Language of document : ECLI:EU:C:2019:630

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

29 juli 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Overheidsopdrachten – Beroepsprocedures – Richtlijn 89/665/EEG – Richtlijn 92/13/EEG – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid – Verzoek tot herziening van rechterlijke beslissingen die het Unierecht schenden – Lidstaataansprakelijkheid in geval van schendingen van het Unierecht door de nationale rechters – Raming van de voor vergoeding in aanmerking komende schade”

In zaak C‑620/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Székesfehérvári Törvényszék (algemeen rechter Székesfehérvári, Hongarije) bij beslissing van 24 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 2 november 2017, in de procedure

Hochtief Solutions AG Magyarországi Fióktelepe

tegen

Fővárosi Törvényszék,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, K. Jürimäe, D. Šváby, S. Rodin en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 november 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Hochtief Solutions AG Magyarországi Fióktelepe, vertegenwoordigd door G. M. Tóth en I. Varga, ügyvédek,

–        Fővárosi Törvényszék, vertegenwoordigd door H. Beerné Vörös en K. Bőke als gemachtigden, en door G. Barabás, bíró,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en G. Koós als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door M. Tassopoulou, D. Tsagkaraki en G. Papadaki als gemachtigden,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Tokár, H. Krämer en P. Ondrůšek als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 april 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 3, VEU, artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 49 VWEU, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB 1989, L 395, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 (PB 2007, L 335, blz. 31) (hierna: „richtlijn 89/665”), van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB 1992, L 76, blz. 14), zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66 (hierna: „richtlijn 92/13”), richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB 1993, L 199, blz. 54), en van de beginselen van voorrang, gelijkwaardigheid en doeltreffendheid van het Unierecht.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Hochtief Solutions AG Magyarországi Fióktelepe (hierna: „Hochtief Solutions”) en de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije) over schade die deze rechter in de uitoefening van zijn rechterlijke bevoegdheden aan Hochtief Solutions zou hebben toegebracht.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Artikel 1, lid 1, derde alinea, en lid 3, van richtlijn 89/665 dat in vrijwel identieke bewoordingen is opgesteld als artikel 1, lid 1, derde alinea, en lid 3, van richtlijn 92/13, luidt:

„1. [...]

De lidstaten nemen met betrekking tot opdrachten die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/18/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB 2004, L 134, blz. 114)] vallen, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat tegen door de aanbestedende diensten genomen besluiten op doeltreffende wijze en vooral zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 2 septies van deze richtlijn, op grond van het feit dat door die besluiten het [Unierecht] inzake overheidsopdrachten of de nationale voorschriften waarin dat [Unierecht] is omgezet, geschonden zijn.

[...]

3.      De lidstaten dragen er zorg voor dat beroepsprocedures, volgens modaliteiten die de lidstaten kunnen bepalen, op zijn minst toegankelijk zijn voor eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht en die door een beweerde inbreuk is of dreigt te worden geschaad.”

4        Artikel 2, lid 1, van richtlijn 89/665 bepaalt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen betreffende de in artikel 1 bedoelde beroepsprocedures voorzien in de nodige bevoegdheden om:

a)      zo snel mogelijk en in kort geding voorlopige maatregelen te nemen om de beweerde inbreuk ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad, met inbegrip van maatregelen om de gunningsprocedure voor een overheidsopdracht of de tenuitvoerlegging van enig door de aanbestedende diensten genomen besluit, op te schorten dan wel te doen opschorten;

b)      onwettig genomen besluiten nietig te verklaren dan wel nietig te doen verklaren, met inbegrip van het verwijderen van discriminerende technische, economische of financiële specificaties in oproepen tot inschrijving, bestekken dan wel in enig ander stuk dat verband houdt met de gunningsprocedure;

c)      schadevergoeding toe te kennen aan degenen die door een inbreuk schade hebben geleden.

[...]”

5        In artikel 2, lid 1, van richtlijn 92/13 stond te lezen:

„De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen betreffende het in artikel 1 bedoelde beroep de nodige bevoegdheden behelzen om:

hetzij

a)      zo snel mogelijk in kort geding voorlopige maatregelen te nemen om de beweerde inbreuk ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad, met inbegrip van maatregelen om de aanbestedingsprocedure of de tenuitvoerlegging van enig door de aanbestedende diensten genomen besluit, op te schorten c.q. te doen opschorten; en

b)      onwettige besluiten nietig te verklaren c.q. nietig te doen verklaren, met inbegrip van het verwijderen van discriminerende technische, economische of financiële specificaties in de aankondiging, de periodieke indicatieve aankondiging, de mededeling inzake het bestaan van een erkenningssysteem, de uitnodiging tot inschrijving, de bestekken dan wel in enig ander stuk dat verband houdt met de aanbestedingsprocedure;

hetzij

c)      ten spoedigste, zo mogelijk in kort geding en indien noodzakelijk volgens een definitieve procedure ten principale, andere maatregelen dan bedoeld onder a) en b) te nemen om de geconstateerde inbreuk ongedaan te maken en te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad; met name een betalingsopdracht voor een bepaald bedrag uit te schrijven wanneer de inbreuk niet ongedaan gemaakt c.q. voorkomen wordt.

De lidstaten kunnen deze keuze maken hetzij voor alle aanbestedende diensten, hetzij voor aan de hand van objectieve criteria bepaalde categorieën diensten waarbij zij in ieder geval de doeltreffendheid van de vastgestelde maatregelen waarborgen om te voorkomen dat de betrokken belangen worden geschaad;

d)      en in de bovengenoemde twee gevallen, schadevergoeding toe te kennen aan degenen die door een inbreuk zijn gelaedeerd.

Wanneer schadevergoeding wordt gevorderd omdat een besluit onwettig is genomen, kunnen de lidstaten, indien hun nationale recht zulks vereist en in de ter zake bevoegde instanties voorziet, bepalen dat het aangevochten besluit eerst moet worden vernietigd of onwettig moet worden verklaard.”

 Hongaars recht

6        § 260 van de polgári perrendtartásról szóló 1952. évi III. törvény (wet nr. III van 1952 tot instelling van het wetboek burgerlijke rechtsvordering, hierna: „wetboek burgerlijke rechtsvordering”) luidt als volgt:

„1.      Tegen een definitief geworden uitspraak kan een verzoek tot herziening worden ingediend wanneer:

a)      een partij enig feit of bewijsstuk, of enige definitief geworden rechterlijke of administratieve beslissing aandraagt waarmee het gerecht in de loop van de voorgaande procedures geen rekening heeft gehouden, en waaruit zij voordeel zou hebben gehaald indien dat wel het geval zou zijn geweest;

[...]

2.      Op grond van lid 1, onder a), kan een partij slechts een verzoek tot herziening indienen indien zij buiten haar schuld in de voorgaande procedure geen beroep heeft kunnen doen op de in dat verzoek ingeroepen feiten, bewijsstukken of beslissingen.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7        Op 25 juli 2006 heeft de Észak-Dunántúli Környezetvédelmi és Vízügyi Igazgatóság (directoraat Milieubescherming en Waterstaat van Noord-Transdanubië, Hongarije; hierna: „aanbestedende dienst”) in het Publicatieblad van de Europese Unie, S-serie, onder nummer 139-149235, een oproep bekendgemaakt tot het indienen van voorstellen voor een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken met betrekking tot de ontwikkeling van transportinfrastructuur in het intermodale centrum van de nationale commerciële haven van Győr-Gönyű (Hongarije) volgens de in hoofdstuk IV van de közbeszerzésekről szóló 2003. évi CXXIX. törvény (wet nr. CXXIX van 2003 inzake overheidsopdrachten) vastgestelde versnelde procedure.

8        In punt III.2.2 van de oproep tot het indienen van voorstellen, betreffende de economische en financiële draagkracht, stond „dat een gegadigde, of een onderaannemer [...] die gedurende de laatste drie boekjaren meer dan één negatief resultaat op de balans heeft geboekt, niet voldoet aan de voorwaarden inzake draagkracht”.

9        Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Hochtief Solutions, die niet aan dit criterium voldoet, bij de Közbeszerzési Döntőbizottság (arbitragecommissie voor overheidsopdrachten; hierna: „arbitragecommissie”) de rechtmatigheid van dit criterium heeft betwist met het betoog, ten eerste, dat het discriminerend was en, ten tweede, dat het op zich geen informatie over de financiële draagkracht van de inschrijver verstrekte.

10      De arbitragecommissie heeft het administratief beroep van Hochtief Solutions gedeeltelijk toegewezen door de aanbestedende dienst te veroordelen tot een boete van 8 000 000 Hongaarse forint (HUF) (ongeveer 24 500 EUR), zonder evenwel vast te stellen dat dit criterium onrechtmatig was.

11      Op 2 oktober 2006 heeft Hochtief Solutions tegen de beslissing van de arbitragecommissie beroep ingesteld bij de Fővárosi Bíróság (rechter in eerste aanleg Boedapest, Hongarije), die heeft geoordeeld dat het resultaat op de balans geschikt was om informatie over de economische en financiële draagkracht te verstrekken en het beroep dan ook heeft verworpen.

12      Op 4 juni 2010 heeft Hochtief Solutions tegen het vonnis in eerste aanleg hoger beroep ingesteld bij de Fővárosi Ítélőtábla (rechter in tweede aanleg Boedapest, Hongarije), die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing heeft verzocht.

13      Bij arrest van 18 oktober 2012, Édukövízig en Hochtief Construction (C‑218/11, EU:C:2012:643), heeft het Hof met name geoordeeld dat artikel 44, lid 2, en artikel 47, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/18 aldus moeten worden uitgelegd dat een aanbestedende dienst een minimumeis inzake economische en financiële draagkracht mag stellen door naar een of meer specifieke onderdelen van de balans te verwijzen, op voorwaarde dat deze onderdelen objectief geschikt zijn voor het bieden van informatie over die draagkracht van een ondernemer en die eis aan de omvang van de betrokken opdracht wordt aangepast, zodat objectief sprake is van een positieve aanwijzing voor een voldoende economische en financiële basis voor de uitvoering van die opdracht maar niet verder wordt gegaan dan hetgeen daartoe redelijkerwijs noodzakelijk is, met dien verstande dat een minimumeis inzake economische en financiële draagkracht in beginsel niet kan worden uitgesloten om de enkele reden dat die eis betrekking heeft op een onderdeel van de balans ten aanzien waarvan tussen de wettelijke regelingen van de lidstaten verschillen kunnen bestaan.

14      De Fővárosi Törvényszék, die in de tussentijd de Fővárosi Ítélőtábla had opgevolgd, heeft, rekening houdend met dit arrest van het Hof, het vonnis in eerste aanleg bevestigd, door te oordelen dat het door de aanbestedende dienst gehanteerde criterium ter beoordeling van de economische en financiële draagkracht niet discriminerend was.

15      Op 13 september 2013 heeft Hochtief Solutions tegen het arrest van de Fővárosi Törvényszék bij de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije) cassatieberoep ingesteld waarin zij stelde dat het resultaat op de balans niet geschikt was om de aanbestedende dienst een reëel en objectief beeld te geven van de economische en financiële situatie van de inschrijver. Voorts heeft zij de Kúria verzocht zich opnieuw tot het Hof te wenden met een verzoek om een prejudiciële beslissing.

16      Bij arrest van 19 maart 2014 heeft de Kúria het cassatieberoep evenwel verworpen op grond dat die grief niet tijdig was aangevoerd aangezien Hochtief Solutions deze kwestie niet in haar oorspronkelijk administratief beroep bij de arbitragecommissie had opgeworpen, maar alleen in haar latere opmerkingen.

17      Op 25 juli 2014 heeft Hochtief Solutions tegen het arrest van de Kúria een grondwettelijk beroep ingesteld bij de Alkotmánybíróság (grondwettelijk hof, Hongarije), waarin zij verzocht dat arrest ongrondwettelijk te verklaren en te vernietigen. Dat beroep is niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 9 februari 2015.

18      Intussen had Hochtief Solutions op 26 november 2014 bij de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsrechter Boedapest, Hongarije) een verzoek tot herziening ingesteld tegen het in punt 14 van het onderhavige arrest bedoelde vonnis van de Fővárosi Törvényszék.

19      Volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter heeft Hochtief Solutions ter ondersteuning van haar verzoek tot herziening aangevoerd dat de vraag of het resultaat op de balans een geschikte indicator voor de economische en financiële draagkracht van de inschrijver was, en het arrest van 18 oktober 2012, Édukövízig en Hochtief Construction (C‑218/11, EU:C:2012:643), uiteindelijk niet waren onderzocht. Volgens Hochtief Solutions levert dit verzuim een „feit” op in de zin van artikel 260, lid 1, onder a), van het wetboek burgerlijke rechtsvordering dat kan rechtvaardigen dat dit vonnis van de Fővárosi Törvényszék voor herziening in aanmerking komt. Onder verwijzing naar met name het arrest van 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C‑453/00, EU:C:2004:17, punten 26 en 27), heeft Hochtief Solutions immers betoogd dat een arrest van het Hof waarmee tijdens de hoofdprocedure geen rekening kon worden gehouden om redenen van tardiviteit, kan en moet worden onderzocht in het kader van een herziening.

20      Hoewel Hochtief Solutions de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság had verzocht om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de in het kader van de herzieningsprocedure gerezen vragen, heeft deze rechter dat verzoek niet ingewilligd en het verzoek tot herziening afgewezen op grond dat de door Hochtief Solutions aangevoerde feiten en bewijselementen niet nieuw waren.

21      Hochtief Solutions heeft tegen de beschikking tot afwijzing van haar verzoek tot herziening hoger beroep ingesteld bij de Fővárosi Törvényszék, waarin zij verzocht, ten eerste, het verzoek tot herziening ontvankelijk te verklaren en te gelasten dat het ten gronde wordt onderzocht en, ten tweede, het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.

22      Op 18 november 2015 heeft de Fővárosi Törvényszék de beschikking in eerste aanleg van de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság bevestigd.

23      Hochtief Solutions heeft daarop bij de verwijzende rechter, de Székesfehérvári Törvényszék (algemeen rechter Székesfehérvár, Hongarije) beroep ingesteld tot vergoeding van de schade die de Fővárosi Törvényszék haar in de uitoefening van zijn rechterlijke bevoegdheid heeft toegebracht. Zij stelt in dat verband dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad de feiten en omstandigheden die zij voor de arbitragecommissie en in het kader van de hoofdprocedure heeft aangevoerd, maar die noch door deze commissie noch door de aangezochte rechters zijn beoordeeld, overeenkomstig het Unierecht in aanmerking te laten nemen. Aldus zouden de met de toepassing van het recht belaste Hongaarse instanties de door de relevante regels van het Unierecht gewaarborgde rechten hebben uitgehold.

24      In die omstandigheden heeft de Székesfehérvári Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moeten de basisbeginselen en -regels van het Unierecht (in het bijzonder artikel 4, lid 3, VEU en het vereiste van een uniforme uitlegging), zoals uitgelegd door het Hof, met name in [het arrest van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513)], aldus worden uitgelegd dat de vaststelling van de aansprakelijkheid van het gerecht van een lidstaat dat in laatste instantie uitspraak doet middels een vonnis dat in strijd is met het Unierecht, uitsluitend kan worden gebaseerd op nationaal recht of op de criteria die zijn vastgesteld door de nationale wetgeving? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten dan de basisbeginselen en -regels van het Unierecht, en met name de drie criteria die door het Hof zijn vastgelegd in het [arrest van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513)] om de aansprakelijkheid van de ,staat’ vast te stellen, aldus worden uitgelegd, dat de vraag of is voldaan aan de vereisten voor lidstaataansprakelijkheid wegens schending van het Unierecht door de gerechten van die staat, moet worden beoordeeld op basis van nationaal recht?

2)      Moeten de basisbeginselen en -regels van het Unierecht (in het bijzonder artikel 4, lid 3, VEU en het vereiste van een doeltreffende voorziening in rechte), en met name de arresten van het Hof inzake lidstaataansprakelijkheid [van 19 november 1991, Francovich e.a. (C‑6/90 en C‑9/90, EU:C:1991:428); 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame (C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79), en 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513)], aldus worden uitgelegd dat het gezag van gewijsde van met het Unierecht strijdige beslissingen waarmee de gerechten van de lidstaat in laatste instantie uitspraak doen, de vaststelling dat de lidstaat aansprakelijk is voor schade uitsluit?

3)      Zijn, in het licht van [richtlijn 89/665] en [richtlijn 92/13], de beroepsprocedure betreffende de openbare aanbesteding van overheidsopdrachten waarvan de waarde ligt boven die van de [door het Unierecht vastgestelde] drempels, en de rechterlijke toetsing van de in die procedure vastgestelde administratieve beslissing, relevant voor het Unierecht? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zijn dan het Unierecht en de rechtspraak van het Hof [(onder meer de arresten van 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C‑453/00, EU:C:2004:17), en 16 maart 2006, Kapferer (C‑234/04, EU:C:2006:178), en in het bijzonder het arrest van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti (C‑213/13, EU:C:2014:2067),] relevant met betrekking tot de noodzaak om de herziening toe te laten, als een buitengewoon rechtsmiddel dat voortvloeit uit de nationale wetgeving inzake de rechterlijke toetsing op de administratieve beslissing die is genomen in de beroepsprocedure betreffende een openbare aanbesteding?

4)      Moeten de richtlijnen inzake de beroepsprocedure bij een openbare aanbesteding (te weten [richtlijn 89/665] en [richtlijn 92/13]) aldus worden uitgelegd dat daarmee in overeenstemming is een nationale regeling volgens welke de nationale rechters die kennis nemen van het hoofdgeding, geen rekening kunnen houden met een feit dat moet worden onderzocht in overeenstemming met een arrest van het Hof – dat is gewezen in een prejudiciële procedure in het kader van een beroepsprocedure betreffende een openbare aanbesteding – met welk feit bovendien evenmin rekening wordt gehouden door de nationale gerechten die beslissen in een procedure die is ingeleid na het verzoek tot herziening van de beslissing die in het hoofdgeding is genomen?

5)      Moeten [richtlijn 89/665], en met name artikel 1, leden 1 en 3 ervan, en [richtlijn 92/13], met name de artikelen 1 en 2 daarvan – inzonderheid in het licht van de arresten [van 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C‑453/00, EU:C:2004:17); 16 maart 2006, Kapferer (C‑234/04, EU:C:2006:178); 12 februari 2008, Kempter (C‑2/06, EU:C:2008:78); 4 juni 2009, Pannon GSM (C‑243/08, EU:C:2009:350), en 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti (C‑213/13, EU:C:2014:2067)] – aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling, of toepassing daarvan, krachtens welke, ondanks het feit dat een arrest van het Hof dat werd gewezen in een prejudiciële procedure vóór het vonnis in de procedure in tweede aanleg, een relevante uitlegging geeft van de Unierechtelijke regels, het gerecht dat kennis neemt van de zaak afwijzend beslist om redenen van tardiviteit, en nadien het gerecht dat kennis neemt van het verzoek tot herziening, de herziening niet ontvankelijk acht, in overeenstemming is met bovengenoemde richtlijnen, met het vereiste van een doeltreffende voorziening in rechte en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid?

6)      Indien de herziening op basis van nationaal recht ontvankelijk moet worden verklaard, opdat met een nieuwe beslissing van de Alkotmánybíróság de grondwettelijkheid kan worden hersteld, zou de herziening dan, overeenkomstig het beginsel van gelijkwaardigheid en het beginsel dat is vastgelegd in het arrest [van 26 januari 2010, Transportes Urbanos y Servicios Generales (C‑118/08, EU:C:2010:39)], niet ook moeten worden toegestaan in het geval waarin een arrest van het Hof in het hoofdgeding niet in aanmerking is genomen vanwege de bepalingen van nationaal recht inzake procedurele termijnen?

7)      Moeten [richtlijn 89/665], en met name artikel 1, leden 1 en 3 ervan, en [richtlijn 92/13], met name de artikelen 1 en 2 ervan, worden uitgelegd in het licht van [het arrest van 12 februari 2008, Kempter (C‑2/06, EU:C:2008:78)], krachtens hetwelk de particulier niet specifiek een beroep hoeft te doen op de rechtspraak van het Hof, in die zin dat de procedures bij openbare aanbestedingen die door bovengenoemde richtlijnen worden geregeld, alleen kunnen worden ingeleid door een beroep dat een expliciete beschrijving van de inbreuk op het gebied van openbare aanbestedingen bevat en dat bovendien precies – door een concreet artikel of lid te noemen – aangeeft welke bepaling inzake openbare aanbesteding is overtreden, dat wil zeggen dat in de beroepsprocedures bij openbare aanbestedingen alleen die inbreuken kunnen worden onderzocht die de verzoeker heeft aangegeven aan de hand van de bepaling inzake openbare aanbestedingen [door een concreet artikel of lid te noemen], terwijl in elke andere administratieve en civiele procedure ermee kan worden volstaan dat de particulier de feiten aanvoert, en de bewijsmiddelen die deze ondersteunen, en de bevoegde autoriteit of rechter op het beroep beslist in overeenstemming met de inhoud ervan?

8)      Moet het vereiste van voldoende gekwalificeerde schending dat is neergelegd in de arresten [van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513), en 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo (C‑173/03, EU:C:2006:391),] aldus worden uitgelegd dat van een dergelijke schending geen sprake is wanneer het gerecht dat in laatste instantie uitspraak doet en daarbij openlijk in strijd handelt met geconsolideerde rechtspraak van het Hof, die zeer gedetailleerd is aangehaald – en waarop ook verschillende juridische adviezen zijn gebaseerd – afwijzend beslist op de vraag van een particulier om een verzoek in te dienen om een prejudiciële beslissing over de noodzaak van toelating van de herziening, op basis van het absurde argument dat de Unieregeling – in dit geval met name de [richtlijnen 89/665 en 92/13] – geen voorschriften bevat die de herziening regelen, ondanks het feit dat ook daartoe zeer gedetailleerd rechtspraak van het Hof, waaronder het [arrest van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti (C‑213/13, EU:C:2014:2067)], is aangehaald die juist wijst op de noodzaak van herziening in het kader van de procedure voor openbare aanbesteding? Hoe gedetailleerd moet, gelet op het arrest [van 6 oktober 1982, Cilfit e.a. (283/81, EU:C:1982:335)], de nationale rechter de niet-herziening rechtvaardigen, uitgaande van de verplichtende juridische uitlegging door het Hof?

9)      Moeten de beginselen van een doeltreffende voorziening in rechte en van gelijkwaardigheid, neergelegd in artikel 19 VEU en artikel 4, lid 3, VEU, van de vrijheid van vestiging en dienstverlening, neergelegd in artikel 49 VWEU, en [richtlijn 93/37], alsook de [richtlijnen 89/665, 92/13 en 2007/66], aldus worden uitgelegd dat zij [zich er niet tegen verzetten] dat de bevoegde autoriteiten en gerechten, duidelijk in strijd met het toepasselijke Unierecht, het ene na het andere door verzoekster tegen de verhindering van haar deelname aan een aanbestedingsprocedure ingediende beroep afwijzen, voor welke beroepen in voorkomend geval meerdere documenten moeten worden opgesteld, waarmee een aanzienlijke investering in tijd en geld is gemoeid, of deel moet worden genomen aan hoorzittingen, en dat de relevante regelgeving, ofschoon vaststaat dat theoretisch de mogelijkheid bestaat de aansprakelijkheid vast te stellen voor in de uitoefening van de rechtsprekende functie veroorzaakte schade, verzoekster de mogelijkheid ontneemt om bij de rechter schadevergoeding te eisen voor de schade die is geleden als gevolg van de onwettige maatregelen?

10)      Moeten de beginselen die zijn ontwikkeld in de arresten [van 9 november 1983, San Giorgio (199/82, EU:C:1983:318); 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513), en 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo (C‑173/03, EU:C:2006:391),] aldus worden uitgelegd dat schade die is veroorzaakt door het feit dat het gerecht van de lidstaat dat in laatste instantie uitspraak doet, in strijd met de geconsolideerde rechtspraak van het Hof, de door de particulier tijdig verzochte herziening, in het kader waarvan deze vergoeding had kunnen eisen voor de veroorzaakte uitgaven, niet heeft toegestaan?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Overwegingen vooraf

25      Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing heeft het hoofdgeding betrekking op de vergoeding van de schade die Hochtief Solutions zou hebben geleden door de in punt 22 van het onderhavige arrest vermelde beschikking in laatste aanleg van de Fővárosi Törvényszék die de in punt 20 van het onderhavige arrest vermelde beschikking van de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság heeft bevestigd waarbij deze laatste rechter, ten eerste, heeft geweigerd het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken en, ten tweede, het in punt 14 van het onderhavige arrest vermelde verzoek van Hochtief Solutions tot herziening van het vonnis van de Fővárosi Törvényszék heeft afgewezen.

26      Hieruit volgt dat het hoofdgeding betrekking heeft op de vraag of de Fővárosi Törvényszék zodoende het Unierecht heeft geschonden en daardoor kan worden verplicht de schade die Hochtief Solutions ten gevolge van die schending stelt te hebben geleden, te vergoeden.

27      In die context wenst de verwijzende rechter met name te vernemen of het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, een nationale rechter bij wie een verzoek tot herziening is ingesteld tegen een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan na een arrest van het Hof op grond van artikel 267 VWEU in het kader van de procedure die tot dat vonnis heeft geleid, verplicht is dat verzoek in te willigen.

28      De prejudiciële vragen moeten in het licht van de aldus afgebakende context van het hoofdgeding worden onderzocht.

 Ontvankelijkheid van de zevende en de negende vraag

29      Met zijn zevende vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of nationale procedureregels met betrekking tot de voorwaarden waaraan een beroep inzake overheidsopdrachten dient te voldoen, verenigbaar zijn met het Unierecht, terwijl hij met zijn negende vraag in wezen wenst te vernemen of de stelselmatige afwijzing, in strijd met het Unierecht, van de beroepen die zijn ingesteld door een in het kader van een openbare aanbestedingsprocedure afgewezen inschrijver, zoals Hochtief Solutions, verenigbaar is met het Unierecht.

30      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de procedure van artikel 267 VWEU een instrument is van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechters. Bijgevolg staat het uitsluitend aan de nationale rechters bij wie het geding aanhangig is en die de verantwoordelijkheid voor het te wijzen vonnis dragen, om met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van hun vonnis als de juridische relevantie van de vragen die zij het Hof stellen, te beoordelen. Wanneer de door de nationale rechters voorgelegde prejudiciële vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 28 maart 2019, Verlezza e.a., C‑487/17–C‑489/17, EU:C:2019:270, punten 27 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      Het Hof kan met name echter weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is (arrest van 28 maart 2019, Verlezza e.a., C‑487/17–C‑489/17, EU:C:2019:270, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      De zevende en de negende vraag vallen precies onder die laatstgenoemde situatie. Het blijkt immers overduidelijk dat deze vragen geen enkel verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding, zoals samengevat in punt 26 van het onderhavige arrest, en dus van hypothetische aard zijn.

33      Derhalve zijn de zevende en de negende vraag niet-ontvankelijk.

 Eerste, tweede, achtste en tiende vraag

34      Met deze vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter aanwijzingen te verkrijgen over met name de beginselen die het Hof heeft geformuleerd ter zake van de lidstaataansprakelijkheid voor schade die wegens schending van het Unierecht door een in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechter aan particulieren is toegebracht. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of die beginselen aldus moeten worden uitgelegd dat, ten eerste, de aansprakelijkheid van de betrokken lidstaat moet worden beoordeeld op basis van het nationale recht, ten tweede, het beginsel van gezag van gewijsde de aansprakelijkheid van die lidstaat uitsluit, ten derde, er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht wanneer de in laatste aanleg rechtsprekende rechter weigert een voor hem opgeworpen vraag over de uitlegging van het Unierecht aan het Hof voor te leggen, en, ten vierde, die beginselen zich verzetten tegen een nationaalrechtelijke regel die de kosten die een partij als gevolg van de betrokken rechterlijke beslissing heeft moeten maken, uitsluit van de te vergoeden schade.

35      In de eerste plaats dient in herinnering te worden gebracht dat aangaande de voorwaarden voor lidstaataansprakelijkheid voor schade die door aan die lidstaat toerekenbare schendingen van het Unierecht aan particulieren is toegebracht, het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat benadeelde particulieren recht hebben op schadevergoeding wanneer is voldaan aan drie voorwaarden, te weten dat het geschonden voorschrift van Unierecht ertoe strekt hun rechten toe te kennen, dat het om een voldoende gekwalificeerde schending van dat voorschrift gaat en dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze schending en de door de particulieren geleden schade (zie in die zin met name arresten van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79, punt 51; 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 51, en 28 juli 2016, Tomášová, C‑168/15, EU:C:2016:602, punt 22).

36      Eveneens zij eraan herinnerd dat voor lidstaataansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van een met een Unirechtelijke regel strijdige beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende rechter, dezelfde voorwaarden gelden (zie in die zin arresten van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 52, en 28 juli 2016, Tomášová, C‑168/15, EU:C:2016:602, punt 23).

37      Voorts zijn de drie in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden noodzakelijk en voldoende om voor particulieren een recht op schadevergoeding in het leven te roepen, wat evenwel niet uitsluit dat naar nationaal recht een lidstaat onder minder beperkende voorwaarden aansprakelijk kan zijn (zie in die zin met name arresten van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79, punt 66, en 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 57).

38      Hieruit volgt dat het Unierecht zich niet verzet tegen een nationaalrechtelijke regel die aan lidstaataansprakelijkheid voor schade die door aan de betrokken lidstaat toerekenbare schendingen van het Unierecht aan particulieren is toegebracht, minder beperkende voorwaarden verbindt dan die uit de in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof.

39      In de tweede plaats blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het beginsel van gezag van gewijsde zich er niet tegen verzet dat het beginsel van lidstaatsaansprakelijkheid wordt erkend voor beslissingen van een in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechter die in strijd zijn met een Unierechtelijke regel. Aangezien een schending van de rechten die particulieren aan het Unierecht ontlenen door een dergelijke beslissing gewoonlijk niet meer kan worden hersteld, mag hun immers niet de mogelijkheid worden ontzegd om de staat aansprakelijk te stellen en zo rechtsbescherming van hun rechten te krijgen (zie in die zin arresten van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 34, en 24 oktober 2018, XC e.a., C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      In de derde plaats volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden voor het vaststellen van lidstaataansprakelijkheid voor de schade die door aan die lidstaat toerekenbare schendingen van het Unierecht aan particulieren is toegebracht, door de nationale rechter in beginsel moeten worden toegepast overeenkomstig de door het Hof voor deze toepassing verstrekte richtsnoeren (zie in die zin arresten van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 100, en 4 oktober 2018, Kantarev, C‑571/16, EU:C:2018:807, punt 95).

41      Dienaangaande moet, in het bijzonder wat de tweede voorwaarde betreft, eraan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof een lidstaat voor schade die is toegebracht door een beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechter die in strijd is met een Unierechtelijke regel, slechts aansprakelijk kan worden ingesteld in het uitzonderlijke geval waarin die rechterlijke instantie het toepasselijke recht kennelijk heeft geschonden (arresten van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 53, en 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo, C‑173/03, EU:C:2006:391, punten 32 en 42).

42      Om te bepalen of sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht, moet de nationale rechter bij wie een schadevordering is ingediend, met alle aspecten rekening houden die de hem voorgelegde situatie kenmerken. Dienaangaande behoren volgens de rechtspraak van het Hof tot de aspecten die in dit verband in aanmerking kunnen worden genomen onder meer de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de omvang van de beoordelingsmarge die de geschonden regel de nationale autoriteiten laat, de vraag of al dan niet opzettelijk een schending is begaan of schade is veroorzaakt, de vraag of een eventuele onjuiste rechtsopvatting al dan niet verschoonbaar is, de vraag of, in voorkomend geval, de handelwijze van een instelling van de Europese Unie heeft kunnen bijdragen tot de vaststelling of de instandhouding van met het Unierecht strijdige nationale maatregelen of praktijken, alsook het feit dat de betrokken nationale rechter zijn verplichting heeft verzuimd om krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU een prejudiciële vraag te stellen (zie in die zin arresten van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79, punt 56; 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punten 54 en 55, en 28 juli 2016, Tomášová, C‑168/15, EU:C:2016:602, punt 25).

43      In ieder geval is een schending van het Unierecht voldoende gekwalificeerd wanneer daarbij kennelijk wordt voorbijgegaan aan de desbetreffende rechtspraak van het Hof (arresten van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 56; 25 november 2010, Fuß, C‑429/09, EU:C:2010:717, punt 52, en 28 juli 2016, Tomášová, C‑168/15, EU:C:2016:602, punt 26).

44      Wat het hoofdgeding betreft, staat het aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met alle elementen die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie kenmerken, te beoordelen of de Fővárosi Törvényszék met de in punt 22 van het onderhavige arrest vermelde beschikking kennelijk in strijd heeft gehandeld met het toepasselijke Unierecht, daaronder begrepen de relevante rechtspraak van het Hof, met name het arrest van 18 oktober 2012, Édukövízig en Hochtief Construction (C‑218/11, EU:C:2012:643), en daardoor een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht heeft begaan.

45      In de vierde plaats moet de lidstaat, wanneer is voldaan aan de in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden, de gevolgen van de veroorzaakte schade ongedaan maken overeenkomstig het nationale aansprakelijkheidsrecht, met dien verstande dat de voorwaarden die in de nationale wettelijke regelingen ter zake van schadevergoeding zijn gesteld, niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor gelijksoortige nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en niet van dien aard mogen zijn dat zij het verkrijgen van schadevergoeding in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arresten van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79, punt 67; 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 58, en 28 juli 2016, Tomášová, C‑168/15, EU:C:2016:602, punt 38).

46      Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de vergoeding van de door schendingen van het Unierecht aan particulieren toegebrachte schade adequaat dient te zijn ten opzichte van de geleden schade, zodat de daadwerkelijke bescherming van hun rechten is verzekerd (zie in die zin arresten van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79, punt 82, en 25 november 2010, Fuß, C‑429/09, EU:C:2010:717, punt 92).

47      Een nationaalrechtelijke regel op grond waarvan – in een geval waarin een lidstaat aansprakelijk wordt ingesteld voor schade die is toegebracht doordat een Unierechtelijke regel door een beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende rechter van die staat is geschonden – de kosten die een partij als gevolg van die beslissing heeft gemaakt op algemene wijze worden uitgesloten van de te vergoeden schade, kan het in de praktijk uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk maken om een adequate vergoeding te verkrijgen voor de door die partij geleden schade.

48      Gelet op het voorgaande dient op de eerste, de tweede, de achtste en de tiende vraag te worden geantwoord dat lidstaataansprakelijkheid voor schade die is toegebracht door de met een Unierechtelijke regel strijdige beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechter valt onder de door het Hof met name in punt 51 van het arrest van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513), gestelde voorwaarden, zonder evenwel uit te sluiten dat de betrokken staat onder minder beperkende voorwaarden aansprakelijk kan worden gesteld op grond van het nationale recht. Het feit dat die beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, sluit die aansprakelijkheid niet uit. Wanneer die aansprakelijkheid wordt ingeroepen, staat het aan de nationale rechter bij wie de schadevordering aanhangig is, om, rekening houdend met alle elementen die de betrokken situatie kenmerken, te beoordelen of de in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechter kennelijk in strijd met het toepasselijke Unierecht, met inbegrip van de relevante rechtspraak van het Hof, heeft gehandeld, en daardoor een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht heeft begaan. Het Unierecht verzet zich daarentegen tegen een nationaalrechtelijke regel die in een dergelijk geval de kosten die een partij als gevolg van de schadeveroorzakende beslissing van de nationale rechter heeft gemaakt, op algemene wijze uitsluit van de te vergoeden schade.

 Derde, vierde, vijfde en zesde vraag

49      Gelet op de context van het hoofdgeding, zoals in herinnering gebracht in de punten 26 en 27 van het onderhavige arrest, moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn derde, vierde, vijfde en zesde vraag van het Hof in wezen wenst te vernemen of het Unierecht, met name richtlijn 89/665, richtlijn 92/13 en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regeling van een lidstaat die niet voorziet in de mogelijkheid van herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van een rechterlijke instantie van die lidstaat waarbij uitspraak is gedaan op een beroep tot nietigverklaring van een handeling van een aanbestedende dienst zonder in te gaan op een vraag die zou worden onderzocht in een eerder arrest van het Hof dat in antwoord op een in het kader van dat beroep tot nietigverklaring ingediend verzoek om een prejudiciële beslissing was gewezen.

50      Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 en artikel 1, lid 1, van richtlijn 92/13 de lidstaten de verplichting opleggen om in het kader van aanbestedingsprocedures waarop deze richtlijnen betrekking hebben de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat tegen door de aanbestedende diensten genomen besluiten op doeltreffende wijze en vooral zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld op grond van het feit dat door die besluiten het recht van de Unie inzake overheidsopdrachten of de nationale voorschriften waarin dat recht van de Unie is omgezet, geschonden zijn (arrest van 15 september 2016, Star Storage e.a., C‑439/14 en C‑488/14, EU:C:2016:688, punt 39).

51      Deze bepalingen, die ertoe strekken de ondernemers tegen willekeur van de aanbestedende dienst te beschermen, beogen aldus te garanderen dat in alle lidstaten doeltreffende voorzieningen in rechte beschikbaar zijn, teneinde een daadwerkelijke naleving van de voorschriften van de Unie inzake overheidsopdrachten te waarborgen, in het bijzonder in een stadium waarin schendingen nog ongedaan kunnen worden gemaakt (arrest van 15 september 2016, Star Storage e.a., C‑439/14 en C‑488/14, EU:C:2016:688, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52      Noch richtlijn 89/665, noch richtlijn 92/13 bevat specifieke bepalingen betreffende de voorwaarden die gelden voor het instellen van die beroepen. De bepalingen van die richtlijnen stellen alleen de minimumvoorwaarden vast waaraan de beroepsprocedures in de nationale rechtsorden moeten voldoen om de eerbiediging van de Unierechtelijke regels inzake overheidsopdrachten te verzekeren (zie in die zin arrest van 15 september 2016, Star Storage e.a., C‑439/14 en C‑488/14, EU:C:2016:688, punt 42).

53      In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat naar Hongaars procesrecht de herziening in de zin van artikel 260 van het wetboek burgerlijke rechtsvordering, een buitengewoon rechtsmiddel is dat, ingeval aan de door deze bepaling gestelde voorwaarden is voldaan, het gezag van gewijsde van een definitief geworden vonnis ter discussie kan stellen.

54      Evenwel moet worden herinnerd aan het belang dat het beginsel van gezag van gewijsde zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden heeft. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het immers van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of nadat de beroepstermijnen zijn verstreken, niet meer opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld (arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 58, en 6 oktober 2015, Târşia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 28).

55      Derhalve gebiedt het Unierecht een nationale rechter niet om nationale procedureregels die een rechterlijke beslissing gezag van gewijsde verlenen buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een nationale situatie die onverenigbaar is met dat recht kunnen worden hersteld (arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 59, en 6 oktober 2015, Târșia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 29).

56      Het Hof heeft immers geoordeeld dat het Unierecht niet vereist dat een rechterlijke instantie uit principe terugkomt op een in kracht van gewijsde gegane beslissing om rekening te houden met de uitlegging die het Hof aan een relevante bepaling van dat recht heeft gegeven (zie in die zin arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 60, en 6 oktober 2015, Târșia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 38).

57      Het door de verwijzende rechter genoemde arrest van 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C‑453/00, EU:C:2004:17), kan aan die overweging niet afdoen.

58      Uit dat arrest blijkt namelijk dat het beginsel van loyale samenwerking, dat in artikel 4, lid 3, VEU is neergelegd, een bestuursorgaan verplicht om een definitief geworden bestuursbesluit opnieuw te onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof inmiddels aan de relevante bepaling heeft gegeven, onder meer wanneer dit orgaan naar nationaal recht bevoegd is om op dat besluit terug te komen (arrest van 13 januari 2004, Kühne & Heitz, C‑453/00, EU:C:2004:17, punt 28).

59      Het staat evenwel vast dat deze overweging enkel betrekking heeft op een eventuele herziening van een definitief geworden beslissing van een bestuursorgaan en niet, zoals in casu, van een rechterlijke instantie.

60      Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer de toepasselijke nationale procedureregels voorzien in de mogelijkheid voor de nationale rechter om onder bepaalde voorwaarden terug te komen op een in kracht van gewijsde gegane beslissing om een uit die beslissing voortvloeiende situatie met het nationale recht verenigbaar te maken, die mogelijkheid, gelet op de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, ook moet bestaan – mits aan die voorwaarden is voldaan – om die situatie weer in overeenstemming te brengen met de regelgeving van de Unie (zie in die zin arrest van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 62).

61      In casu blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter dat volgens artikel 260 van het wetboek burgerlijke rechtsvordering tegen een definitief geworden uitspraak met name een verzoek tot herziening kan worden ingediend wanneer een partij zich kan beroepen op een definitief geworden rechterlijke beslissing waarmee geen rekening is gehouden in de loop van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan de herziening wordt gevraagd, en dit alleen wanneer die partij buiten haar schuld in de loop van die procedure geen beroep heeft kunnen doen op het bestaan van die beslissing.

62      Voorts blijkt uit de bewoordingen van de zesde vraag dat naar Hongaars recht een in kracht van gewijsde gegane beslissing kan worden herzien opdat met een nieuwe beslissing van de Alkotmánybíróság een situatie opnieuw met de grondwet in overeenstemming kan worden gebracht.

63      Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om na te gaan of de Hongaarse procedureregels de mogelijkheid inhouden terug te komen op een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, teneinde de uit dit vonnis voortvloeiende situatie in overeenstemming te brengen met een eerdere definitief geworden rechterlijke beslissing waarvan de rechter die het betrokken vonnis heeft gewezen en de partijen in de betrokken zaak reeds op de hoogte waren. Indien dat het geval is, zou volgens de in punt 60 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof op grond van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in dezelfde omstandigheden van die mogelijkheid gebruik moeten kunnen worden gemaakt, teneinde de situatie in overeenstemming te brengen met een eerder arrest van het Hof.

64      Niettemin dient in elk geval in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof particulieren niet de mogelijkheid mag worden ontzegd om de staat aansprakelijk te stellen en zo rechtsbescherming van hun rechten te krijgen, met name aangezien een schending van de rechten die zij aan het Unierecht ontlenen door een definitief geworden rechterlijke beslissing gewoonlijk niet meer kan worden hersteld (arresten van 6 oktober 2015, Târşia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 40, en 24 oktober 2018, XC e.a., C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 58).

65      Gelet op een en ander dient op de derde, de vierde, de vijfde en de zesde vraag te worden geantwoord dat het Unierecht, met name richtlijn 89/665 en richtlijn 92/13, alsook de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regeling van een lidstaat die niet voorziet in de mogelijkheid van herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van een rechterlijke instantie van die lidstaat waarbij uitspraak is gedaan op een beroep tot nietigverklaring van een handeling van een aanbestedende dienst zonder in te gaan op een vraag die zou worden onderzocht in een eerder arrest van het Hof dat in antwoord op een in het kader van dat beroep tot nietigverklaring ingediend verzoek om een prejudiciële beslissing was gewezen.  Indien de toepasselijke nationale procedureregels de nationale rechter evenwel de mogelijkheid bieden om terug te komen op een in kracht van gewijsde gegaan vonnis teneinde de uit dit vonnis voortvloeiende situatie in overeenstemming te brengen met een eerdere definitief geworden nationale rechterlijke beslissing waarvan de rechter die dit vonnis heeft gewezen en de partijen in de betrokken zaak reeds op de hoogte waren, moet overeenkomstig de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid van die mogelijkheid in dezelfde omstandigheden gebruik kunnen worden gemaakt teneinde de situatie in overeenstemming te brengen met het Unierecht, zoals uitgelegd in een eerder arrest van het Hof.

 Kosten

66      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Lidstaataansprakelijkheid voor schade die is toegebracht door de met een Unierechtelijke regel strijdige beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechter valt onder de door het Hof met name in punt 51 van het arrest van 30 september 2003, Köbler (C224/01, EU:C:2003:513), gestelde voorwaarden, zonder evenwel uit te sluiten dat de betrokken staat onder minder beperkende voorwaarden aansprakelijk kan worden gesteld op grond van het nationale recht. Het feit dat die beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, sluit die aansprakelijkheid niet uit. Wanneer die aansprakelijkheid wordt ingeroepen, staat het aan de nationale rechter bij wie de schadevordering aanhangig is, om, rekening houdend met alle elementen die de betrokken situatie kenmerken, te beoordelen of de in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechter kennelijk in strijd met het toepasselijke Unierecht, met inbegrip van de relevante rechtspraak van het Hof, heeft gehandeld, en daardoor een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht heeft begaan. Het Unierecht verzet zich daarentegen tegen een nationaalrechtelijke regel die in een dergelijk geval de kosten die een partij als gevolg van de schadeveroorzakende beslissing van de nationale rechter heeft gemaakt, op algemene wijze uitsluit van de te vergoeden schade.

2)      Het Unierecht, met name richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007, richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66, en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, dient aldus te worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regeling van een lidstaat volgens welke niet voor herziening in aanmerking komt een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van een rechterlijke instantie van die lidstaat waarbij uitspraak is gedaan op een beroep tot nietigverklaring van een handeling van een aanbestedende dienst zonder in te gaan op een vraag die zou worden onderzocht in een eerder arrest van het Hof dat in antwoord op een in het kader van dat beroep tot nietigverklaring ingediend verzoek om een prejudiciële beslissing was gewezen. Indien de toepasselijke nationale procedureregels de nationale rechter evenwel de mogelijkheid bieden om terug te komen op een in kracht van gewijsde gegaan vonnis teneinde de uit dit vonnis voortvloeiende situatie in overeenstemming te brengen met een eerdere definitief geworden nationale rechterlijke beslissing waarvan de rechter die dit vonnis heeft gewezen en de partijen in de betrokken zaak reeds op de hoogte waren, moet overeenkomstig de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid van die mogelijkheid in dezelfde omstandigheden gebruik kunnen worden gemaakt teneinde de situatie in overeenstemming te brengen met het Unierecht, zoals uitgelegd in een eerder arrest van het Hof.

ondertekeningen


*      Procestaal: Hongaars.