Language of document :

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 april 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État - Frankrijk) – Syndicat des cadres de la sécurité intérieure / Premier ministre, Ministre de l'Intérieur, Ministre de l'Action et des Comptes publics

(Zaak C-254/18)1

(Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2003/88/EG – Organisatie van de arbeidstijd – Bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers – Maximale wekelijkse arbeidstijd – Referentieperiode – Verschuivend of vast – Afwijking – Politieambtenaren)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d’État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Syndicat des cadres de la sécurité intérieure

Verwerende partijen: Premier ministre, Ministre de l'Intérieur, Ministre de l'Action et des Comptes publics

Dictum

Artikel 6, onder b), artikel 16, onder b), en artikel 19, eerste alinea, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling die voor de berekening van de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd voorziet in referentieperioden die op vaste kalenderdagen beginnen en eindigen, op voorwaarde dat deze regeling mechanismen bevat waardoor kan worden verzekerd dat de maximale gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 48 uren in acht wordt genomen gedurende elke periode van zes maanden die zich over twee opeenvolgende vaste referentieperioden uitstrekt.

____________

1 PB C 211 van 18.6.2018.