Language of document : ECLI:EU:T:2019:377

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

6 juni 2019 (*)

„Gemeenschapsmodel – Nietigheidsprocedure – Ingeschreven gemeenschapsmodel dat een motorvoertuig weergeeft – Ouder gemeenschapsmodel – Nietigheidsgrond – Geen eigen karakter – Artikel 6 en artikel 25, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 6/2002”

In zaak T‑209/18,

Dr. Ing. h.c. F. Porsche AG, gevestigd te Stuttgart (Duitsland), vertegenwoordigd door C. Klawitter, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door S. Hanne als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Autec AG, gevestigd te Neurenberg (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Krogmann, advocaat,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO van 19 januari 2018 (zaak R 945/2016‑3) inzake een nietigheidsprocedure tussen Autec AG en Dr. Ing. h.c. F. Porsche AG,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen, president, N. Półtorak en E. Perillo (rapporteur), rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien het op 22 maart 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 13 juli 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,

gezien de op 4 juli 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,

gezien de beslissing van 7 augustus 2018 om verzoeksters brief van 23 juli 2018 niet in het dossier op te nemen,

gezien de beslissing van 23 augustus 2018 om verzoeksters brief van 13 augustus 2018 niet in het dossier op te nemen,

gezien de beslissing van 20 september 2018 om de zaken T‑43/18, T‑191/18, T‑192/18, T‑209/18 en T‑210/18 niet te voegen,

gezien de aanwijzing van een andere rechter ter aanvulling van de kamer na de verhindering van een van de leden ervan,

gezien de beslissing van 14 januari 2019 om de zaken T‑209/18 en T‑210/18 niet te voegen voor de mondelinge behandeling,

na de terechtzitting op 12 februari 2019,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 20 augustus 2010 heeft verzoekster, Dr. Ing. h.c. F. Porsche AG, bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmodel ingediend krachtens verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).

2        Het aangevraagde gemeenschapsmodel wordt als volgt weergegeven (hierna: „litigieus model” of „model van de serie 991 van het autotype ‚Porsche 911’”):

Image not foundImage not found

Image not foundImage not foundImage not found

Image not found Image not found

3        De voortbrengselen waarop het litigieuze model zal worden toegepast behoren tot klasse 12.08 in de zin van de Overeenkomst van Locarno van 8 oktober 1968 tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, zoals gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt: „Motorvoertuigen”.

4        Het litigieuze model werd gepubliceerd in het Gemeenschapsmodellenblad nr. 2010/200 van 6 september 2010 met als datum van voorrang 27 april 2010, en de aanzichten van dit model werden gepubliceerd in het Gemeenschapsmodellenblad nr. 2012/172 van 7 september 2012.

5        Op 8 juli 2014 heeft interveniënte, Autec AG, voor het EUIPO een verzoek tot nietigverklaring van het litigieuze model ingediend. Dit verzoek is ingediend op grond van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 junctis artikel 4, lid 1, en de artikelen 5 en 6, van deze verordening.

6        Interveniënte was in wezen van mening dat het model van de serie 991 van het autotype „Porsche 911” noch nieuw was, noch een eigen karakter had, wat in de weg stond aan bescherming ervan. Ter ondersteuning van haar verzoek stelde zij met name dat het litigieuze model zich niet merkbaar onderscheidde van de andere modellen van het autotype „Porsche 911” die sinds de oorspronkelijke versie van 1963 op de markt zijn gebracht.

7        In dit verband heeft interveniënte in het bijzonder de volgende gemeenschapsmodellen ingeroepen:

–        het gemeenschapsmodelnr. 735428‑0001 (hierna: „ouder model” of „model van de serie 997 van het autotype ‚Porsche 911’”), ingeschreven voor „motorvoertuigen” en gepubliceerd op 23 juni 2008, dat is weergegeven als volgt:

Image not foundImage not foundImage not found

Image not foundImage not found

Image not foundImage not found

–        het gemeenschapsmodelnr. 633748‑0001, ingeschreven voor „auto’s” en gepubliceerd op 9 januari 2007, dat is weergegeven als volgt:

Image not foundImage not found

Image not foundImage not foundImage not found

Image not foundImage not found

8        Interveniënte heeft bij haar verzoek tot nietigverklaring tevens diverse artikelen uit de pers gevoegd die betrekking hebben op het ontwerp van het autotype „Porsche 911”.

9        Bij beslissing van 10 mei 2016 heeft de nietigheidsafdeling van het EUIPO de vordering tot nietigverklaring toegewezen en het litigieuze model bij gebrek aan een eigen karakter nietig verklaard.

10      Op 23 mei 2016 heeft verzoekster krachtens de artikelen 55 tot en met 60 van verordening nr. 6/2002 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

11      Bij beslissing van 19 januari 2018 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de derde kamer van beroep van het EUIPO het beroep verworpen wegens gebrek aan een eigen karakter in de zin van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 6/2002.

12      De kamer van beroep heeft om te beginnen geoordeeld dat de vrijheid van de ontwerper met betrekking tot automobielen werd beperkt door de technische kenmerken van het betrokken voortbrengsel, bijvoorbeeld dat het over een carrosserie en wielen moet beschikken, alsook door de wettelijke voorschriften, in het bijzonder voorschriften met betrekking tot de verkeersveiligheid, bijvoorbeeld dat het koplampen, zijspiegels en achterlichten moet hebben.

13      Deze instantie heeft vervolgens geoordeeld dat de vrijheid van de ontwerper, wat daarentegen de vormgeving van dergelijke door de technische functies of de wettelijke voorschriften opgelegde kenmerken betreft, als zodanig aan geen enkele beperking was onderworpen. Zij heeft eveneens verduidelijkt dat de gebruiker van de betrokken voortbrengselen de geïnformeerde autogebruiker in het algemeen was, dat wil zeggen een persoon die de op de markt beschikbare automodellen bestuurde, gebruikte en kende.

14      In deze context heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de conflicterende modellen per slot van zaken overeenkwamen in hun wezenlijke kenmerken, zoals de vorm of de contouren van hun carrosserie, hun deuren en hun ramen.

15      De kamer van beroep heeft dan ook geoordeeld dat het bestaan van het model van de serie 997 van het autotype „Porsche 911” op zich reeds in de weg stond aan het eigen karakter van het model van de serie 991 van deze zelfde auto, en dat het door verzoekster aangevoerde gemeenschapsmodel nr. 633748‑0001 dus niet hoefde te worden onderzocht, en evenmin de vraag of het litigieuze model nieuw was.

 Conclusies van partijen

16      Verzoekster vordert dat het Gerecht:

–        de litigieuze beslissing vernietigt;

–        het verzoek tot nietigverklaring „van het model [...] nr. 198387‑0001” afwijst.

17      Het EUIPO en interveniënte vorderen dat het Gerecht:

–        het beroep afwijst;

–        verzoekster verwijst in de kosten.

 In rechte

18      Tot staving van haar beroep voert verzoekster in wezen één middel aan, namelijk schending van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 junctis de artikelen 5 en 6 van deze verordening.

19      In dit kader stelt zij in essentie dat de algemene indruk die het litigieuze model wekt bij de geïnformeerde gebruiker van dit type auto verschilt van de indruk die wordt gewekt door het oudere model dat interveniënte heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar verzoek tot nietigverklaring. De twee conflicterende modellen onderscheiden zich door hun „uiterlijke verschijningsvorm” immers „aanzienlijk” en „zo duidelijk” dat de kamer van beroep niet zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kon oordelen dat het litigieuze model geen eigen karakter had.

20      Na dit middel kort te hebben weergegeven moet in herinnering worden gebracht dat krachtens artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 een gemeenschapsmodel nietig wordt verklaard indien het niet voldoet aan de bij de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening gestelde voorwaarden.

21      In dit verband wordt in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 6/2002 verduidelijkt dat een model slechts als gemeenschapsmodel beschermd wordt voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft.

 Eerste onderdeel van het enige middel: schending van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 juncto artikel 6 van deze verordening

22      Uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 blijkt dat het eigen karakter van een ingeschreven gemeenschapsmodel allereerst moet worden beoordeeld op basis van de door dit model bij de betrokken geïnformeerde gebruiker gewekte algemene indruk [zie arrest van 25 oktober 2013, Merlin e.a./BHIM – Dusyma (Spelletjes), T‑231/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:560, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Deze algemene indruk moet bovendien verschillen van die welke wordt gewekt door alle andere modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld vóór de datum van indiening van de inschrijvingsaanvraag of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van deze voorrang.

23      Bovendien wordt in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 6/2002 verduidelijkt dat bij de beoordeling van het aan de orde zijnde eigen karakter rekening moet worden gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het betrokken model.

24      Nu deze wettelijke voorwaarden in herinnering zijn geroepen, moet worden opgemerkt dat de relevante rechtspraak hieromtrent verduidelijkt dat het eigen karakter van een model uit het gezichtspunt van de geïnformeerde gebruiker moet voortvloeien uit een algemene indruk van verschil of van afwezigheid van een „déjà vu”, vergeleken met elk ander oudere model. Vanuit dit oogpunt kan geen rekening worden gehouden met de verschillen die niet opvallend genoeg zijn om invloed te hebben op deze globale indruk en kunnen alleen de verschillen die voldoende opvallend zijn om indrukken te wekken van een samenstel van ongelijksoortige onderdelen bepalend zijn [zie arrest van 7 november 2013, Budziewska/BHIM – Puma (Opspringende katachtige), T‑666/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:584, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

25      Gelet op de bovengenoemde voorwaarden moet derhalve worden onderzocht of uit het oogpunt van de geïnformeerde gebruiker en rekening houdend met de mate van vrijheid waarover de modelontwerper in het onderhavige geval kan beschikken, de door het litigieuze model gewekte algemene indruk verschilt van de algemene indruk die wordt gewekt door het oudere model.

 Geïnformeerde gebruiker

26      Wat de uitlegging van het begrip geïnformeerde gebruiker betreft, dient om te beginnen te worden geoordeeld dat de hoedanigheid van „geïnformeerde gebruiker” impliceert dat de betrokken persoon het voortbrengsel waarin het model is verwerkt, gebruikt overeenkomstig het beoogde gebruik ervan. Het bijvoeglijke naamwoord „geïnformeerd” suggereert voorts dat de betrokken gebruiker, zonder noodzakelijkerwijs een technisch deskundige te zijn, de verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan [arresten van 20 oktober 2011, PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic, C‑281/10 P, EU:C:2011:679, punt 59, en 28 september 2017, Rühland/EUIPO – 8 seasons design (Stervormige lamp), T‑779/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:674, punt 19].

27      Het begrip geïnformeerde gebruiker dient dus te worden opgevat als