Language of document : ECLI:EU:C:2019:604

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

11 juli 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Vervoer – Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikel 5, lid 1, onder c) – Artikel 7, lid 1 – Recht op compensatie – Rechtstreeks aansluitende vluchten – Vlucht bestaande uit twee vluchten uitgevoerd door verschillende luchtvaartmaatschappijen – Langdurige vertraging die is ontstaan bij de tweede vlucht, waarvan het begin- en eindpunt zich buiten de Europese Unie bevinden en die werd uitgevoerd door een in een derde land gevestigde vervoerder”

In zaak C‑502/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Městský soud v Praze (rechter voor de stad Praag, Tsjechië) bij beslissing van 17 mei 2018, ingekomen bij het Hof op 30 juli 2018, in de procedure

CS e.a.

tegen

České aerolinie a.s.,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, D. Šváby (rapporteur) en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        CS e.a., vertegenwoordigd door R. Jehne, advokát,

–        České aerolinie a.s., vertegenwoordigd door J. Horník, advokát,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Garofoli, avvocato dello Stato,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Němečková en N. Yerrell als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 5, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen CS e.a. (hierna: „betrokken passagiers”) en České aerolinie a.s., een luchtvaartmaatschappij, wegens de weigering van laatstgenoemde om compensatie te betalen aan die passagiers, wier rechtstreeks aansluitende vlucht met langdurige vertraging ter bestemming is aangekomen.

 Toepasselijke bepalingen

3        Artikel 2, onder b) en c), van verordening nr. 261/2004 bepaalt het volgende:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

b)      ‚luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’: een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier;

c)      ‚communautaire luchtvaartmaatschappij’: een luchtvaartmaatschappij met een geldige exploitatievergunning die door een lidstaat is verleend overeenkomstig de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen [(PB 1992, L 240, blz. 1)];”

4        Artikel 3 van deze verordening, met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt in de leden 1 en 5:

„1.      Deze verordening is van toepassing

a)      op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is;

[...]

5.      Deze verordening is van toepassing op elke luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert en vervoer aanbiedt aan passagiers als bedoeld in de leden 1 en 2. Indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, wordt zij geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier.”

5        Artikel 5, lid 1, onder c), van deze verordening bepaalt:

„In geval van annulering van een vlucht:

[...]

c)      hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij

i)      de annulering hun ten minste twee weken voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld, of

ii)      de annulering hun tussen twee weken en zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan twee uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan vier uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt, of

iii)      de annulering hun minder dan zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan één uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan twee uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt.”

6        Artikel 7, lid 1, van die verordening luidt als volgt:

„Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van:

[...]

c)      600 EUR voor alle niet onder a) of b) vallende vluchten.

[...]”

7        Artikel 13 van verordening nr. 261/2004 bepaalt:

„In gevallen waarin een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert compensatie betaalt of aan de overige verplichtingen voldoet die krachtens deze verordening op haar rusten, mag geen enkele bepaling van deze verordening worden uitgelegd als een beperking van het recht om volgens het geldend recht compensatie te verlangen van enige persoon, inclusief derden. Deze verordening beperkt met name geenszins het recht van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert om terugbetaling te eisen van een touroperator of enige andere persoon waarmee de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een overeenkomst heeft. Ook mag geen enkele bepaling van deze verordening worden uitgelegd als een beperking van het recht van een touroperator of een andere derde partij dan een passagier met wie een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een overeenkomst heeft, om volgens de relevante rechtsregels, terugbetaling of compensatie te verlangen van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

8        De betrokken elf passagiers hebben elk bij České aerolinie een vlucht geboekt van Praag (Tsjechië) naar Bangkok (Thailand) met een tussenlanding in Abu Dhabi (Verenigde Arabische Emiraten).

9        De eerste vlucht van de rechtstreeks aansluitende vluchten, van Praag naar Abu Dhabi werd door České aerolinie uitgevoerd in overeenstemming met het vluchtplan en is op het voorziene tijdstip ter bestemming aangekomen. De tweede vlucht, van Abu Dhabi naar Bangkok, werd op basis van een codesharingovereenkomst uitgevoerd door Etihad Airways, die geen „communautaire luchtvaartmaatschappij” is in de zin van artikel 2, onder c), van verordening nr. 261/2004, en was daarentegen 488 minuten vertraagd.

10      Nadat České aerolinie had geweigerd de betrokken passagiers compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 261/2004, hebben zij een vordering tegen deze vervoerder aanhangig gemaakt bij de bevoegde Tsjechische rechter van eerste aanleg. Deze rechter heeft hun compensatievordering toegewezen en met name geoordeeld dat České aerolinie, ook al had zij de langdurig vertraagde vlucht niet uitgevoerd, gehouden kon zijn tot betaling van die vergoeding uit hoofde van artikel 3, lid 5, laatste zin, van verordening nr. 261/2004.

11      Dit vonnis werd in hoger beroep bevestigd door de verwijzende rechter, de Městský soud v Praze (rechter voor de stad Praag, Tsjechië). In zijn beslissing van 26 april 2016 heeft de verwijzende rechter met name geoordeeld dat het niet nodig was om het Hof op grond van artikel 267 VWEU te verzoeken om een prejudiciële beslissing aangezien de uitlegging van artikel 3, lid 5, van verordening nr. 261/2004 duidelijk kon worden afgeleid uit de bewoordingen van deze verordening en uit het arrest van 28 februari 2013, Folkerts (C‑11/11, EU:C:2013:106). In dat verband overwoog de verwijzende rechter dat uit voormelde bepaling volgt dat České aerolinie rechtstreeks aansprakelijk is ten aanzien van de betrokken passagiers voor de schade die zij hebben geleden door de vertraging in het door Etihad Airways uitgevoerde vluchtsegment van de rechtstreeks aansluitende vlucht, aangezien het bepalende kenmerk van het juridische begrip „vertegenwoordiging” is, dat de handelingen van de vertegenwoordiger rechtstreeks worden toegerekend aan de vertegenwoordigde. Volgens de verwijzende rechter was die uitlegging van de verordening bovendien ook volkomen relevant voor de feitelijke situatie in het kader waarvan hij zich diende uit te spreken, en was zij correct, aangezien de aansprakelijkheid van de contractuele vervoerder voortvloeit uit de overeenkomst en de vervoerder niet aan zijn aansprakelijkheid kan ontsnappen op grond dat het vertraagde vluchtsegment door een andere partij was uitgevoerd, welke situatie naar zijn oordeel vergelijkbaar is met elke andere vorm van uitbesteding.

12      Deze beslissing werd echter vernietigd door de Ústavní soud (grondwettelijk hof, Tsjechië) bij beslissing van 31 oktober 2017. In zijn beslissing heeft de Ústavní soud de verwijzende rechter opgedragen de argumenten van České aerolinie te beoordelen, waarmee zij zich beriep op een beslissing van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), waarin deze rechter in een soortgelijke context heeft geoordeeld dat de contractuele vervoerder niet aansprakelijk was voor zover hij niet de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, was.

13      Nadat de zaak door de Ústavní soud naar hem was terugverwezen, stelde de verwijzende rechter vast dat de vordering tot compensatie van de betrokken passagiers slechts kan slagen indien de contractuele vervoerder, in casu České aerolinie, aansprakelijk kan worden gesteld voor de langdurige vertraging bij de aankomst van de vlucht die buiten de Europese Unie is uitgevoerd door een vervoerder die buiten de Unie is gevestigd, namelijk Etihad Airways. Daarvoor pleit het vereiste van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met name wanneer, zoals in casu, het gaat om rechtstreeks aansluitende vluchten waarvan een vlucht buiten de Unie wordt uitgevoerd door een niet-communautaire luchtvaartmaatschappij, waardoor verordening nr. 261/2004 niet van toepassing is. Voor het oordeel dat de contractuele luchtvaatmaatschappij niet aansprakelijk is, kan steun worden gevonden in het feit dat de verordening bepaalt dat de in artikel 7, lid 1, onder c), bedoelde vergoeding door de uitvoerende luchtvaartmaatschappij dient te worden betaald. Dat is bevestigd door de rechtspraak van het Bundesgerichtshof.

14      Daarop heeft de Městský soud v Praze (rechter voor de stad Praag) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is een communautaire luchtvaartmaatschappij verplicht krachtens artikel 3, lid 5, tweede zin, van [verordening nr. 261/2004] compensatie aan de passagiers te betalen wanneer de communautaire luchtvaartmaatschappij als contractuele vervoerder het eerste segment van rechtstreeks aansluitende vluchten heeft uitgevoerd, met een tussenlanding op een luchthaven in een derde land, van waaruit een vervoerder die geen communautaire luchtvaartmaatschappij is, op basis van een codesharingovereenkomst, het tweede segment van de vlucht heeft uitgevoerd en er een vertraging van meer dan drie uur was bij aankomst op de luchthaven van eindbestemming, die volledig is ontstaan in het tweede vluchtsegment?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

15      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 5, van deze verordening, aldus moeten worden uitgelegd dat in het kader van rechtstreeks aansluitende vluchten die bestaan uit twee vluchten – met vertrek in een luchthaven van een lidstaat en met als bestemming een luchthaven in een derde land na een tussenlanding in een ander derde land –, en die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht, een passagier die bij zijn aankomst op de eindbestemming het slachtoffer is van een vertraging van drie uur of meer, die is ontstaan in het kader van de tweede vlucht, welke op basis van een codesharingovereenkomst is uitgevoerd door een in een derde land gevestigde vervoerder, krachtens die verordening compensatie kan vorderen van de communautaire luchtvaartmaatschappij die de eerste vlucht heeft uitgevoerd.

16      Om te beginnen zij er ten eerste aan herinnerd dat rechtstreeks aansluitende vluchten bestaande uit twee of meer vluchten die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht één geheel vormen voor het krachtens verordening nr. 261/2004 aan passagiers toekomende recht op compensatie (zie in die zin arrest van 31 mei 2018, Wegener, C‑537/17, EU:C:2018:361, punten 18 en 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak), wat betekent dat bij de beoordeling van de toepasselijkheid van verordening nr. 261/2004 moet worden gezien naar de aanvankelijke plaats van vertrek en de eindbestemming van die rechtstreeks aansluitende vluchten (zie in die zin arrest van 31 mei 2018, Wegener, C‑537/17, EU:C:2018:361, punt 25).

17      Op grond van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 is deze verordening onder meer van toepassing op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is.

18      Rechtstreeks aansluitende vluchten zoals die in het hoofdgeding, van Praag naar Bangkok met een tussenlanding in Abu Dhabi, met een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat als vertrekpunt vallen dus binnen de werkingssfeer van verordening nr. 261/2004.

19      Ten tweede heeft het Hof voor recht verklaard dat de passagiers van vertraagde vluchten moeten worden geacht recht te hebben op de compensatie waarin is voorzien bij artikel 5, lid 1, onder c), van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, van deze verordening, wanneer zij bij de aankomst op hun eindbestemming drie uur of meer hebben verloren (zie in die zin arresten van 19 november 2009, Sturgeon e.a., C‑402/07 en C‑432/07, EU:C:2009:716, punt 61, en 23 oktober 2012, Nelson e.a., C‑581/10 en C‑629/10, EU:C:2012:657, punt 38).

20      Wat de vraag betreft wie aansprakelijk is voor de betaling van de compensatie die verschuldigd is in geval van langdurige vertraging bij aankomst van rechtstreeks aansluitende vluchten, zoals die in het hoofdgeding, blijkt uit de bewoordingen van artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 dat het daarbij alleen kan gaan om de „luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert” in de zin van artikel 2, onder b), van deze verordening.

21      Derhalve moet worden bepaald of in een situatie als die in het hoofdgeding een luchtvervoerder zoals České aerolinie als zodanig kan worden aangemerkt.

22      Volgens artikel 2, onder b), van verordening nr. 261/2004 is een „luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert” „een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier”.

23      Deze definitie voorziet dus twee cumulatieve voorwaarden om een luchtvaartmaatschappij te kunnen aanmerken als „luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert”, die ten eerste de uitvoering van de betrokken vlucht en ten tweede het bestaan van een met de passagier gesloten overeenkomst betreffen (arrest van 4 juli 2018, Wirth e.a., C‑532/17, EU:C:2018:527, punt 18).

24      In casu en zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing staat vast dat České aerolinie effectief een vlucht heeft uitgevoerd in het kader van een met de betrokken passagiers gesloten overeenkomst.

25      Bijgevolg moet zij worden gekwalificeerd als „luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert” (hierna ook: „uitvoerende luchtvaartmaatschappij”) en derhalve is zij, onder voorbehoud van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004, de compensatie verschuldigd waarin is voorzien bij artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1, van deze verordening.

26      Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door het door České aerolinie in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerde feit dat de vertraging die de passagiers in het hoofdgeding hebben geleden haar oorsprong niet vindt in de door deze vervoerder uitgevoerde eerste vlucht van de rechtstreeks aansluitende vluchten maar in de door een andere luchtvervoerder uitgevoerde tweede vlucht van die rechtstreeks aansluitende vluchten.

27      In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de in punt 16 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, rechtstreeks aansluitende vluchten bestaande uit twee of meer vluchten die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht, moeten worden gezien als één geheel, wat betekent dat een uitvoerende luchtvaartmaatschappij die de eerste vlucht heeft uitgevoerd zich in het kader van dergelijke vluchten niet kan verschuilen achter de slechte uitvoering van een latere vlucht door een andere luchtvervoerder.

28      Vervolgens wordt in artikel 3, lid 5, tweede zin, van verordening nr. 261/2004 gepreciseerd dat, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, zij wordt geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier.

29      In een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin in het kader van rechtstreeks aansluitende vluchten bestaande uit twee vluchten die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht, de tweede vlucht is uitgevoerd op basis van een codesharingovereenkomst door een andere uitvoerende luchtvaartmaatschappij dan de uitvoerende luchtvaartmaatschappij die een overeenkomst heeft gesloten met de betrokken passagiers en de eerste vlucht heeft uitgevoerd, blijft laatstgenoemde vervoerder contractueel gebonden aan de passagiers, zelfs in het kader van de uitvoering van de tweede vlucht.

30      Bovendien kan ook de in overweging 1 van verordening nr. 261/2004 vermelde doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de passagiers te verzekeren, de conclusie onderbouwen dat, in geval van rechtstreeks aansluitende vluchten die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht en worden uitgevoerd op basis van een codesharingovereenkomst, de uitvoerende luchtvaartmaatschappij die de eerste vlucht heeft uitgevoerd compensatie dient te betalen, zelfs indien de vertraging is ontstaan tijdens de tweede, door een andere luchtvervoerder uitgevoerde vlucht. Met een dergelijke oplossing kan immers worden gewaarborgd dat de vervoerde passagiers zullen worden vergoed door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en met hen een overeenkomst heeft gesloten, zonder rekening te hoeven houden met door deze vervoerder gemaakte afspraken betreffende de uitvoering van de tweede vlucht van de rechtstreeks aansluitende vluchten.

31      Ten slotte zij eraan herinnerd dat ingevolge artikel 13 van verordening nr. 261/2004 de nakoming door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert van de verplichtingen op grond van verordening nr. 261/2004 haar recht onverlet laat om van eenieder die ervoor verantwoordelijk is dat deze vervoerder zijn verplichtingen niet is nagekomen, dus ook van derden, volgens het geldende nationale recht schadevergoeding te vorderen (arrest van 11 mei 2017, Krijgsman, C‑302/16, EU:C:2017:359, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Bijgevolg, en meer in het bijzonder in geval van rechtstreeks aansluitende vluchten die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht en worden uitgevoerd op basis van een codesharingovereenkomst, zal het in voorkomend geval aan de uitvoerende luchtvaartmaatschappij die de in verordening nr. 261/2004 vastgestelde compensatie heeft moeten betalen wegens langdurige vertraging van een vlucht die zijzelf niet heeft uitgevoerd, staan om een vordering in te stellen tegen de uitvoerende luchtvaartmaatschappij die voor de vertraging verantwoordelijk is, teneinde vergoeding te verkrijgen van die financiële last.

33      Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 5, van deze verordening, aldus moeten worden uitgelegd dat in het kader van rechtstreeks aansluitende vluchten die bestaan uit twee vluchten – met vertrek in een luchthaven van een lidstaat en met als bestemming een luchthaven in een derde land na een tussenlanding in een ander derde land –, en die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht, een passagier die bij zijn aankomst op de eindbestemming het slachtoffer is van een vertraging van drie uur of meer, die is ontstaan in het kader van de tweede vlucht, welke op basis van een codesharingovereenkomst is uitgevoerd door een in een derde land gevestigde vervoerder, krachtens die verordening compensatie kan vorderen van de communautaire luchtvaartmaatschappij die de eerste vlucht heeft uitgevoerd.

 Kosten

34      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 5, van verordening nr. 261/2004, moeten aldus worden uitgelegd dat in het kader van rechtstreeks aansluitende vluchten die bestaan uit twee vluchten – met vertrek in een luchthaven van een lidstaat en met als bestemming een luchthaven in een derde land na een tussenlanding in een ander derde land –, en die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht, een passagier die bij zijn aankomst op de eindbestemming het slachtoffer is van een vertraging van drie uur of meer, die is ontstaan in het kader van de tweede vlucht, welke op basis van een codesharingovereenkomst is uitgevoerd door een in een derde land gevestigde vervoerder, krachtens die verordening compensatie kan vorderen van de communautaire luchtvaartmaatschappij die de eerste vlucht heeft uitgevoerd.

ondertekeningen


*      Procestaal: Tsjechisch.