Language of document :

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

3 oktober 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 17, lid 1 – Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten – Begrip ,consument’” – Natuurlijke persoon die via een effectenmakelaarskantoor transacties verricht op de internationale wisselmarkt – Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) – Richtlijn 2004/39/EG – Begrip ,niet-professionele belegger’”

In zaak C‑208/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) bij beslissing van 13 maart 2018, ingekomen bij het Hof op 23 maart 2018, in de procedure

Jana Petruchová

tegen

FIBO Group Holdings Limited,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader, A. Rosas, L. Bay Larsen en M. Safjan (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 31 januari 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        Jana Petruchová, vertegenwoordigd door M. Hostinský, advokát,

–        FIBO Group Holdings Limited, vertegenwoordigd door J. Komárek, advokát,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Šimerdová en M. Heller als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 17, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Jana Petruchová en FIBO Group Holdings Limited (hierna: „FIBO”) over een vordering tot betaling van het verschil tussen de door Petruchová behaalde winst en de winst die zij zou hebben behaald indien de door haar geplaatste order voor de aankoop van een vreemde valuta door FIBO zonder vertraging was uitgevoerd.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 1215/2012

3        De overwegingen 15, 16 en 18 van verordening nr. 1215/2012 luiden:

„(15)      De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. [...]

(16)      Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. [...]

[...]

(18)      In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.”

4        Afdeling 4 („Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”) van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 omvat de artikelen 17 tot en met 19 van deze verordening. In artikel 17, leden 1 en 3, van die verordening is bepaald:

„1. Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 6 en artikel 7, punt 5, wanneer:

a)       het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken;

b)       het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken, of

c)       in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.

[...]

3. Deze afdeling is niet van toepassing op vervoerovereenkomsten, behoudens overeenkomsten waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf worden aangeboden.”

5        Artikel 18, lid 1, van dezelfde verordening luidt:

„De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij, ongeacht de woonplaats van de wederpartij, voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft.”

6        In artikel 19 van verordening nr. 1215/2012 staat te lezen:

„Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

1)       gesloten na het ontstaan van het geschil;

2)       die aan de consument de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken, of

3)       waarbij een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde lidstaat hebben, de gerechten van die lidstaat bevoegd verklaren, tenzij het recht van die lidstaat dergelijke overeenkomsten verbiedt.”

7        In artikel 25, lid 4, van de verordening is bepaald:

„Overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht en soortgelijke bedingen in akten tot oprichting van een trust hebben geen rechtsgevolg indien zij strijdig zijn met de artikelen 15, 19 of 23, of indien de gerechten op welker bevoegdheid inbreuk wordt gemaakt, krachtens artikel 24 bij uitsluiting bevoegd zijn.”

 Rome I-verordening

8        De overwegingen 7, 28 en 30 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6; hierna: „Rome I-verordening”) luiden:

„(7) Het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van deze verordening moeten stroken met verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [(PB 2001, L 12, blz. 1)] (‚Brussel I’) en verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‚Rome II’) [(PB 2007, L 199, blz. 40)].

[...]

(28)       Er moet voor gezorgd worden dat rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen niet onder de algemene regel voor consumentenovereenkomsten vallen, aangezien zulks ertoe kan leiden dat op een enkel uitgegeven instrument verschillende wetgevingen van toepassing zijn, hetgeen de aard ervan wijzigt en handel en aanbod minder vervangbaar maakt. [...]

(30) Voor de toepassing van deze [verordening] zijn financiële instrumenten en verhandelbare effecten de instrumenten in de zin van artikel 4 van richtlijn 2004/39/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB 2004, L 145, blz. 1)].”

9        Artikel 1 van de Rome I-verordening heeft als opschrift „Materiële werkingssfeer” en bepaalt in lid 1, eerste alinea:

„Deze verordening is, in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken.”

10      Artikel 6 van die verordening heeft als opschrift „Consumentenovereenkomsten” en bepaalt:

„1. Onverminderd de artikelen 5 en 7 wordt de overeenkomst gesloten door een natuurlijke persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd (‚de consument’) met een andere persoon die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep (‚de verkoper’) beheerst door het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, op voorwaarde dat:

a)       de verkoper zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in het land waar de consument woonplaats heeft, of

b)       dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op dat land of op verscheidene landen, met inbegrip van dat land,

en de overeenkomst onder die activiteiten valt.

[...]

4. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op:

[...]

d)       rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen en rechten en verplichtingen waardoor de voorwaarden voor de emissie, de openbare aanbieding of een overnamebod met betrekking tot verhandelbare effecten en de inschrijving en terugkoop van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve beleggingen worden vastgelegd, voor zover deze geen verrichting van een financiële dienst vormen;

[...]”

 Richtlijn 2004/39

11      Artikel 4 van richtlijn 2004/39 had als opschrift „Definities” en bepaalde in lid 1:

„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

10)      cliënt: iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wie een beleggingsonderneming beleggingsdiensten en/of nevendiensten verricht;

11)      professionele cliënt: een cliënt die voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage II;

12)       niet-professionele belegger: een niet-professionele cliënt;

[...]

17)       financieel instrument: alle instrumenten die zijn genoemd in deel C van bijlage I;

[...]”

12      Onder het opschrift „Financiële instrumenten” bevatte deel C van bijlage I bij richtlijn 2004/39 de lijst van financiële instrumenten die onder deze richtlijn vallen. Tot deze financiële instrumenten behoorden de in punt 9 van dat deel vermelde „financiële contracten ter verrekening van verschillen (contracts for differences)”.

13      Onder het opschrift „Categorieën cliënten die als professioneel worden aangemerkt” was in deel I van bijlage II bij richtlijn 2004/39 gepreciseerd:

„Voor de toepassing van deze richtlijn moeten alle onderstaande entiteiten als professionele cliënten op het gebied van beleggingsdiensten en -activiteiten en financiële instrumenten worden aangemerkt.

1.      Entiteiten die een vergunning moeten hebben of gereglementeerd moeten zijn om op financiële markten actief te mogen zijn. Onderstaande lijst moet worden gezien als een lijst van alle vergunninghoudende entiteiten die de karakteristieke werkzaamheden van de genoemde entiteiten uitoefenen: [...]

a)       kredietinstellingen;

b)       beleggingsondernemingen

c)       andere vergunninghoudende of gereglementeerde financiële instellingen;

[...]

2.      [G]rote ondernemingen die op individueel niveau aan twee van de onderstaande omvangvereisten voldoen:

– balanstotaal:             20 000 000 EUR

– netto-omzet:             40 000 000 EUR

– eigen vermogen:       2 000 000 EUR,

3.      Nationale en regionale overheden, overheidsorganen die de overheidsschuld beheren, centrale banken, internationale en supranationale instellingen zoals de Wereldbank, het [Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Europese Centrale Bank (ECB), de Europese Investeringsbank (EIB)] en andere vergelijkbare internationale organisaties.

4.       Andere institutionele beleggers [...].

Bovenstaande entiteiten worden als professionele cliënten beschouwd. Zij moeten echter om behandeling als niet-professionele cliënt kunnen verzoeken, en beleggingsondernemingen kunnen ermee instemmen [hun] een hoger beschermingsniveau te bieden. Wanneer de cliënt van een beleggingsonderneming een onderneming is als hierboven bedoeld, moet de beleggingsonderneming, alvorens enigerlei diensten te verrichten, de cliënt ervan in kennis stellen dat hij op grond van de informatie waarover de beleggingsonderneming beschikt, als professionele cliënt wordt beschouwd en derhalve als zodanig zal worden behandeld, tenzij de beleggingsonderneming en de cliënt anders overeenkomen. [...]

[...]”

14      Onder het opschrift „Cliënten die op verzoek als professionele cliënt kunnen worden behandeld” bevatte deel II van bijlage II bij die richtlijn een punt II.1 („Criteria aan de hand waarvan wordt bepaald of een cliënt als professioneel aan te merken is”). In dit punt stond te lezen:

„[...]

Het moet beleggingsondernemingen [...] toegestaan zijn [andere cliënten dan die welke in deel I zijn vermeld] als professionele cliënt te behandelen, mits aan de onderstaande toepasselijke criteria is voldaan en de hieronder beschreven procedure wordt gevolgd. Er mag evenwel niet worden aangenomen dat de marktkennis en -ervaring van deze cliënten vergelijkbaar is met die van de in deel I genoemde categorieën professionele cliënten.

Er kan slechts op geldige wijze van de [...] bescherming afstand worden gedaan wanneer een [...] adequate beoordeling [wordt verricht].

[...]

In het kader van bovenbedoelde beoordeling moet blijken dat ten minste aan twee van de volgende criteria is voldaan:

–       tijdens de voorafgaande vier kwartalen heeft de cliënt op de desbetreffende markt per kwartaal gemiddeld 10 transacties van significante omvang verricht;

–       de omvang van de portefeuille financiële instrumenten van de cliënt, welke zowel deposito’s in contanten als financiële instrumenten omvat, is groter dan 500 000 EUR;

–       de cliënt is gedurende ten minste een jaar werkzaam of werkzaam geweest in de financiële sector, waar hij een beroepsbezigheid uitoefent of heeft uitgeoefend waarbij kennis van de beoogde transacties of diensten vereist is of was.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

15      Petruchová is woonachtig op het grondgebied van Tsjechië. FIBO is een effectenmakelaarskantoor naar Cypriotisch recht dat beroepsmatig activiteiten verricht op het gebied van effecten.

16      Op 2 oktober 2014 heeft Petruchová op afstand een raamovereenkomst (hierna: „raamovereenkomst”) met FIBO gesloten om op de internationale wisselmarkt Forex (Foreign Exchange) (hierna: „Forex-markt”) transacties te kunnen verrichten door het plaatsen van orders voor de aan- en verkoop van de basisvaluta die FIBO moest uitvoeren via haar online handelsplatform.

17      Daartoe voorzag de raamovereenkomst in de sluiting tussen Petruchová en FIBO van individuele overeenkomsten die werden gekwalificeerd als financiële contracten ter verrekening van verschillen (hierna: „CFD”). CFD’s zijn financiële instrumenten die tot doel hebben winst te maken op het verschil tussen de wisselkoersen ten opzichte van de tegenvaluta die van toepassing zijn bij de aankoop respectievelijk de verkoop van de basisvaluta.

18      Hoewel op de Forex-markt transacties kunnen worden verricht met eigen middelen, heeft Petruchová gebruikgemaakt van de mogelijkheid om te handelen met „lots” – waarbij één lot 100 000 dollar van de Verenigde Staten (USD) (ongeveer 88 000 EUR) waard is – en zo het hefboomeffect laten spelen. Dankzij dit mechanisme kon zij met een groter volume aan middelen handelen dan waarover zij beschikte. Toen zij haar positie opende door de basisvaluta te kopen, is zij dan ook bij FIBO een lening aangegaan. Deze lening heeft zij terugbetaald door haar positie te sluiten middels de verkoop van de basisvaluta.

19      Clausule 30 van de raamovereenkomst bevatte een forumkeuzebeding ten gunste van de Cypriotische rechterlijke instanties.

20      Op 3 oktober 2014 heeft Petruchová met FIBO een CFD gesloten op grond waarvan FIBO een order heeft geplaatst voor de aankoop van 35 lots tegen een vaste wisselkoers ten opzichte van de Japanse yen (JPY).

21      Omdat in het handelssysteem van FIBO een lange reeks orders moest worden verwerkt, is de door Petruchová geplaatste order door die vennootschap uitgevoerd met een vertraging van 16 seconden. In dit tijdsinterval schommelde de USD/JPY-wisselkoers op de Forex-markt. Dientengevolge heeft FIBO het door Petruchová bestelde bedrag aan dollars van de Verenigde Staten gekocht tegen een andere USD/JPY-wisselkoers dan die welke Petruchová bij de bevestiging van haar aankooporder had aanvaard.

22      Volgens Petruchová zou zij drie keer zoveel winst hebben behaald indien haar order voor de aankoop van de basisvaluta tijdig en zonder vertraging was uitgevoerd.

23      Op 12 oktober 2015 heeft Petruchová dan ook beroep ingesteld bij de Krajský soud v Ostravě (rechter in eerste aanleg Ostrava, Tsjechië), waarbij zij aanvoerde dat FIBO ongerechtvaardigd was verrijkt.

24      Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Petruchová de zaak bij het gerecht van haar woonplaats aanhangig gemaakt, omdat zij zichzelf beschouwt als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012. Evenzo was zij van mening dat een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht die met een consument is gesloten vóór het ontstaan van het geschil, op grond van artikel 19, punt 1, en artikel 25, lid 4, van die verordening geen rechtsgevolg heeft.

25      Bij beschikking van 29 september 2016 heeft de Krajský soud v Ostravě Petruchová’s beroep verworpen. Deze rechter is tot de slotsom gekomen dat het in clausule 30 van de raamovereenkomst opgenomen forumkeuzebeding geldig was, zodat hij niet internationaal bevoegd was om zich uit te spreken over het voor hem aanhangige geding. Volgens hem was Petruchová geen „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, omdat zij de CFD in kwestie niet had gesloten om te voldoen aan haar persoonlijke behoeften, beschikte over de voor het sluiten van CFD’s benodigde kennis en vereiste deskundigheid, had gehandeld om winst te maken en was gewaarschuwd voor de aan CFD’s verbonden risico’s, alsmede voor het feit dat deze overeenkomsten niet geschikt zijn voor „niet-professionele beleggers” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39. Subsidiair heeft de Krajský soud v Ostravě geoordeeld dat artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als artikel 6 van de Rome I-verordening, teneinde de uniformiteit te handhaven van de regels inzake wetsconflicten en de regels inzake de vaststelling van internationale jurisdictie op het gebied van door consumenten gesloten overeenkomsten. Financiële instrumenten zijn volgens die rechter evenwel uitgesloten van de werkingssfeer van laatstgenoemde bepaling.

26      Bij beschikking van 17 januari 2017 heeft de Vrchní soud v Olomouci (rechter in tweede aanleg Olomouc, Tsjechië) de beschikking van de Krajský soud v Ostravě bevestigd.

27      Derhalve heeft Petruchová tegen de eerste beschikking beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter, de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië).

28      De verwijzende rechter merkt op dat clausule 30 van de raamovereenkomst, waarbij aan de Cypriotische rechterlijke instanties exclusieve bevoegdheid wordt toegekend, geen rechtsgevolg heeft indien Petruchová moet worden beschouwd als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012.

29      In dit verband herinnert hij eraan dat overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht volgens artikel 25, lid 4, van deze verordening geen rechtsgevolg hebben indien zij in strijd zijn met artikel 19 van die verordening. Op grond van dit artikel kan van afdeling 4 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 – in welke afdeling de bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten wordt geregeld – alleen worden afgeweken door overeenkomsten die na het ontstaan van het geschil zijn gesloten, door overeenkomsten die aan de consument de mogelijkheid bieden de zaak aanhangig te maken bij andere gerechten dan de in die afdeling genoemde, of door overeenkomsten waarbij een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde lidstaat hebben, de gerechten van die lidstaat bevoegd verklaren.

30      Volgens de verwijzende rechter voldoet clausule 30 van de raamovereenkomst aan geen van deze voorwaarden, omdat ten eerste de raamovereenkomst is gesloten vóór het ontstaan van het geschil, ten tweede de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht met zich meebrengt dat Petruchová geen gebruik kan maken van het bij artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 toegekende recht om de zaak aanhangig te maken voor de gerechten van haar woonplaats, en ten derde partijen in de procedure bij de sluiting van de raamovereenkomst hun woonplaats respectievelijk hun zetel hadden in verschillende lidstaten.

31      Tegen deze achtergrond vraagt de verwijzende rechter zich af hoe het begrip „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 moet worden uitgelegd, en of iemand in een situatie als die waarin Petruchová zich bevindt, als zodanig kan worden aangemerkt. In zoverre is die rechter van oordeel dat de lagere Tsjechische rechters dat begrip onjuist hebben uitgelegd.

32      Ten eerste is een „niet-professionele belegger” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 volgens de verwijzende rechter niet noodzakelijk een „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, omdat deze twee handelingen van afgeleid recht een verschillende strekking hebben en een „niet-professionele belegger” in de zin van de eerste van die handelingen een bedrijfs- of beroepsmatig handelende persoon kan zijn in de zin van de tweede handeling.

33      Ten tweede merkt de verwijzende rechter op dat er weliswaar op moet worden toegezien dat de uniformiteit wordt gehandhaafd van de regels inzake wetsconflicten en de regels inzake de vaststelling van internationale jurisdictie op het gebied van door consumenten gesloten overeenkomsten, maar dat artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 niet op dezelfde wijze behoort te worden uitgelegd als artikel 6, lid 1, van de Rome I-verordening, aangezien deze verordeningen niet hetzelfde doel hebben. Eerstgenoemde verordening regelt namelijk procedurele kwesties, terwijl laatstgenoemde verordening ziet op de problematiek van wetsconflicten en erop gericht is te bepalen welk materieel recht van toepassing is. De bepalingen van afdeling 4 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 zijn volgens de verwijzende rechter dan ook van toepassing op overeenkomsten die verband houden met financiële en beleggingsinstrumenten, aangezien enkel bepaalde vervoerovereenkomsten uitgesloten zijn van de werkingssfeer van die afdeling.

34      In dit verband blijkt tevens uit het arrest van het Hof van 28 januari 2015, Kolassa (C‑375/13, EU:C:2015:37), dat artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 de bescherming van de consument op het gebied van financiële en beleggingsinstrumenten niet beperkt.

35      Ten derde – en ten slotte – is de verwijzende rechter van oordeel dat het voor de kwalificatie van een persoon als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 niet relevant is dat met de verrichte transacties een groot bedrag gemoeid is, dat de betrokken persoon over specifieke kennis en deskundigheid beschikt of dat de overeenkomst in kwestie complex is, atypisch is dan wel voor die persoon risico’s met zich meebrengt waarvoor hij is gewaarschuwd.

36      In deze omstandigheden heeft de Nejvyšší soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 17, lid 1, van [verordening nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat ook een persoon als die in het hoofdgeding, die aan de handel op [de Forex-markt] deelneemt op basis van zijn eigen orders die actief maar via een bedrijfs- of beroepsmatig handelende derde worden geplaatst, dient te worden aangemerkt als consument in de zin van die bepaling?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

37      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die op grond van een met een effectenmakelaarskantoor gesloten overeenkomst zoals een CFD transacties op de Forex-markt verricht waarbij dat kantoor als tussenpersoon optreedt, kan worden aangemerkt als „consument” in de zin van die bepaling, en of voor deze kwalificatie relevantie toekomt aan factoren zoals de waarde van de op grond van dergelijke overeenkomsten verrichte transacties, de omvang van de aan de sluiting van deze overeenkomsten verbonden risico’s op financiële verliezen, de eventuele kennis of deskundigheid van de betrokken persoon op het gebied van financiële instrumenten of zijn actieve gedrag bij dergelijke transacties, alsook aan het feit dat financiële instrumenten niet onder artikel 6 van de Rome I-verordening vallen of dat die persoon een „niet-professionele belegger” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 is.

38      Vooraf zij eraan herinnerd dat verordening nr. 44/2001 is ingetrokken en vervangen bij verordening nr. 1215/2012, zodat de door het Hof aan de bepalingen van eerstgenoemde verordening gegeven uitlegging ook voor verordening nr. 1215/2012 geldt voor zover de bepalingen van beide Unierechtelijke instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd (arrest van 15 november 2018, Kuhn, C‑308/17, EU:C:2018:911, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit gaat met name op voor de artikelen 15 tot en met 17 van verordening nr. 44/2001 enerzijds en de artikelen 17 tot en met 19 van verordening nr. 1215/2012 anderzijds.

39      Volgens de rechtspraak van het Hof is artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 van toepassing wanneer voldaan is aan drie voorwaarden, namelijk ten eerste dat een van de contractanten een consument is die handelt in een kader dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, ten tweede dat daadwerkelijk een overeenkomst is gesloten tussen deze consument en een bedrijfs- of beroepsmatig handelende persoon, en ten derde dat deze overeenkomst valt onder een van de in lid 1, onder a) tot en met c), van dat artikel 17 bedoelde categorieën. Bovenstaande voorwaarden zijn cumulatief, zodat het feit dat niet voldaan is aan een van de drie voorwaarden, tot gevolg heeft dat de bevoegdheid niet kan worden vastgesteld volgens de regels die gelden voor overeenkomsten die zijn gesloten door consumenten (zie in die zin arrest van 23 december 2015, Hobohm, C‑297/14, EU:C:2015:844, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, betreft de in de onderhavige zaak aan het Hof voorgelegde vraag de eerste van die drie voorwaarden, te weten dat een van de contractanten een „consument” is.

41      In zoverre heeft het Hof gepreciseerd dat het begrip „consument” in de zin van de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 1215/2012 restrictief moet worden uitgelegd op basis van de positie die de betrokken persoon in een bepaalde overeenkomst inneemt in verband met de aard en het doel van deze overeenkomst, en niet op basis van de subjectieve situatie van die persoon, aangezien een en dezelfde persoon voor sommige transacties als consument en voor andere als ondernemer kan worden beschouwd (zie in die zin arrest van 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      Het Hof heeft daaruit afgeleid dat alleen overeenkomsten die een individu los en onafhankelijk van enige bedrijfs- of beroepsmatige activiteit of doelstelling sluit met als enige doel te voldoen aan de eigen particuliere consumptiebehoeften, onder de in die verordening neergelegde bijzondere regeling ter bescherming van de consument als zwakke partij vallen (arrest van 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 30 en aldaar aangehaalde jurisprudentie).

43      Deze bijzondere bescherming is niet gerechtvaardigd wanneer een overeenkomst wordt gesloten omwille van een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit, en dat is niet anders wanneer deze activiteit voor de toekomst is gepland, aangezien het toekomstige karakter van een activiteit niets afdoet aan de bedrijfs- of beroepsmatige aard ervan (arrest van 14 februari 2019, Milivojević, C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Derhalve zijn de specifieke bevoegdheidsregels van de artikelen 17 tot en met 19 van verordening nr. 1215/2012 in beginsel enkel van toepassing indien de overeenkomst tussen de partijen is gesloten voor een niet bedrijfs- of beroepsmatig gebruik van het goed of de dienst in kwestie (zie in die zin arrest van 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      In het licht van deze overwegingen dient te worden onderzocht of een persoon die op grond van een met een effectenmakelaarskantoor gesloten overeenkomst zoals een CFD via dat kantoor transacties verricht op de Forex-markt, kan worden aangemerkt als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012.

46      In zoverre dient te worden opgemerkt dat niets in de verwijzingsbeslissing of in het dossier waarover het Hof beschikt, erop wijst dat de sluiting van de raamovereenkomst of van de CFD in kwestie verband hield met Petruchová’s bedrijfs- of beroepsmatige activiteit. Evenzo heeft Petruchová tijdens de pleitzitting, zonder te zijn weersproken, verklaard dat zij universiteitsstudent was en deeltijds werkte toen deze overeenkomsten werden gesloten. Volgens haar heeft zij die overeenkomsten gesloten los van haar bedrijfs- of beroepsmatige activiteit.

47      Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, wordt aan het Hof evenwel de vraag voorgelegd of in een situatie als die welke wordt beschreven in de punten 45 en 46 van dit arrest, aan een natuurlijke persoon de hoedanigheid van „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 kan worden ontzegd op grond van factoren zoals de risico’s die aan het sluiten van overeenkomsten zoals CFD’s verbonden zijn, de waarde van de transacties, de eventuele kennis of deskundigheid waarover die persoon beschikt op het gebied van financiële instrumenten, of zijn actieve gedrag op de Forex-markt.

48      In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de werkingssfeer van de bepalingen van afdeling 4 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 – in welke afdeling de bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten wordt geregeld – zich uitstrekt tot alle soorten overeenkomsten, behalve tot de in artikel 17, lid 3, van die verordening genoemde overeenkomsten, te weten vervoerovereenkomsten die geen overeenkomsten zijn waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf wordt aangeboden (zie in die zin arrest van 2 mei 2019, Pillar Securitisation, C‑694/17, EU:C:2019:345, punt 42).

49      Hieruit vloeit voort dat financiële instrumenten zoals CFD’s binnen de werkingssfeer van de artikelen 17 tot en met 19 van verordening nr. 1215/2012 vallen.

50      In de tweede plaats heeft het Hof tevens gepreciseerd dat de werkingssfeer van de bepalingen van diezelfde afdeling 4 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 niet beperkt is tot specifieke bijdragen (zie in die zin arrest van 2 mei 2019, Pillar Securitisation, C‑694/17, EU:C:2019:345, punt 42).

51      Indien de artikelen 17 tot en met 19 van verordening nr. 1215/2012 aldus werden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op aanzienlijke financiële beleggingen, zou de belegger immers – zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie heeft opgemerkt – niet in staat zijn te weten of hij de door die bepalingen geboden bescherming zal genieten, aangezien in die verordening geen drempel wordt vastgesteld waarboven het bedrag van een transactie wordt geacht aanzienlijk te zijn. Dat zou in strijd zijn met de in overweging 15 van verordening nr. 1215/2012 tot uitdrukking gebrachte wil van de Uniewetgever die inhoudt dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn.

52      Met deze verordening wordt een doelstelling van rechtszekerheid nagestreefd, die erin bestaat dat de rechtsbescherming van de in de Europese Unie gevestigde personen wordt vergroot doordat de eiser gemakkelijk kan bepalen bij welk gerecht hij de zaak aanhangig kan maken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (arrest van 4 oktober 2018, Feniks, C‑337/17, EU:C:2018:805, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      Als logisch uitvloeisel van het voorgaande en met name van punt 51 van het onderhavige arrest is het in de verwijzingsbeslissing vermelde feit dat de sluiting van CFD’s voor een belegger aanzienlijke risico’s op financiële verliezen met zich mee kan brengen, als zodanig niet relevant voor de kwalificatie van die belegger als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012.

54      Wat in de derde plaats de vraag betreft of de kennis en deskundigheid van een persoon op het gebied waarmee de door hem gesloten overeenkomst verband houdt – zoals de kennis en deskundigheid waarover Petruchová beschikt met betrekking tot de CFD’s in het hoofdgeding – ertoe kunnen leiden dat die persoon niet de hoedanigheid van „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 heeft, dient te worden opgemerkt dat het volstaat dat een persoon een overeenkomst sluit voor een gebruik dat niet bedrijfs- of beroepsmatig is, opdat hij deze hoedanigheid kan krijgen. In zoverre worden in die bepaling geen aanvullende voorwaarden gesteld.

55      Aangezien het begrip „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 wordt gedefinieerd door het af te zetten tegen het begrip „ondernemer”, is het een objectief begrip dat losstaat van de kennis en informatie waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt (zie in die zin arresten van 3 september 2015, Costea, C‑110/14, EU:C:2015:538, punt 21, en 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 39).

56      In dit verband zou de aanname dat het antwoord op de vraag of een contractant een consument is, kan afhangen van de kennis en informatie waarover hij op een bepaald gebied beschikt, en niet van de omstandigheid dat de door hem gesloten overeenkomst tot doel heeft of juist niet tot doel heeft aan zijn persoonlijke behoeften te voldoen, neerkomen op een verwijzing naar de subjectieve situatie van die contractant. Volgens de in punt 41 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet de hoedanigheid van een persoon als „consument” echter uitsluitend worden onderzocht uit het oogpunt van de positie die hij in een bepaalde overeenkomst inneemt, rekening houdend met de aard en het doel van deze overeenkomst.

57      In de vierde plaats dient te worden gepreciseerd dat het actieve gedrag op de Forex-markt van een persoon die zijn orders plaatst via een effectenmakelaarskantoor en dus verantwoordelijk blijft voor het rendement op zijn beleggingen, als zodanig niet van invloed is op de kwalificatie van die persoon als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012.

58      Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vereist artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 immers niet dat de consument zich op een specifieke manier gedraagt in het kader van een overeenkomst die hij heeft gesloten voor een gebruik dat niet bedrijfs- of beroepsmatig is.

59      Bijgevolg staat het weliswaar aan de verwijzende rechter om vast te stellen of Petruchová in het kader van haar contractuele betrekkingen met FIBO daadwerkelijk heeft gehandeld los en onafhankelijk van enige bedrijfs- of beroepsmatige activiteit, en om daaruit de nodige consequenties te trekken wat haar hoedanigheid als „consument” betreft, maar dient te worden gepreciseerd dat voor deze kwalificatie in beginsel als zodanig geen relevantie toekomt aan factoren zoals de waarde van de transacties die op grond van overeenkomsten zoals CFD’s worden verricht, de omvang van de aan de sluiting van deze overeenkomsten verbonden risico’s op financiële verliezen, de eventuele kennis of deskundigheid van Petruchová op het gebied van financiële instrumenten of haar actieve gedrag bij dergelijke transacties.

60      Na deze precisering dient voor de kwalificatie van een persoon als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 nog te worden onderzocht of relevantie toekomt aan het feit dat financiële instrumenten uitgesloten zijn van de werkingssfeer van artikel 6 van de Rome I-verordening, en aan het feit dat die persoon een „niet-professionele belegger” is in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39.

61      Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen die de Uniewetgever nastreeft op het gebied van overeenkomsten die worden gesloten door consumenten, en omwille van de coherentie van het Unierecht, kan het in andere Unierechtelijke regelingen voorkomende begrip „consument” namelijk relevant blijken te zijn (zie in die zin arrest van 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 28).

62      Derhalve zij in de eerste plaats opgemerkt dat het begrip „consument” in artikel 6, lid 1, van de Rome I-verordening weliswaar in nagenoeg dezelfde bewoordingen wordt gedefinieerd als in artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 – aangezien in eerstgenoemde bepaling staat te lezen dat zij van toepassing is op „de overeenkomst gesloten door een natuurlijke persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd” – maar dat in artikel 6, lid 4, onder d), van de Rome I-verordening, gelezen in het licht van de overwegingen 28 en 30 ervan, „rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen” worden uitgesloten van de werkingssfeer van de in artikel 6, leden 1 en 2, van die verordening neergelegde regels die gelden voor consumentenovereenkomsten. Zoals blijkt uit overweging 30 van de Rome I-verordening, zijn financiële instrumenten die welke worden bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2004/39. Daartoe behoren CFD’s, zoals bepaald is in punt 9 van deel C van bijlage I bij deze richtlijn.

63      Hoewel uit overweging 7 van de Rome I-verordening blijkt dat de materiële werkingssfeer en de bepalingen van deze verordening coherent dienen te zijn ten opzichte van verordening nr. 44/2001, waarvoor verordening nr. 1215/2012 in de plaats is gekomen, vloeit daaruit niet voort dat de bepalingen van verordening nr. 1215/2012 moeten worden uitgelegd in het licht van die van de Rome I-verordening. In geen geval kan de door de Uniewetgever beoogde coherentie ertoe leiden dat de bepalingen van verordening nr. 1215/2012 worden uitgelegd op een wijze die niet strookt met het stelsel en de doelstellingen van deze verordening (zie in die zin arrest van 16 januari 2014, Kainz, C‑45/13, EU:C:2014:7, punt 20).

64      Vastgesteld dient te worden dat met de Rome I-verordening en verordening nr. 1215/2012 verschillende doelstellingen worden nagestreefd. De Rome I-verordening is volgens artikel 1, lid 1, eerste alinea, ervan in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken – met het oog op de vaststelling van het toepasselijke materiële recht – terwijl verordening nr. 1215/2012 tot doel heeft de regels vast te stellen op grond waarvan kan worden bepaald welke rechterlijke instantie bevoegd is om uitspraak te doen in een geschil in burgerlijke en handelszaken, onder meer met betrekking tot een overeenkomst die is gesloten tussen aan de ene kant een persoon die wel en aan de andere kant een persoon die niet bedrijfs- of beroepsmatig handelt, teneinde laatstbedoelde persoon in een dergelijke situatie te beschermen (zie in die zin arrest van 2 mei 2019, Pillar Securitisation, C‑694/17, EU:C:2019:345, punt 42).

65      In dit verband zou het in strijd zijn met de doelstellingen van verordening nr. 1215/2012 om de consument procedurele bescherming te weigeren op de enkele grond dat deze bescherming hem niet wordt geboden op het gebied van wetsconflicten. Zoals in de punten 48 en 49 van het onderhavige arrest is vastgesteld, vallen financiële instrumenten zoals CFD’s immers binnen de werkingssfeer van de artikelen 17 tot en met 19 van die verordening.

66      Dat financiële instrumenten uitgesloten zijn van de werkingssfeer van artikel 6 van de Rome I-verordening, is dan ook niet van invloed op de kwalificatie van een persoon als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012.

67      Wat in de tweede plaats de vraag betreft of het voor deze kwalificatie relevant is dat die persoon een „niet-professionele belegger” is in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39, zij eraan herinnerd dat een „niet-professionele belegger” in deze bepaling wordt gedefinieerd als „een niet-professionele cliënt”. Volgens artikel 4, lid 1, punt 11, van richtlijn 2004/39 is een professionele cliënt „een cliënt die voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage II” van deze richtlijn.

68      Op grond van deel I van bijlage II bij richtlijn 2004/39 moeten voor de toepassing van deze richtlijn de volgende entiteiten worden aangemerkt als professionele cliënten op het gebied van beleggingsdiensten en -activiteiten en financiële instrumenten: ten eerste entiteiten die een vergunning moeten hebben of gereglementeerd moeten zijn om op financiële markten actief te mogen zijn, zoals kredietinstellingen of beleggingsondernemingen; ten tweede grote ondernemingen die aan twee van drie criteria voldoen, te weten een balanstotaal van 20 miljoen EUR, een netto-omzet van 40 miljoen EUR en een eigen vermogen van 2 miljoen EUR; ten derde overheidsinstanties of -instellingen zoals nationale regeringen, centrale banken of de Wereldbank, en ten vierde andere institutionele beleggers. Entiteiten die tot een van deze vier categorieën behoren, kunnen echter verzoeken om te worden behandeld als niet-professionele cliënten.

69      Overeenkomstig deel II van bijlage II bij richtlijn 2004/39 kunnen andere dan de in deel I van deze richtlijn genoemde cliënten op hun verzoek worden behandeld als professionele cliënten. Om als professionele cliënt te kunnen worden behandeld, moet de cliënt – die niet kan worden geacht over vergelijkbare kennis en ervaring te beschikken als professionele cliënten – vooraf aan een adequate beoordeling worden onderworpen. De toekenning van de hoedanigheid van professionele cliënt onderstelt dan ook dat nagegaan is of de betrokkene voldoet aan ten minste twee van drie criteria, namelijk ten eerste dat hij tijdens de vier voorafgaande kwartalen gemiddeld tien transacties van significante omvang per kwartaal heeft verricht, ten tweede dat de omvang van zijn portefeuille financiële instrumenten groter is dan 500 000 EUR, en ten derde dat hij gedurende ten minste een jaar een beroepsbezigheid heeft uitgeoefend in de financiële sector.

70      Dit gezegd zijnde dient te worden opgemerkt dat onder een „cliënt” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 10, van richtlijn 2004/39 – ongeacht of het gaat om een „professionele cliënt” dan wel om een „niet-professionele belegger” – moet worden verstaan „iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wie een beleggingsonderneming beleggingsdiensten en/of nevendiensten verricht”.

71      Een „niet-professionele belegger” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 kan dus ook een rechtspersoon zijn. Daarentegen is een „consument” per definitie een natuurlijke persoon, zoals volgt uit artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012.

72      Met name kunnen niet-professionele beleggers – zoals de advocaat-generaal in punt 85 van zijn conclusie heeft opgemerkt – rechtspersonen zijn die niet voldoen aan twee van de drie criteria om te worden gelijkgesteld met professionele cliënten en als zodanig te worden behandeld op grond van de bepalingen van deel II van bijlage II bij richtlijn 2004/39, of rechtspersonen die weliswaar worden beschouwd als professionele cliënten maar overeenkomstig deel I van bijlage II bij die richtlijn hebben verzocht om behandeling als niet-professionele cliënt.

73      Hieruit volgt tevens dat voor de kwalificatie als „niet-professionele belegger” in de zin van artikel 4, lid 1, punten 10 en 12, van richtlijn 2004/39 – anders dan voor de kwalificatie als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 – niet vereist is dat de betrokkene geen commerciële activiteiten verricht.

74      Bovendien worden verschillende doelstellingen nagestreefd met de kwalificatie als „consument” respectievelijk als „niet-professionele belegger” waarin die bepalingen voorzien.

75      Door de kwalificatie als „consument” wordt namelijk, zoals blijkt uit punt 64 van dit arrest, bescherming geboden bij het bepalen van de rechterlijke instantie die bevoegd is om uitspraak te doen in een geschil in burgerlijke en handelszaken, terwijl de kwalificatie als „niet-professionele belegger” – zoals blijkt uit de bepalingen van deel I van bijlage II bij richtlijn 2004/39 – tot doel heeft beleggers te beschermen, met name wat betreft de omvang van de informatie die de beleggingsonderneming hun dient te verstrekken.

76      Hoewel niet kan worden uitgesloten dat een „niet-professionele belegger” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 kan worden aangemerkt, indien het namelijk gaat om een natuurlijke persoon die los van enige commerciële activiteit handelt, vallen deze twee begrippen dan ook niet samen, gelet op het feit dat zij een verschillende draagwijdte hebben en dat verschillende doelstellingen worden nagestreefd met de bepalingen waarin zij voorkomen.

77      Dat een persoon een „niet-professionele belegger” is in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39, is bijgevolg in beginsel als zodanig niet van invloed op de kwalificatie van die persoon als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012.

78      Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die op grond van een met een effectenmakelaarskantoor gesloten overeenkomst zoals een CFD via dat kantoor transacties op de Forex-markt verricht, als „consument” in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt indien hij die overeenkomst niet heeft gesloten in verband met zijn bedrijfs- of beroepsmatige activiteit, wat de verwijzende rechter dient na te gaan. Voor deze kwalificatie komt in beginsel als zodanig geen relevantie toe aan factoren zoals de waarde van de transacties die op grond van overeenkomsten zoals CFD’s worden verricht, de omvang van de aan de sluiting van deze overeenkomsten verbonden risico’s op financiële verliezen, de eventuele kennis of deskundigheid van de betrokken persoon op het gebied van financiële instrumenten of zijn actieve gedrag bij dergelijke transacties. Daarnaast is op die kwalificatie in beginsel als zodanig niet van invloed dat financiële instrumenten niet onder artikel 6 van de Rome I-verordening vallen of dat die persoon een „niet-professionele belegger” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 is.

 Kosten

79      Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 17, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die op grond van een met een effectenmakelaarskantoor gesloten overeenkomst, zoals een financieel contract ter verrekening van verschillen, via dat kantoor transacties verricht op de internationale wisselmarkt Forex (Foreign Exchange), als „consument” in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt indien hij die overeenkomst niet heeft gesloten in verband met zijn bedrijfs- of beroepsmatige activiteit, wat de verwijzende rechter dient na te gaan. Voor deze kwalificatie komt in beginsel als zodanig geen relevantie toe aan factoren zoals de waarde van de transacties die worden verricht op grond van overeenkomsten zoals financiële contracten ter verrekening van verschillen, de omvang van de aan de sluiting van deze overeenkomsten verbonden risico’s op financiële verliezen, de eventuele kennis of deskundigheid van de betrokken persoon op het gebied van financiële instrumenten of zijn actieve gedrag bij dergelijke transacties. Daarnaast is op die kwalificatie in beginsel als zodanig niet van invloed dat financiële instrumenten niet vallen onder artikel 6 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), of dat die persoon een „niet-professionele belegger” is in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad.

ondertekeningen


*      Procestaal: Tsjechisch.