Language of document : ECLI:EU:C:2019:585

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

10 juli 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten – Annulering van de vlucht – Bijstand – Recht op terugbetaling van het vliegticket door de luchtvaartmaatschappij – Artikel 8, lid 2 – Pakketreis – Richtlijn 90/314/EEG – Faillissement van de reisorganisator”

In zaak C‑163/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Noord-Nederland (Nederland) bij beschikking van 21 februari 2018, ingekomen bij het Hof op 1 maart 2018, in de procedure

HQ,

IP, wettelijk vertegenwoordigd door HQ,

JO

tegen

Aegean Airlines SA,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, F. Biltgen, J. Malenovský (rapporteur), C. G. Fernlund en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 januari 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        HQ, IP, wettelijk vertegenwoordigd door HQ, en JO, vertegenwoordigd door I. Maertzdorff, advocaat, M. Duinkerke en M. J. R. Hannink,

–        Aegean Airlines SA, vertegenwoordigd door J. Croon en D. van Genderen, advocaten,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en A. Kasalická als gemachtigden,

–        de Duitse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze, vervolgens door M. Hellmann en A. Berg als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Nijenhuis, C. Valero en N. Yerrell als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 maart 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 2, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1, met rectificatie in PB 2006, L 365, blz. 89) in het licht van richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (PB 1990, L 158, blz. 59).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen HQ, IP, wettelijk vertegenwoordigd door HQ, alsmede JO (hierna: „HQ e.a.”) en de luchtvaartmaatschappij Aegean Airlines SA over de door HQ e.a. gevorderde terugbetaling van vliegtickets, welke vordering zij hadden ingediend nadat een vlucht die deel uitmaakte van een pakketreis was geannuleerd.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Verordening nr. 261/2004

3        Overwegingen 1, 2 en 16 van verordening nr. 261/2004 luiden als volgt:

„(1)      Het optreden van de Gemeenschap moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.

(2)      Instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten brengen voor passagiers ernstige moeilijkheden en ongemak met zich mee.

[...]

(16)      Deze verordening is niet van toepassing in gevallen waarin een pakketreis geannuleerd wordt om andere redenen dan het annuleren van de vlucht.”

4        In artikel 1 van deze verordening, met als opschrift „Onderwerp”, wordt in lid 1 het volgende bepaald:

„Deze verordening stelt onder de erin genoemde voorwaarden de minimumrechten vast die luchtreizigers hebben bij:

a)      instapweigering tegen hun wil,

b)      annulering van hun vlucht,

c)      vertraging van hun vlucht.”

5        Artikel 3 van deze verordening heeft als opschrift „Werkingssfeer” en voorziet in lid 6 in het volgende:

„Deze verordening is niet van invloed op de rechten van de passagiers volgens richtlijn 90/314/EEG. Deze verordening is niet van toepassing in gevallen waarin een pakketreis geannuleerd wordt om andere redenen dan het annuleren van de vlucht.”

6        Artikel 5 van deze verordening heeft het opschrift „Annulering”. Lid 1 ervan is als volgt verwoord:

„In geval van annulering van een vlucht:

a)      wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 8;

b)      wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), en artikel 9, lid 2, en – in het geval van een andere vlucht die naar redelijke verwachting ten vroegste daags na de geplande vertrektijd van de geannuleerde vlucht zal vertrekken – als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), en artikel 9, lid 1, onder c);

c)      hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij

i)      de annulering hun ten minste twee weken voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld, of

ii)      de annulering hun tussen twee weken en zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan twee uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan vier uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt, of

iii)      de annulering hun minder dan zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan één uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan twee uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt.”

7        In artikel 8 van verordening nr. 261/2004, met als opschrift „Recht op terugbetaling of een alternatief reisplan”, is in de leden 1 en 2 het volgende bepaald:

„1.      Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers de keuze tussen:

a)      –      volledige terugbetaling van het ticket binnen zeven dagen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, tegen de prijs waarvoor het gekocht was, voor het gedeelte of de gedeelten van de reis die niet zijn gemaakt en voor het gedeelte en de gedeelten die reeds zijn gemaakt indien verder reizen in het licht van het oorspronkelijke reisplan van de passagier geen zin meer heeft, alsmede in voorkomend geval,

–        een retourvlucht naar het eerste vertrekpunt bij de eerste gelegenheid;

b)      een alternatief reisplan onder vergelijkbare vervoersvoorwaarden naar hun eindbestemming bij de eerste gelegenheid; of

c)      een alternatief reisplan onder vergelijkbare vervoersvoorwaarden naar hun eindbestemming, op een latere datum naar keuze van de passagier, indien er plaats beschikbaar is.

2.      Lid 1, onder a), is ook van toepassing op passagiers wier vlucht onderdeel is van een pakket, behalve wat het recht op terugbetaling betreft indien dit recht bestaat krachtens richtlijn 90/314/EEG.”

 Richtlijn 90/314

8        De 21e overweging van richtlijn 90/314 luidt:

„Overwegende dat het zowel voor de consument als de pakketreizensector goed zou zijn dat de organisatoren en/of de doorverkopers moeten aantonen dat zij in geval van insolvabiliteit of faillissement over voldoende garanties beschikken.”

9        In artikel 1 van die richtlijn is bepaald:

„Doel van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake op het grondgebied van de Gemeenschap verkochte of ten verkoop aangeboden pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten.”

10      In artikel 4, lid 6, van de genoemde richtlijn staat te lezen:

„Indien de consument de overeenkomst opzegt overeenkomstig lid 5 of indien de organisator door ongeacht welke, niet aan de consument te wijten oorzaak het pakket vóór de overeengekomen vertrekdatum annuleert, heeft de consument recht op:

a)      ofwel een ander pakket van gelijkwaardige of betere kwaliteit ingeval de organisator en/of de doorverkoper hem dat kunnen voorstellen. Indien het ter vervanging aangeboden pakket van een mindere kwaliteit is, moet de organisator de consument het verschil in prijs terugbetalen;

b)      ofwel de terugbetaling, zo spoedig mogelijk, van alle door hem op grond van de overeenkomst betaalde bedragen.

[...]”

11      Artikel 5, lid 1, van dezelfde richtlijn bepaalt:

„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de organisator en/of de doorverkoper die partij zijn bij de overeenkomst, tegenover de consument aansprakelijk zijn voor de goede uitvoering van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, ongeacht of deze verplichtingen zijn uit te voeren door henzelf dan wel door andere verstrekkers van diensten, en zulks onverminderd het recht van de organisator en/of de doorverkoper om deze andere verstrekkers van diensten aan te spreken.”

12      In artikel 7 van richtlijn 90/314 wordt het volgende vermeld:

„De organisator en/of de doorverkoper die partij zijn bij de overeenkomst, dienen aan te tonen over voldoende garanties te beschikken om in geval van insolvabiliteit of faillissement te zorgen voor terugbetaling van de reeds voldane bedragen en voor repatriëring van de consument.”

 Nederlands recht

13      Richtlijn 90/314 was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding in het Nederlandse recht geïmplementeerd in titel 7A („Reisovereenkomst”) van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

14      Artikel 7:504, lid 3, BW bepaalde dat de reiziger in geval van opzegging van de reisovereenkomst door de reisorganisator van deze laatste met name kan vorderen dat hij de prijs van de vliegtuigtickets terugbetaalt.

15      Artikel 7:512, lid 1, BW bevatte de verplichting voor een reisorganisator om vooraf maatregelen te nemen die nodig zijn om te verzekeren dat, wanneer hij wegens financieel onvermogen zijn verplichtingen jegens een reiziger niet meer kan nakomen, wordt zorggedragen hetzij voor overneming van zijn verplichtingen door een ander, hetzij voor terugbetaling van de reissom.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16      Aegean Airlines, een in Griekenland gevestigde vennootschap, heeft met de op Cyprus gevestigde vennootschap G. S. Charter Aviation Services Ltd (hierna: „G.S. Charter”) een charterovereenkomst gesloten, uit hoofde waarvan zij een aantal vliegtuigstoelen ter beschikking moest stellen aan die laatste, tegen betaling van een charterprijs. G.S. Charter heeft deze stoelen vervolgens doorverkocht aan derden, waaronder aan Hellas Travel BV (hierna: „Hellas”), een in Nederland gevestigde reisorganisator.

17      G.S. Charter en Hellas hebben een overeenkomst gesloten uit hoofde waarvan tussen 1 mei en 24 september 2015 elke vrijdag van Eelde (Nederland) naar Corfu (Griekenland) zou worden gevlogen en terug, een borg zou worden betaald aan Aegean Airlines en de betaling van de op de volgende vrijdag geplande retourvlucht elke maandag zou plaatsvinden.

18      Op 19 maart 2015 hebben HQ e.a. bij Hellas een vlucht van Eelde naar Corfu en terug geboekt. Die retourvlucht maakte deel uit van een „pakketreis” in de zin van richtlijn 90/314. De kostprijs daarvan is aan Hellas betaald.

19      HQ e.a. hebben voor die vluchten, die gepland waren op 17 en 24 juli 2015, elektronische tickets ontvangen met daarop het logo van Aegean Airlines, alsook documenten waarop Hellas vermeld stond als charteraar.

20      Zoals uit de verwijzingsbeschikking volgt, heeft Hellas enkele dagen voor de overeengekomen vertrekdatum aan HQ e.a. een brief en een e‑mail gestuurd waarin zij hun meedeelde dat zij, vanwege de stilstand in het aantal boekingen en de annuleringen van bestaande boekingen ten gevolge van de „onduidelijkheden en onzekerheden over de status van Griekenland” op dat moment, gedwongen was de met Aegean Airlines overeengekomen vluchten te annuleren, aangezien deze laatste maatschappij, nu zij de vooraf met Hellas overeengekomen prijs niet meer zou ontvangen, had besloten om de vluchten naar en vanuit Corfu vanaf 17 juli 2015 niet meer uit te voeren. Daarop heeft Hellas HQ e.a. ervan in kennis gesteld dat hun pakketreis was geannuleerd.

21      Op 3 augustus 2016 is Hellas failliet verklaard. Zij heeft de vliegtickets niet terugbetaald aan HQ e.a.

22      HQ e.a. hebben bij de rechtbank Noord-Nederland gevorderd dat Aegean Airlines werd gelast hun een compensatie te betalen voor de annulering van de vlucht van 17 juli 2015 en hun de desbetreffende tickets terug te betalen uit hoofde van respectievelijk artikel 5, lid 1, onder c), van verordening nr. 261/2004 en artikel 8, lid 1, onder a), van deze verordening.

23      Primair heeft Aegean Airlines bestreden dat verordening nr. 261/2004 van toepassing was en heeft daartoe met name verwezen naar artikel 3, lid 6, van deze verordening.

24      De rechtbank Noord-Nederland heeft dat verweer bij tussenbeschikking van 14 november 2017 echter afgewezen, omdat de toepasselijkheid van verordening nr. 261/2004 ten gunste van passagiers die een pakketreis hebben geboekt niet is uitgesloten op grond van de genoemde bepaling, tenzij de annulering losstaat van de wil van de luchtvaartmaatschappij om de vluchten die deel uitmaken van die reis al dan niet uit te voeren, hetgeen in casu niet het geval was. Deze rechtbank heeft immers ten eerste overwogen dat het besluit om de vlucht te annuleren, is genomen door Aegean Airlines, dat duidelijk niet bereid was de vlucht uit te voeren tenzij Hellas haar vooraf de vastgestelde prijs betaalde, en ten tweede dat niet werd aangevoerd en evenmin was bewezen dat Hellas andere redenen had dan deze beslissing van Aegean Airlines om aan te kondigen dat de pakketreis werd geannuleerd.

25      Derhalve hebben HQ e.a. krachtens verordening nr. 261/2004 van Aegean Airlines een forfaitaire compensatie gekregen wegens annulering van de betrokken vlucht. Deze rechtbank heeft zich daarentegen niet uitgesproken over de vordering tot terugbetaling van de vliegtickets.

26      In dat verband heeft Aegean Airlines subsidiair aangevoerd dat, aangezien in casu sprake is van een pakketreis, uit artikel 8, lid 2, van verordening nr. 261/2004 volgde dat zij niet verplicht was om aan HQ e.a. het bedrag terug te betalen dat die laatsten aan Hellas voor hun vliegtickets hadden betaald.

27      Daarop heeft de rechtbank Noord-Nederland besloten de procedure te schorsen en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 8, lid 2, van verordening nr. 261/2004 aldus worden uitgelegd dat een passagier die op grond van de (in het nationale recht geïmplementeerde) richtlijn 90/[314]/EEG betreffende pakketreizen het recht heeft om zijn reisorganisator aan te spreken tot terugbetaling van zijn ticket, geen terugbetaling van de luchtvaartmaatschappij meer kan vorderen?

2)      Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, kan een passagier de luchtvaartmaatschappij dan toch tot terugbetaling van zijn ticket aanspreken, indien aannemelijk is dat zijn reisorganisator, ingeval deze aansprakelijk zou worden gesteld, financieel niet in staat is om het ticket daadwerkelijk terug te betalen en die reisorganisator ook geen garantiemaatregelen heeft getroffen om terugbetaling te waarborgen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

28      Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, lid 2, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een passagier die op grond van richtlijn 90/314 het recht heeft om terugbetaling van zijn vliegticket te eisen van zijn reisorganisator, daardoor niet meer krachtens deze verordening terugbetaling van dit ticket kan vorderen van de luchtvaartmaatschappij, ook niet wanneer de reisorganisator financieel niet in staat is om het ticket terug te betalen en geen enkele maatregel heeft getroffen om deze terugbetaling te waarborgen.

29      Wat de vraag betreft of passagiers die het recht hebben om hun reisorganisator aan te spreken tot terugbetaling van hun vliegtickets, de mogelijkheid hebben om tevens terugbetaling van hun tickets te vorderen van de luchtvaartmaatschappij, moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat de luchtvaartmaatschappij volgens artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, onder a), van deze verordening, in geval van annulering van een vlucht de betrokken passagiers bijstand dient te bieden die daarin bestaat dat hun met name de terugbetaling van hun ticket wordt aangeboden (zie arrest van 12 september 2018, Harms, C‑601/17, EU:C:2018:702, punt 12).

30      Voorts bepaalt artikel 8, lid 2, van deze verordening dat het recht op terugbetaling van het ticket ook van toepassing is op passagiers wier vlucht onderdeel is van een pakket, behalve wanneer een dergelijk recht bestaat krachtens richtlijn 90/314.

31      Uit deze duidelijke bewoordingen van bedoeld artikel 8, lid 2, volgt dat ingeval een passagier wiens vlucht deel uitmaakt van een pakketreis, op grond van richtlijn 90/314 recht heeft op terugbetaling, hij reeds daarom niet krachtens verordening 261/2004 terugbetaling van zijn ticket kan vorderen van de luchtvaartmaatschappij.

32      Deze uitlegging wordt bevestigd door de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 261/2004. Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 43 en 44 van zijn conclusie, volgt uit deze ontstaansgeschiedenis immers dat de Uniewetgever passagiers wier vlucht deel uitmaakt van een pakketreis weliswaar niet volledig heeft willen uitsluiten van de werkingssfeer van deze verordening, maar jegens hen de effecten heeft willen handhaven van het eerder bij richtlijn 90/314 ingevoerde stelsel waarvan geoordeeld werd dat het voldoende bescherming bood.

33      Zoals in dit verband voortvloeit uit artikel 3, lid 6, van verordening nr. 261/2004, is deze verordening niet van invloed op de rechten die passagiers die een pakketreis hebben gekocht, aan die richtlijn ontlenen.

34      Artikel 8, lid 2, van verordening nr. 261/2004 heeft derhalve tot gevolg dat de rechten op terugbetaling van een ticket krachtens respectievelijk deze verordening en richtlijn 90/314, niet cumulatief kunnen worden toegepast. Bovendien zou een dergelijke cumulatieve toepassing, zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie heeft opgemerkt, leiden tot een ongerechtvaardigde overmatige bescherming van de betrokken passagier ten koste van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, aangezien deze laatste in dit geval immers het risico loopt een deel van de aansprakelijkheid te moeten overnemen die op de reisorganisator rust jegens zijn klanten, krachtens de overeenkomst die deze heeft gesloten met die klanten.

35      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de passagiers die krachtens richtlijn 90/314 over het recht beschikken om zich tot hun reisorganisator te wenden om terugbetaling van hun vliegtickets te verkrijgen, niet op grond van verordening nr. 261/2004 terugbetaling kunnen vorderen van de luchtvaartmaatschappij.

36      Deze slotsom geldt eveneens ingeval de reisorganisator financieel niet in staat is om het ticket terug te betalen en geen maatregelen heeft genomen om die terugbetaling te waarborgen.

37      Gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 261/2004 is het immers niet relevant of de reisorganisator financieel niet in staat is om het ticket terug te betalen, of hij al dan niet maatregelen heeft genomen om die terugbetaling te waarborgen, en zelfs niet of in deze omstandigheden de verplichte terugbetaling aan de betrokken passagiers in gevaar komt.

38      Aan een dergelijke uitlegging van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 261/2004 wordt niet afgedaan door het voornaamste doel van deze verordening, te weten – blijkens overweging 1 ervan – een hoog niveau van bescherming van de passagiers te waarborgen.

39      Zoals volgt uit punt 32 van het onderhavige arrest heeft de Uniewetgever het voldoende bescherming biedende stelsel dat eerder bij richtlijn 90/314 was ingevoerd, immers juist in aanmerking genomen.

40      Meer in het bijzonder wordt in artikel 7 van deze richtlijn, gelezen in samenhang met de 21e overweging ervan, met name bepaald dat de reisorganisator dient aan te tonen over voldoende garanties te beschikken om in geval van insolvabiliteit of faillissement te zorgen voor terugbetaling van reeds betaalde bedragen.

41      Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 7 van richtlijn 90/314 de resultaatsverplichting bevat om reizigers met een pakketreis een recht te verlenen op gegarandeerde terugbetaling van de reeds betaalde bedragen in geval van faillissement van de reisorganisator en dat met deze garantie juist wordt beoogd de consument te beschermen tegen de gevolgen van het faillissement, ongeacht de oorzaken daarvan (zie in die zin arrest van 15 juni 1999, Rechberger e.a., C‑140/97, EU:C:1999:306, punt 74, en beschikking van 16 januari 2014, Baradics e.a., C‑430/13, EU:C:2014:32, punt 35).

42      Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat een nationale regeling de bij deze bepaling opgelegde verplichtingen slechts correct omzet wanneer zij, ongeacht de modaliteiten van de regeling tot resultaat heeft dat in geval van insolvabiliteit van de reisorganisator de terugbetaling van alle betaalde bedragen aan de passagiers daadwerkelijk gegarandeerd is (zie in die zin arrest van 15 juni 1999, Rechberger e.a., C‑140/97, EU:C:1999:306, punt 64, en beschikking van 16 januari 2014, Baradics e.a., C‑430/13, EU:C:2014:32, punt 38).

43      Ontbreekt een dergelijke garantie, dan heeft de betrokken reiziger, zoals uit vaste rechtspraak van het Hof volgt, in ieder geval de mogelijkheid een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de betrokken lidstaat wegens de schade die hij als gevolg van een schending van het Unierecht heeft geleden (zie in die zin arrest van 25 november 2010, Fuß, C‑429/09, EU:C:2010:717, punten 45‑48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 8, lid 2, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een passagier die op grond van richtlijn 90/314 het recht heeft om terugbetaling van zijn vliegticket te eisen van zijn reisorganisator, daardoor niet meer krachtens deze verordening terugbetaling van dit ticket kan vorderen van de luchtvaartmaatschappij, ook niet wanneer de reisorganisator financieel niet in staat is om het ticket terug te betalen en geen enkele maatregel heeft getroffen om deze terugbetaling te waarborgen.

 Kosten

45      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 8, lid 2, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, moet aldus worden uitgelegd dat een passagier die op grond van richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, het recht heeft om terugbetaling van zijn vliegticket te eisen van zijn reisorganisator, daardoor niet meer krachtens deze verordening terugbetaling van dit ticket kan vorderen van de luchtvaartmaatschappij, ook niet wanneer de reisorganisator financieel niet in staat is om het ticket terug te betalen en geen enkele maatregel heeft getroffen om deze terugbetaling te waarborgen.

Prechal

Biltgen

Malenovský

Fernlund

 

Rossi

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juli 2018.

De griffier

 

De president van de Derde kamer

A. Calot Escobar

 

A. Prechal


*      Procestaal: Nederlands.