Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský soud v Praze (Tsjechische Republiek) op 18 juni 2018 – Herst, s.r.o. / Odvolací finanční ředitelství

(Zaak C-401/18)

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Krajský soud v Praze

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Herst, s.r.o.

Verwerende partij: Odvolací finanční ředitelství

Prejudiciële vragen

Moet elke belastingplichtige worden aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van artikel 138, lid 2, onder b), van richtlijn 2006/112/EG1 van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw-richtlijn”)? Zo nee, op welke belastingplichtigen is deze bepaling dan van toepassing?

Indien het antwoord van het Hof van Justitie luidt dat artikel 138, lid 2, onder b), van de btw-richtlijn van toepassing is op een situatie als die in het hoofdgeding (dat wil zeggen, de afnemer van de producten is een voor de belasting geregistreerde belastingplichtige), moet die bepaling dan aldus worden uitgelegd dat wanneer de verzending of het vervoer van die producten plaatsvindt overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van richtlijn 2008/118/EG2 van de Raad houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (hierna: „accijnsrichtlijn”), een levering die verband houdt met een procedure uit hoofde van de accijnsrichtlijn moet worden aangemerkt als een levering die voor vrijstelling op grond van die bepaling in aanmerking komt, ondanks het feit dat voor het overige niet is voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn, gelet op de toerekening van het goederenvervoer aan een andere handeling?

Indien het antwoord van het Hof van Justitie luidt dat artikel 138, lid 2, onder b), van de btw-richtlijn niet van toepassing is op een situatie als die in het hoofdgeding, is de omstandigheid dat de goederen onder een accijnsschorsingsregeling worden vervoerd dan bepalend voor het antwoord op de vraag aan welke levering uit een reeks opeenvolgende leveringen een vervoer moet worden toegerekend voor de toepassing van het recht op vrijstelling van btw op grond van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn?

Wordt „de macht om als een eigenaar over de goederen te beschikken”, in de zin van de btw-richtlijn, verkregen door een belastingplichtige die ten behoeve van een bepaalde klant goederen rechtstreeks van een andere belastingplichtige koopt om een reeds bestaande bestelling (met vermelding van het soort goederen, de hoeveelheid, de plaats van herkomst en het tijdstip van levering) uit te voeren, waarbij hij de goederen niet zelf fysiek behandelt aangezien zijn afnemer volgens de bepalingen van de verkoopovereenkomst akkoord gaat om het vervoer van de goederen vanaf de plaats van herkomst ervan te verrichten, zodat de belastingplichtige alleen in toegang tot de gevraagde goederen via zijn leveranciers zal voorzien en de voor de aanvaarding van de goederen benodigde informatie zal verstrekken (voor eigen rekening of voor rekening van zijn onderleveranciers in de keten), en zijn winst uit de handeling bestaat in het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs van die goederen zonder dat de kost voor het goederenvervoer wordt gefactureerd in de keten?

Voorziet de accijnsrichtlijn (bijvoorbeeld in artikel 4, lid 1, artikel 17 of artikel 19), direct dan wel indirect, door een beperking van de daadwerkelijke behandeling van dergelijke goederen, in voldoende voorwaarden voor de overdracht van de „macht om als een eigenaar over de (accijns)goederen te beschikken”, in de zin van de btw-richtlijn, zodat de overname van goederen onder een accijnsschorsingsregeling door een erkend belastingentrepot of door een geregistreerde geadresseerde overeenkomstig de voorwaarden van de accijnsrichtlijn als een levering van goederen voor btw-doeleinden moet worden aangemerkt?

Moet in dit verband, bij de beoordeling van een levering die samenhangt met vervoer binnen een keten van leveringen van goederen onder een accijnsschorsingsregeling met één enkel vervoer, een transport in de zin van de btw-richtlijn geacht worden aan te vangen en te eindigen overeenkomstig artikel 20 van de accijnsrichtlijn?

Staat het beginsel van btw-neutraliteit of enig ander beginsel van het Unierecht in de weg aan de toepassing van het constitutionele beginsel „in dubio mitius” in het nationale recht, op grond waarvan de overheidsinstanties onduidelijke rechtsregels waaraan objectief gezien verschillende uitleggingen kunnen worden gegeven, in het voordeel van de aan de rechtsregel onderworpen persoon (in casu de btw-plichtige) dienen uit te leggen? Is de toepassing van dit beginsel in elk geval verenigbaar met het Unierecht indien het beperkt zou blijven tot situaties waarin de relevante feiten van de zaak voorafgingen aan een bindende uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Unie van een betwiste rechtsvraag, dat heeft geoordeeld dat een andere, voor de belastingplichtige minder gunstige uitlegging juist is?

Indien het beginsel „in dubio mitius” kan worden toegepast:

Mocht, op basis van de beperkingen waarin het Unierecht voorzag op het tijdstip waarop de belastbare handelingen in de onderhavige zaak plaatsvonden (van november 2010 tot en met mei 2013), worden aangenomen dat de vraag of het juridische begrip „levering van goederen” of „vervoer van goederen” zowel voor de toepassing van de btw-richtlijn als voor de toepassing van de accijnsrichtlijn (al dan niet) dezelfde inhoud had, objectief gezien juridisch onzeker was en op twee verschillende wijzen kon worden uitgelegd?

____________

1 PB 2006, L 347, blz. 1.

2 PB 2009; L 9, blz. 12.