Language of document : ECLI:EU:T:2019:502

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)

11 juli 2019 (*)

„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne – Bevriezing van tegoeden – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Handhaving van verzoekers naam op die lijst – Verplichting van de Raad om na te gaan of de beslissing van een autoriteit van een derde land is genomen met inachtneming van de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming”

In gevoegde zaken T‑244/16 en T‑285/17,

Viktor Fedorovych Yanukovych, wonende te Kiev (Oekraïne), vertegenwoordigd door T. Beazley, QC, E. Dean en J. Marjason-Stamp, barristers,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door P. Mahnič en J.‑P. Hix als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van, ten eerste, besluit (GBVB) 2016/318 van de Raad van 4 maart 2016 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2016, L 60, blz. 76), en uitvoeringsverordening (EU) 2016/311 van de Raad van 4 maart 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2016, L 60, blz. 1), en, ten tweede, besluit (GBVB) 2017/381 van de Raad van 3 maart 2017 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2017, L 58, blz. 34), en uitvoeringsverordening (EU) 2017/374 van de Raad van 3 maart 2017 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2017, L 58, blz. 1), voor zover verzoekers naam is gehandhaafd op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop deze beperkende maatregelen van toepassing zijn,

wijst

HET GERECHT (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: G. Berardis (rapporteur), president, D. Spielmann en Z. Csehi, rechters,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 oktober 2018,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        De context van deze zaken wordt gevormd door de beperkende maatregelen die tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen zijn vastgesteld in het licht van de situatie in Oekraïne na de onderdrukking van de betogingen op het Onafhankelijkheidsplein in Kiev (Oekraïne) in februari 2014.

2        Verzoeker, Viktor Fedorovych Yanukovych, is de voormalige president van Oekraïne.

3        Op 5 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 26) vastgesteld. Op diezelfde dag heeft de Raad verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 1) vastgesteld.

4        In de overwegingen 1 en 2 van besluit 2014/119 wordt het volgende gepreciseerd:

„(1)      Op 20 februari 2014 heeft de Raad alle gebruik van geweld in Oekraïne in de krachtigste bewoordingen veroordeeld. Hij heeft gevraagd dat er onmiddellijk een eind komt aan het geweld in Oekraïne en dat de mensenrechten en de fundamentele vrijheden ten volle worden gerespecteerd. Hij heeft de regering van Oekraïne opgeroepen de grootst mogelijke terughoudendheid aan de dag te leggen, en de oppositieleiders gevraagd zich te distantiëren van degenen die radicale acties, waaronder geweldpleging, ondernemen.

(2)      Op 3 maart 2014 is de Raad overeengekomen om beperkende maatregelen toe te spitsen op het bevriezen en het ontnemen van vermogensbestanddelen van personen die als verantwoordelijk geïdentificeerd zijn voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen, met het oog op het versterken en het ondersteunen van de rechtsstaat en de eerbied voor mensenrechten in Oekraïne.”

5        Artikel 1, leden 1 en 2, van besluit 2014/119 luidt als volgt:

„1.      Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de op de lijst in de bijlage geplaatste personen die als verantwoordelijk geïdentificeerd zijn voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne, en natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die banden hebben met hen, worden bevroren.

2.      Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.”

6        De uitvoeringsbepalingen met betrekking tot die bevriezing van tegoeden worden vastgesteld in artikel 1, leden 3 tot en met 6, van besluit 2014/119.

7        Overeenkomstig besluit 2014/119 schrijft verordening nr. 208/2014 voor dat maatregelen tot bevriezing van tegoeden worden vastgesteld en omschrijft zij de voorwaarden voor die bevriezing in bewoordingen die in wezen identiek zijn aan die van dat besluit.

8        De namen van de personen op wie die handelingen van toepassing zijn, zijn vermeld op de lijst in de bijlage bij besluit 2014/119 en op de daaraan identieke lijst in bijlage I bij verordening nr. 208/2014 (hierna: „lijst”) met onder meer de redenen voor hun plaatsing op die lijst.

9        Verzoekers naam was op de lijst opgenomen met als nadere gegevens „voormalig president van Oekraïne” en als motivering:

„Persoon tegen wie in Oekraïne strafvervolging is ingesteld voor misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne.”

10      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 mei 2014, heeft verzoeker beroep ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer T‑346/14 en met name strekte tot nietigverklaring van besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014, voor zover zij op hem betrekking hadden.

11      Op 29 januari 2015 heeft de Raad besluit (GBVB) 2015/143 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 24, blz. 16) en verordening (EU) 2015/138 tot wijziging van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 24, blz.1) vastgesteld.

12      Bij besluit 2015/143 zijn met ingang van 31 januari 2015 de criteria verduidelijkt voor plaatsing op de lijst van de personen op wie de bevriezing van tegoeden van toepassing is. In het bijzonder is artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119 vervangen door de volgende tekst:

„1.      Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de op de lijst in de bijlage geplaatste personen die zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne, en de natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die banden hebben met hen, worden bevroren.

Voor de toepassing van dit besluit worden onder meer beschouwd als personen die zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen alle personen tegen wie door de Oekraïense autoriteiten een onderzoek is ingesteld wegens:

a)      het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen of activa, of medeplichtigheid daaraan, of

b)      machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel voor zichzelf of een derde te verkrijgen ten koste van Oekraïense overheidsmiddelen of activa, of medeplichtigheid daaraan.”

13      Verordening 2015/138 heeft verordening nr. 208/2014 gewijzigd overeenkomstig besluit 2015/143.

14      Op 5 maart 2015 heeft de Raad besluit (GBVB) 2015/364 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 62, blz. 25), en uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 62, blz. 1) (hierna samen: „handelingen van maart 2015”) vastgesteld. Besluit 2015/364 heeft artikel 5 van besluit 2014/119 vervangen door de toepassing van beperkende maatregelen te verlengen, wat verzoeker betreft, tot en met 6 maart 2016 en heeft voorts de bijlage bij laatstgenoemd besluit gewijzigd. Uitvoeringsverordening 2015/357 heeft dientengevolge bijlage I bij verordening nr. 208/2014 gewijzigd.

15      Bij de handelingen van maart 2015 is verzoekers naam op de lijst gehandhaafd, met als nadere gegevens „voormalig president van Oekraïne” en als nieuwe motivering:

„Persoon tegen wie een strafvervolging is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten voor het verduisteren van overheidsmiddelen of activa.”

16      Op 8 april 2015 heeft verzoeker zijn conclusies in het kader van zaak T‑346/14 aangepast, zodat zij ook strekten tot nietigverklaring van besluit 2015/143, verordening 2015/138 en de handelingen van maart 2015, voor zover deze handelingen op hem betrekking hadden.

17      Op 6 november 2015 heeft de Raad verzoeker een brief van 3 september 2015 toegestuurd die afkomstig was van het bureau van de procureur-generaal van Oekraïne (hierna: „BPG”) en was gericht aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Bij brief van 26 november 2015 heeft verzoeker zijn opmerkingen ingediend.

18      Op 15 december 2015 heeft de Raad verzoeker een brief van het BPG van 30 november 2015 toegestuurd. In die brief heeft de Raad meegedeeld dat hij voornemens was de beperkende maatregelen tegen hem te handhaven en aangegeven binnen welke termijn hij met het oog op de jaarlijkse toetsing opmerkingen kon indienen. Bij brief van 4 januari 2016 heeft verzoeker zijn opmerkingen ingediend.

19      Op 4 maart 2016 heeft de Raad besluit (GBVB) 2016/318 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2016, L 60, blz. 76) en uitvoeringsverordening (EU) 2016/311 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2016, L 60, blz. 1) (hierna samen: „handelingen van maart 2016”) vastgesteld.

20      Bij de handelingen van maart 2016 is de toepassing van de beperkende maatregelen verlengd tot en met 6 maart 2017, zonder dat de motivering van verzoekers opname op de lijst is gewijzigd ten opzichte van de motivering van de handelingen van maart 2015.

21      Bij brief van 7 maart 2016 heeft de Raad verzoeker ervan in kennis gesteld dat de beperkende maatregelen tegen hem zouden worden gehandhaafd, vervolgens geantwoord op de door verzoeker in de vorige brieven geformuleerde opmerkingen en hem de handelingen van maart 2016 gezonden. Voorts heeft hij aangegeven binnen welke termijn verzoeker opmerkingen bij hem kon indienen voordat een besluit zou worden genomen over de eventuele handhaving van zijn naam op de lijst.

22      Bij arrest van 15 september 2016, Yanukovych/Raad (T‑346/14, EU:T:2016:497) heeft het Gerecht besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 nietig verklaard voor zover zij op verzoeker betrekking hebben, en het in de aanpassing van het verzoekschrift opgenomen verzoek tot nietigverklaring van besluit 2015/143 en verordening 2015/138 en van de handelingen van maart 2015 afgewezen.

23      Op 23 november 2016 heeft verzoeker tegen het arrest van 15 september 2016, Yanukovych/Raad (T‑346/14, EU:T:2016:497) bij het Hof van Justitie van de Europese Unie hogere voorziening ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer C‑598/16.

24      Bij brief van 12 december 2016 heeft de Raad verzoekers vertegenwoordigers ervan in kennis gesteld dat hij voornemens was de beperkende maatregelen tegen verzoeker te verlengen, twee brieven van het BPG van respectievelijk 10 augustus 2016 en 16 november 2016 eraan toegevoegd en in herinnering gebracht binnen welke termijn hij met het oog op de jaarlijkse toetsing van de beperkende maatregelen opmerkingen bij hem kon indienen. Verzoeker heeft bij brief van 11 januari 2017 dergelijke opmerkingen bij de Raad ingediend.

25      Op 3 maart 2017 heeft de Raad besluit (GBVB) 2017/381 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2017, L 58, blz. 34) en uitvoeringsverordening (EU) 2017/374 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2017, L 58, blz. 1) (hierna samen: „handelingen van maart 2017”) vastgesteld.

26      Bij de handelingen van maart 2017 is de toepassing van de beperkende maatregelen verlengd tot en met 6 maart 2018, zonder dat de motivering van verzoekers opname op de lijst is gewijzigd ten opzichte van de motivering van de handelingen van maart 2015 en maart 2016.

27      Bij brief van 6 maart 2017 heeft de Raad verzoeker meegedeeld dat de beperkende maatregelen tegen hem werden gehandhaafd. Hij heeft geantwoord op de in de vorige brieven door verzoeker geformuleerde opmerkingen en hem de handelingen van maart 2017 gezonden. Voorts heeft hij aangegeven binnen welke termijn verzoeker opmerkingen bij hem kon indienen voordat een besluit zou worden genomen over de eventuele handhaving van zijn naam op de lijst.

 Procedure en conclusies van partijen

28      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 mei 2016, heeft verzoeker tegen de handelingen van maart 2016 beroep tot nietigverklaring ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer T‑244/16.

29      Op 12 september 2016 heeft de Raad zijn verweerschrift in zaak T‑244/16 ingediend. Op 19 september 2016 heeft hij in het kader van deze zaak overeenkomstig artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in een met redenen omkleed verzoek verzocht de inhoud van bepaalde bijlagen bij het verzoekschrift en bepaalde punten van het verweerschrift niet aan te halen in de documenten betreffende deze zaak die toegankelijk zijn voor het publiek.

30      Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer, aan welke kamer zaak T‑244/16 dan ook is toegewezen.

31      In zaak T‑244/16 zijn de repliek en dupliek ter griffie van het Gerecht neergelegd op 28 oktober 2016 en 13 januari 2017.

32      Op 13 januari 2017 is de schriftelijke behandeling in zaak T‑244/16 gesloten.

33      Op 20 januari 2017 heeft de Raad een verzoek ingediend dat overeenkomt met het in punt 29 hierboven bedoelde verzoek, waarbij hij verzoekt de inhoud van bepaalde bijlagen bij de dupliek in zaak T‑244/16 niet aan te halen in de documenten betreffende die zaak die toegankelijk zijn voor het publiek.

34      Bij een op 3 februari 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoeker in zaak T‑244/16 om een pleitzitting verzocht.

35      Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 maart 2017, heeft verzoeker uit hoofde van artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering nieuw bewijsmateriaal toegevoegd aan het dossier in zaak T‑244/16. Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 april 2017, heeft de Raad zijn opmerkingen over dat nieuw bewijsmateriaal ingediend.

36      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 mei 2017, heeft verzoeker tegen de handelingen van maart 2017 beroep tot nietigverklaring ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer T‑285/17.

37      Bij arrest van 19 oktober 2017, Yanukovych/Raad (C‑598/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:786), heeft het Hof verzoekers hogere voorziening strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest van 15 september 2016, Yanukovych/Raad (T‑346/14, EU:T:2016:497), afgewezen.

38      Op 27 oktober 2017 heeft het Gerecht de partijen verzocht een standpunt in te nemen over de eventuele gevolgen van het arrest van 19 oktober 2017, Yanukovych/Raad (C‑598/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:786), op zaak T‑244/16 en zaak T‑285/17 en daarnaast over de eventuele voeging van deze zaken met het oog op de mondelinge behandeling en het arrest.

39      De antwoorden van de partijen op die maatregelen tot organisatie van de procesgang zijn ingediend respectievelijk op 9 november 2017 door verzoeker en op 10 november 2017 door de Raad. Wat de eventuele voeging van de zaken T‑244/16 en T‑285/17 betreft, meent verzoeker dat die in voorkomend geval uitsluitend voor de mondelinge behandeling van de zaak kan worden gerechtvaardigd. De Raad refereert zich aan het oordeel van het Gerecht.

40      Op 9 november 2017 heeft de Raad zijn verweerschrift in zaak T‑285/17 ingediend.

41      Op 20 november 2017 heeft de Raad in deze zaak een verzoek ingediend dat overeenkomt met het in punt 29 hierboven bedoelde verzoek, waarbij hij verzoekt de inhoud van bepaalde bijlagen bij het verzoekschrift en bepaalde punten van het verweerschrift niet aan te halen in de documenten betreffende deze zaak die toegankelijk zijn voor het publiek.

42      Op 24 november 2017 heeft het Gerecht geoordeeld dat een tweede memoriewisseling in zaak T‑285/17 niet nodig was. Bij brief van 6 december 2017 heeft verzoeker krachtens artikel 83, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering een met redenen omkleed verzoek ingediend ertoe strekkende dat het Gerecht de partijen toestemming verleent het dossier met een repliek en een dupliek aan te vullen. Bij beslissing van 19 december 2017 heeft het Gerecht dat verzoek ingewilligd en de datum vastgesteld waarop de repliek diende te zijn neergelegd.

43      De repliek en dupliek in zaak T‑285/17 zijn aldus ter griffie van het Gerecht neergelegd op 22 januari 2018 en 8 maart 2018.

44      Op 8 maart 2018 is de schriftelijke behandeling in zaak T‑285/17 gesloten.

45      Op 16 maart 2018 heeft de Raad een verzoek ingediend dat overeenkomt met het in punt 29 hierboven bedoelde verzoek, waarbij hij verzoekt de inhoud van bepaalde bijlagen bij de dupliek in zaak T‑285/17 niet aan te halen in de documenten betreffende deze zaak die toegankelijk zijn voor het publiek.

46      Bij beslissing van de president van de Zesde kamer van het Gerecht van 10 juli 2018 zijn de zaak T‑244/16, Yanukovych/Raad, en de zaak T‑285/17, Yanukovych/Raad, de partijen gehoord, overeenkomstig artikel 68 van het Reglement voor de procesvoering gevoegd voor de mondelinge behandeling en het eindarrest.

47      Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 september 2018, heeft verzoeker opmerkingen over het rapport ter terechtzitting ingediend.

48      Partijen hebben pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht ter terechtzitting van 3 oktober 2018, die, op verzoek van de Raad en nadat verzoeker is gehoord, gedeeltelijk achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden.

49      Ter terechtzitting heeft de Raad opmerkingen gemaakt over het rapport ter terechtzitting, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

50      Bij arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad (C‑530/17 P, EU:C:2018:1031) heeft het Hof het arrest van 7 juli 2017, Azarov/Raad (T‑215/15, EU:T:2017:479) vernietigd en de handelingen van maart 2015 nietig verklaard, voor zover zij betrekking hadden op de verzoekende partij in de zaak waarin dat arrest is gewezen.

51      Wegens de mogelijke gevolgen van de door het Hof in het arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad (C‑530/17 P, EU:C:2018:1031), gekozen oplossing heeft het Gerecht (Zesde kamer) in de onderhavige zaken bij beschikking van 7 januari 2019 beslist om in toepassing van artikel 113, lid 2, onder b), van het Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling te heropenen opdat partijen dienaangaande een standpunt zouden kunnen innemen.

52      Aldus heeft het Gerecht de partijen op 10 januari 2019 in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering opgenomen maatregelen tot organisatie van de procesgang uitgenodigd om bij het Gerecht hun opmerkingen in te dienen over de consequenties die in de onderhavige zaken uit het arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad (C‑530/17 P, EU:C:2018:1031), moeten worden getrokken. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

53      Verzoeker verzoekt het Gerecht zowel in zaak T‑244/16 als in zaak T‑285/17:

–        de handelingen van maart 2016 en deze van maart 2017 (hierna samen: „bestreden handelingen”) nietig te verklaren voor zover zij op hem betrekking hebben;

–        de Raad te verwijzen in de kosten.

54      Na de ter terechtzitting in antwoord op de vragen van het Gerecht verstrekte verduidelijkingen verzoekt de Raad het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Ontvankelijkheid van de verwijzing naar andere geschriften

55      Opgemerkt zij dat verzoeker in zijn schriftelijke stukken strekkende tot nietigverklaring van de handelingen van maart 2016 verwijst naar de schriftelijke stukken die bij het Gerecht zijn ingediend in het kader van de zaak waarin het arrest van 15 september 2016, Yanukovych/Raad (T‑346/14, EU:T:2016:497), is gewezen, en in zijn schriftelijke stukken strekkende tot nietigverklaring van de handelingen van maart 2017 verwijst naar diezelfde memories en naar de memories die zijn ingediend in het kader van het verzoek om nietigverklaring van de handelingen van maart 2016, die hij in bijlage voegt.

56      Zoals de Raad terecht benadrukt, dient er evenwel aan te worden herinnerd dat het ter verzekering van de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk is dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. Volgens vaste rechtspraak kan de tekst van het verzoekschrift weliswaar op specifieke punten worden onderbouwd en aangevuld met verwijzingen naar bepaalde uittreksels uit bijgevoegde stukken, maar kan een algemene verwijzing naar andere geschriften het ontbreken van de essentiële elementen van het juridische betoog, die overeenkomstig artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 76, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering in het verzoekschrift moeten worden vermeld, niet goedmaken (zie in die zin arresten van 15 juni 2017, Al-Faqih e.a./Commissie, C‑19/16 P, EU:C:2017:466, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 januari 2012, Djebel – SGPS/Commissie, T‑422/07, niet gepubliceerd, EU:T:2012:11, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57      Derhalve dient verzoekers algemene verwijzing naar zijn in het kader van de vorige zaken of zaak T‑244/16 ingediende schriftelijke stukken, voor zover het zaak T‑285/17 betreft, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

 Ten gronde

58      Ter ondersteuning van zijn beroepen tot nietigverklaring van de bestreden handelingen voert verzoeker zeven middelen aan die zijn ontleend aan: ten eerste het ontbreken van een rechtsgrondslag; ten tweede misbruik van bevoegdheid; ten derde een ontoereikende motivering; ten vierde niet-inachtneming van de criteria voor plaatsing op de lijst; ten vijfde een kennelijke beoordelingsfout; ten zesde schending van de rechten van verdediging en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en ten zevende schending van het eigendomsrecht.

59      Allereerst dient het vierde middel dat is ontleend aan de niet-inachtneming van de criteria voor plaatsing van verzoekers naam op de lijst, te worden onderzocht.

60      In het kader van dit middel voert verzoeker in wezen aan dat de redenen om zijn naam op de lijst te plaatsen, niet voldoen aan de door de bestreden handelingen vastgestelde criteria voor toepassing van de beperkende maatregelen.

61      Verzoeker betoogt in het bijzonder dat de kennisgeving dat hij als verdachte wordt beschouwd of het feit dat tegen hem een eenvoudig vooronderzoek is geopend, niet volstaat om hem voor de aangevoerde gedraging verantwoordelijk te stellen. Aangezien het toezicht op de naleving van de procedurevoorschriften tijdens het vooronderzoek wordt uitgeoefend door het BPG, dat volgens verzoeker niet de nodige waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt, had de Raad eveneens dienaangaande extra verificaties moeten verrichten. Voorts wijst verzoeker erop dat wat de tegen hem geopende vooronderzoeken betreft sinds de vaststelling van de betrokken beperkende maatregelen geen vooruitgang is geboekt en hij is het niet eens met de stelling van de Raad dat dit gebrek aan vooruitgang aan zijn eigen gedrag te wijten is. Ondanks dat toestemming is verleend om in een van de hem betreffende strafrechtelijke procedures tegen hem een onderzoek bij verstek te openen, werd immers geen enkele vooruitgang geboekt en geen enkel bewijs tegen hem verzameld.

62      Voorts tonen de brieven van het BPG waarop de Raad zich heeft gebaseerd, evenmin aan dat verzoeker onder een van de door het arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad (T‑256/11, EU:T:2014:93), aangewezen categorieën personen valt. Zelfs als ervan wordt uitgegaan dat in casu sprake is van een toereikende rechterlijke tussenkomst, met name wat de inbeslagname betreft van verzoekers eigendom en de toestemming om tegen hem maatregelen van voorlopige hechtenis vast te stellen, kan die tussenkomst niet als betrouwbaar en passend in de zin van die rechtspraak worden beschouwd aangezien de Oekraïense justitie niet de vereiste waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt, zelfs in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

63      Volgens verzoeker stelt de omstandigheid dat de Raad niet in staat is te beoordelen of verzoeker schuldig is en of de onderzoeken die op hem betrekking hebben gegrond zijn, hem niet vrij van de verplichting om in de uitoefening van zijn bevoegdheden de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde rechten en beginselen in acht te nemen en dus van de verplichting om na te gaan of en in welke mate verzoekers grondrechten werden of zijn gewaarborgd in Oekraïne.

64      De nakoming door de Raad van zijn verplichting volledige en grondige controles uit te voeren en zich ervan te vergewissen dat elk besluit houdende beperkende maatregelen op een voldoende solide feitelijke grondslag is vastgesteld, is in casu des te belangrijker omdat Oekraïne geen lidstaat van de Europese Unie is, de tegen verzoeker geuite beschuldigingen politieke achtergronden hebben, geen wezenlijke vooruitgang is geboekt met betrekking tot de strafrechtelijke procedures die de basis vormen voor de plaatsing van verzoekers naam op de lijst, de in Oekraïne geuite beschuldigingen niet zijn voorafgegaan door een evenwichtig of eerlijk beslissingsproces en ten slotte wegens de termijn waarbinnen de Raad het bewijsmateriaal en de gegevens heeft moeten onderzoeken op basis waarvan verzoekers naam opnieuw op de lijst is geplaatst.

65      In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht (zie punt 52 hierboven) verduidelijkt verzoeker dat de redenering en de oplossing van het Hof in het arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad (C‑530/17 P, EU:C:2018:1031), in casu van cruciaal belang zijn aangezien de omstandigheden die in die zaak aan de verificatieverplichting van de Raad ten grondslag liggen, in wezen dezelfde zijn als die op basis waarvan de bestreden handelingen zijn vastgesteld. Aldus verwijt verzoeker de Raad ten eerste niet te hebben onderzocht, in de overtuiging niet daartoe verplicht te zijn, of de beslissing van de Oekraïense autoriteiten waarop hij zich wilde baseren om verzoekers naam op de lijst te handhaven, met inachtneming van zijn rechten van verdediging en zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming was vastgesteld. Ten tweede verwijt hij de Raad in de motivering van de handhaving van zijn naam op de lijst niet te hebben aangegeven om welke redenen de Raad van mening was dat die beslissing van de Oekraïense autoriteiten met inachtneming van die rechten was vastgesteld. Bovendien ontbreken die redenen in de brieven van de Raad van 7 maart 2016 en 6 maart 2017 waarbij verzoeker ervan in kennis is gesteld dat de hem betreffende beperkende maatregelen zouden worden vernieuwd.

66      De Raad antwoordt daarop dat het besluit om verzoekers naam op grond van de in de brieven van het BPG vervatte gegevens te plaatsen op de lijst en vervolgens daarop te handhaven, voldoet aan de plaatsingscriteria en op een voldoende solide feitelijke grondslag is gebaseerd zodat kan worden vastgesteld dat tegen verzoeker strafvervolging is ingesteld voor het verduisteren van overheidsmiddelen.

67      Wat de stelling betreft dat het BPG niet voldoet aan de vereisten inzake rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid antwoordt de Raad dat het vooronderzoek dat door het BPG onder toezicht van de rechterlijke macht wordt gevoerd, een fase van de strafrechtelijke procedure vormt. Voorts wordt de doelstelling van de beperkende maatregelen niet bereikt wanneer zij niet kunnen worden vastgesteld tegen personen tegen wie een vooronderzoek voor deelname aan misdrijven is geopend, als de vooronderzoeken die tegen verzoeker zijn ingesteld.

68      In antwoord op de stelling dat de Raad zich niet rechtsgeldig op een strafrechtelijke procedure kan baseren zonder voorafgaandelijk te hebben geverifieerd in welke mate verzoekers grondrechten waren gewaarborgd in Oekraïne, voert de Raad ten eerste aan dat verzoeker niet heeft aangetoond dat zijn rechten daadwerkelijk waren geschonden. Ten tweede volg uit de rechtspraak niet dat de Raad dient te verifiëren of het recht op effectieve rechterlijke bescherming werd nageleefd door het derde land van de rechterlijke autoriteit die de verklaringen heeft afgegeven waarop de Raad zich heeft gebaseerd om beperkende maatregelen, als die welke aan de orde zijn, vast te stellen. Ten derde heeft verzoeker nog steeds het recht om zich in het kader van de hem betreffende strafrechtelijke procedures en de procedure voor het EHRM te verdedigen, wat de Raad niet belet om zich in afwachting van de uitkomst van die procedures bij het opleggen van beperkende maatregelen op het bestaan van lopende procedures te baseren.

69      Wat ten slotte verzoekers argument met betrekking tot het gebrek aan wezenlijke vooruitgang van de hem betreffende strafrechtelijke procedures betreft, antwoordt de Raad dat het van belang is dat de procedures lopen op het moment dat de bestreden handelingen worden vastgesteld en dat het gebrek aan vooruitgang bovendien te wijten is aan verzoeker die zich aan justitie heeft onttrokken.

70      De Raad brengt meer algemeen in herinnering dat hij volgens de rechtspraak niet is verplicht om met het oog op extra verduidelijkingen stelselmatig een eigen onderzoek in te stellen of verificaties te verrichten wanneer hij voor de vaststelling van beperkende maatregelen tegen personen die uit een derde land afkomstig zijn en tegen wie aldaar strafvervolging is ingesteld, zich baseert op gegevens die zijn verstrekt door de autoriteiten van dat derde land. Die verificaties zijn alleen noodzakelijk wanneer de ontvangen gegevens ontoereikend of onsamenhangend blijken te zijn. In casu is de Raad van mening dat hij daadwerkelijk is nagegaan of het besluit tot bevriezing van tegoeden betreffende verzoeker gelet op de Oekraïense strafvervolging wegens verduistering van middelen gegrond is.

71      In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht (zie punt 52 hierboven) stelt de Raad dat hij wist, ofschoon hij dat in de motivering niet heeft gepreciseerd, dat tijdens de strafrechtelijke onderzoeken betreffende verzoeker rechterlijk toezicht was uitgeoefend in Oekraïne. Uit de hierboven in de punten 17, 18 en 24 vermelde brieven van het BPG blijkt met name dat meerdere rechterlijke beslissingen in Oekraïne zijn gegeven met betrekking tot verzoeker, zoals het bevel tot inbeslagname van zijn eigendom door de districtsrechter van Petschersk (Kiev) en een beslissing van de beroepsrechter van Kiev om hem uit voorzorg in hechtenis te nemen. Het feit dat de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming werden in acht genomen en door verzoeker daadwerkelijk zijn uitgeoefend, blijkt bovendien uit de beslissing van die districtsrechter van Petschersk van 27 juli 2015 waarin staat dat de onderzoeksrechter in het kader van een van de strafrechtelijke procedures betreffende verzoeker in openbare zitting en met deelname van verzoekers advocaten het verzoek van het openbaar ministerie om de procureur toestemming te verlenen om een speciaal vooronderzoek bij verstek te voeren, heeft ingewilligd. Dat is eveneens het geval wat de beslissing betreft van diezelfde rechter, van 22 april 2016, om de klacht waarmee verzoekers verdediging aanvoert dat het BPG geen rekening heeft gehouden met een verzoek tot vaststelling van een procesrechtelijke maatregel in het kader van die procedure, gedeeltelijk gegrond te verklaren.

72      Volgens de Raad tonen die voorbeelden aan dat hij, toen hij zich baseerde op de in de brieven van het BPG vermelde beslissingen van de Oekraïense autoriteiten, heeft kunnen nagaan dat die beslissingen waren genomen met inachtneming van verzoekers rechten van verdediging en recht op effectief rechterlijk toezicht.

73      Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat de rechterlijke instanties van de Unie bij de toetsing van beperkende maatregelen de rechtmatigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig dienen te toetsen aan de grondrechten, die behoren tot de rechtsorde van de Unie, zoals met name de eerbiediging van de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming (zie arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punten 20 en 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74      De doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, vereist dat de Unierechter bij de toetsing van de rechtmatigheid van de redenen die ten grondslag liggen aan het besluit tot plaatsing of handhaving van de naam van een persoon op de lijst van personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, zich ervan vergewist dat dit besluit, dat een individuele strekking heeft voor die persoon, berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dit betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de motivering waarop dit besluit steunt, worden nagegaan, zodat de rechterlijke toetsing niet alleen een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor die handelingen, zijn gestaafd (zie arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75      De vaststelling en handhaving van de beperkende maatregelen als die opgenomen in besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 zoals gewijzigd, die tegen een persoon zijn genomen die als verantwoordelijke is geïdentificeerd voor het verduisteren van middelen van een derde land, zijn in wezen gebaseerd op de beslissing van een ter zake bevoegde autoriteit van dat derde land om een strafrechtelijk onderzoek in te leiden en te voeren met betrekking tot die persoon en het misdrijf van verduistering van overheidsmiddelen (zie in die zin arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punt 25).

76      Voorts kan de Raad op grond van het in punt 12 hierboven in herinnering gebrachte plaatsingscriterium weliswaar beperkende maatregelen baseren op de beslissing van een derde land, maar de verplichting voor deze instelling om de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming in acht te nemen brengt mee dat hij zich ervan dient te vergewissen dat de autoriteiten van het derde land door wie deze beslissing is genomen die rechten hebben geëerbiedigd (zie in die zin arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punten 26, 27 en 35).

77      In dit verband verduidelijkt het Hof dat het vereiste voor de Raad om na te gaan of de beslissingen van derde landen waarop hij zich wil baseren met inachtneming van deze rechten zijn genomen, tot doel heeft ervoor te zorgen dat de vaststelling of handhaving van de maatregelen tot bevriezing van de tegoeden alleen plaatsvindt op een voldoende solide feitelijke grondslag en zodanig dat de betrokken personen of entiteiten worden beschermd. Aldus kan de Raad zich pas op het standpunt stellen dat de vaststelling of de handhaving van die maatregelen op een voldoende solide feitelijke grondslag berusten nadat hij zelf heeft geverifieerd dat de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming in acht zijn genomen bij de vaststelling van de beslissing van het betrokken derde land waarop hij zich wil baseren (zie in die zin arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punten 28 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78      Voorts brengt de omstandigheid dat een derde land een van de staten is die zijn toegetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), weliswaar mee dat het EHRM toezicht uitoefent op de door dat verdrag gewaarborgde grondrechten, die overeenkomstig artikel 6, lid 3, VEU als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie, maar heeft zij niet tot gevolg dat het in punt 77 hierboven in herinnering gebrachte toetsingsvereiste overbodig wordt (zie in die zin arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punt 36).

79      Het Hof is ook van oordeel dat de Raad in de motivering van de vaststelling of handhaving van de beperkende maatregelen tegen een persoon of entiteit de redenen moet vermelden, ook al is het maar beknopt, waarom hij meent dat de beslissing van het derde land waarop hij zich wil baseren, is genomen met inachtneming van de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming. Om aan zijn motiveringsplicht te voldoen, moet de Raad in het besluit waarbij beperkende maatregelen worden opgelegd, aldus te zien geven dat hij heeft geverifieerd dat de beslissing van het derde land waarop hij die maatregelen baseert, met inachtneming van deze rechten is vastgesteld (zie in die zin arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80      Kortom, wanneer de Raad de vaststelling of de handhaving van beperkende maatregelen, als die in casu, baseert op de beslissing van een derde land om een strafrechtelijke procedure met betrekking tot de verduistering van overheidsmiddelen of activa door de betrokken persoon in te leiden en te voeren, moet hij, ten eerste, zich ervan vergewissen dat de autoriteiten van dat derde land bij de vaststelling van die beslissing de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming van de persoon tegen wie de betreffende strafvervolging is ingesteld in acht hebben genomen en, ten tweede, in het besluit waarbij beperkende maatregelen worden opgelegd de redenen vermelden waarom hij meent dat die beslissing van het derde land met inachtneming van die rechten is genomen.

81      Op basis van deze rechtspraakbeginselen dient te worden onderzocht of de Raad die verplichtingen is nagekomen.

82      Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat tegen verzoeker nieuwe beperkende maatregelen van kracht zijn die bij de bestreden handelingen zijn ingesteld op grond van het plaatsingscriterium in artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119, zoals verduidelijkt bij besluit 2015/143, en in artikel 3 van verordening nr. 208/2014, zoals verduidelijkt in verordening 2015/138 (zie punten 12 en 13 hierboven). Dit criterium voorziet in de bevriezing van tegoeden van personen die zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van overheidsmiddelen, daaronder begrepen personen tegen wie door de Oekraïense autoriteiten een onderzoek is ingesteld.

83      Het staat vast dat de Raad zich voor zijn besluit tot handhaving van verzoekers naam op de lijst heeft gebaseerd op het feit dat deze laatste een persoon is tegen wie een „strafvervolging is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten voor het verduisteren van overheidsmiddelen of activa”, wat is vastgesteld bij de brieven van het BPG van 3 september en 30 november 2015, wat de handelingen van maart 2016 betreft, en bij de brieven van 10 augustus en 16 november 2016, wat de handelingen van maart 2017 betreft.

84      De handhaving van de tegen verzoeker genomen beperkende maatregelen is derhalve gebaseerd, zoals dat het geval was in de zaak waarin het arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad (C‑530/17 P, EU:C:2018:1031), is gewezen, op de beslissing van het BPG om strafrechtelijke onderzoeken in te leiden en te voeren met betrekking tot een misdrijf van verduistering van aan de Oekraïense Staat toebehorende middelen.

85      In de eerste plaats dient evenwel te worden vastgesteld dat de motivering van de bestreden handelingen met betrekking tot verzoeker (zie punten 15, 20 en 26 hierboven) helemaal niet verwijst naar het feit dat de Raad is nagegaan of het Oekraïense gerechtelijke apparaat zijn rechten van verdediging en zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming in acht heeft genomen. Dit gebrek aan motivering vormt dan ook een eerste aanwijzing voor het feit dat de Raad die verificaties niet heeft verricht.

86      In de tweede plaats kan op grond van geen enkel element in de quasi-identieke brieven van 7 maart 2016 (zie punt 21 hierboven), wat zaak T‑244/16 betreft, en van 6 maart 2017 (zie punt 27 hierboven), wat zaak T‑285/17 betreft, worden gesteld dat de Raad over informatie beschikte dat de Oekraïense autoriteiten de desbetreffende rechten in het kader van de strafrechtelijke procedures met betrekking tot verzoeker in acht hebben genomen, laat staan dat de Raad die gegevens zou hebben beoordeeld ter verificatie of het Oekraïense gerechtelijke apparaat die rechten bij de vaststelling van de beslissing om een strafrechtelijk onderzoek betreffende een misdrijf van verduistering van overheidsmiddelen of activa door verzoeker in te leiden en te voeren, in voldoende mate in acht heeft genomen. In die brieven geeft de Raad immers alleen maar aan, zoals dat het geval was in de zaak waarin het arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad (C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punt 24), is gewezen, dat de brieven van het BPG, die voorafgaandelijk aan verzoeker waren meegedeeld (zie punten 18 en 24 hierboven), aantoonden dat deze nog steeds voor het verduisteren van overheidsmiddelen of activa strafrechtelijk werd vervolgd. Bovendien maakt de omstandigheid dat Oekraïne een van de staten is die zijn toegetreden tot het EVRM, wat door de Raad in zijn brieven en zijn schriftelijke stukken uitdrukkelijk wordt vermeld, de verificatie van de inachtneming van verzoekers rechten van verdediging en recht op effectieve rechterlijke bescherming niet overbodig (zie punt 78 hierboven).

87      In de derde plaats dient te worden opgemerkt dat de Raad, in tegenstelling tot wat hij beweert, verplicht was die controle uit te voeren ongeacht welk bewijs verzoeker aandraagt om aan te tonen dat zijn persoonlijke situatie in casu was aangetast door de problemen die hij met betrekking tot de werking van de justitie in Oekraïne had geïdentificeerd. Ondanks het feit dat verzoeker herhaaldelijk op basis van specifiek door hem aangedragen bewijsmateriaal heeft aangevoerd dat het Oekraïens gerechtelijk apparaat zijn rechten van verdediging en zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming niet in acht had genomen en dat de situatie in Oekraïne over het algemeen dusdanig was dat van voldoende waarborgen in dat verband geen sprake was, heeft de Raad hoe dan ook geen melding gemaakt van het feit dat hij was nagegaan of die rechten in acht waren genomen. De Raad heeft integendeel in zijn schriftelijke stukken herhaaldelijk verklaard dat hij aan geen enkele verplichting in die zin was onderworpen en dat dergelijke verplichting evenmin voortvloeide uit de rechtspraakbeginselen die in het door verzoeker ingeroepen arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE (C‑599/14 P, EU:C:2017:583), zijn ontwikkeld.

88      In de vierde plaats heeft de Raad in zijn antwoord op de vraag over de gevolgen voor de onderhavige zaken van het arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad (C‑530/17 P, EU:C:2018:1031), alleen de in punt 71 hierboven samengevatte argumenten naar voren gebracht.

89      In dat verband dient ten eerste te worden geconstateerd dat de Raad toegeeft dat in de motivering van de bestreden handelingen niet wordt ingegaan op de vraag of de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming zijn in acht genomen bij de beslissing om strafrechtelijke procedures in te leiden en te voeren die voor de plaatsing en handhaving van verzoekers naam op de lijst als rechtvaardiging hebben gediend.

90      Ten tweede dient te worden opgemerkt dat de Raad betoogt dat uit de dossiers van de onderhavige zaken duidelijk blijkt dat tijdens het voeren van de strafrechtelijke onderzoeken rechterlijk toezicht is uitgeoefend in Oekraïne. Dat in het kader van de strafrechtelijke procedures met betrekking tot verzoeker meerdere rechterlijke beslissingen zijn gegeven, toont volgens de Raad meer in het bijzonder aan dat hij, toen hij zich baseerde op de in de brieven van het BPG vermelde beslissing van de Oekraïense autoriteiten, heeft kunnen nagaan dat die beslissing met inachtneming van de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming was genomen en daarnaast zich ervan heeft vergewist dat verschillende in het kader van die strafrechtelijke procedures gegeven rechterlijke beslissingen met inachtneming van die rechten zijn gegeven.

91      Alle door de Raad vermelde rechterlijke beslissingen passen evenwel in het kader van de strafrechtelijke procedures die voor de plaatsing en handhaving van verzoekers naam op de lijst als rechtvaardiging hebben gediend en zijn slechts van ondergeschikt belang ten opzichte van die procedures aangezien zij bij wijze van bewarende of procesrechtelijke maatregel zijn genomen. Die beslissingen kunnen weliswaar de stelling van de Raad bevestigen dat er een voldoende solide feitelijke grondslag bestaat, te weten dat overeenkomstig het plaatsingscriterium tegen verzoeker strafvervolging was ingesteld met name voor het misdrijf van verduistering van aan de Oekraïense Staat toebehorende middelen of activa. Die beslissingen vormen op zich evenwel geen ontologisch bewijs voor de bewering van de Raad dat de beslissing van het Oekraïense gerechtelijke apparaat om die strafrechtelijke procedures waarop de handhaving van de beperkende maatregelen tegen verzoeker in wezen is gebaseerd, in te leiden en te voeren, is genomen met inachtneming van zijn rechten van verdediging en recht op effectieve rechterlijke bescherming.

92      In elk geval kan de Raad geen enkel aan de vaststelling van de bestreden handelingen ten grondslag liggend stuk uit het procesdossier noemen waaruit zou blijken dat hij de thans door hem aangevoerde beslissingen van de Oekraïense rechterlijke instanties heeft onderzocht en op grond daarvan heeft kunnen concluderen dat verzoekers rechten van verdediging en recht op effectieve rechterlijke bescherming in essentie in acht zijn genomen.

93      Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat de Raad op grond van de gegevens waarover hij bij de vaststelling van de bestreden handelingen beschikte, heeft kunnen nagaan dat de beslissing van het Oekraïense gerechtelijke apparaat met inachtneming van die rechten van verzoeker was genomen.

94      Voorts dient in dat verband eveneens te worden opgemerkt, zoals verduidelijkt in het arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad (C‑530/17 P, EU:C:2018:1031), dat de rechtspraak van het Hof volgens welke met name in geval van vaststelling van een besluit tot bevriezing van tegoeden als dat betreffende verzoeker, het aan de Raad of het Gerecht staat om de gegrondheid na te gaan niet van de onderzoeken die zijn ingesteld tegen de persoon op wie die maatregelen in Oekraïne van toepassing zijn, maar uitsluitend van het besluit tot bevriezing van de tegoeden in het licht van het stuk of de stukken waarop dat besluit was gebaseerd (zie in die zin arresten van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad, C‑220/14 P, EU:C:2015:147, punt 77; 19 oktober 2017, Yanukovych/Raad, C‑599/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:785, punt 69, en 19 oktober 2017, Yanukovych/Raad, C‑598/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:786, punt 72), niet aldus mag worden uitgelegd dat de Raad niet hoeft na te gaan of de beslissing van een derde land waarop hij de vaststelling van beperkende maatregelen wil baseren, is genomen met inachtneming van de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming (zie in die zin arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95      In het licht van een en ander is niet aangetoond dat de Raad voorafgaand aan de vaststelling van de bestreden handelingen is nagegaan of het Oekraïense gerechtelijke apparaat verzoekers rechten van verdediging en recht op rechterlijke bescherming in acht heeft genomen.

96      In die omstandigheden dienen de bestreden handelingen nietig te worden verklaard voor zover zij op verzoeker betrekking hebben, zonder dat het nodig is de door verzoeker aangevoerde andere middelen en argumenten of de door de Raad ingediende verzoeken om vertrouwelijke behandeling te onderzoeken.

 Kosten

97      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van verzoeker in de kosten worden verwezen.

HET GERECHT (Zesde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Besluit (GBVB) 2016/318 van de Raad van 4 maart 2016 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, uitvoeringsverordening (EU) 2016/311 van de Raad van 4 maart 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, alsook besluit (GBVB) 2017/381 van de Raad van 3 maart 2017 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne en uitvoeringsverordening (EU) 2017/374 van de Raad van 3 maart 2017 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, worden nietig verklaard voor zover de naam van Viktor Fedorovych Yanukovych is gehandhaafd op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop die beperkende maatregelen van toepassing zijn.

2)      De Raad van de Europese Unie zal, naast zijn eigen kosten, de kosten van Yanukovych dragen.

Berardis

Spielmann

Csehi

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 juli 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.