indruk verschilde van de algemene indruk die het oudere model voor die gebruiker had.

11      Dit enige middel bestaat uit vier onderdelen. In de eerste plaats heeft de kamer van beroep ten onrechte slechts een eenvoudige opsomming gegeven van de vermeende verschillen tussen de conflicterende modellen, zonder een weging toe te passen en zonder onderscheid te maken tussen de esthetische en de technische kenmerken. In de tweede plaats is zij uitgegaan van een zeer hoog aandachtsniveau van de geïnformeerde gebruiker en heeft zij bijgevolg te veel belang gehecht aan de verschillen tussen de conflicterende modellen. In de derde plaats heeft zij fouten gemaakt in de beoordeling van de vrijheid van de ontwerper. In de vierde en laatste plaats heeft zij geen rekening gehouden met bepaalde bewijsstukken.

12      Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.

13      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat bij verordening (EG) nr. 1891/2006 van de Raad van 18 december 2006 tot wijziging van verordening nr. 6/2002 en verordening (EG) nr. 40/94 in verband met de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van ’s-Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid (PB 2006, L 386, blz. 14) in verordening nr. 6/2002 een titel XI bis is ingevoegd, die de artikelen 106 bis tot en met 106 septies bevat.

14      Krachtens artikel 106 bis van verordening nr. 6/2002 heeft de opname van een internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen in het internationaal register van het internationaal bureau van de WIPO, dezelfde rechtsgevolgen als wanneer zulks in het register van gemeenschapsmodellen van het EUIPO was gebeurd, en elke publicatie van een internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen in het publicatieblad van het internationaal bureau van de WIPO heeft dezelfde rechtsgevolgen als wanneer zulks in het Gemeenschapsmodellenblad was gebeurd.

15      Volgens artikel 106 septies van verordening nr. 6/2002 kunnen de rechtsgevolgen van een internationale inschrijving in de Unie door het EUIPO geheel of gedeeltelijk nietig worden verklaard overeenkomstig de in de titels VI en VII van verordening nr. 6/2002 bedoelde procedure.

16      Artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 bepaalt dat een gemeenschapsmodel slechts nietig kan worden verklaard als het niet beantwoordt aan de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening.

17      Volgens artikel 4 van verordening nr. 6/2002 wordt een model door een gemeenschapsmodel beschermd voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft.

18      Volgens artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 moet het eigen karakter bij een ingeschreven gemeenschapsmodel worden beoordeeld op grond van de bij de geïnformeerde gebruiker gewekte algemene indruk, die moet verschillen van de algemene indruk die wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld vóór de datum van indiening van de inschrijvingsaanvraag of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang. Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 6/2002 voegt daaraan toe dat bij die beoordeling rekening moet worden gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.

19      Zo vloeit het eigen karakter van een model voort uit een algemene indruk die, wat de geïnformeerde gebruiker betreft, verschilt of geen „déjà vu”-effect heeft ten opzichte van alle voorgaande modellen, zonder dat rekening wordt gehouden met de verschillen die onvoldoende duidelijk zijn om die totaalindruk te beïnvloeden, ook al betreffen die verschillen niet enkel onbelangrijke details, maar met inaanmerkingneming van de verschillen die voldoende duidelijk zijn om een verschillende totaalindruk te wekken [zie arrest van 7 november 2013, Budziewska/BHIM – Puma (Weergave van een opspringende katachtige), T‑666/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:584, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

20      Bij de beoordeling van het eigen karakter van een model ten opzichte van alle voorgaande modellen, moet rekening worden gehouden met de aard van het voortbrengsel waarop het model wordt toegepast of waarin het is verwerkt en in het bijzonder met de bedrijfstak waarmee het verbonden is, met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model, met een eventuele verzadiging van de stand van de techniek, die van dien aard kan zijn dat de geïnformeerde gebruiker gevoeliger is geworden voor de verschillen tussen de vergeleken modellen, alsook met de wijze waarop het betrokken voortbrengsel wordt gebruikt, in het bijzonder op basis van de normale bedieningswijze ervan op dat moment (zie arrest van 7 november 2013, Weergave van een opspringende katachtige, T‑666/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:584, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21      Ten slotte moet de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep uitsluitend worden beoordeeld op basis van verordening nr. 6/2002, zoals uitgelegd door de Unierechter, en niet op basis van nationale rechtspraak, zelfs als deze gebaseerd is op bepalingen die analoog zijn aan die van die verordening [zie arrest van 4 juli 2017, Murphy/EUIPO – Nike Innovate (Riempje voor een elektronisch polshorloge), T‑90/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:464, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

22      Verzoeksters argumenten moeten tegen de achtergrond van deze overwegingen worden onderzocht.

23      Eerst dient uitspraak te worden gedaan over het tweede onderdeel van het enige middel, betreffende het aandachtsniveau van de geïnformeerde gebruiker, en vervolgens dient het eerste onderdeel te worden onderzocht, dat betrekking heeft op de beoordeling, uit het oogpunt van die gebruiker, van de totaalindruk die door de conflicterende modellen wordt opgeroepen, en ten slotte worden het derde en het vierde onderdeel van het enige middel onderzocht.

 Tweede onderdeel van het enige middel: aandachtsniveau van de geïnformeerde gebruiker

24      Volgens verzoekster is de kamer van beroep uitgegaan van een zeer hoog aandachtsniveau van de geïnformeerde gebruiker en heeft zij bijgevolg te veel belang gehecht aan de verschillen tussen de conflicterende modellen.

25      Om te beginnen stelt verzoekster dat de geïnformeerde gebruiker, afgezien van de ervaring die hij heeft opgedaan door het gebruik van het voortbrengsel waarin het litigieuze model is verwerkt, niet in staat is om een onderscheid te maken tussen de door de technische functie bepaalde aspecten van het uiterlijk van het voortbrengsel en de willekeurige aspecten ervan. De door de kamer van beroep vermelde verschillen tussen de conflicterende modellen betreffen technische details die slechts kunnen worden opgemerkt door een persoon die over een zekere kennis beschikt met betrekking tot bestanddelen die motorvoertuigen normaliter bevatten. Dit is met name het geval voor de bumpers, grote lichten, knipperlichten en achterkleppen.

26      Vervolgens voert verzoekster aan dat de geïnformeerde gebruiker minder belang hecht aan de verschillen tussen de modellen van auto’s van eenzelfde fabrikant die elkaar onmiddellijk opvolgen dan aan de verschillen tussen modellen van voertuigen van verschillende fabrikanten. Wat de automodellen van eenzelfde fabrikant betreft, besteedt de geïnformeerde gebruiker minder aandacht aan het design dan aan de technische nieuwigheden en de ontwikkelingen die zijn toegevoegd inzake veiligheid, prestaties en rijcomfort. Daarnaast baseert een koper zijn aankoopbeslissing van een VW Caddy niet op een vergelijking met de voorgaande reeksen, maar op een vergelijking met voertuigen van andere fabrikanten. Ter ondersteuning van dit argument verwijst verzoekster naar een beslissing van de nietigheidsafdeling van 13 september 2016 in de onder nummer ICD 9742 geregistreerde nietigheidsprocedure. Verder berust het succes van de VW Caddy niet op de verschijningsvorm, maar op de betrouwbaarheid ervan.

27      Ten slotte baseert verzoekster zich op een artikel dat is verschenen in de Duitse automobielpers, waarin wordt benadrukt dat er geen verschillen zijn tussen de conflicterende modellen. Zij verwijt de kamer van beroep de inhoud daarvan te hebben miskend door erop te wijzen dat dit artikel concrete aanwijzingen bevat over de perceptie van de geïnformeerde gebruiker.

28      Volgens de rechtspraak impliceert de hoedanigheid van „gebruiker” dat de betrokken persoon het voortbrengsel waarin het model is verwerkt, gebruikt in overeenstemming met de doelstelling ervan. Het bijvoeglijke naamwoord „geïnformeerde” suggereert daarnaast dat de gebruiker, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan [zie arrest van 20 oktober 2011, PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic, C‑281/10 P, EU:C:2011:679, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 22 juni 2010, Shenzhen Taiden/BHIM – Bosch Security Systems (Communicatieapparatuur), T‑153/08, EU:T:2010:248, punten 46 en 47].

29      Het begrip geïnformeerde gebruiker dient te worden opgevat als een tussencategorie tussen het – op het gebied van het merkenrecht gehanteerde – begrip gemiddelde consument, van wie geen enkele specifieke kennis wordt verwacht en die de conflicterende merken in de regel niet rechtstreeks vergelijkt, en het begrip vakman met grondige technische deskundigheid. Het begrip „geïnformeerde gebruiker” kan derhalve aldus worden opgevat dat het betrekking heeft op een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector (arrest van 20 oktober 2011, PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic, C‑281/10 P, EU:C:2011:679, punt 53).

30      Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat de geïnformeerde gebruiker naar zijn aard het oudere model en het litigieuze model zo mogelijk rechtstreeks zal vergelijken (zie in die zin arrest van 18 oktober 2012, Neuman en Galdeano del Sel/Baena Grup, C‑101/11 P en C‑102/11 P, EU:C:2012:641, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      In casu heeft de kamer van beroep in de punten 18 en 20 van de bestreden beslissing de geïnformeerde gebruiker beschreven als een persoon die, zonder een ontwerper of een technische deskundige te zijn, verschillende in de automobielsector bestaande modellen kent, een zekere mate van kennis heeft van de kenmerken die die motorvoertuigen normaliter hebben en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan. De geïnformeerde gebruiker van motorvoertuigen is een persoon die geïnteresseerd is in deze voertuigen, deze bestuurt en gebruikt en vertrouwd is met de op de markt beschikbare modellen op basis van lectuur van de relevante tijdschriften en bezoek aan tentoonstellingen en autodealers. Hij is zich bewust van het feit dat de fabrikanten regelmatig modellen die goed in de markt zijn gevestigd, moderniseren, zowel technisch als qua verschijningsvorm. Hij weet ook dat dit „onderhoud van de modellen” dient om uitvoering te geven aan bepaalde tendensen die in de mode zijn zonder de uiterlijke kenmerken van het model van het betrokken voertuig echter volledig op te geven. Volgens de kamer van beroep ontsnapt geen enkel van de hierna in de punten 40 tot en met 42 opgesomde verschillen aan de aldus beschreven geïnformeerde gebruiker.

32      Vastgesteld moet worden dat verzoeksters argumenten niet afdoen aan de hierboven weergegeven beoordeling door de kamer van beroep van het aandachtsniveau van de geïnformeerde gebruiker.

33      Om te beginnen kan niet worden ingestemd met verzoeksters argument dat de geïnformeerde gebruiker niet in staat is om de door de kamer van beroep vastgestelde verschillen met betrekking tot de bumpers, de grote lichten, de knipperlichten en de achterkleppen te vatten omdat het gaat om technische details. De kamer van beroep heeft geen melding gemaakt van de verschillen inzake de knipperlichten van de conflicterende modellen. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat de door de kamer van beroep vastgestelde verschillen met betrekking tot de bumpers, de grote lichten en de achterkleppen betrekking hebben op het uiterlijk en niet op de technische details ervan. De geïnformeerde gebruiker kan die dus zien. Het feit dat de wijziging die aan sommige van die auto-onderdelen is aangebracht ook een technisch effect kan hebben, is in dit verband niet relevant.

34      Voorts gaat ook verzoeksters argument dat de geïnformeerde gebruiker minder belang hecht aan de verschillen tussen de automodellen van eenzelfde fabrikant die elkaar onmiddellijk opvolgen dan aan de verschillen tussen modellen van voertuigen van verschillende fabrikanten, niet op. Ter ondersteuning van dit argument voert verzoekster immers geen enkel feitelijk of juridisch gegeven aan dat afbreuk kan doen aan de beoordeling door de kamer van beroep van het aandachtsniveau van de geïnformeerde gebruiker in het kader van de vergelijking van de conflicterende modellen. Het deel van de beslissing van de nietigheidsafdeling van 13 september 2016 dat verzoekster ter ondersteuning van dit argument heeft aangehaald, is daartoe niet relevant aangezien het niet ziet op het aandachtsniveau van de geïnformeerde gebruiker met betrekking tot de opeenvolgende modellen van eenzelfde fabrikant ten opzichte van die van andere fabrikanten. Bovendien moet, gelet op de hierboven in de punten 28 en 29 aangehaalde rechtspraak, worden geoordeeld dat verzoeksters argument betreffende de motivering van de aankoopbeslissingen en het feit dat het succes van de VW Caddy volgens haar niet berust op het uiterlijk maar op de betrouwbaarheid ervan, niet relevant is.

35      Ten slotte moet het argument dat de kamer van beroep rekening had moeten houden met het standpunt in de Duitse automobielpers, worden afgewezen. Het kan niet worden uitgesloten dat krantenartikelen in aanmerking worden genomen, maar de kamer van beroep is daartoe niet verplicht wanneer zij, zoals in casu, meent dat het erin uitgedrukte standpunt niet relevant is, aangezien het niet de algemene indruk weergeeft die bij de geïnformeerde gebruiker wordt gewekt.

36      Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het enige middel moet worden afgewezen.

 Eerste onderdeel van het enige middel: algemene indruk bij de geïnformeerde gebruiker

37      Verzoekster stelt dat uit de rechtspraak volgt dat het EUIPO de kenmerken van de conflicterende modellen moet afwegen, aangezien de verschillende kenmerken de verschijningsvorm van de modellen in meer of mindere mate kunnen beïnvloeden. Zo had de kamer van beroep de gemeenschappelijke punten van de conflicterende modellen moeten onderzoeken. Op basis van een dergelijke analyse zou zij tot de conclusie zijn gekomen dat de conflicterende modellen bijna identiek waren qua basisvorm van de carrosserie, het silhouet, de vorm en de plaatsing van de ramen, de voorruit en de motorkap, het radiatorrooster en de grote lichten. Voorts had zij een onderscheid moeten maken tussen de esthetische en de technische kenmerken, aangezien gelet op de hoofdzakelijk technische functie van de grote lichten alsmede de verschillen die alleen de kleur betreffen van de bumpers en de radiatorroosters de geïnformeerde gebruiker daaraan in zijn totaalvisie slechts een gering belang hecht. Daarentegen kon zij uit een eenvoudige opsomming van de beweerde verschillen tussen de conflicterende modellen, zoals de kamer van beroep in de punten 24 en volgende en 33 en volgende van de bestreden beslissing heeft gedaan, niet opmaken of de totaalindruk bij de geïnformeerde gebruiker zal verschillen.

38      De kamer van beroep heeft in de punten 23 tot en met 31 van de bestreden beslissing het eigen karakter van het litigieuze model beoordeeld aan de hand van een vergelijking met het oudere model. Zij heeft de volgende aanzichten van de conflicterende modellen als beoordelingsbasis gebruikt:

Litigieus gemeenschapsmodel

Ouder gemeenschapsmodel


Image not found


Image not found


Image not found