Language of document : ECLI:EU:T:2019:399

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

11 juni 2019 (*)

„Onderzoek en technologische ontwikkeling – Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020) – Oproepen tot het indienen van voorstellen en verwante activiteiten op grond van het ERC-werkprogramma 2016 – Besluit van het ERCEA houdende afwijzing van een subsidieaanvraag wegens niet-subsidiabiliteit – Administratief beroep bij de Commissie – Stilzwijgende verwerping – Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid – Uitdrukkelijke verwerping – Recht op effectieve rechterlijke bescherming”

In zaak T‑478/16,

Regine Frank, wonende te Bonn (Duitsland), vertegenwoordigd door S. Conrad, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal, L. Mantl en B. Conte als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van 17 juni 2016 en 16 september 2016 waarbij het administratief beroep dat verzoekster had ingesteld krachtens artikel 22, lid 1, van verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB 2003, L 11, blz. 1), respectievelijk stilzwijgend en uitdrukkelijk wordt verworpen,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer)

samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, I. Labucka (rapporteur) en I. Ulloa Rubio, rechters,

griffier: N. Schall, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 31 januari 2019,

het navolgende

Arrest

I.      Toepasselijke bepalingen

1        Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie Horizon 2020 (hierna: „kaderprogramma Horizon 2020”) is op grond van de artikelen 173 en 182 VWEU vastgesteld bij verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van „Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020)” en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB 2013, L 347, blz. 81), en bij verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020) en tot intrekking van besluit nr. 1982/2006/EG (PB 2013, L 347, blz. 104).

2        De Europese Commissie heeft bepaalde taken inzake het beheer van het kaderprogramma Horizon 2020 gedelegeerd aan het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (ERCEA) overeenkomstig artikel 6 van verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB 2003, L 11, blz. 1).

3        Tot de taken die de Commissie aan het ERCEA heeft gedelegeerd, behoort de financiering van projecten die passen in de agenda „Excellente wetenschap”, die is opgenomen in besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van „Horizon 2020” – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020) en tot intrekking van de besluiten 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG (PB 2013, L 347, blz. 965).

4        Voor het jaar 2016 zijn de selectiecriteria en evaluatieprocedures voor subsidieaanvragen vastgelegd in het werkprogramma van de Europese Onderzoeksraad (ERC).

5        De procedure voor de indiening en de evaluatie van subsidieaanvragen is vastgelegd in besluit C(2014) 2454 van de Commissie van 15 april 2014 betreffende de ERC-regels voor de indiening van voorstellen, alsmede de ermee samenhangende evaluatie-, selectie- en toekenningsprocedures die van toepassing zijn op het specifieke programma ter uitvoering van het kaderprogramma Horizon 2020, zoals gewijzigd bij besluit C(2015) 4975 van de Commissie, van 23 juli 2015 (hierna: „indienings- en evaluatieregels van de ERC”).

6        De procedure voor de indiening en de evaluatie van subsidieaanvragen wordt in de punten 2.1 tot en met 2.5 van de indienings- en evaluatieregels van de ERC nader uiteengezet.

7        Volgens punt 2.2 van de indienings- en evaluatieregels van de ERC dient een subsidieaanvraag te worden ingediend door de hoofdonderzoeker namens een gastinstelling. De gastinstelling is zowel de formele aanvrager als de contractspartner van het ERCEA voor de te sluiten subsidieovereenkomst.

8        Om te kunnen worden toegelaten, dient elke subsidieaanvraag bij de indiening en ten laatste vóór het verstrijken van de indieningstermijn vergezeld te gaan van met name een goedkeuringsbrief van de gastinstelling. Onvolledige voorstellen dienen als niet-subsidiabel te worden beschouwd.

9        De ingediende subsidieaanvraag kan slechts worden geëvalueerd indien eveneens aan alle in het ERC-werkprogramma 2016 vastgelegde subsidiabiliteits- en toelatingscriteria is voldaan.

10      Volgens het ERC-werkprogramma 2016 is dat met name het geval voor de indeling in categorie C van een in 2014 of in 2015 ingediende aanvraag. Deze indeling staat eraan in de weg dat een nieuwe subsidieaanvraag voor het ERC-werkprogramma 2016 wordt ingediend (hierna: „uitsluitingsgrond”).

11      Overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder a), van verordening nr. 1290/2013 worden aanvragers van de uitkomst van de wetenschappelijke beoordeling van hun aanvraag in kennis gesteld binnen een termijn van ten hoogste vijf maanden na de uiterste datum voor de indiening van volledige voorstellen.

12      Volgens artikel 16 van verordening nr. 1290/2013 kan de evaluatie van de aanvraag aan een toetsing worden onderworpen.

13      Volgens artikel 17 van verordening nr. 1290/2013 kan elke aanvrager een klacht indienen aangaande zijn deelname aan het kaderprogramma Horizon 2020.

14      Met betrekking tot de door de uitvoerende agentschappen vastgestelde afwijzingsbesluiten voorziet artikel 22, leden 1 tot en met 5, van verordening nr. 58/2003 in een wettigheidstoezicht dat door de Commissie wordt uitgeoefend:

„1.      Tegen iedere beschikking van een uitvoerend agentschap dat de belangen van een derde aantast, kan bij de Commissie bezwaar worden aangetekend door iedere rechtstreeks en individueel betrokken persoon of een lidstaat, teneinde de wettigheid ervan na te gaan.

Het administratief beroep wordt voorgelegd aan de Commissie binnen een maand te rekenen vanaf de dag waarop de belanghebbende kennis heeft gekregen van de betwiste beschikking.

Na de argumenten van de belanghebbende of van de betrokken lidstaat en die van het uitvoerend agentschap te hebben gehoord, doet de Commissie binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag waarop het administratief beroep is ingesteld, uitspraak over het beroep. Zonder afbreuk te doen aan de verplichting van de Commissie om schriftelijk te antwoorden en haar beslissing te motiveren, geldt het uitblijven van een antwoord van de Commissie binnen deze termijn als stilzwijgende verwerping van het beroep.

[...]

5.      Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende verwerping van het administratief beroep door de Commissie kan beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij het Hof [...], overeenkomstig artikel [263 VWEU].”

II.    Voorgeschiedenis van het geding

15      Op 1 augustus 2015 heeft de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie „Oproepen tot het indienen van voorstellen en verwante activiteiten op grond van het ERC-werkprogramma 2016 in het kader van Horizon 2020 – Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020)” bekendgemaakt (PB 2015, C 253, blz. 12).

16      Op 17 november 2015 heeft verzoekster, Regine Frank, via het elektronische uitwisselingssysteem dat in het kader van het kaderprogramma Horizon 2020 aan deelnemers ter beschikking wordt gesteld, voor een project betreffende het transport van licht in quasikristallen en aperiodieke structuren een subsidieaanvraag bij het ERCEA ingediend (hierna: „subsidieaanvraag”).

17      De subsidieaanvraag is door verzoekster ingediend namens de Technische Universität Kaiserslautern (hierna: „universiteit”).

18      Op dezelfde dag is de subsidieaanvraag door de universiteit ingetrokken op grond dat verzoekster geen recht had om die aanvraag voor het jaar 2016 in te dienen en dat de universiteit niet beschikbaar was om verzoeksters project te ontvangen.

19      Nog steeds op diezelfde dag heeft verzoekster de subsidieaanvraag een tweede maal ingediend, waarop die door de universiteit opnieuw is ingetrokken en vervolgens door verzoekster een derde maal is ingediend.

20      Op 30 november 2015 heeft de universiteit aan het ERCEA een brief gericht waarin zij aangeeft niet beschikbaar te zijn als gastinstelling voor verzoeksters project. De universiteit heeft eveneens gepreciseerd dat verzoekster voor de oproep tot het indienen van voorstellen van 2016 (hierna: „oproep van 2016”) zonder haar toestemming had gebruikgemaakt van een goedkeuringsbrief die de universiteit voor de oproep tot het indienen van voorstellen van 2015 (hierna: „oproep van 2015”) had afgegeven.

21      Bij brief van 18 maart 2016 heeft het ERCEA verzoekster in kennis gesteld van het feit dat haar subsidieaanvraag wegens niet-subsidiabiliteit was afgewezen, en haar gewezen op de beroepsmogelijkheden (hierna: „afwijzingsbesluit van het ERCEA”).

22      Bij brief van 16 april 2016 heeft verzoekster een verzoek om toetsing van de evaluatie in de zin van artikel 16 van verordening nr. 1290/2013 ingediend dat door het ERCEA is omgezet in een verzoek, als bedoeld in artikel 17 van die verordening, om te onderzoeken of de aanvraag binnen het kaderprogramma Horizon 2020 voor subsidie in aanmerking komt.

23      Bij brief van 17 april 2016 heeft verzoekster overeenkomstig artikel 22 van verordening nr. 58/2003 bij de Commissie de wettigheid van het besluit van het ERCEA betwist (hierna: „administratief beroep”).

24      Bij brief van 24 mei 2016 heeft het ERCEA verzoekster ervan in kennis gesteld dat een nieuw onderzoek naar de subsidiabiliteit van haar aanvraag hetzelfde resultaat had opgeleverd.

25      Bij brief van 3 juni 2016 heeft de Commissie verzoekster gevraagd of zij haar administratief beroep wenste te handhaven.

26      Op 17 juni 2016 is dat beroep stilzwijgend door de Commissie verworpen aangezien zij niet binnen de door artikel 22, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 58/2003 gestelde termijn van twee maanden op het administratief beroep had gereageerd (hierna: „stilzwijgende verwerping”).

27      Bij brief van 25 juni 2016 heeft verzoekster de Commissie meegedeeld dat zij haar administratief beroep wenste te handhaven.

28      Bij brief van 10 augustus 2016 heeft verzoekster bij de Commissie geïnformeerd over de voortgang van haar administratief beroep.

29      Bij brief van dezelfde datum heeft de Commissie geantwoord dat een besluit over dat beroep zou worden genomen in de loop van de maand september.

30      Bij brief van 30 september 2016 heeft de Commissie kennisgegeven van haar besluit van 16 september 2016 waarbij zij het krachtens artikel 22 van verordening nr. 58/2003 ingestelde administratief beroep verwerpt op grond dat een subsidieaanvraag zonder geldige goedkeuringsbrief niet-ontvankelijk is (hierna: „uitdrukkelijke verwerping”).

31      Bij brief van 9 oktober 2016 heeft verzoekster een nieuwe klacht bij de Commissie ingediend.

32      Bij brief van 28 oktober 2016 heeft de Commissie verzoekster ervan in kennis gesteld dat de procedure uit hoofde van artikel 22 van verordening nr. 58/2003 was gesloten en dat tegen de uitdrukkelijke verwerping thans kon worden opgekomen middels beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht.

III. Procedure en conclusies van partijen

33      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 augustus 2016, heeft verzoekster verzocht om rechtsbijstand krachtens artikel 147 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

34      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 oktober 2016, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

35      Bij beschikking van 16 februari 2017 heeft verzoekster rechtsbijstand verkregen.

36      Bij brief van 3 mei 2017 heeft de griffie van het Gerecht de partijen overeenkomstig artikel 106 van het Reglement voor de procesvoering gevraagd of zij wensten te worden gehoord.

37      Bij brief van 6 juni 2017 heeft verzoekster gevraagd om tijdens een pleitzitting te worden gehoord.

38      De Commissie heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.

39      Partijen zijn opgeroepen voor een pleitzitting die heeft plaatsgevonden op 26 januari 2018.

40      Op de pleitzitting heeft verzoekster een verzoek om wraking ingediend tegen de rechters van de Vijfde kamer van het Gerecht en tegen de griffier (hierna: „verzoek om wraking”).

41      Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt het volgende:

„Verzoeksters vertegenwoordiger heeft een verzoek om wraking tegen de Vijfde kamer ingediend, maar terzelfdertijd aangegeven het niet eens te zijn met de redenen van dat verzoek. Verweerster heeft met betrekking tot het verzoek geen opmerkingen geformuleerd. In aanwezigheid en onder toezicht van verzoeksters vertegenwoordiger heeft Frank met toestemming van de president een memorie ingediend ter onderbouwing van de redenen van het verzoek om wraking.”

42      Bij beslissing van 26 februari 2018 heeft de vicepresident van het Gerecht het verzoek om wraking afgewezen.

43      Bij brief van 5 maart 2018 heeft verzoeksters vertegenwoordiger de griffie van het Gerecht in kennis gesteld van het feit dat hij verzoekster niet langer wenste te vertegenwoordigen op grond dat zij, ten eerste, de griffie van het Gerecht maar ook een aantal van haar leden zonder zijn medeweten of zijn toestemming verschillende documenten en berichten had gezonden en, ten tweede, op de pleitzitting een verzoek om wraking had ingediend waarmee hij het niet eens was. Hij heeft daarbij eveneens benadrukt dat hij verzoekster niet langer geheel onafhankelijk kon vertegenwoordigen in de zin van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en opgemerkt dat verzoekster het Gerecht zelf schriftelijk zou hebben aangegeven niet langer vertrouwen in hem te hebben.

44      Bij beslissing van 14 maart 2018 heeft het Gerecht verzoekster tot en met 16 mei 2018 tijd gegeven om de griffie van het Gerecht de naam van haar nieuwe vertegenwoordiger mee te delen.

45      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 mei 2018, heeft verzoekster verzocht om rechtsbijstand krachtens artikel 147 van het Reglement voor de procesvoering.

46      Die aanvraag is ingediend met het oog op het instellen van een hogere voorziening tegen de beslissing van de vicepresident van het Gerecht van 26 februari 2018 houdende afwijzing van haar verzoek om wraking.

47      Bij beschikking van 29 juni 2018, Frank/Commissie (T‑478/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:417), heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht beslist om de zaak krachtens artikel 54, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen naar het Hof.

48      Bij beschikking van 22 november 2018 heeft het Hof de aanvraag voor rechtsbijstand afgewezen.

49      Op 6 december 2018 heeft het Gerecht beslist de pleitzitting in deze zaak te hervatten en de zittingsdag te bepalen op 31 januari 2019.

50      Aangezien verzoekster het Gerecht de naam van haar nieuwe vertegenwoordiger niet had meegedeeld, is de oproep voor de pleitzitting van 31 januari 2019 betekend aan Sebastian Conrad.

51      Op 20 december 2018 heeft Conrad de griffie van het Gerecht aangegeven dat hij verzoekster op die pleitzitting niet zou vertegenwoordigen.

52      Op de pleitzitting van 31 januari 2019 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht vastgesteld dat de partijen overeenkomstig artikel 108, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering naar behoren waren opgeroepen.

53      Aangezien verzoekster op die pleitzitting niet door een advocaat was vertegenwoordigd, heeft zij zelf verzocht om toepassing van artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering.

54      De Commissie heeft het Gerecht aangegeven naar haar schriftelijke processtukken te verwijzen.

55      Na de pleitzitting van 31 januari 2019 is de mondelinge behandeling in deze zaak gesloten en de zaak in beraad gebracht.

56      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de stilzwijgende en de uitdrukkelijke verwerping nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

57      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

IV.    In rechte

58      Verzoekster heeft op de pleitzitting en naar aanleiding van de vaststelling van het Gerecht dat zij niet was vertegenwoordigd ondanks naar behoren te zijn opgeroepen in de zin van artikel 108, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, zelf verzocht om toepassing van artikel 148, lid 5, van dat Reglement.

A.      Toepassing van artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering

59      Artikel 147, leden 1 tot en met 3, van het Reglement voor de procesvoering luidt als volgt:

„1.      Rechtsbijstand kan worden aangevraagd vóór de instelling van het beroep of zolang dit aanhangig is.

2.      Voor de aanvraag voor rechtsbijstand moet gebruik worden gemaakt van het formulier dat is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en beschikbaar is op de website van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Onverminderd artikel 74 moet dit formulier worden ondertekend door de aanvrager of, wanneer deze wordt vertegenwoordigd, door zijn advocaat. Een aanvraag om rechtsbijstand die niet per formulier is gedaan, wordt niet in aanmerking genomen.

3.      De aanvraag voor rechtsbijstand gaat vergezeld van de nodige gegevens en bewijzen op grond waarvan de financiële situatie van de aanvrager kan worden beoordeeld, zoals een van de bevoegde nationale autoriteiten afkomstige verklaring die deze financiële situatie bevestigt.”

60      Volgens de bewoordingen van artikel 148, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering kan „[i]n de beschikking waarbij de rechtsbijstand wordt toegekend, [...] een advocaat worden aangewezen om de betrokkene te vertegenwoordigen, mits die advocaat door de aanvrager is voorgesteld in zijn aanvraag voor rechtsbijstand en deze advocaat ermee heeft ingestemd de aanvrager voor het Gerecht te vertegenwoordigen”.

61      Artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt ten slotte dat „[i]ndien de betrokkene niet zelf een advocaat heeft voorgesteld in zijn aanvraag voor rechtsbijstand of na een beschikking waarbij rechtsbijstand wordt toegekend, of indien zijn keuze niet kan worden bekrachtigd, [...] de griffier de beschikking waarbij rechtsbijstand wordt toegekend tezamen met een afschrift van de aanvraag [zendt] aan de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat, genoemd in het Additioneel reglement bij het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie”.

62      In casu dient erop te worden gewezen dat verzoekster naar aanleiding van haar aanvraag van 26 augustus 2016 rechtsbijstand heeft verkregen bij beschikking van de president van de Vijfde kamer van het Gerecht van 16 februari 2017.

63      Bij die beschikking is de door verzoekster voorgestelde advocaat door het Gerecht aangewezen om haar voor de gehele procedure in deze zaak te vertegenwoordigen. Het Gerecht heeft aldus beslist om verzoekster rechtsbijstand toe te kennen en daarbij de keuze van de naam van haar vertegenwoordiger te bekrachtigen.

64      Op 5 maart 2018 heeft de door het Gerecht aangewezen advocaat het Gerecht evenwel gemeld dat hij er niet langer mee instemde verzoekster te vertegenwoordigen. Daarop heeft het Gerecht verzoekster ervan in kennis gesteld dat zij een andere advocaat diende te machtigen om haar op de pleitzitting van 31 januari 2019 te vertegenwoordigen. Op de dag van de pleitzitting had verzoekster geen gevolg gegeven aan de oproep van het Gerecht. Dienovereenkomstig heeft verzoekster op de pleitzitting van 31 januari 2019 zelf verzocht om toepassing van artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering.

65      Artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt in het kader van een aanvraag voor rechtsbijstand de voorwaarden waaronder een advocaat op initiatief van de griffier van het Gerecht kan worden gemachtigd om een partij te vertegenwoordigen voor het Gerecht.

66      Uit artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering blijkt dat de griffier van het Gerecht de daarin vermelde akten aan de nationale bevoegde instantie zendt ingeval de betrokkene in zijn aanvraag voor rechtsbijstand of na toewijzing van die aanvraag niet zelf een advocaat heeft voorgesteld, of het Gerecht zijn keuze niet bekrachtigt.

67      Ingeval de betrokkene zelf een advocaat heeft voorgesteld, volgt hieruit in de eerste plaats dat artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering met het oog op de vervanging van die advocaat door een andere advocaat slechts kan worden toegepast indien een nieuwe aanvraag voor rechtsbijstand, vergezeld van de overeenkomstig artikel 147, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering vereiste stukken, volgens de formele voorwaarden van artikel 147, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt ingediend teneinde na te gaan of nog steeds aan de materiële voorwaarden is voldaan. In de tweede plaats kan een advocaat op grond van artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering slechts worden vervangen indien dat wegens objectieve omstandigheden onafhankelijk van het gedrag of de wil van de betrokkene, zoals het overlijden, de pensionering of de niet-nakoming van beroeps- of gedragsverplichtingen van de advocaat, noodzakelijk is geworden.

68      Rechtsbijstand is immers een voordeel dat pro bono aan de betrokkene wordt aangeboden opdat hij zijn recht op rechterlijke bescherming daadwerkelijk kan uitoefenen. Het is derhalve aan de betrokkene om op zodanige wijze van dat voordeel gebruik te maken dat de rol die het rechtssysteem van de Unie de functie van advocaat toebedeelt, wordt geëerbiedigd. De advocaat is een medewerker van justitie die, geheel onafhankelijk en in het hoger belang van justitie, de cliënt waar nodig rechtsbijstand verleent [beschikking van 17 mei 2017, Olivetel/EUIPO – Polyrack Electronic Aufbausysteme (POLY RACK), T‑28/17, niet gepubliceerd, EU:T:2017:404, punt 11]. Het feit dat een advocaat ervan afziet een partij in het geding te vertegenwoordigen op grond dat deze partij door haar gedrag de vertegenwoordigingsopdracht zoals hierboven omschreven drastisch inperkt, kan dan ook niet worden aangemerkt als een geldige reden ter rechtvaardiging van de toepassing van artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering.

69      Zoals hierboven in de punten 62 en 63 is uiteengezet, heeft verzoekster in haar op 26 augustus 2016 ingediende aanvraag voor rechtsbijstand Conrad voorgesteld om haar als advocaat te vertegenwoordigen, een keuze die in de beschikking van 16 februari 2017 werd bekrachtigd.

70      Vastgesteld dient dan ook te worden dat artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering in casu slechts na een nieuwe, overeenkomstig artikel 147, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering ingediende aanvraag voor rechtsbijstand kon worden toegepast.

71      Verzoekster heeft evenwel niet een dergelijke aanvraag bij de griffie van het Gerecht ingediend. Bovendien kunnen de door Conrad omschreven omstandigheden (zie punt 43 hierboven), gelet op hetgeen hierboven in punt 68 is toegelicht, in elk geval niet worden opgevat als rechtvaardiging voor de toepassing van artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering. Dienovereenkomstig volstaat het voor de toepassing van artikel 148, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering op zich dan ook niet dat verzoekster heeft aangegeven niet langer vertrouwen in Conrad te hebben omdat niets haar heeft belet om voor haar vertegenwoordiging een andere advocaat te machtigen.

72      Aangezien de partijen hun memories tijdens de schriftelijke behandeling rechtsgeldig hebben neergelegd en de mondelinge behandeling is gesloten, is het Gerecht van oordeel dat het op grond van de processtukken voldoende is voorgelicht om in deze zaak uitspraak te doen.

B.      Vordering tot nietigverklaring

73      Met haar beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de stilzwijgende en de uitdrukkelijke verwerping.

1.      Vordering tot nietigverklaring van de stilzwijgende verwerping

74      In herinnering dient te worden gebracht dat de Commissie overeenkomstig artikel 22, leden 1 en 5, van verordening nr. 58/2003 uitspraak doet over het administratief beroep binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag waarop het is ingesteld. Zonder afbreuk te doen aan de verplichting van de Commissie om schriftelijk te antwoorden en haar beslissing te motiveren, geldt het uitblijven van een antwoord van de Commissie binnen deze termijn als stilzwijgende verwerping van het beroep.

75      In casu heeft de Commissie niet binnen twee maanden uitspraak gedaan over het door verzoekster op 17 april 2016 ingestelde administratief beroep.

76      Aldus geldt het uitblijven van een antwoord van de Commissie op 17 juni 2016 als stilzwijgende verwerping van het administratief beroep, en kan tegen dat besluit overeenkomstig artikel 22, lid 5, van verordening nr. 58/2003 beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij het Gerecht.

77      Bij besluit van 16 september 2016, dat wil zeggen voordat het beroep in onderhavige zaak werd ingesteld, heeft de Commissie het administratief beroep evenwel uitdrukkelijk verworpen. Verzoekster is van dat besluit in kennis gesteld op 30 september 2016.

78      Met de uitdrukkelijke verwerping heeft de Commissie de stilzwijgende verwerping derhalve ingetrokken (zie naar analogie arrest van 10 december 2010, Ryanair/Commissie, T‑494/08–T‑500/08 en T‑509/08, EU:T:2010:511, punt 45).

79      Wanneer een handeling wordt ingetrokken, verdwijnt zij volledig uit de rechtsorde van de Unie (zie beschikking van 12 januari 2011, Terezakis/Commissie, T‑411/09, EU:T:2011:4, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80      Voor zover het beroep strekt tot nietigverklaring van de stilzwijgende verwerping, dient het derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.      Vordering tot nietigverklaring van de uitdrukkelijke verwerping

81      Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster in wezen twee middelen aan: ten eerste schending van haar recht op effectieve rechterlijke bescherming en ten tweede onjuiste rechtsopvattingen.

a)      Eerste middel: schending van verzoeksters recht op effectieve rechterlijke bescherming

82      In het kader van het eerste middel betoogt verzoekster in wezen dat haar recht op effectieve rechterlijke bescherming is geschonden doordat de Commissie haar administratief beroep niet tijdig heeft behandeld.

83      Zij verwijt de Commissie haar besluit over het administratief beroep niet binnen de in artikel 22, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 58/2003 gestelde termijn te hebben vastgesteld. De naleving van die termijn is van groot belang aangezien een niet-tijdig besluit adressaten kan misleiden, met name wat betreft de termijn die voor het instellen van beroep in acht dient te worden genomen.

84      Zij meent dat dit eveneens het geval is wanneer de Commissie op een tijdstip waarop de termijn voor het instellen van beroep tegen de stilzwijgende verwerping reeds is beginnen te lopen, aankondigt dat zij zich over het administratief beroep uitdrukkelijk wenst uit te spreken.

85      Ten eerste dient dienaangaande in herinnering te worden gebracht dat de Commissie overeenkomstig artikel 22, leden 1 en 5, van verordening nr. 58/2003 over het administratief beroep uitspraak doet binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag waarop het beroep is ingesteld. Zonder afbreuk te doen aan de verplichting van de Commissie om schriftelijk te antwoorden en haar beslissing te motiveren, geldt het uitblijven van een antwoord van de Commissie binnen deze termijn als stilzwijgende verwerping van het beroep. Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende verwerping van het administratief beroep kan overeenkomstig artikel 263 VWEU beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij het Hof van Justitie.

86      Ten tweede is er geen rechtsbeginsel op grond waarvan de overheid haar bevoegdheid verliest om op een verzoek, zelfs buiten de daartoe gestelde termijnen, te reageren. Het mechanisme van de stilzwijgende verwerping is ingevoerd teneinde het risico te ondervangen dat de overheid verkiest niet te reageren op een verzoek en aan elk rechterlijk toezicht ontsnapt, en niet om elk niet-tijdig besluit onrechtmatig te maken. Op de overheid rust in beginsel de verplichting om, zelfs tardief, op ieder verzoek van een burger een met redenen omkleed antwoord te geven. Een dergelijke oplossing strookt met de functie van het mechanisme van de stilzwijgende verwerping, dat erin bestaat burgers in staat te stellen op te komen tegen het niet-handelen van de overheid, teneinde hiervan een met redenen omkleed antwoord te verkrijgen (zie naar analogie arrest van 19 januari 2010, Co-Frutta/Commissie, T‑355/04 en T‑446/04, EU:T:2010:15, punt 59).

87      Ten derde vormt het vereiste van rechterlijk toezicht een algemeen beginsel van het Unierecht, dat voortvloeit uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en dat tevens is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte is bovendien opnieuw bevestigd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

88      In casu kan de Commissie verzoeksters recht op effectieve rechterlijke bescherming evenwel niet hebben geschonden door de uitdrukkelijke verwerping, ook al is het besluit vastgesteld na de termijn van twee maanden waarover de Commissie overeenkomstig artikel 22, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 58/2003 beschikt om over het administratief beroep uitspraak te doen.

89      De uitdrukkelijke verwerping stelt verzoekster immers in kennis van de mogelijkheid om nietigverklaring van dat besluit te vorderen in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, dat in casu binnen de gestelde termijn is ingesteld aangezien het verzoekschrift is neergelegd op 26 oktober 2016, te weten minder dan twee maanden nadat op 30 september 2016 van de uitdrukkelijke verwerping is kennisgegeven.

90      Derhalve dient het eerste middel van het beroep ongegrond te worden verklaard.

b)      Tweede middel: onjuiste rechtsopvattingen

91      Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen.

1)      Eerste onderdeel: onwettige toepassing van de uitsluitingsgrond

92      In het kader van het eerste onderdeel voert verzoekster in wezen aan dat de uitdrukkelijke verwerping nietig moet worden verklaard op grond dat de Commissie heeft nagelaten een onwettigheid te herstellen die kleeft aan het afwijzingsbesluit van het ERCEA – waarin de afwijzing van de subsidieaanvraag onder meer is gebaseerd op de indeling in categorie C van een eerdere, in het kader van de oproep van 2015 ingediende subsidieaanvraag – ondanks het feit dat tegen die indeling beroep bij het Gerecht aanhangig was.

93      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat ofschoon het afwijzingsbesluit van het ERCEA op meerdere gronden is gebaseerd, namelijk, primair, op het ontbreken van een geldige goedkeuringsbrief van een gastinstelling en, subsidiair, op de uitsluitingsgrond, de uitdrukkelijke verwerping alleen op de eerste van die gronden is gebaseerd.

94      Zelfs indien de tweede grond voor het afwijzingsbesluit van het ERCEA op een vergissing berust, neemt dat niet weg dat het bestreden besluit niet op die grond is gebaseerd, zodat het eerste onderdeel van het tweede middel als niet ter zake dienend moet worden afgewezen.

2)      Tweede onderdeel: onjuiste beoordeling van de subsidiabiliteit van de aanvraag

95      In het kader van het tweede onderdeel betoogt verzoekster dat voor de indiening van haar subsidieaanvraag geen gastinstelling of goedkeuringsbrief nodig was.

96      In de eerste plaats stelt zij een geldige goedkeuringsbrief te hebben overgelegd omdat geen enkel element van de bij de subsidieaanvraag gevoegde brief van de universiteit van 30 januari 2015 volstaat om te concluderen dat hij alleen voor de oproep van 2015 was bedoeld.

97      In casu blijkt evenwel duidelijk uit de goedkeuringsbrief van de universiteit van 30 januari 2015, meer bepaald uit het onderwerp ervan, dat de universiteit zich er uitsluitend in het kader van de oproep van 2015 toe had verbonden als gastinstelling op te treden.

98      Zoals de Commissie terecht aanvoert, heeft de universiteit de subsidieaanvraag hoe dan ook tweemaal ingetrokken en verklaard niet beschikbaar te zijn als gastinstelling voor verzoeksters project (zie hierboven punten 18-20).

99      Verzoeksters betoog dient derhalve te worden afgewezen.

100    In de tweede plaats stelt verzoekster dat de universiteit niet het recht had haar goedkeuring na het verstrijken van de indieningstermijn voor de subsidieaanvragen eenzijdig in te trekken. Zij meent dat de indienings- en evaluatieregels van de ERC niet in die mogelijkheid voorzien.

101    Die redenering is evenwel op een onjuist uitgangspunt gebaseerd, namelijk dat de universiteit er blijk van zou hebben gegeven dat zij haar goedkeuring aan de subsidieaanvraag zou hebben gehecht.

102    Verzoekster heeft haar subsidieaanvraag immers ingediend zonder geldige goedkeuringsbrief van de universiteit, die het ERCEA bovendien bij brief van 30 november 2015 ervan in kennis heeft gesteld dat zij niet beschikbaar was als gastinstelling voor het door verzoekster ingediende project.

103    Zonder geldige goedkeuring, en a fortiori gelet op het feit dat de subsidieaanvraag door de universiteit tweemaal is ingetrokken, kan verzoekster dan ook niet op goede gronden betogen dat de universiteit haar goedkeuring na het verstrijken van de indieningstermijn voor de subsidieaanvraag niet kon intrekken.

104    In de derde plaats eist verzoekster het recht op om als particulier een aanvraag in te dienen.

105    Dienaangaande blijkt weliswaar uit voetnoot 15 van de indienings- en evaluatieregels van de ERC dat „[i]n uitzonderlijke gevallen [...] de hoofdonderzoeker zelf kan optreden als de indienende juridische entiteit, indien hij zelf als juridische entiteit handelt”.

106    Evenwel moet in casu ten eerste worden vastgesteld dat verzoekster bij de indiening van haar subsidieaanvraag gebruik heeft gemaakt van de identificatiecode van de universiteit.

107    Ten tweede heeft verzoekster weliswaar een persoonlijke identificatiecode aangevraagd maar heeft zij die aanvraag pas ingediend na het verstrijken van de indieningstermijn voor de subsidieaanvraag zodat hij voor die aanvraag niet kon zijn gebruikt.

108    De subsidieaanvraag is dan ook namens de universiteit en niet namens verzoekster ingediend zodat verzoekster voorafgaand aan de indiening van haar aanvraag de goedkeuring van de universiteit had dienen te verkrijgen.

109    Verzoeksters betoog dient derhalve te worden afgewezen.

110    In de vierde plaats betoogt verzoekster dat het ERCEA haar overeenkomstig punt 2.3 van de indienings- en evaluatieregels van de ERC met betrekking tot haar subsidieaanvraag om opheldering had moeten vragen en haar in de gelegenheid had moeten stellen een andere gastinstelling te zoeken zodra uit de brief van 30 november 2015 van de universiteit was gebleken dat de goedkeuringsbrief geen betrekking had op de oproep van 2016. De automatische afwijzing van de subsidieaanvraag strookt niet met de in het ERC-werkprogramma 2016 opgenomen procedurele voorschriften.

111    Ten eerste blijkt dienaangaande weliswaar uit artikel 96, lid 2, van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1), waarnaar punt 2.3 van de indienings- en evaluatieregels van de ERC verwijst, dat „[w]anneer ingevolge een duidelijke administratieve fout van de aanvrager of de inschrijver, de aanvrager of inschrijver nalaat bewijsstukken over te leggen of verklaringen af te leggen, [...] de beoordelingscommissie of in voorkomend geval de bevoegde ambtenaar, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, de aanvrager of de inschrijver [verzoekt] de ontbrekende informatie te verstrekken of opheldering te verschaffen omtrent de bewijsstukken” en dat „[d]ergelijke informatie of opheldering [...] geen substantiële wijziging van het voorstel tot gevolg [mag] hebben noch een wijziging van de voorwaarden van de inschrijving”.

112    Ten tweede verwijst artikel 56 bis van de ERC-modelsubsidieovereenkomst waarop verzoekster zich in de repliek in wezen baseert, naar het geval waarin de gastinstelling wijzigt tijdens de financieringsperiode.

113    In casu kan verzoekster het ERCEA evenwel niet verwijten haar niet in de gelegenheid te hebben gesteld om vanaf 30 november 2015 van gastinstelling te veranderen.

114    De naam van de gastinstelling blijkt immers een essentieel onderdeel van de subsidieaanvraag te vormen en daaraan kan als zodanig niets worden gewijzigd of toegevoegd zonder die aanvraag substantieel te wijzigen. Hieruit volgt dat dit punt niet onder het begrip „duidelijke administratieve fout” en bijgevolg buiten de werkingssfeer van punt 2.3 van de indienings- en evaluatieregels van de ERC valt.

115    Bovendien heeft het geval waarnaar artikel 56 bis van de ERC-modelsubsidieovereenkomst verwijst, geen betrekking op een verandering van gastinstelling tijdens de procedure voor de evaluatie van de subsidieaanvragen maar op een verandering ervan tijdens de periode die door de subsidie wordt bestreken.

116    Aldus kan verzoekster het ERCEA niet verwijten dat zij haar niet in de gelegenheid heeft gesteld een nieuwe gastinstelling te zoeken, zodat het tweede onderdeel van het tweede middel dient te worden afgewezen.

117    Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover het strekt tot nietigverklaring van het stilzwijgende besluit houdende verwerping dat is voortgekomen uit het uitblijven van een antwoord van de Commissie op het door verzoekster ingestelde administratief beroep, en ongegrond dient te worden verklaard voor zover het strekt tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 16 september 2016.

 Kosten

118    Artikel 149, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat wanneer de begunstigde van de rechtsbijstand in het ongelijk wordt gesteld, het Gerecht, indien de billijkheid dit vergt, bij zijn uitspraak over de proceskosten in de beslissing waardoor een einde komt aan het geding, kan gelasten dat een of meer andere partijen hun eigen kosten dragen of dat deze bij wege van rechtsbijstand geheel of ten dele ten laste komen van de kas van het Gerecht.

119    Aangezien verzoekster in casu de begunstigde van rechtsbijstand is en in het ongelijk is gesteld, vergt de billijkheid dat elke partij in deze procedure haar eigen kosten draagt.

HET GERECHT (Vijfde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Elke partij zal haar eigen kosten dragen.

Gratsias

Labucka

Ulloa Rubio

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 juni 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.