Language of document : ECLI:EU:C:2019:624

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

29 juli 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Informatiemaatschappij – Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten – Sampling – Artikel 2, onder c) – Fonogramproducent – Reproductierecht – ‚Gedeeltelijke’ reproductie – Artikel 5, leden 2 en 3 – Beperkingen en restricties – Draagwijdte – Artikel 5, lid 3, onder d) – Citaten – Richtlijn 2006/115/EG – Artikel 9, lid 1, onder b) – Distributierecht – Grondrechten – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 13 – Vrijheid van kunsten”

In zaak C‑476/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 1 juni 2017, ingekomen bij het Hof op 4 augustus 2017, in de procedure

Pelham GmbH,

Moses Pelham,

Martin Haas

tegen

Ralf Hütter,

Florian Schneider-Esleben,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Arabadjiev, M. Vilaras, T. von Danwitz, C. Toader, F. Biltgen en C. Lycourgos, kamerpresidenten, E. Juhász, M. Ilešič (rapporteur), L. Bay Larsen en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: R. Şereş, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 juli 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Pelham GmbH, Moses Pelham en Martin Haas, vertegenwoordigd door A. Walter, Rechtsanwalt,

–        Ralf Hütter en Florian Schneider-Esleben, vertegenwoordigd door U. Hundt-Neumann en H. Lindhorst, Rechtsanwälte,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze, M. Hellmann en J. Techert als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, D. Segoin en E. Armoët als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door Z. Lavery en D. Robertson als gemachtigden, bijgestaan door N. Saunders, barrister,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Scharf en J. Samnadda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder c), en artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10), alsook van artikel 9, lid 1, onder b), en artikel 10, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB 2006, L 376, blz. 28).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Pelham GmbH (hierna: „vennootschap Pelham”), Moses Pelham en Martin Haas (hierna tezamen: „Pelham”) en anderzijds Ralf Hütter en Florian Schneider-Esleben (hierna: „Hütter e.a.”) over een ritmische sequens van ongeveer twee seconden die bij het vastleggen van het door Pelham en Haas gecomponeerde en door de vennootschap Pelham geproduceerde muziekstuk „Nur Mir” is gebruikt en is overgenomen van een fonogram van de muziekgroep „Kraftwerk”, waar Hütter e.a. lid van zijn.

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

3        In artikel 1 van de op 29 oktober 1971 te Genève ondertekende Overeenkomst ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen (hierna: „Overeenkomst van Genève”) staat te lezen:

„Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)      ‚fonogram’: elke uitsluitend voor het gehoor bestemde vastlegging van geluiden van een uitvoering of van andere geluiden;

b)      ‚producent van fonogrammen’: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als eerste de geluiden van een uitvoering of andere geluiden vastlegt;

c)      ‚kopie’: het materiaal dat geluiden bevat, die al dan niet rechtstreeks zijn overgenomen van een fonogram en waarop al het geluid of een wezenlijk gedeelte van de geluiden die op dat fonogram zijn vastgelegd, is opgenomen;

d)      ‚levering aan het publiek’: elke handeling waarbij kopieën van een fonogram al dan niet rechtstreeks aan het publiek of een deel daarvan worden aangeboden.”

4        Artikel 2 van deze overeenkomst bepaalt:

„Elke overeenkomstsluitende staat beschermt producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van andere overeenkomstsluitende staten tegen het vervaardigen van kopieën zonder de toestemming van de producent en tegen de invoer van zodanige kopieën, als die vervaardiging of invoer bestemd is voor levering aan het publiek, alsmede tegen de levering van zodanige kopieën aan het publiek.”

 Unierecht

 Richtlijn 2001/29

5        De overwegingen 3, 4, 6, 7, 9, 10, 31 en 32 van richtlijn 2001/29 luiden als volgt:

„(3)      De voorgestelde harmonisatie zal bijdragen tot de uitoefening van de vier vrijheden van de interne markt en past in het kader van de eerbiediging van de fundamentele rechtsbeginselen en met name de eigendom – met inbegrip van de intellectuele eigendom – de vrije meningsuiting en het algemeen belang.

(4)      Geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten zullen voor meer rechtszekerheid zorgen, een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom waarborgen en aldus aanzienlijke investeringen in creativiteit en innovatie, met inbegrip van de netwerkinfrastructuur, bevorderen, hetgeen weer tot groei en vergroting van het concurrentievermogen van de Europese industrie zal leiden, op het gebied van de voorziening van inhoud en de informatietechnologie en, meer in het algemeen, in een hele reeks industriële en culturele sectoren. Hierdoor zal de werkgelegenheid veilig worden gesteld en de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen worden aangemoedigd.

[...]

(6)      Zonder harmonisatie op het niveau van de Gemeenschap zouden de wetgevende werkzaamheden op nationaal niveau waarmee reeds in een aantal lidstaten als reactie op de technologische uitdagingen een aanvang is gemaakt, kunnen leiden tot aanzienlijke verschillen in bescherming en daarmee tot beperkingen van het vrije verkeer van diensten en producten waarin intellectuele eigendom is belichaamd of die op intellectuele eigendom zijn gebaseerd, met een nieuwe verbrokkeling van de interne markt en een gebrek aan samenhang van de wetgeving van dien. De uitwerking van dergelijke verschillen en onzekerheden op het gebied van de wetgeving zal belangrijker worden met de voortschrijdende ontwikkeling van de informatiemaatschappij, die de grensoverschrijdende exploitatie van intellectuele eigendom reeds in grote mate heeft doen toenemen. Deze ontwikkeling zal en moet voortgaan. Belangrijke verschillen in het recht en onzekerheden ten aanzien van de bescherming kunnen de verwezenlijking van schaalvoordelen voor nieuwe producten en diensten, waarvan de inhoud door het auteursrecht en de naburige rechten wordt beschermd, verhinderen.

(7)      De communautaire rechtsregels inzake de bescherming van het auteursrecht en de naburige rechten moeten bijgevolg eveneens worden aangepast en aangevuld, voor zover dit voor de goede werking van de interne markt noodzakelijk is. Te dien einde moeten die nationale bepalingen inzake het auteursrecht en de naburige rechten welke tussen de lidstaten aanzienlijk verschillen of welke rechtsonzekerheid veroorzaken, waardoor de goede werking van de interne markt en de adequate ontwikkeling van de informatiemaatschappij in Europa worden belemmerd, worden bijgesteld en moeten inconsistente nationale reacties op de technische ontwikkelingen worden voorkomen, terwijl verschillen die de werking van de interne markt niet ongunstig beïnvloeden, niet opgeheven of voorkomen behoeven te worden.

[...]

(9)      Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. De bescherming van deze rechten draagt bij tot de instandhouding en ontwikkeling van de creativiteit in het belang van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten, consumenten, cultuur, industrie en het publiek in het algemeen. [...]

(10)      Auteurs en uitvoerend kunstenaars moeten, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van hun werk ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. De productie van fonogrammen, films en multimediaproducten, en van diensten, zoals ‚diensten-op-aanvraag’, vereist aanzienlijke investeringen. Een adequate rechtsbescherming van de intellectuele eigendomsrechten is noodzakelijk om de mogelijkheid tot het verkrijgen van een dergelijke beloning en de mogelijkheid van een behoorlijk rendement van dergelijke investeringen te waarborgen.

[...]

(31)      Er moet een rechtvaardig evenwicht van rechten en belangen worden gewaarborgd tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en gebruikers van beschermd materiaal. De in de lidstaten geldende beperkingen en restricties op de rechten moeten opnieuw worden bezien in het licht van de nieuwe elektronische omgeving. [...] Met het oog op de goede werking van de interne markt moet meer eenheid in de omschrijving van dergelijke beperkingen en restricties worden gebracht. De mate waarin dergelijke beperkingen en restricties worden geharmoniseerd, moet worden bepaald aan de hand van de gevolgen ervan voor de goede werking van de interne markt.

(32)      Deze richtlijn bevat een uitputtende opsomming van de beperkingen en restricties op het reproductierecht en het recht van mededeling aan het publiek. Sommige beperkingen en restricties zijn enkel van toepassing op het reproductierecht, wanneer dit passend is. Bij het opstellen van deze lijst is zowel rekening gehouden met de verschillende rechtstradities in de lidstaten als met het vereiste van een goed functionerende interne markt. De lidstaten passen deze beperkingen en restricties op coherente wijze toe. Dit zal worden beoordeeld bij het onderzoek van de uitvoeringswetgeving in de toekomst.”

6        Artikel 2 van richtlijn 2001/29, met als opschrift „Reproductierecht”, bepaalt:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van:

[...]

c)      producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen,

[...]

in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”

7        Artikel 5 van deze richtlijn voorziet in de beperkingen en restricties op de in de artikelen 2 tot en met 4 van deze richtlijn bedoelde rechten. In de leden 3 en 5 van dit artikel is bepaald:

„3.      De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op de in de artikelen 2 en 3 bedoelde rechten stellen ten aanzien van:

[...]

d)      het citeren ten behoeve van kritieken en recensies en voor soortgelijke doeleinden, mits het een werk of ander materiaal betreft dat reeds op geoorloofde wijze voor het publiek beschikbaar is gesteld, indien de bron – waaronder de naam van de auteur – wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt en het citeren naar billijkheid geschiedt en door het bijzondere doel wordt gerechtvaardigd;

[...]

5.      De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.”

 Richtlijn 2006/115

8        De overwegingen 2, 5 en 7 van richtlijn 2006/115 luiden als volgt:

„(2)      De verhuur en uitlening van auteursrechtelijk beschermde werken en van door naburige rechten beschermde zaken spelen steeds een belangrijker rol, met name voor auteurs, kunstenaars en producenten van fonogrammen en films. Piraterij vormt een steeds ernstiger bedreiging.

[...]

(5)      Het creatieve en artistieke werk van auteurs en uitvoerende kunstenaars maakt een passend inkomen noodzakelijk als basis voor verder creatief en artistiek werk en de investeringen die met name voor de productie van fonogrammen en films vereist zijn, zijn bijzonder hoog en riskant en de mogelijkheid om dit inkomen veilig te stellen en deze investering terug te verdienen, kan alleen daadwerkelijk worden gegarandeerd door een passende juridische bescherming van de betrokken rechthebbenden.

[...]

(7)      De wetgeving van de lidstaten moet zodanig worden geharmoniseerd, dat zij niet in strijd komt met internationale verdragen waarop de wetten betreffende het auteursrecht en de naburige rechten van vele lidstaten zijn gebaseerd.”

9        Artikel 1 van deze richtlijn, „Voorwerp van de harmonisatie”, bepaalt in lid 1:

„Overeenkomstig dit hoofdstuk en onverminderd artikel 6 stellen de lidstaten een recht in om de verhuur en uitlening van originelen en kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken en anderszins beschermde zaken als omschreven in artikel 3, lid 1, toe te staan of te verbieden.”

10      Artikel 9 van deze richtlijn, „Distributierecht”, bepaalt in lid 1:

„De lidstaten voorzien in een uitsluitend recht, hierna ‚distributierecht’ te noemen, om de in de onder de punten a) tot en met d) vermelde zaken, met inbegrip van kopieën ervan, door verkoop of anderszins ter beschikking van het publiek te stellen, ten behoeve van:

[...]

b)      producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen;

[...]”

11      Artikel 10, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2006/115 luidt als volgt:

„[...] [E]lke lidstaat [kan] op de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen, omroeporganisaties en producenten van de eerste vastleggingen van films, dezelfde beperkingen stellen als op de auteursrechtelijke bescherming van werken van letterkunde en kunst.”

 Duits recht

12      Het Gesetz über Urheberrecht und verwandte Schutzrechte – Urheberrechtsgesetz (wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten) van 9 september 1965 (BGBl. 1965 I, blz. 1273; hierna: „UrhG”) bepaalt in § 24:

„1.      Een onafhankelijk werk dat is geschapen met vrij gebruik van het werk van een ander mag zonder toestemming van de auteur van het gebruikte werk worden gepubliceerd en geëxploiteerd.

2.      Lid 1 is niet van toepassing op het gebruik van een muziekwerk waarbij op herkenbare wijze een melodie aan dat werk wordt ontnomen om als basis te dienen voor een nieuw werk.”

13      § 85, lid 1, UrhG, waarbij artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 en artikel 9 van richtlijn 2006/115 zijn omgezet, bepaalt in de eerste volzin, eerste en tweede geval, dat de producent van een fonogram het uitsluitende recht heeft tot reproductie en distributie van het fonogram.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14      Hütter e.a. zijn lid van de muziekgroep „Kraftwerk”. Deze heeft in 1977 een fonogram gepubliceerd dat het nummer „Metall auf Metall” bevat.

15      Pelham en Haas zijn de componisten van het nummer „Nur mir”, dat op door de vennootschap Pelham in 1997 geproduceerde fonogrammen is verschenen.

16      Hütter e.a. stellen dat Pelham ongeveer twee seconden van een ritmische sequens van het nummer „Metall auf Metall” elektronisch heeft gekopieerd (gesampled) en deze in een doorlopende herhaling onder het nummer „Nur mir” heeft gezet, hoewel hij die sequens ook zelf had kunnen spelen.

17      Hütter e.a. zijn primair van oordeel dat Pelham inbreuk heeft gemaakt op het naburige recht waarvan zij als fonogramproducent houder zijn. Subsidiair voeren zij aan dat inbreuk is gemaakt op het intellectuele-eigendomsrecht dat zij houden als uitvoerend kunstenaars, alsook op Hütters auteursrecht op het muziekwerk. Meer subsidiair voeren zij aan dat Pelham inbreuk heeft gemaakt op de mededingingswetgeving.

18      Hütter e.a. hebben in beroep bij het Landgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) verzocht om staking van de inbreuk, toekenning van schadevergoeding, overdracht van informatie en afgifte van de fonogrammen met het oog op de vernietiging ervan.

19      Deze rechter heeft het beroep toegewezen en het door Pelham bij het Oberlandesgericht Hamburg (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hamburg, Duitsland) ingestelde hoger beroep is verworpen. Op het door Pelham bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) ingestelde beroep in Revision is het arrest van het Oberlandesgericht Hamburg vernietigd en de zaak voor heronderzoek naar deze rechter terugverwezen. Deze rechter heeft het door Pelham ingestelde hoger beroep nogmaals verworpen. Het nieuwe beroep in Revision van Pelham is door het Bundesgerichtshof bij arrest van 13 december 2012 verworpen. Dit arrest is vernietigd door het Bundesverfassungsgericht (federaal grondwettelijk hof, Duitsland), dat de zaak heeft terugverwezen naar de verwijzende rechter.

20      De verwijzende rechter geeft aan dat het al dan niet slagen van het beroep in Revision afhangt van de uitlegging van artikel 2, onder c), en artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29, alsmede artikel 9, lid 1, onder b), en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2006/115.

21      In de eerste plaats moet worden vastgesteld of Pelham door bij het maken van zijn eigen fonogram gebruik te maken van de geluidsopname van Hütter e.a. inbreuk heeft gemaakt op het uitsluitende recht van deze laatsten tot reproductie en verspreiding van het fonogram met het nummer „Metall auf Metall”, zoals bedoeld in § 85, lid 1, UrhG, waarbij artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 en artikel 9 van richtlijn 2006/115 zijn omgezet. In het bijzonder moet worden nagegaan of sprake is van een dergelijke inbreuk wanneer, zoals in casu, twee seconden van een ritmische sequens van een fonogram worden overgenomen en worden vastgelegd op een ander fonogram, en of dat laatste fonogram een kopie vormt van een ander fonogram in de zin van artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115.

22      Indien een dergelijke inbreuk op het recht van de fonogramproducent wordt vastgesteld, rijst in de tweede plaats de vraag of Pelham zich kan beroepen op het „recht op vrij gebruik”, zoals bedoeld in § 24, lid 1, UrhG, dat naar analogie van toepassing is op het recht van fonogramproducenten, volgens welke bepaling een onafhankelijk werk dat is geschapen met vrij gebruik van het werk van een ander zonder toestemming van de auteur van het gebruikte werk mag worden gepubliceerd en geëxploiteerd. De verwijzende rechter wijst er in dit verband op dat die bepaling geen duidelijke tegenhanger heeft in het Unierecht en vraagt zich derhalve af of die bepaling strookt met het Unierecht, gelet op het feit dat die bepaling de beschermingsomvang van het uitsluitende recht van de fonogramproducent beperkt tot de reproductie en de verspreiding van diens fonogram.

23      In de derde plaats berusten de in het nationale recht opgenomen beperkingen en restricties op het in artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 vastgelegde reproductierecht en het in artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115 vastgelegde distributierecht, volgens de verwijzende rechter op artikel 5, lid 3, van richtlijn 2001/29 en artikel 10, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2006/115. De verwijzende rechter heeft twijfels over de uitlegging van deze bepalingen in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding.

24      In de vierde plaats geeft de verwijzende rechter aan dat de relevante bepalingen van Unierecht moeten worden uitgelegd en toegepast in het licht van de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) gewaarborgde grondrechten. Hij vraagt zich in deze context af of de lidstaten over discretionaire ruimte beschikken bij de omzetting in nationaal recht van artikel 2, onder c), en artikel 5, leden 2 en 3, van richtlijn 2001/29, en artikel 9, lid 1, onder b), en artikel 10, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2006/115. De verwijzende rechter merkt namelijk op dat de nationale bepalingen die een Unierichtlijn omzetten die de lidstaten geen discretionaire ruimte laat bij de omzetting ervan volgens de rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht in beginsel niet moeten worden beoordeeld in het licht van de door het Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland (grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland) van 23 mei 1949 (BGB1. 1949 I, blz. 1) gewaarborgde rechten, maar uitsluitend in het licht van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten. Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich af hoe die grondrechten in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding dienen te worden uitgelegd.

25      Tegen deze achtergrond heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is er sprake van een inbreuk op het aan artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 ontleende uitsluitende recht van een fonogramproducent tot reproductie van zijn fonogram, wanneer van zijn fonogram minieme geluidsfragmenten worden overgenomen en op een ander fonogram worden vastgelegd?

2)      Is een fonogram dat minieme geluidsfragmenten bevat die van een ander fonogram zijn overgenomen een kopie van het andere fonogram in de zin van artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115?

3)      Kunnen de lidstaten voorzien in een bepaling die – zoals § 24, lid 1, UrhG [...] – preciseert dat de beschermingsomvang van het uitsluitende recht van de fonogramproducent tot reproductie [artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29] en distributie [artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115] van zijn fonogram zodanig inherent begrensd is dat een zelfstandig werk dat met vrij gebruik van zijn fonogram is vervaardigd, zonder zijn toestemming mag worden geëxploiteerd?

4)      Wordt een werk of ander materiaal voor citeerdoeleinden gebruikt in de zin van artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 wanneer niet herkenbaar is dat een werk of ander materiaal van een derde wordt gebruikt?

5)      Is er discretionaire ruimte bij de omzetting in nationaal recht van de Unierechtelijke bepalingen met betrekking tot het reproductie- en distributierecht van de fonogramproducent [artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 en artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115] en de beperkingen en restricties op deze rechten (artikel 5, leden 2 en 3, van richtlijn 2001/29 en artikel 10, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2006/115)?

6)      Op welke manier dienen de grondrechten die verankerd zijn in het [Handvest] in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de beschermingsomvang van het uitsluitende recht van de fonogramproducent tot reproductie [artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29] en distributie [artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115] van zijn fonogram alsook bij de bepaling van de draagwijdte van de beperkingen en restricties op deze rechten (artikel 5, leden 2 en 3, van richtlijn 2001/29 en artikel 10, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2006/115)?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en zesde vraag

26      Met zijn eerste en zesde vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 in het licht van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat een fonogramproducent op grond van het hem verleende recht om reproductie van zijn fonogram toe te staan of te verbieden, kan beletten dat een geluidsfragment van zijn fonogram, hoe kort dan ook, door een derde wordt overgenomen en op een ander fonogram wordt vastgelegd.

27      Volgens artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29, voorzien de lidstaten ten behoeve van producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen, in het uitsluitende recht, „de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook”, toe te staan of te verbieden.

28      Richtlijn 2001/29 bevat geen definitie van het begrip „volledige of gedeeltelijke reproductie” van een fonogram in de zin van die bepaling. Derhalve moeten de betekenis en de draagwijdte van dit begrip volgens vaste rechtspraak van het Hof worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin het wordt gebruikt en de door de regeling waarvan het deel uitmaakt beoogde doelstellingen (arrest van 3 september 2014, Deckmyn en Vrijheidsfonds, C‑201/13, EU:C:2014:2132, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Uit de in punt 27 van dit arrest vermelde bewoordingen van artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 blijkt dat de reproductie door een gebruiker van een geluidsfragment, hoe kort dan ook, van een fonogram, in beginsel moet worden beschouwd als een „gedeeltelijke” reproductie van dat fonogram, in de zin van die bepaling, en dat een dergelijke reproductie bijgevolg onder het door deze bepaling aan de producent van dat fonogram verleende uitsluitende recht valt.

30      Deze letterlijke uitlegging van artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 strookt ten eerste met de algemene doelstelling van deze richtlijn, die er blijkens de overwegingen 4, 9 en 10 in bestaat te zorgen voor een hoog niveau van bescherming van het auteursrecht en de naburige rechten, en ten tweede met de in overweging 10 van die richtlijn genoemde specifieke doelstelling van het uitsluitende recht van de fonogramproducent, namelijk het beschermen van de investeringen van die producent. Zoals in diezelfde overweging staat vermeld, vereist de productie van fonogrammen aanzienlijke investeringen, zodat het noodzakelijk is om de mogelijkheid van een behoorlijk rendement voor de producenten van die fonogrammen te waarborgen.

31      Wanneer een gebruiker bij de uitoefening van de vrijheid van kunsten een geluidsfragment van een fonogram overneemt om dit, in een gewijzigde en voor het oor onherkenbare vorm, in een nieuw werk te gebruiken, moet evenwel worden geoordeeld dat een dergelijk gebruik geen „reproductie” vormt in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29.

32      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat uit de overwegingen 3 en 31 van richtlijn 2001/29 volgt dat de harmonisatie die deze richtlijn tot stand brengt, met name in de elektronische omgeving, gericht is op de waarborging van een rechtvaardig evenwicht tussen enerzijds het belang van de houders van auteursrechten en naburige rechten bij bescherming van hun thans door artikel 17, lid 2, van het Handvest gewaarborgde recht op intellectuele eigendom en anderzijds de bescherming van de belangen en fundamentele rechten van de gebruikers van beschermd materiaal, alsmede van het algemeen belang (zie in die zin arrest van 7 augustus 2018, Renckhoff, C‑161/17, EU:C:2018:634, punt 41).

33      Het Hof heeft in dit verband reeds geoordeeld dat noch uit artikel 17, lid 2, van het Handvest, noch uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het in deze bepaling vastgelegde intellectuele-eigendomsrecht onaantastbaar is en daarom noodzakelijkerwijs absolute bescherming moet genieten (arresten van 24 november 2011, Scarlet Extended, C‑70/10, EU:C:2011:771, punt 43; 16 februari 2012, SABAM, C‑360/10, EU:C:2012:85, punt 41, en 27 maart 2014, UPC Telekabel Wien, C‑314/12, EU:C:2014:192, punt 61).

34      Dit recht dient immers te worden afgewogen tegen de andere grondrechten, waaronder de door artikel 13 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van kunsten die, voor zover zij valt onder de vrijheid van meningsuiting zoals die wordt beschermd door artikel 11 van het Handvest en artikel 10, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de mogelijkheid biedt deel te nemen aan de openbare uitwisseling van allerlei soorten culturele, politieke en sociale inlichtingen of denkbeelden (zie in die zin EHRM, 24 mei 1988, Müller e.a. tegen Zwitserland, CE:ECHR:1988:0524JUD001073784, § 27; EHRM, 8 juli 1999, Karataş tegen Turkije, CE:ECHR:1999:0708JUD002316894, § 49).

35      In dit kader zij opgemerkt dat de „samplingtechniek”, waarbij een gebruiker, doorgaans met behulp van elektronische apparatuur, een fragment van een fonogram overneemt om een nieuw werk te vervaardigen, een vorm is van artistieke expressie die onder de door artikel 13 van het Handvest beschermde vrijheid van kunsten valt.

36      Bij de uitoefening van deze vrijheid kan de gebruiker van een geluidsfragment (sample), wanneer hij een nieuw werk vervaardigt, besluiten een van een ander fonogram overgenomen fragment dusdanig te wijzigen dat dit fragment bij het beluisteren van zijn werk niet meer herkenbaar is.

37      Het aanmerken van een van een fonogram overgenomen fragment dat voor een eigen artistieke schepping in een gewijzigde en voor het oor onherkenbare vorm in een nieuw werk wordt gebruikt, als een „reproductie” van dat fonogram in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29, zou niet alleen strijdig zijn met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van dat begrip, in de zin van de in punt 28 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, maar eveneens voorbijgaan aan het in punt 32 van dit arrest genoemde vereiste van een rechtvaardig evenwicht.

38      Die uitlegging zou een fonogramproducent in het bijzonder de mogelijkheid geven in een dergelijk geval te beletten dat een derde een geluidsfragment, hoe kort dan ook, van zijn fonogram overneemt ten behoeve van een artistieke creatie, zelfs al doet die overname geen afbreuk aan de mogelijkheid voor die producent om een behoorlijk rendement voor zijn investering te verkrijgen.

39      Gelet op een en ander dient op de eerste en de zesde vraag te worden geantwoord dat artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 in het licht van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat een fonogramproducent op grond van het hem door deze bepaling verleende recht om reproductie van zijn fonogram toe te staan of te verbieden, kan beletten dat een geluidsfragment van zijn fonogram, hoe kort dan ook, door een derde wordt overgenomen en op een ander fonogram wordt vastgelegd, tenzij dat fragment in een gewijzigde en voor het oor onherkenbare vorm op laatstgenoemd fonogram wordt vastgelegd.

 Tweede vraag

40      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115 aldus moet worden uitgelegd dat een fonogram dat muziekfragmenten bevat die van een ander fonogram zijn overgenomen een „kopie” van dat fonogram is in de zin van die bepaling.

41      Artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115 bepaalt dat de lidstaten ten behoeve van producenten van fonogrammen voorzien in een uitsluitend recht om hun fonogrammen, met inbegrip van kopieën ervan, door verkoop of anderszins ter beschikking van het publiek te stellen.

42      Artikel 9 van richtlijn 2006/115 noch enige andere bepaling van deze richtlijn definieert het begrip „kopie” in de zin van dat artikel.

43      Dit begrip moet dus worden uitgelegd met inachtneming van de context van de betrokken bepaling en de beoogde doelstelling van de betrokken regeling.

44      Er zij aan herinnerd dat het in artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115 neergelegde uitsluitende distributierecht van de fonogramproducent ten doel heeft die producent, door middel van een passende juridische bescherming van zijn intellectuele-eigendomsrechten, de mogelijkheid te bieden de voor de productie van de fonogrammen gedane investeringen, die bijzonder hoog en riskant kunnen zijn, terug te verdienen, zoals staat te lezen in de overwegingen 2 en 5 van richtlijn 2006/115.

45      Dienaangaande volgt uit overweging 2 dat de door deze richtlijn aan fonogramproducenten verleende bescherming met name beoogt piraterij tegen te gaan, dat wil zeggen, zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het tegengaan van de productie en distributie onder het publiek van nagemaakte kopieën van fonogrammen. De distributie van die kopieën vormt namelijk een bijzonder ernstige bedreiging van de belangen van de producent van die fonogrammen, aangezien zij kan leiden tot een forse vermindering van de inkomsten die laatstgenoemde fonogramproducent verkrijgt uit de beschikbaarstelling van die fonogrammen.

46      Zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan uitsluitend materiaal waarop al het geluid of een substantieel deel van de op een fonogram vastgelegde geluiden is opgenomen, vanwege de eigenschappen daarvan de plaats innemen van de legale exemplaren van dat fonogram en derhalve een kopie van dat fonogram vormen in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/115.

47      Dat is echter niet het geval bij materiaal waarop niet al het geluid of een substantieel deel van de op een fonogram vastgelegde geluiden is opgenomen, maar dat slechts muziekfragmenten bevat die, in voorkomend geval in gewijzigde vorm, van dat fonogram zijn overgenomen om een nieuw en van dat fonogram onafhankelijk werk te creëren.

48      Deze uitlegging van artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115 vindt, gelet op de doelstelling daarvan, steun in de context van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt.

49      Zoals in overweging 7 van richtlijn 2006/115 staat te lezen, beoogt deze richtlijn in dit verband de wetgeving van de lidstaten zodanig te harmoniseren, dat zij niet in strijd komt met internationale verdragen waarop de wetten betreffende het auteursrecht en de naburige rechten van vele lidstaten zijn gebaseerd.

50      Tot deze verdragen behoort ook de Overeenkomst van Genève, die blijkens de preambule daarvan in het bijzonder ten doel heeft het hoofd te bieden aan de toenemende mate waarin fonogrammen zonder toestemming worden gekopieerd en de schade die dit berokkent aan de belangen van auteurs.

51      Deze overeenkomst bevat in artikel 2 een soortgelijke bepaling als artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115, die uitdrukkelijk bepaalt dat fonogramproducenten worden beschermd tegen het vervaardigen zonder hun toestemming van „kopieën” van hun fonogrammen en de distributie ervan aan het publiek.

52      Volgens artikel 1, onder c), van die overeenkomst is een „kopie” in dit verband het materiaal dat geluiden bevat die al dan niet rechtstreeks zijn overgenomen van een fonogram en waarop „al het geluid of een wezenlijk gedeelte” van de geluiden die op dat fonogram zijn vastgelegd, is opgenomen.

53      Het is juist dat de bepalingen van de Overeenkomst van Genève geen deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, aangezien de Unie geen partij bij die overeenkomst is en bovendien niet kan worden aangenomen dat de Unie voor de toepassing van deze overeenkomst in de plaats is getreden van de lidstaten, al was het maar omdat niet alle lidstaten partij zijn bij deze overeenkomst (zie naar analogie arrest van 15 maart 2012, SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 41). Dit neemt echter niet weg dat deze overeenkomst een van de in punt 49 van dit arrest bedoelde internationale verdragen is en dat de bepalingen van richtlijn 2006/115 derhalve zo veel mogelijk moeten worden uitgelegd in het licht van deze overeenkomst (zie in die zin arresten van 7 december 2006, SGAE, C‑306/05, EU:C:2006:764, punt 35; 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punt 189, en 19 december 2018, Syed, C‑572/17, EU:C:2018:1033, punt 20).

54      Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 46 en 47 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet worden geoordeeld dat het begrip „kopie” in de zin van artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115 op een wijze moet worden uitgelegd die strookt met dat begrip zoals het is vastgelegd in artikel 1, onder c), en artikel 2 van de Overeenkomst van Genève.

55      Gelet op al het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115 aldus moet worden uitgelegd dat een fonogram dat muziekfragmenten bevat die van een ander fonogram zijn overgenomen geen „kopie” van dat fonogram in de zin van die bepaling is, aangezien op dat fonogram niet het gehele andere fonogram of een wezenlijk gedeelte daarvan is overgenomen.

 Derde vraag

56      De verwijzende rechter geeft aan dat § 24, lid 1, UrhG, dat naar analogie van toepassing is op het recht van een fonogramproducent, bepaalt dat een onafhankelijk werk dat is geschapen met gebruik van het werk van een ander, zonder toestemming van de auteur van het gebruikte werk mag worden gebruikt en geëxploiteerd. Hij preciseert hierbij dat een dergelijk „recht op vrij gebruik” als zodanig geen afwijking van het auteursrecht vormt maar veeleer een inherente restrictie van de beschermingsomvang daarvan betreft die is gebaseerd op de gedachte dat een culturele creatie ondenkbaar is zonder voort te bouwen op de eerdere verrichtingen van andere auteurs.

57      Tegen deze achtergrond, en aangezien uit het antwoord op de tweede vraag volgt dat een reproductie zoals die in het hoofdgeding niet onder artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115 valt, moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag in wezen wenst te vernemen of een lidstaat in het nationale recht kan voorzien in een beperking of restrictie op het in artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 neergelegde recht van fonogramproducenten die niet tot de in artikel 5 van deze richtlijn bedoelde beperkingen en restricties behoort.

58      Zoals blijkt uit de toelichting bij het voorstel voor de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij van 10 december 1997 [COM(97) 628 def.] en uit overweging 32 van richtlijn 2001/29, is de in artikel 5 van deze richtlijn opgenomen opsomming van beperkingen en restricties uitputtend, wat het Hof ook herhaaldelijk heeft benadrukt (arresten van 16 november 2016, Soulier en Doke, C‑301/15, EU:C:2016:878, punt 34, en 7 augustus 2018, Renckhoff, C‑161/17, EU:C:2018:634, punt 16).

59      Dienaangaande is in punt 32 van dit arrest in herinnering gebracht dat de harmonisatie die deze richtlijn tot stand brengt, met name in de elektronische omgeving, gericht is op de waarborging van een rechtvaardig evenwicht tussen enerzijds het belang van de houders van auteursrechten en naburige rechten bij bescherming van hun recht op intellectuele eigendom en anderzijds de bescherming van de belangen en fundamentele rechten van de gebruikers van beschermd materiaal, alsmede van het algemeen belang.

60      De mechanismen die het mogelijk maken om een juist evenwicht te vinden tussen deze verschillende rechten en belangen is vervat in richtlijn 2001/29 zelf, die immers onder meer in de artikelen 2 tot en met 4 voorziet in de uitsluitende rechten van de rechthebbenden en in artikel 5 voorziet in de beperkingen en restricties daarop die door de lidstaten kunnen, of zelfs moeten, worden omgezet, waarbij deze mechanismen echter door nationale maatregelen ter omzetting van deze richtlijn en de toepassing daarvan door de nationale autoriteiten geconcretiseerd dienen te worden (zie in die zin arrest van 29 januari 2008, Promusicae, C‑275/06, EU:C:2008:54, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61      Het Hof heeft meermaals geoordeeld dat de thans in het Handvest neergelegde grondrechten, waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, gebaseerd zijn op de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten alsmede op de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten (zie in die zin arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C‑540/03, EU:C:2006:429, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62      Aan het in punt 32 van dit arrest beschreven rechtvaardige evenwicht wordt ook bijgedragen door artikel 5, lid 5, van richtlijn 2001/29, dat vereist dat de in de leden 1 tot en met 4 van dat artikel bedoelde beperkingen en restricties slechts in bepaalde bijzondere gevallen mogen worden toegepast, er geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander beschermd materiaal, en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.

63      In dit verband komt de effectiviteit van de door richtlijn 2001/29 tot stand gebrachte harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten alsmede de nagestreefde rechtszekerheid in gevaar indien het elke lidstaat, in weerwil van de in punt 58 van dit arrest in herinnering gebrachte uitdrukkelijke wil van de Uniewetgever, wordt toegestaan om afwijkingen van de in de artikelen 2 tot en met 4 van die richtlijn vastgestelde uitsluitende rechten van de auteur toe te passen die niet onder de in artikel 5 van deze richtlijn uitputtend opgesomde beperkingen en restricties vallen (arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a., C‑466/12, EU:C:2014:76, punten 34 en 35). Uit overweging 31 van deze richtlijn blijkt namelijk duidelijk dat verschillen in beperkingen en restricties op bepaalde aan toestemming onderworpen handelingen directe negatieve gevolgen hadden voor de werking van de interne markt op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten, en dat de in artikel 5 van richtlijn 2001/29 opgenomen opsomming van beperkingen en restricties de goede werking van de interne markt op het oog heeft.

64      Zoals blijkt uit overweging 32 van die richtlijn zijn de lidstaten voorts gehouden om deze beperkingen en restricties op coherente wijze toe te passen. De eis om deze beperkingen en restricties coherent toe te passen zou niet kunnen worden verzekerd indien de lidstaten vrij waren om andere beperkingen en restricties toe te passen dan die welke in richtlijn 2001/29 uitdrukkelijk zijn vastgesteld (zie in die zin arrest van 12 november 2015, Hewlett-Packard Belgium, C‑572/13, EU:C:2015:750, punten 38 en 39). Het Hof heeft overigens reeds benadrukt dat geen enkele bepaling van richtlijn 2001/29 voorziet in de mogelijkheid voor de lidstaten om het toepassingsgebied van dergelijke beperkingen en restricties uit te breiden (zie in die zin arrest van 10 april 2014, ACI Adam e.a., C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 27).

65      Gelet op het voorgaande dient op de derde vraag te worden geantwoord dat een lidstaat in het nationale recht niet mag voorzien in andere beperkingen of restricties op het in artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 neergelegde recht van fonogramproducenten dan die welke in artikel 5 van deze richtlijn zijn vastgesteld.

 Vierde vraag

66      Met zijn vierde vraag, die wordt voorgelegd voor het geval dat een inbreuk op het in artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 neergelegde uitsluitende recht op reproductie van fonogramproducenten wordt vastgesteld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 3, onder d), van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling genoemde begrip „citeren” ook ziet op een situatie waarin het betrokken werk niet kan worden herkend aan de hand van het citaat in kwestie.

67      Volgens artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 kunnen de lidstaten beperkingen of restricties op de in de artikelen 2 en 3 van deze richtlijn bedoelde uitsluitende rechten op reproductie en op communicatie aan het publiek stellen ten aanzien van het citeren ten behoeve van kritieken of recensies en voor soortgelijke doeleinden, mits het een werk of ander materiaal betreft dat reeds op geoorloofde wijze voor het publiek beschikbaar is gesteld, indien de bron – waaronder de naam van de auteur – wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt en het citeren naar billijkheid geschiedt en wordt gerechtvaardigd door het bijzondere doel ervan.

68      Om te beginnen moet in navolging van de advocaat-generaal in de punten 62 en 63 van zijn conclusie worden geoordeeld dat, gelet op de bewoordingen van artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29, dat verwijst naar „een werk of ander materiaal”, de in dit artikel bedoelde beperking of restrictie kan worden toegepast op het gebruik van een beschermd muziekwerk, voor zover de in deze bepaling neergelegde voorwaarden zijn vervuld.

69      In het bijzonder is voor de toepassing van artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 vereist dat, zoals in punt 67 van dit arrest is uiteengezet, het gebruik van het betrokken werk „naar billijkheid geschiedt en door het bijzondere doel wordt gerechtvaardigd”, zodat het betrokken gebruik met het oog op citeren niet verder mag gaan dan ter bereiking van het met het citaat in kwestie beoogde doel noodzakelijk is.

70      Aangezien richtlijn 2001/29 het begrip „citeren” niet definieert, moeten de betekenis en de draagwijdte van dit begrip volgens in punt 28 van dit arrest in herinnering gebrachte vaste rechtspraak van het Hof worden bepaald naar de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin het wordt gebruikt en de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan het deel uitmaakt.

71      Wat betreft de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van het begrip „citeren” moet worden opgemerkt dat de wezenlijke kenmerken van een citaat erin bestaan dat een gebruiker die niet de auteur van een werk is, dit werk of meer in het algemeen een passage eruit gebruikt ter illustratie van een uitlating of ter verdediging van een opvatting dan wel om een intellectuele confrontatie teweeg te brengen tussen dit werk en de uitlatingen van de gebruiker, waarbij de gebruiker van een beschermd werk die zich beroept op de beperking voor citeren dus de bedoeling moet hebben om de dialoog met dat werk aan te gaan, zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie heeft opgemerkt.

72      Wanneer de maker van een nieuw muziekwerk een van een fonogram overgenomen geluidsfragment (sample) gebruikt dat bij het beluisteren van dat nieuwe werk herkenbaar is, kan het gebruik van dat geluidsfragment, naargelang van de omstandigheden van het geval, met name gelijkstaan aan „citeren” in de zin van artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29, gelezen in het licht van artikel 13 van het Handvest, mits dat gebruik is bedoeld om de dialoog met het werk waarvan het geluidsfragment is overgenomen aan te gaan, zoals vermeld in punt 71 van dit arrest, en de in artikel 5, lid 3, onder d), van deze richtlijn neergelegde voorwaarden zijn vervuld.

73      Zoals de advocaat-generaal in punt 65 van zijn conclusie heeft benadrukt, kan van een dergelijke dialoog geen sprake zijn wanneer het betrokken werk niet kan worden herkend aan de hand van het citaat in kwestie.

74      Gelet op een en ander dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling genoemde begrip „citeren” niet ziet op een situatie waarin het betrokken werk niet kan worden herkend aan de hand van het citaat in kwestie.

 Vijfde vraag

75      Vooraf moet worden opgemerkt dat, zoals volgt uit punt 24 van dit arrest, de vijfde vraag in het bijzonder betrekking heeft op de toepassing door de verwijzende rechter, voor de afdoening van het hoofdgeding, van artikel 2, onder c), en artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29, alsmede artikel 9, lid 1, onder b), en artikel 10, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2006/115.

76      De verwijzende rechter vraagt zich in dit verband af of de lidstaten over discretionaire ruimte beschikken bij de omzetting van deze bepalingen van Unierecht, aangezien de nationale bepalingen die een Unierichtlijn omzetten die de lidstaten geen discretionaire ruimte laat bij de omzetting ervan volgens de rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht in beginsel niet moeten worden beoordeeld in het licht van de door de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland gewaarborgde rechten, maar uitsluitend in het licht van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten.

77      Gelet op het antwoord op de tweede en de vierde vraag moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vijfde vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het een maatregel is die volledige harmonisatie tot stand brengt.

78      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat krachtens het beginsel van voorrang van Unierecht, dat een wezenlijk kenmerk is van de rechtsorde van de Unie, de omstandigheid dat een lidstaat zich beroept op bepalingen van nationaal recht, ook al zijn deze van constitutionele aard, niet kan afdoen aan de werking van het recht van de Unie op het grondgebied van die staat (arrest van 26 februari 2013, Melloni, C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 59).

79      In dit verband zij erop gewezen dat, aangezien de omzetting van een richtlijn door de lidstaten hoe dan ook onder de in artikel 51 van het Handvest bedoelde situatie valt waarin de lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen, bij die omzetting het in het Handvest neergelegde niveau van bescherming van de grondrechten in acht moet worden genomen, ongeacht de discretionaire ruimte waarover de lidstaten bij die omzetting beschikken.

80      Daarbij zij evenwel aangetekend dat, wanneer een nationale bepaling of maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, de nationale autoriteiten of rechterlijke instanties nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten kunnen toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (arresten van 26 februari 2013, Melloni, C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 60, en 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 29).

81      Het is dan ook verenigbaar met het Unierecht dat de nationale rechterlijke instanties en autoriteiten die toepassing afhankelijk stellen van de – door de verwijzende rechter naar voren gebrachte – omstandigheid dat de bepalingen van een richtlijn „discretionaire ruimte laten bij de toepassing ervan in nationaal recht”, voor zover deze omstandigheid aldus wordt opgevat dat daarmee wordt verwezen naar het door deze bepalingen bewerkstelligde harmonisatieniveau, aangezien die toepassing van nationale beschermingsmaatstaven enkel mogelijk is wanneer die bepalingen geen volledige harmonisatie tot stand brengen.

82      In casu moet worden opgemerkt dat richtlijn 2001/29 ertoe strekt slechts bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten te harmoniseren, aangezien uit verschillende bepalingen naar voren komt dat de Uniewetgever de lidstaten bij de tenuitvoerlegging ervan een discretionaire ruimte heeft willen toekennen (zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Copydan Båndkopi, C‑463/12, EU:C:2015:144, punt 57).

83      Wat het in artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 neergelegde uitsluitende recht van de rechthebbenden betreft is in punt 27 van dit arrest in herinnering gebracht dat dit artikel bepaalt dat de lidstaten ten behoeve van producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen, voorzien in het uitsluitende recht, „de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook”, toe te staan of te verbieden.

84      Deze bepaling bevat dus een ondubbelzinnige definitie van het uitsluitende reproductierecht waarover fonogramproducenten in de Unie beschikken. Bovendien bevat deze bepaling geen enkele voorwaarde en is voor de uitvoering of werking daarvan geen enkele maatregel vereist.

85      Hieruit volgt dat artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 een maatregel is die een volledige harmonisatie van de materiële inhoud van het aldaar bedoelde recht bewerkstelligt (zie naar analogie, met betrekking tot het uitsluitende recht van de houder van een Uniemerk, arresten van 20 november 2001, Zino Davidoff en Levi Strauss, C‑414/99–C‑416/99, EU:C:2001:617, punt 39, en 12 november 2002, Arsenal Football Club, C‑206/01, EU:C:2002:651, punt 43).

86      Gelet op het voorgaande dient op de vijfde vraag te worden geantwoord dat artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het een maatregel is die volledige harmonisatie van de materiële inhoud van het in die bepaling geregelde recht bewerkstelligt.

 Kosten

87      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, moet in het licht van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een fonogramproducent op grond van het hem door deze bepaling verleende recht om reproductie van zijn fonogram toe te staan of te verbieden, kan beletten dat een geluidsfragment van zijn fonogram, hoe kort dan ook, door een derde wordt overgenomen en op een ander fonogram wordt vastgelegd, tenzij dat fragment in een gewijzigde en voor het oor onherkenbare vorm op laatstgenoemd fonogram wordt vastgelegd.

2)      Artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, moet aldus worden uitgelegd dat een fonogram dat muziekfragmenten bevat die van een ander fonogram zijn overgenomen geen „kopie” van dat fonogram in de zin van die bepaling is, aangezien op dat fonogram niet het gehele andere fonogram of een wezenlijk gedeelte daarvan is overgenomen.

3)      Een lidstaat mag in het nationale recht niet voorzien in andere beperkingen of restricties op het in artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 neergelegde recht van fonogramproducenten dan die welke in artikel 5 van deze richtlijn zijn vastgesteld.

4)      Artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het in deze bepaling genoemde begrip „citeren” niet ziet op een situatie waarin het betrokken werk niet kan worden herkend aan de hand van het citaat in kwestie.

5)      Artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het een maatregel is die volledige harmonisatie van de materiële inhoud van het in die bepaling geregelde recht bewerkstelligt.

ondertekeningen



*      Procestaal: Duits.