Language of document : ECLI:EU:C:2019:546

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

27 juni 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 805/2004 – Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen – Waarmerking van een gerechtelijke beslissing als Europese executoriale titel – Minimumnormen voor procedures betreffende niet-betwiste schuldvorderingen – Verwerende partij zonder bekend adres die niet aanwezig was ter terechtzitting”

In zaak C‑518/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Okresní soud v Českých Budějovicích (rechter voor het district České Budějovice, Tsjechië) bij beslissing van 1 juni 2018, ingekomen bij het Hof op 7 augustus 2018, in de procedure

RD

tegen

SC,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: C. Toader, kamerpresident, A. Rosas en M. Safjan (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en A. Kasalická als gemachtigden,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Z. Wagner en M. Z. Fehér als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en M. Šimerdová als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, tweede alinea, onder b), van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB 2004, L 143, blz. 15).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen RD en SC, een natuurlijk persoon zonder bekend adres, over een huurschuld.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 5, 6, 10, 12, 13 en 16 van verordening nr. 805/2004 luiden als volgt:

„(5)      Het begrip ‚niet-betwiste schuldvorderingen’ dient betrekking te hebben op alle situaties waarin een schuldeiser, gelet op het feit dat gebleken is dat de schuldenaar de aard of de omvang van een schuldvordering niet betwist, een gerechtelijke beslissing tegen deze schuldenaar heeft verkregen of een executoriale titel waarmee de schuldenaar uitdrukkelijk moet instemmen, in de vorm van een door een gerecht goedgekeurde schikking of een authentieke akte.

(6)      Het ontbreken van betwisting door de schuldenaar overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), kan de vorm aannemen van verstek laten gaan bij de terechtzitting of van geen gevolg geven aan een verzoek van het gerecht om het voornemen kenbaar te maken zich in de zaak schriftelijk te verweren.

[...]

(10)      Wanneer een gerecht in een lidstaat een beslissing inzake een niet-betwiste schuldvordering heeft gegeven in een gerechtelijke procedure waarin de schuldenaar zich afzijdig heeft gehouden, is de afschaffing van elke vorm van controle in de lidstaat van tenuitvoerlegging onlosmakelijk verbonden met en afhankelijk van het bestaan van voldoende waarborgen voor de inachtneming van de rechten van de verdediging.

[...]

(12)      Minimumnormen dienen te worden vastgesteld voor de procedure die tot de beslissing leidt, teneinde ervoor te zorgen dat de schuldenaar, zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig is, in kennis wordt gesteld van de tegen hem ingestelde vordering, van de vereisten voor zijn actieve betrokkenheid bij de procedure om de vordering te betwisten, en van de gevolgen indien hij zich afzijdig houdt.

(13)      Wegens verschillen tussen de lidstaten op het gebied van de vormvoorschriften voor civiele procedures, en met name de voorschriften inzake de betekening en kennisgeving van stukken, moet een specifieke en gedetailleerde definitie van deze minimumnormen worden opgesteld. Met name een wijze van betekening of kennisgeving waarbij wordt uitgegaan van een juridische fictie ten aanzien van de naleving van deze minimumnormen, kan voor de erkenning van een beslissing als Europese executoriale titel niet als voldoende worden beschouwd.

[...]

(16)      Artikel 15 dient van toepassing te zijn in situaties waarin de schuldenaar zich niet zelf voor het gerecht kan vertegenwoordigen, zoals in het geval van een rechtspersoon, en waarin van rechtswege is bepaald door wie hij wordt vertegenwoordigd, en in situaties waarin de schuldenaar een ander, met name een advocaat, heeft gemachtigd hem in de specifieke gerechtelijke procedure te vertegenwoordigen.”

4        Artikel 1 van die verordening, met het opschrift „Doel”, is als volgt verwoord:

„Deze verordening heeft ten doel om door de vastlegging van minimumnormen een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen in het leven te roepen ten behoeve van het vrije verkeer van beslissingen, gerechtelijke schikkingen en authentieke akten in alle lidstaten zonder dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging een intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid voorafgaand aan de erkenning en tenuitvoerlegging.”

5        Artikel 3 van die verordening, met als opschrift „Als Europese executoriale titel te waarmerken executoriale titels”, bepaalt in lid 1 ervan:

„Deze verordening is van toepassing op beslissingen, gerechtelijke schikkingen en authentieke akten inzake niet-betwiste schuldvorderingen.

Een schuldvordering wordt als niet-betwist beschouwd indien:

a)      de schuldenaar uitdrukkelijk met de schuldvordering heeft ingestemd door het bestaan van de schuld te erkennen door middel van een schikking die door een gerecht is goedgekeurd of die in de loop van de gerechtelijke procedure voor een gerecht is getroffen; of

b)      de schuldenaar zich niet, overeenkomstig de toepasselijke vormvoorschriften volgens het recht van de lidstaat van oorsprong, in de loop van de gerechtelijke procedure tegen de schuldvordering heeft verweerd; of

c)      de schuldenaar tijdens de terechtzitting over de schuldvordering niet is verschenen of was vertegenwoordigd, nadat hij die schuldvordering in de loop van de procedure aanvankelijk had betwist, op voorwaarde dat deze handelwijze volgens het recht van de lidstaat van oorsprong gelijkstaat met een stilzwijgende erkenning van de schuldvordering of van de door de schuldeiser beweerde feiten; of

d)      de schuldenaar bij authentieke akte uitdrukkelijk de schuldvordering heeft erkend.”

6        Artikel 6 van die verordening, met als opschrift „Voorwaarden voor waarmerking als Europese executoriale titel”, bepaalt in lid 1:

„Een in een lidstaat gegeven beslissing inzake een niet-betwiste schuldvordering wordt, op te eniger tijd aan het gerecht van oorsprong gedaan verzoek, als Europese executoriale titel gewaarmerkt, indien:

a)      de beslissing in de lidstaat van oorsprong uitvoerbaar is; en

b)      de beslissing niet strijdig is met de bevoegdheidsregels van de afdelingen 3 en 6 van hoofdstuk II van verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)]; en

c)      de gerechtelijke procedure in de lidstaat van oorsprong aan de in hoofdstuk III gestelde vereisten voldeed, wanneer het gaat om een niet-betwiste schuld in de zin van artikel 3, lid 1, onder b) of c) [...]”.

7        In hoofdstuk III van verordening nr. 805/2004, waartoe de artikelen 12 tot en met 19 behoren, zijn minimumnormen voor procedures betreffende niet-betwiste schuldvorderingen vastgelegd. Deze normen, die dienen ter vrijwaring van de rechten van de verdediging van de schuldenaar, zien niet alleen op de wijze van betekening of kennisgeving van het gedinginleidend stuk en andere akten, maar ook op de informatieve inhoud van een dergelijk stuk, waarbij de schuldenaar moet worden ingelicht over de schuldvordering en over de ter betwisting ervan te volgen procedure.

8        Artikel 12 van die verordening, met als opschrift „Toepassingsgebied van de minimumnormen”, bepaalt in lid 1 ervan:

„Een beslissing inzake een schuldvordering die onbetwist is in de zin van artikel 3, lid 1, onder b) of c), kan alleen als Europese executoriale titel worden gewaarmerkt indien de gerechtelijke procedure in de lidstaat van oorsprong aan de in dit hoofdstuk vastgestelde vormvoorschriften voldeed.”

9        Artikel 14 van die verordening, met als opschrift „Betekening of kennisgeving zonder bewijs van ontvangst door de schuldenaar”, luidt:

„1.      Betekening of kennisgeving van het stuk dat het geding inleidt, van een gelijkwaardig stuk en van enigerlei dagvaarding voor een terechtzitting aan de schuldenaar kan ook zijn geschied op een van de hierna vermelde wijzen:

[...]

2.      Voor de toepassing van deze verordening is betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 1 niet toegestaan indien het adres van de schuldenaar niet met zekerheid bekend is.

[...]”

10      Artikel 15 van die verordening, met als opschrift „Betekening of kennisgeving aan vertegenwoordigers van de schuldenaar”, luidt:

„Betekening of kennisgeving overeenkomstig de artikelen 13 of 14 mag ook zijn geschied aan een vertegenwoordiger van de schuldenaar.”

11      Artikel 27 van verordening nr. 805/2004, met als opschrift „Verhouding tot verordening (EG) nr. 44/2001”, bepaalt het volgende:

„Deze verordening laat de mogelijkheid onverlet om een beslissing, een gerechtelijke schikking of een authentieke akte inzake een niet-betwiste schuldvordering te laten erkennen en ten uitvoer te laten leggen overeenkomstig verordening (EG) nr. 44/2001.”

 Tsjechisch recht

12      § 29, lid 3, van zákon č. 99/1963 Sb., Občanský soudní řád (wet nr. 99/1963 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”) is als volgt verwoord:

„Indien de kamerpresident geen andere maatregelen neemt, kan hij voor een partij die geen bekende woonplaats heeft, aan wie de kennisgeving op een bekend adres in het buitenland niet mogelijk was, die geestesziek is of die om andere medische redenen niet louter tijdelijk niet aan de procedure kan deelnemen, of die zich niet begrijpelijk kan uitdrukken, een mandataris aanduiden.”

13      Volgens § 353, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering moet de rechter op verzoek van een persoon die op grond van een beslissing, gerechtelijke schikking of openbare akte die voldoet aan de voorwaarden voor waarmerking als Europese executoriale titel of als gedeeltelijke Europese executoriale titel daartoe gerechtigd is, die beslissing, schikking of openbare akte als Europese executoriale titel waarmerken onder de voorwaarden die zijn neergelegd in verordening nr. 805/2004. Indien niet aan de voorwaarden voor waarmerking is voldaan, kan de rechter niet waarmerken en moet hij de gerechtigde persoon schriftelijk in kennis stellen van zijn beslissing en de motivering ervan.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

14      Met haar bij de Okresní soud v Českých Budějovicích (rechter voor het district České Budějovice, Tsjechië) ingediend verzoekschrift heeft RD van SC de betaling gevorderd van een bedrag van 6 600 Tsjechische kroon (CZK) (ongeveer 250 EUR), te vermeerderen met vertragingsrente, op grond van het feit dat deze laatste krachtens een huurovereenkomst van 23 juli 2008 – die sinds 1 augustus 2008 in werking was – het gebruik genoot van een appartement te České Budějovice en zich in de overeenkomst ertoe had verbonden een huurprijs te betalen van 5 600 CZK en een voorschot op kosten van 1 000 CZK, zijnde een totaalbedrag van 6 600 CZK per maand. Op 28 september 2008 heeft SC een schuldverklaring opgesteld en zich ertoe verbonden haar schuld tegen 30 september 2008 te betalen, wat zij uiteindelijk niet heeft gedaan.

15      Omdat de verwijzende rechter er ondanks zijn onderzoek niet in was geslaagd het adres van SC te achterhalen, is er een mandataris aangeduid om haar te vertegenwoordigen.

16      SC was niet opgedaagd in de loop van de procedure en ook de aangeduide mandataris was afwezig gebleven tijdens de terechtzitting waarvoor hij was opgeroepen. Aangezien RD ter terechtzitting bewijzen had kunnen overleggen, werd haar verzoekschrift ingewilligd. Daar het adres van SC niet bekend was, werd de eindbeslissing alleen aan de mandataris betekend.

17      Op 14 oktober 2016 heeft RD de verwijzende rechter verzocht om die beslissing onherroepelijk en uitvoerbaar te verklaren en overeenkomstig § 353, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering en verordening nr. 805/2004 als Europese executoriale titel te waarmerken.

18      Bij brief van 3 november 2016 heeft de verwijzende rechter RD ervan in kennis gesteld dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van dat bewijs van waarmerking en daarbij benadrukt dat een schuldvordering enkel dan als niet-betwist wordt beschouwd wanneer de schuldenaar uitdrukkelijk met de schuldvordering heeft ingestemd, zich niet overeenkomstig de vormvoorschriften van de betrokken lidstaat in de loop van de gerechtelijke procedure tegen de schuldvordering heeft verweerd, of tijdens de terechtzitting over die schuldvordering afwezig is gebleven voor zover deze handelwijze volgens het recht van die lidstaat met een stilzwijgende erkenning van de schuldvordering of van de door de schuldeiser aangevoerde feiten gelijkstaat.

19      Daarop heeft RD bij de Ústavní soud (grondwettelijk hof, Tsjechië) beroep ingesteld waarmee zij in essentie aanvoert dat de verwijzende rechter het Hof van Justitie van de Europese Unie niet heeft verzocht om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, met name over de vraag of een beslissing die de rechter geeft na de bewijsverkrijging zonder dat de verwerende partij een verweer heeft geformuleerd of feitelijke punten van bezwaar kenbaar heeft gemaakt als niet-betwist kan worden beschouwd. RD heeft in dat verband verwezen naar punt 41 van het arrest van het Hof van 16 juni 2016, Pebros Servizi (C‑511/14, EU:C:2016:448), volgens hetwelk in het licht van overweging 6 van verordening nr. 805/2004 een schuldvordering als „niet-betwist” in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, onder b), van verordening nr. 805/2004 kan worden beschouwd wanneer de schuldenaar geen enkele handeling stelt om die schuldvordering te betwisten door geen gevolg te verlenen aan het verzoek van het gerecht om schriftelijk het voornemen kenbaar te maken zich in de zaak te verweren of door bij de terechtzitting verstek te laten gaan.

20      Bij beslissing van 26 september 2017 heeft de Ústavní soud de niet-waarmerking als Europese executoriale titel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing, zonder het Hof ter zake om een prejudiciële vraag te verzoeken, ongrondwettelijk verklaard.

21      Aangezien de verwijzende rechter thans twijfel heeft over de vraag of de schuldvordering aan de orde in het hoofdgeding als niet-betwist kan worden beschouwd en daar de door hem te geven beslissing volgens het nationale recht niet vatbaar is voor hoger beroep, acht hij zich verplicht het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.

22      In die omstandigheden heeft de Okresní soud v Českých Budějovicích de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 3, lid 1, tweede alinea, onder b), van verordening (EG) nr. 805/2004 aldus worden uitgelegd dat een schuldvordering waarover een beslissing is gegeven na de bewijsverkrijging, als niet-betwist kan worden beschouwd wanneer noch verweerster, die haar schuld had erkend vóór de start van de procedure, noch haar mandataris heeft deelgenomen aan de gerechtelijke procedure of enig punt van bezwaar heeft opgeworpen in de loop van de procedure?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

23      De verwijzende rechter wenst met zijn vraag in wezen te vernemen of verordening nr. 805/2004 aldus dient te worden uitgelegd dat een rechter, ingeval hij onmogelijk het adres van de verwerende partij kan achterhalen, een gerechtelijke beslissing betreffende een schuldvordering die is gegeven na een terechtzitting waarop noch de verwerende partij noch de met het oog op de procedure aangeduide mandataris aanwezig was, als Europese executoriale titel kan waarmerken.

24      Zoals blijkt uit artikel 12 van verordening nr. 805/2004 is de mogelijkheid om een gerechtelijke beslissing als Europese executoriale titel te waarmerken, onderworpen aan twee cumulatieve voorwaarden. Ten eerste dient die beslissing betrekking te hebben op een „niet-betwiste” schuldvordering in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, onder b) of c), van die verordening. Daaronder valt de omstandigheid waarin in de loop van de gerechtelijke procedure geen sprake is van enig verweer tegen de schuldvordering en die waarin de schuldvordering stilzwijgend wordt erkend door op de terechtzitting over die schuldvordering niet aanwezig te zijn of zich niet te laten vertegenwoordigen. Ten tweede dient de gerechtelijke procedure waarin de betrokken beslissing is gegeven, te hebben voldaan aan de in hoofdstuk III van die verordening vastgestelde procedurele minimumnormen.

25      Die minimumnormen hebben overeenkomstig overweging 12 van die verordening tot doel te waarborgen dat de schuldenaar zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig is in kennis wordt gesteld van de tegen hem ingestelde vordering, van de vereisten voor zijn actieve betrokkenheid bij de procedure om de vordering te betwisten, en van de gevolgen indien hij zich afzijdig houdt. In het bijzondere geval waarin een beslissing bij verstek in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, onder b), van verordening nr. 805/2004 is gegeven, beogen deze procedurele minimumnormen te verzekeren dat toereikende waarborgen voor de eerbiediging van de rechten van de verdediging bestaan (arrest van 16 juni 2016, Pebros Servizi, C‑511/14, EU:C:2016:448, punt 44).

26      Het Hof heeft verklaard dat in het licht van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 805/2004 en de doelstellingen en de opbouw van die verordening een verstekvonnis dat is gewezen in een geval waarin de woonplaats van de verwerende partij niet kan worden bepaald, niet als Europese executoriale titel kan worden gewaarmerkt (arrest van 15 maart 2012, G, C‑292/10, EU:C:2012:142, punt 64).

27      Die conclusie blijft geldig, ook al heeft de verwijzende rechter met het oog op de procedure een mandataris aangeduid omdat hij het adres van SC niet kon achterhalen.

28      Het is weliswaar juist dat artikel 15 van een mandataris bepaalt dat naast de in artikel 14 vastgestelde mogelijkheden van betekening of kennisgeving het ook mogelijk is te betekenen of kennis te geven aan een vertegenwoordiger van de schuldenaar, maar daarbij moet erop worden gewezen dat een mandataris als degene die volgens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling is aangeduid, niet met een „vertegenwoordiger van de schuldenaar” in de zin van dat artikel 15 kan worden gelijkgesteld. Gelezen in samenhang met overweging 16 van die verordening ziet die bepaling immers alleen op situaties waarin de schuldenaar ofwel om juridische redenen objectief gezien ervan wordt weerhouden zichzelf in rechte te vertegenwoordigen ofwel daartoe vrijwillig een vertegenwoordiger heeft aangeduid. In de zaak waarover het gaat in het hoofdgeding staat evenwel niet vast dat sprake is van een van die omstandigheden.

29      Aangezien de Uniewetgever het gebruik van de Europese executoriale titel als aanvullend en facultatief instrument voor de tenuitvoerlegging met name aan de voorwaarde heeft onderworpen dat het adres van de schuldenaar met zekerheid bekend is – welke voorwaarde in een situatie als die in het hoofdgeding niet is vervuld – hoeft in dit geval niet te worden nagegaan of – gelet met name op de overwegingen 5 en 6 van verordening nr. 805/2004 – de schuldvordering die aan de orde is in het hoofdgeding als niet-betwist kan worden beschouwd gezien het feit dat noch SC noch haar door de verwijzende rechter aangeduide mandataris aan de procedure heeft deelgenomen, ter terechtzitting aanwezig was of de aard of het bedrag van die schuldvordering heeft betwist.

30      Uit één en ander volgt dat op de aan het Hof voorgelegde vraag dient te worden geantwoord dat verordening nr. 805/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een rechter, ingeval hij onmogelijk het adres van de verwerende partij kan achterhalen, een gerechtelijke beslissing betreffende een schuldvordering die is gegeven na een terechtzitting waarop noch de verwerende partij noch de met het oog op procedure aangeduide mandataris aanwezig was, niet als Europese executoriale titel kan waarmerken.

 Kosten

31      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen dient aldus te worden uitgelegd dat een rechter, ingeval hij onmogelijk het adres van de verwerende partij kan achterhalen, een gerechtelijke beslissing betreffende een schuldvordering die is gegeven na een terechtzitting waarop noch de verwerende partij noch de met het oog op de procedure aangeduide mandataris aanwezig was, niet als Europese executoriale titel kan waarmerken.

ondertekeningen


*      Procestaal: Tsjechisch.