Language of document : ECLI:EU:C:2019:645

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. BOBEK

van 29 juli 2019(1)

Zaak C433/18

ML

tegen

OÜ Aktiva Finants

[verzoek van de Korkein oikeus (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Finland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 43 – Vereiste van een doeltreffend rechtsmiddel en een procedure op tegenspraak – Rechtsmiddel tegen een beslissing tot uitvoerbaarverklaring van een beslissing van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat – Procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding in hoger beroep”






I.      Inleiding

1.        Op 7 december 2009 heeft een Estse rechter, de Harju Maakohus (rechter in eerste aanleg Harju, Estland), een beslissing gegeven waarbij ML (hierna: „rekwirant in het hoofdgeding”) is veroordeeld tot betaling van 14 838,50 Estse kronen (EEK) (ongeveer 948 EUR) aan de Estse onderneming OÜ Aktiva Finants. Op verzoek van Aktiva Finants heeft de Helsingin käräjäoikeus (rechter in eerste aanleg Helsinki) deze beslissing op grond van verordening (EG) nr. 44/2001 uitvoerbaar verklaard in Finland.(2) Rekwirant in het hoofdgeding is tegen deze beslissing opgekomen bij de Helsingin hovioikeus (rechter in tweede aanleg Helsinki, Finland). Deze rechter heeft hem geen toestemming tot voortzetting van het geding verleend, welke weigering door rekwirant in het hoofdgeding wordt betwist ten overstaan van de verwijzende rechter, de Korkein oikeus (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Finland).

2.        In Finland voorziet het nationale stelsel van rechtsmiddelen in een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding wanneer een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen beslissingen van gerechten in eerste aanleg. Deze procedure geldt eveneens voor rechtsmiddelen die betrekking hebben op beslissingen in eerste aanleg waarbij een in een andere lidstaat gegeven beslissing uitvoerbaar is verklaard krachtens verordening nr. 44/2001.

3.        In de onderhavige prejudiciële verwijzing wordt het Hof verzocht te bepalen of in het kader van de bij verordening nr. 44/2001 vastgestelde regeling een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding zoals in het hoofgeding aan de orde is, strookt met het in artikel 43, lid 1, van verordening nr. 44/2001 neergelegde vereiste dat aan beide partijen doeltreffende rechtsmiddelen moeten worden gewaarborgd, en of een dergelijke procedure overeenkomstig artikel 43, lid 3, van deze verordening de regels van de procedure op tegenspraak in acht neemt.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

4.        Artikel 41 van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„De beslissing wordt uitvoerbaar verklaard zodra de formaliteiten van artikel 53 vervuld zijn, zonder toetsing uit hoofde van de artikelen 34 en 35. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord.”

5.        Artikel 43, leden 1 tot en met 3, van deze verordening luidt als volgt:

„1.      Elke partij kan een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing op het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid.

2.      Het rechtsmiddel wordt bij het in bijlage III bedoelde gerecht ingesteld.

3.      Het rechtsmiddel wordt volgens de regels van de procedure op tegenspraak behandeld.”

6.        Artikel 45 van deze verordening bepaalt:

„1.      De verklaring van uitvoerbaarheid wordt door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in de artikelen 43 of 44, slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden geweigerd of ingetrokken. Het gerecht doet onverwijld uitspraak.

2.      In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.”

B.      Fins recht

7.        Volgens § 5, eerste alinea, van hoofdstuk 25a van de oikeudenkäymiskaari (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) is voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een beslissing van een gerecht van eerste aanleg toestemming tot voortzetting van het geding vereist.

8.        § 11, eerste alinea, van dit hoofdstuk luidt als volgt:

„Toestemming tot voortzetting van het geding moet worden verleend:

1)      wanneer er aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de beslissing van het gerecht van eerste aanleg;

2)      wanneer het niet mogelijk is de juistheid van de beslissing van het gerecht van eerste aanleg te beoordelen zonder toestemming tot voortzetting van het geding te verlenen;

3)      wanneer het voor de toepassing van het recht in andere, soortgelijke zaken van belang is in het onderhavige geval toestemming tot voortzetting van het geding te verlenen, of

4)      wanneer er een andere gewichtige reden is om voortzetting van het geding toe te staan.”

9.        § 13 van dit hoofdstuk bepaalt: „Alvorens uitspraak te doen over het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding, verzoekt het gerecht van tweede aanleg de tegenpartij zo nodig om een schriftelijk antwoord op het hoger beroep.”

10.      Volgens § 14, eerste alinea, van hoofdstuk 25a van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering „[beslist h]et gerecht van tweede aanleg [...] over de verlening van toestemming tot voortzetting van het geding in een schriftelijke procedure, op basis van de beslissing van het gerecht van eerste aanleg, het hoger beroep, het eventuele schriftelijke antwoord en, zo nodig, de overige elementen van het dossier”.

11.      Volgens § 17 van dit hoofdstuk wordt de beslissing van de rechter in eerste aanleg bekrachtigd, indien geen toestemming tot voortzetting van het geding wordt verleend, en moet de beslissing een uiteenzetting van de verzoeken en antwoorden van partijen bevatten.

12.      Overeenkomstig § 18 van dit hoofdstuk wordt toestemming tot voortzetting van het geding verleend, wanneer ten minste één van de drie leden van de meervoudige kamer van het gerecht zich ten gunste daarvan uitspreekt. Toestemming tot voortzetting van het geding kan echter ook worden verleend door een enkelvoudige kamer.

13.      Wanneer toestemming tot voortzetting van het geding wordt verleend en het gerecht van tweede aanleg de behandeling van het hoger beroep voortzet, dient ingevolge § 1 van hoofdstuk 26 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering te worden onderzocht of en, in voorkomend geval, op welke wijze de beslissing van het gerecht van eerste aanleg moet worden gewijzigd. Volgens § 3 van dit hoofdstuk wordt de tegenpartij verzocht om binnen een door het gerecht van tweede aanleg vast te stellen termijn schriftelijk te antwoorden op het hoger beroep, tenzij reeds om een antwoord is verzocht in het kader van de behandeling van de vraag betreffende verlening van toestemming tot voortzetting van het geding of indien het kennelijk overbodig is om om een antwoord te verzoeken.

III. Feiten, procedure en prejudiciële vragen

14.      Rekwirant in het hoofdgeding is een natuurlijke persoon die naar eigen zeggen sinds 26 november 2007 zijn domicilie in Finland heeft. Bij beslissing van 7 december 2009 is hij door de Harju Maakohus veroordeeld tot betaling van een bedrag van 14 838,50 EEK (ongeveer 948 EUR) aan Aktiva Finants.

15.      Op verzoek van Aktiva Finants is de op 7 december 2009 jegens rekwirant in het hoofdgeding gegeven beslissing krachtens verordening nr. 44/2001 uitvoerbaar verklaard in Finland bij beslissing van de Helsingin käräjäoikeus.

16.      Nadat hij van deze beslissing in kennis was gesteld, heeft rekwirant in het hoofdgeding bij de Helsingin hovioikeus hoger beroep ingesteld, waarbij hij verzocht de beslissing van de Helsingin käräjäoikeus in haar geheel te vernietigen. In het door hem bij de Helsingin hovioikeus ingediende verzoekschrift heeft rekwirant in het hoofdgeding betoogd dat de Estse beslissing was gegeven zonder dat hij daarbij aanwezig was en dat het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan hem is betekend of meegedeeld. Daarnaast stelde hij pas kennis van het geding te hebben gekregen, toen de Helsingin käräjäoikeus hem de beslissing tot uitvoerbaarverklaring meedeelde. Verder was de Estse rechter volgens rekwirant in het hoofdgeding in casu niet bevoegd, omdat hij sinds 26 november 2007 in Finland is gedomicilieerd. Tot staving van zijn betoog heeft hij zich tevens op de artikelen 34 en 35 van verordening nr. 44/2001 beroepen.

17.      De Helsingin hovioikeus heeft rekwirant in het hoofdgeding geen toestemming tot voortzetting van het geding verleend, waarna de behandeling van het hoger beroep beëindigd is.

18.      Rekwirant in het hoofdgeding heeft de verwijzende rechter verzocht om in cassatie tegen deze beslissing van de Helsingin hovioikeus te mogen opkomen, waartoe hem op 24 januari 2017 toestemming is verleend. In zijn beroep ten overstaan van de Korkein oikeus heeft hij vernietiging van de beslissing van de Helsingin hovioikeus, toestemming tot voortzetting van het geding en terugverwijzing van de zaak naar laatstgenoemd gerecht voor de behandeling van het hoger beroep gevorderd.

19.      De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat hij dient te bepalen of een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding in tweede aanleg – zoals in het hoofdgeding centraal staat – van toepassing is wanneer het beroep is gericht tegen de beslissing van het gerecht van eerste aanleg waarbij een in een andere lidstaat gegeven beslissing overeenkomstig verordening nr. 44/2001 uitvoerbaar is verklaard. Hij voegt hieraan toe dat hij zich eveneens dient uit te spreken over de vraag of de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding verenigbaar is met verordening nr. 44/2001 en, meer in het bijzonder, met het vereiste van een procedure op tegenspraak als bedoeld in artikel 43, lid 3, van deze verordening.

20.      In deze omstandigheden heeft de Korkein oikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding waarin het nationale stelsel van rechtsmiddelen voorziet, verenigbaar met het vereiste dat de door artikel 43, lid 1, van verordening nr. 44/2001 aan beide partijen gewaarborgde doeltreffende rechtsmiddelen ter beschikking staan, wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van het gerecht in eerste aanleg die betrekking heeft op de erkenning oftenuitvoerlegging van een beslissing in de zin van verordening nr. 44/2001?

2)      Wordt bij de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding aan het vereiste van een procedure op tegenspraak in de zin van artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001 voldaan wanneer de tegenpartij niet wordt gehoord vóór de beslissing om al dan niet toestemming te verlenen? Is hieraan voldaan wanneer de tegenpartij wordt gehoord voordat een beslissing over de toestemming tot voortzetting van het geding is genomen?

3)      Is het voor de uitlegging van belang dat het rechtsmiddel niet alleen kan worden ingesteld door de partij die om tenuitvoerlegging verzoekt en waarvan het verzoek is afgewezen, maar ook door de partij waartegen om tenuitvoerlegging is verzocht, indien het verzoek is ingewilligd?”

21.      De Finse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en zijn gehoord ter terechtzitting van 15 mei 2019.

IV.    Beoordeling

22.      Deze conclusie is als volgt opgebouwd. In het kader van de eerste prejudiciële vraag concludeer ik naar aanleiding van het onderzoek van de bij verordening nr. 44/2001 vastgestelde regeling en de Finse procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding in hoger beroep, dat artikel 43 van deze verordening een dergelijke procedure toestaat, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan (A). In het kader van de tweede en de derde prejudiciële vraag, die ik gezamenlijk zal bespreken, concludeer ik, na de reikwijdte van het beginsel van hoor en wederhoor te hebben onderzocht, dat een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding zoals in het hoofdgeding aan de orde is, niet in strijd is met het vereiste van een procedure op tegenspraak (B).

A.      Eerste prejudiciële vraag

23.      Met zijn eerste prejudiciële vraag wil de verwijzende rechter in wezen van het Hof vernemen of de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding waarin het Finse stelsel voorziet, verenigbaar is met het uit artikel 43, lid 1, van verordening nr. 44/2001 voortvloeiende vereiste van doeltreffende rechtsmiddelen.

1.      De bij verordening nr. 44/2001 vastgestelde regeling

24.      Op grond van het beginsel van wederzijds vertrouwen en in de lijn van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(3), zoals achtereenvolgens gewijzigd bij de verdragen inzake de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit Verdrag(4), beoogt verordening nr. 44/2001, die in casu van toepassing is(5), de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen sneller en eenvoudiger te maken. Deze handeling van afgeleid recht vereenvoudigt de formaliteiten, zodat rechterlijke beslissingen die in een andere lidstaat zijn gegeven, van rechtswege worden erkend zonder dat nog een andere procedure hoeft te worden gevoerd, en de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel is.(6)

25.      De exequaturprocedure biedt echter ook de mogelijkheid om de in een andere lidstaat gegeven beslissing te toetsen aan de gronden voor niet-tenuitvoerlegging zoals limitatief door de Uniewetgever opgesomd in de artikelen 34 en 35 van verordening nr. 44/2001. De exequaturprocedure kent dus twee stadia.

26.      In een eerste stadium verzoekt een partij overeenkomstig artikel 41 van verordening nr. 44/2001 in het kader van een niet-contradictoire procedure om de tenuitvoerlegging van de in een andere lidstaat gegeven beslissing. In dit stadium is een toetsing aan de gronden voor niet-tenuitvoerlegging als bedoeld in de artikelen 34 en 35 van deze verordening niet mogelijk, noch op verzoek van partijen noch ambtshalve. Wanneer het verzoekschrift tot tenuitvoerlegging is ingediend door een partij die procesbelang heeft, bij de rechterlijke instantie of autoriteit die daarvoor bevoegd is, en dit verzoekschrift voldoet aan de gestelde vormvereisten, moet de aangezochte rechter of autoriteit het verzoek inwilligen. Volgens overweging 17 van deze verordening wordt de verklaring van uitvoerbaarheid dan „vrijwel automatisch” afgegeven.

27.      In een tweede stadium voorziet artikel 43 van verordening nr. 44/2001 in de mogelijkheid om een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid in te stellen. Volgens artikel 44 van deze verordening kunnen tegen de op het rechtsmiddel gegeven beslissing de in bijlage IV van deze verordening genoemde, aan elke lidstaat eigen, middelen worden aangewend. Het in artikel 43 van verordening nr. 44/2001 bedoelde rechtsmiddel kan worden ingesteld door de persoon die om een exequatur verzoekt, indien de verklaring van uitvoerbaarheid in het eerste stadium is geweigerd, en door de partij waartegen om tenuitvoerlegging is verzocht. In tegenstelling tot het eerste stadium is dit tweede stadium volgens artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001 van contradictoire aard.

28.      Het stelsel van rechtsmiddelen waarin artikel 43 van deze verordening voorziet, is echter minder duidelijk dan het voorgaande punt doet vermoeden.

29.      Alleen al de formulering ervan roept onduidelijkheden op. Zo valt, gezien de uiteenlopende bewoordingen die in de verschillende taalversies van verordening nr. 44/2001 worden gebezigd, moeilijk op te maken of de Uniewetgever in artikel 43 van deze verordening doelt op een „beroep” dan wel op „hoger beroep”.(7)

30.      Uit systematisch oogpunt zijn de twee stadia van de exequaturprocedure echter niet werkelijk vergelijkbaar met het onderscheid tussen het geding in eerste aanleg en het geding in hoger beroep. Het verzoek om tenuitvoerlegging veronderstelt een formele toetsing en in dat stadium staat verordening nr. 44/2001 geen enkele toetsing aan de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden voor niet-tenuitvoerlegging toe. Het gaat dus strikt gezien niet om een procedure in eerste aanleg. Weliswaar ontbreekt in het kader van het beroep van artikel 43 van deze verordening een bepaling die de middelen of argumenten beperkt die tot staving van het rechtsmiddel tegen de beslissing in eerste aanleg kunnen worden aangevoerd, maar dit laat onverlet dat de aangezochte rechter een uitvoerbaarverklaring slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 van deze verordening vermelde gronden kan weigeren of intrekken.(8) Strikt gezien is dus geen sprake van een hogerberoepsprocedure.

31.      Dezelfde ongewisheden treden aan het licht bij de aanwijzing van de gerechten – zoals voortvloeiend uit de lijst in bijlage III bij verordening nr. 44/2001 – waar het rechtsmiddel volgens artikel 43, lid 2, van deze verordening moet worden ingesteld. Uit deze bijlage blijkt dat de door de lidstaten aangewezen gerechten nogal van elkaar verschillen, zowel in formeel opzicht (de formele rangorde van het betrokken gerecht in de nationale gerechtelijke hiërarchie, dat wil zeggen zowel gerechten van eerste aanleg als appelrechters) als in procedureel opzicht (rechtstreekse aanhangigmaking bij de appelrechter, indirecte aanhangigmaking door het gerecht van eerste aanleg, maar ook de aanhangigmaking bij verschillende rechters al naargelang het rechtsmiddel wordt ingesteld door de verwerende dan wel de verzoekende partij).

32.      Ondanks deze ongewisheden is het duidelijk dat de procedure ten overstaan van de aangewezen gerechten krachtens artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001 aan ten minste drie voorwaarden moet voldoen.

33.      Ten eerste kent artikel 43 van deze verordening, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft onderstreept, aan beide partijen het onvoorwaardelijke recht toe om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing op het verzoek om uitvoerbaarverklaring.

34.      Ten tweede heeft de rechtsmiddelenprocedure van artikel 43 van verordening nr. 44/2001 voornamelijk tot doel om te kunnen nagaan of zich een van de in de artikelen 34 en 35 van deze verordening bedoelde gronden voor weigering van tenuitvoerlegging voordoet(9) die eraan in de weg kunnen staan dat de in een andere lidstaat gewezen beslissing ten uitvoer wordt gelegd.

35.      Ten derde moet deze bepaling, wat de toepassingsvoorwaarden van het rechtsmiddel van artikel 43 van verordening nr. 44/2001 betreft, worden uitgelegd in het licht van de fundamentele rechten en met name van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.(10) Dit betekent dat dit rechtsmiddel doeltreffend moet zijn.

2.      De Finse procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding in hoger beroep

36.      Volgens de aan het Hof overgelegde stukken en de door de Finse regering tijdens de pleitzitting verstrekte toelichting vertoont de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding de volgende kenmerken.

37.      Deze procedure is van toepassing op alle hogerberoepsprocedures tegen een beslissing van een gerecht van eerste aanleg in contentieuze of niet-contentieuze zaken, met uitzondering van bepaalde strafrechtelijke zaken. Zij geldt eveneens voor de rechtsmiddelenprocedure van verordening nr. 44/2001, zoals de Finse regering heeft uitgelegd.

38.      Rechtsmiddelen ingesteld bij de appelrechter worden derhalve in twee fasen behandeld. In de eerste fase bepaalt de appelrechter aan de hand van de wettelijke gronden of aan de voorwaarden voor toestemming tot voortzetting van het geding is voldaan. In voorkomend geval wordt de procedure in de tweede fase voortgezet en gaat de appelrechter over tot volledige toetsing van het rechtsmiddel.

39.      In de eerste fase van het hoger beroep moet de appellant in het stuk dat het geding inleidt, de middelen en bewijsmiddelen uiteenzetten die hij tot staving van zijn verzoek om vernietiging van de beslissing in eerste aanleg aanvoert. Daarnaast moet de appellant in het stuk dat het geding inleidt, de reden en de argumenten uiteenzetten op grond waarvan toestemming tot voortzetting van het geding zou moeten worden verleend.

40.      Op deze grondslag moet de appelrechter ambtshalve nagaan of aan een van de vier gronden voor toestemming tot voortzetting van het geding als bedoeld in § 11, eerste alinea, van hoofdstuk 25a van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is voldaan. Daartoe houdt hij rekening met de beslissing van het gerecht van eerste aanleg, het stuk dat het geding inleidt, het dossier van de zaak, waaronder de in den vreemde gegeven beslissing en de krachtens artikel 54 van verordening nr. 44/2001 te verstrekken gegevens.

41.      Indien aan een van de gronden voor toestemming is voldaan en ten minste een lid van het gerecht van tweede aanleg zich voor het verlenen van toestemming uitspreekt, moet de voortzetting van het geding worden toegestaan, zonder dat dienaangaande een discretionaire bevoegdheid bestaat. Toestemming wordt niet verleend wanneer duidelijk is dat aan geen van de vier gronden voor toestemming is voldaan.

3.      De procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding en het doeltreffendheidsbeginsel

42.      Volgens vaste rechtspraak van het Hof staat het, bij gebreke van een ter zake geldende regeling van Unierecht, aan elke lidstaat om krachtens het beginsel van procesautonomie van de lidstaten de regels te geven voor procedures ter waarborging van de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen.(11)

43.      Ten aanzien van de in het hoofdgeding centraal staande procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding blijkt uit de opmerkingen van de Finse regering dat de nationale wetgever deze procedure heeft ingesteld met een tweeledige doelstelling voor ogen. Ten eerste is de procedure bedoeld om het hoofd te bieden aan de gestegen werklast van de gerechten in tweede aanleg en de daaraan inherente langere looptijd van de procedures. Ten tweede beantwoordt de procedure aan de noodzaak om het rechtsmiddel te behandelen volgens een doeltreffende procedure waarbij de rechten van partijen worden beschermd. Deze procedure houdt dan ook rekening met de aard van de zaak waarover de appelrechter zich heeft te buigen, zodat zaken waarin geen sprake is van gewichtige redenen in verband met de rechtsbescherming van degene die het rechtsmiddel instelt en met het algemene belang van de zaak die een onderzoek door de appelrechter rechtvaardigen, volgens een eenvoudiger procedure kunnen worden afgedaan.

44.      Naar mijn mening lijdt het geen twijfel dat dergelijke doelstellingen, waarmee in feite snelle procedures en een betere besteding van de gerechtelijke middelen worden beoogd, legitiem zijn.(12)

45.      Het is echter vaste rechtspraak dat de door de lidstaten vastgestelde procedurevoorschriften voor rechtsmiddelen niet ongunstiger mogen zijn dan die welke gelden voor soortgelijke rechtsmiddelen ter bescherming van op de interne rechtsorde gebaseerde rechten (gelijkwaardigheidsbeginsel), en dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel).(13)

46.      In casu is de Finse procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding van toepassing op alle rechtsmiddelen die kunnen worden ingesteld tegen beslissingen van het gerecht van eerste aanleg in contentieuze of niet-contentieuze zaken, zodat strijdigheid met het gelijkwaardigheidsbeginsel op voorhand kan worden uitgesloten.

47.      Wat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel betreft, moet worden bepaald of de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het in artikel 43 van verordening nr. 44/2001 bedoelde rechtsmiddel in te stellen.

48.      Allereerst moet in algemene zin worden opgemerkt dat het doeltreffendheidsbeginsel geen eisen met zich meebrengt die verder gaan dan die welke voortvloeien uit het door het Handvest gewaarborgde recht op effectieve rechterlijke bescherming.(14) Dit recht is geen absoluut prerogatief. Zo heeft het Hof, onder uitdrukkelijke verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM, reeds geoordeeld dat het recht op een rechter(15), waarvan het recht op toegang tot een rechter een bijzonder aspect vormt, niet absoluut is, maar onderworpen aan impliciet toegestane beperkingen, omdat het naar zijn aard een regeling door de staat vergt, die op dit punt over een zekere beoordelingsmarge beschikt. Volgens het Hof mogen die beperkingen de vrije toegang van een justitiabele niet zodanig beperken dat zijn recht op een rechter in de kern wordt aangetast. Ten slotte moeten zij een legitiem doel nastreven en moet er een redelijke verhouding bestaan tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel.(16)

49.      In casu lijkt de in het hoofdgeding centraal staande procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding in overeenstemming met het doeltreffendheidsbeginsel te zijn, op voorwaarde dat zij een toetsing aan de gronden voor niet-tenuitvoerlegging toestaat en dat de eventuele weigering om toestemming te verlenen genoegzaam wordt gemotiveerd.

50.      In de eerste plaats dient men zich ervan te vergewissen dat de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding geen inbreuk maakt op het doel van het in artikel 43 van verordening nr. 44/2001 bedoelde rechtsmiddel, te weten een onderzoek mogelijk te maken van de vraag of zich een van de in de artikelen 34 en 35 van deze verordening genoemde weigeringsgronden met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de in een andere lidstaat gegeven beslissing voordoet. Hoewel het uitsluitend aan de verwijzende rechter is om te onderzoeken of het Finse recht de mogelijkheid biedt om deze weigeringsgronden in aanmerking te nemen bij de behandeling van het verzoek om toestemming tot voortzetting van het geding, wil ik hiertoe in de volgende punten niettemin een aantal richtsnoeren formuleren.

51.      De in § artikel 11, eerste alinea, van hoofdstuk 25a van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering opgesomde gronden voor toestemming tot voortzetting van het geding lijken de mogelijkheid te behelzen om de artikelen 34 en 35 van verordening nr. 44/2001 in acht te nemen.

52.      Met name lijken de door de Uniewetgever in de artikelen 34 en 35 van verordening nr. 44/2001 opgenomen gronden voor niet-tenuitvoerlegging te kunnen worden gerangschikt onder de eerste en de vierde grond voor toestemming tot voortzetting van het geding, te weten dat toestemming tot voortzetting van het geding moet worden verleend wanneer er aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de beslissing van het gerecht van eerste aanleg of wanneer er een andere gewichtige reden is om voortzetting van het geding toe te staan.

53.      De appelrechter is derhalve vanaf het stadium waarin over de toestemming tot voortzetting van het geding wordt beslist, in staat om na te gaan of in het kader van een krachtens artikel 43 van verordening nr. 44/2001 ingesteld rechtsmiddel de in de artikelen 34 en 35 van deze verordening vermelde gronden voor niet-tenuitvoerlegging een grondig onderzoek van de beslissing in eerste aanleg op het verzoek om uitvoerbaarverklaring vergen.

54.      In de tweede plaats lijkt de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding zo te zijn ingericht dat het in de praktijk mogelijk is om reeds in dit stadium de juistheid van de beslissing in eerste aanleg te toetsen, zij het uit een oogpunt van proceseconomie.

55.      De procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding waarin het Finse recht voorziet, fungeert immers niet als een filter die ertoe strekt de ontvankelijkheid van het hoger beroep te onderzoeken. Zoals door de Finse regering is onderstreept, onderzoekt de appelrechter in het stadium waarin over de toestemming tot voortzetting van het geding wordt beslist of er, met name gelet op de beslissing in eerste aanleg en het dossier van de zaak, aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de beslissing van het gerecht van eerste aanleg. De beoordeling die de appelrechter in dit stadium maakt, lijkt dus op een inleidend, zij het summier, onderzoek ten gronde van de beslissing in eerste aanleg.(17)

56.       Bovendien impliceert het recht op effectieve rechterlijke bescherming weliswaar dat toegang tot een rechter moet bestaan, maar dit betekent nog niet dat er automatisch toegang tot een uniforme procedure moet bestaan, zelfs wanneer het rechtsmiddel geen kans van slagen heeft. In de praktijk lijkt voortzetting van het geding slechts te worden geweigerd in gevallen waarin het voor alle leden van het gerecht van tweede aanleg duidelijk is dat het rechtsmiddel elke grondslag ontbeert. Volgens de Finse regering moeten de gronden voor toestemming tot voortzetting van het geding namelijk soepel en in het voordeel van de partij die om toestemming verzoekt, worden uitgelegd.(18) Derhalve kan het rechtsmiddel in het stadium waarin over de toestemming tot voortzetting van het geding wordt beslist, uitsluitend worden afgewezen wanneer het kennelijk ongegrond is. In alle andere gevallen vindt uiteindelijk een grondig onderzoek van het rechtsmiddel plaats, nadat de appelrechter hiertoe toestemming heeft verleend.

57.      In de derde plaats is de in het hoofdgeding centraal staande procedure slechts verenigbaar met artikel 43 van verordening nr. 44/2001, indien eventuele besluiten tot weigering van toestemming genoegzaam worden gemotiveerd.

58.      Ter terechtzitting is gebleken dat de Finse regering en de Commissie hierover grondig met elkaar van mening verschillen. De Finse regering heeft gesteld dat een dergelijk besluit op grond van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering moet worden gemotiveerd, terwijl de Commissie op basis van ditzelfde wetboek heeft betoogd dat zulks niet het geval is.

59.      Het is niet de taak van het Hof om dit geschilpunt over de correcte uitlegging van het nationale recht te beslechten, maar om vast te stellen welke vereisten voortvloeien uit het Unierecht. Volgens laatstgenoemd recht moeten besluiten als een weigering om toestemming tot voortzetting van het geding in hoger beroep te verlenen worden gemotiveerd.

60.      Allereerst wordt de motiveringsplicht algemeen gerechtvaardigd door de twee functies ervan: het zorgt ervoor dat de betrokkenen de redenering kennen die aan een rechterlijke beslissing ten grondslag ligt en dat de rechter waarbij een rechtsmiddel tegen deze beslissing kan worden ingesteld, over voldoende gegevens beschikt om zijn rechterlijk toezicht te kunnen uitoefenen.(19) In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces verlangt dat elke rechterlijke beslissing wordt gemotiveerd, om de verweerder in staat te stellen de redenen van zijn veroordeling te begrijpen en tegen een dergelijke beslissing zinvol en effectief een rechtsmiddel aan te wenden.(20)

61.      Indien de appelrechter zijn beslissing niet hoefde te motiveren, met name in geval van een weigering van toestemming tot voortzetting van het geding, zou de door het Finse recht geboden mogelijkheid om bij de cassatierechter een rechtsmiddel tegen dit weigeringsbesluit in te stellen, grotendeels theoretisch zijn. Zonder motivering zou het op zijn minst moeilijk zijn om met succes op te komen tegen de beslissing van de appelrechter en zou de cassatierechter niet in staat zijn de juistheid van deze beslissing te beoordelen.

62.      Verder is de verplichting om een beslissing in hoger beroep te motiveren van bijzonder belang in het kader van het bij verordening nr. 44/2001 ingevoerde stelsel van rechtsmiddelen. Ik roep in herinnering dat er geen motiveringsplicht geldt ten aanzien van de in eerste aanleg gegeven beslissing op het verzoek om uitvoerbaarverklaring. Daarnaast kent Finland, evenals andere lidstaten, ook voor het beroep in cassatie tegen een in hoger beroep gegeven beslissing een stelsel van voorafgaande toestemming.

63.      Voorts is de beslissing op het in artikel 43 van verordening nr. 44/2001 bedoelde rechtsmiddel de eerste (en mogelijkerwijs ook laatste) beslissing waarbij de in de artikelen 34 en 35 van deze verordening genoemde gronden voor niet-tenuitvoerlegging volledig in aanmerking moeten worden genomen. Het is ondenkbaar dat een partij gebruik kan maken van de bij deze verordening geboden mogelijkheden om de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing te beletten, zonder ooit adressaat van een gemotiveerde beslissing te zijn.(21)

64.      Tot slot is het feit dat de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding in casu betrekking heeft op het stadium van hoger beroep, doorslaggevend wat de motiveringsplicht betreft. Gelet op deze omstandigheid kan de – volstrekt redelijke – zienswijze van het EHRM dat een beslissing die wordt gegeven in het kader van een filterprocedure in het stadium van cassatie („tweede hoger beroep” voor de hoogste rechter, dat doorgaans beperkt is tot rechtsvragen)(22) niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden gemotiveerd, logischerwijs niet gelden ten aanzien van de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding in het stadium van het hoger beroep wanneer deze procedure in werkelijkheid een eerste voorziening in rechte is waarbij wordt getoetst of zich een van de gronden voor niet-tenuitvoerlegging van de in een andere lidstaat gegeven beslissing voordoet.

65.      Hieruit volgt dat het aan de verwijzende rechter is om na te gaan of er een verplichting bestaat om besluiten waarbij toestemming tot voortzetting van het geding in hoger beroep wordt geweigerd, te motiveren. Voor zover de appelrechter niet aan een motiveringsplicht mocht zijn onderworpen, acht ik de toestemmingsprocedure in strijd met artikel 43 van verordening nr. 44/2001. Voor zover mocht blijken dat de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding in het nationale stelsel van rechtsmiddelen is ingevoerd zonder dat recht is gedaan aan de specifieke kenmerken van de bij verordening nr. 44/2001 vastgestelde regeling, kan dit leiden tot een mechanische toepassing van deze procedure die moeilijk verenigbaar is met de vereisten van deze verordening.

66.      Gelet op deze overwegingen ben ik van mening dat artikel 43, lid 1, van verordening nr. 44/2001 een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding zoals in het hoofdgeding aan de orde is, toestaat onder de materiële voorwaarde dat de in de artikelen 34 en 35 van verordening nr. 44/2001 vermelde gronden voor niet-tenuitvoerlegging kunnen worden ingeroepen en in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van de toetsing aan de gronden voor toestemming tot voortzetting van het geding, en onder de procedurele voorwaarde dat er een verplichting bestaat om besluiten waarbij toestemming tot voortzetting van het geding wordt geweigerd, te motiveren.

B.      Tweede en derde prejudiciële vraag

67.      Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding in hoger beroep, zoals in casu aan de orde is, waarin de tegenpartij, oftewel de partij die het rechtsmiddel niet heeft ingesteld, niet wordt gehoord, verenigbaar is met het in artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde beginsel van hoor en wederhoor.

68.      De derde vraag van de verwijzende rechter begrijp ik aldus, dat daarmee wordt gevraagd naar de gevolgen van het feit dat artikel 43, lid 1, van deze verordening bepaalt dat het rechtsmiddel niet alleen kan worden ingesteld door de partij die om de tenuitvoerlegging vraagt, maar ook door de partij waartegen de tenuitvoerlegging is toegestaan.

69.      Hieruit blijkt dat deze twee vragen in wezen hetzelfde doel beogen: zij strekken ertoe te bepalen of de in het hoofdgeding centraal staande procedure verenigbaar is met artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001. Ik stel dan ook voor, deze vragen gezamenlijk te bespreken.

70.      Ik merk terstond op dat ik niet inzie hoe een dergelijke procedure, die om legitieme redenen van een goede rechtsbedeling vooral wil voorzien in een snelle behandeling van kennelijk ongegronde rechtsmiddelen, in strijd zou kunnen zijn met het beginsel van hoor en wederhoor.

71.      Artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001 bepaalt weliswaar op ondubbelzinnige wijze dat het rechtsmiddel moet worden onderzocht volgens de regels van de procedure op tegenspraak, maar dit neemt niet weg dat de Uniewetgever de vereisten in verband met het contradictoire karakter van de procedure niet nader heeft uitgewerkt. De inrichting van de rechtsmiddelenprocedure behoort dus tot de procesautonomie van de lidstaten, mits het beginsel van hoor en wederhoor, zoals dit moet worden begrepen tegen de achtergrond van de specifieke kenmerken van de exequaturregeling van verordening nr. 44/2001, in acht wordt genomen.

72.      Het beginsel van hoor en wederhoor is in het kader van het bij verordening nr. 44/2001 ingevoerde stelsel van fundamenteel belang met het oog op het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen binnen de Unie. Zoals hiervoor is uiteengezet(23), heeft de exequaturprocedure tot doel de verzoekende partij in staat te stellen snel en eenvoudig, na een niet-contradictoire procedure(24), een uitvoerbaarverklaring te verkrijgen van een beslissing die in een andere lidstaat met inachtneming van de noodzakelijke waarborgen is gegeven.(25) Omdat de procedure in eerste „aanleg” niet op tegenspraak wordt gevoerd, heeft de Uniewetgever uitdrukkelijk verlangd dat dit wél geldt voor de rechtsmiddelenprocedure.(26)

73.      Met betrekking tot de uit het beginsel van hoor en wederhoor voortvloeiende vereisten heeft het Hof herhaaldelijk overwogen dat dit beginsel zowel in het kader van administratieve als gerechtelijke procedures in de regel vereist dat partijen in een administratieve procedure of in een proces het recht hebben om een standpunt te kunnen innemen over de feiten en stukken waarop een administratieve of rechterlijke beslissing zal worden gebaseerd, en om een standpunt kenbaar te maken over de aan de administratieve autoriteit of de rechter voorgelegde bewijzen en opmerkingen en over de ambtshalve door de rechter opgeworpen middelen waarop deze zijn beslissing wil baseren.(27)

74.      Concreet beschermt dit beginsel een partij ten aanzien van de elementen die beslissend(28) zijn voor de vaststelling van een besluit dat haar belangen schaadt.(29) De inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor is dus onlosmakelijk verbonden met de gedachte dat een partij een standpunt moet kunnen innemen over de elementen die ten grondslag liggen aan een besluit dat ten nadele van haar wordt vastgesteld.(30)

75.      Gelet op deze definitie van het beginsel van hoor en wederhoor, zie ik geen enkele grond om aan te nemen dat een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding zoals in het hoofdgeding aan de orde is, dit beginsel schendt.

76.      Aangezien de appelrechter in de fase waarin over de toestemming tot voortzetting van het geding wordt beslist, geen beslissing kan geven die nadelig of bezwarend is voor de tegenpartij, dat wil zeggen voor de partij die het rechtsmiddel niet heeft ingesteld, wordt het recht van deze partij op een contradictoire procedure niet geschonden indien zij in dit stadium geen opmerkingen indient.

77.      Ten eerste heeft de weigering om toestemming tot voortzetting van het geding te verlenen namelijk tot gevolg dat de in het voordeel van deze partij uitvallende beslissing in eerste aanleg wordt bekrachtigd en, behoudens cassatie bij de hoogste rechter, onherroepelijk wordt. De begunstigde van de beslissing in eerste aanleg kan hierdoor dus niet worden benadeeld.(31)

78.      Ten tweede heeft de Finse regering ter terechtzitting bevestigd, zonder door de Commissie te zijn weersproken, dat de appelrechter in het stadium waarin over de toestemming tot voortzetting van het geding wordt beslist, de beslissing niet ten gronde kan wijzigen, ongeacht de hoedanigheid van de partij die het rechtsmiddel heeft ingesteld. Met name kan het bijvoorbeeld het rechtsmiddel niet kennelijk gegrond verklaren zonder dat de tegenpartij wordt gehoord(32), omdat dit anders zonder meer een gekwalificeerde schending van het beginsel van hoor en wederhoor zou opleveren.

79.      Ten derde is de beslissing die in het stadium van de toestemming tot voortzetting van het geding wordt gegeven, een inleidende beslissing, waarvan de reikwijdte per definitie beperkt is tot de voortzetting van het geding. Deze beslissing laat dus de beoordeling van het rechtsmiddel in het kader van een volledige toetsing onverlet. Dit betekent dat, indien toestemming wordt verleend zonder dat de partij die het rechtsmiddel niet heeft ingesteld – of dat nu, naargelang van het geval, degene is die om een exequatur verzoekt dan wel de persoon waarop de uitvoerbaarverklaring betrekking heeft – in staat is gesteld opmerkingen te maken, deze beslissing als zodanig de belangen van deze partij evenmin kan aantasten.

80.      Ter terechtzitting heeft de Commissie in lijn met haar schriftelijke opmerkingen betoogd dat het beginsel van hoor en wederhoor dermate belangrijk is dat het niet mag worden beperkt en dat het Finse stelsel van toestemming tot voortzetting van het geding dit beginsel dus niet in acht neemt.

81.      Afgezien van het feit dat een dergelijk „absoluut” standpunt het niet mogelijk maakt om de dwingende vereisten van bescherming van de rechten van de verdediging te verenigen met andere belangen die net zo legitiem zijn, zoals bijvoorbeeld het belang van snelheid en van een goede rechtsbedeling, wil ik vooral opmerken dat de Commissie in casu geen enkele concrete inbreuk op het beginsel van hoor en wederhoor heeft aangetoond.

82.      Tot slot blijkt uit de opmerkingen van de Finse regering dat de partij die het rechtsmiddel niet heeft ingesteld, in het stadium waarin het rechtsmiddel ten volle wordt getoetst, moet worden uitgenodigd haar standpunt kenbaar te maken. Het lijkt er dus op dat de inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor overeenkomstig artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001 is verzekerd in het stadium waarin de beslissing van de appelrechter deze partij kan benadelen.

83.      In het licht van deze overwegingen ben ik van mening dat artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding zoals in het hoofdgeding aan de orde is, niet in strijd is met het vereiste van een procedure op tegenspraak wanneer de beslissing die in het stadium van de toestemming tot voortzetting van het geding wordt gegeven, als zodanig de belangen van de tegenpartij niet kan aantasten.

V.      Conclusie

84.      Gelet op de voorgaande overwegingen stel ik het Hof voor om de door de Korkein oikeus (Finland) gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 43, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, staat een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding zoals in het hoofdgeding aan de orde is, toe onder de materiële voorwaarde dat de in de artikelen 34 en 35 van deze verordening vermelde gronden voor niet-tenuitvoerlegging kunnen worden ingeroepen en in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van de toetsing aan de gronden voor toestemming tot voortzetting van het geding, en onder de procedurele voorwaarde dat er een verplichting bestaat om besluiten waarbij toestemming tot voortzetting van het geding wordt geweigerd, te motiveren.

2)      Artikel 43, lid 3, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat een procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding zoals in het hoofdgeding aan de orde is, niet in strijd is met het vereiste van een procedure op tegenspraak wanneer de beslissing die in het stadium van de toestemming tot voortzetting van het geding wordt gegeven, als zodanig de belangen van de tegenpartij niet kan aantasten.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).


3      PB 1998, C 27, blz. 1.


4      Hierna: „Verdrag van Brussel”.


5      Aangezien het geding bij de Estse rechter vóór 10 januari 2015 is ingeleid, blijft verordening nr. 44/2001 ratione temporis van toepassing krachtens artikel 66, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).


6      Zie overwegingen 16 en 17 van verordening nr. 44/2001. Zie eveneens arrest van 14 december 2006, ASML (C‑283/05, EU:C:2006:787, punt 23).


7      In sommige taalversies van verordening nr. 44/2001, zoals de Spaanse, Franse of Italiaanse versie, wordt voor dit tweede geding de term „beroep” gebezigd, hetgeen erop duidt dat het om een eerste aanleg gaat, wat in functioneel opzicht recht doet aan de structuur van deze verordening. Daarentegen wordt in andere taalversies het begrip „hoger beroep” gebezigd, zoals blijkt uit de Engelse („appeal”) of de Tsjechische versie („opravný prostředek”), wat suggereert dat het om een tweede aanleg gaat, zulks in lijn met het feit dat formeel gezien veelal sprake is van een gerecht van tweede aanleg.


8      Volgens artikel 45 van verordening nr. 44/2001.


9      Ik wijs er in dit verband op dat het exequatur in verordening nr. 1215/2012 weliswaar is komen te vervallen, doch dat dit niet geldt voor de toetsing aan de in de artikelen 34 en 35 van verordening nr. 44/2001 genoemde gronden, zoals blijkt uit de artikelen 45 en 46 van verordening nr. 1215/2012.


10      Hierna: „Handvest”. Zie in die zin arrest van 11 september 2014, A (C‑112/13, EU:C:2014:2195, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak), aangezien de rechtsmiddelenprocedure tot betwisting van de beslissing tot uitvoerbaarverklaring krachtens artikel 43 van verordening nr. 44/2001 moet worden aangemerkt als een uitvoering van het Unierecht in de zin van artikel 51 van het Handvest [beschikking van 13 juni 2012, GREP (C‑156/12, niet gepubliceerd, EU:C:2012:342, punt 31)].


11      Zie arrest van 8 november 2005, Leffler (C‑443/03, EU:C:2005:665, punt 49).


12      Het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: „EHRM”) heeft zich reeds moeten uitspreken over de verenigbaarheid van mechanismen die fungeren als een filter voor op hogerberoeps‑ en cassatieniveau in te stellen rechtsmiddelen, met de artikelen 6 en 13 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het EHRM heeft herhaaldelijk geoordeeld dat het recht op toegang tot de rechter mag worden beperkt, mits de kern van artikel 6 EVRM hierdoor niet wordt aangetast en de beperkingen een legitiem doel nastreven. Doelstellingen in verband met een goede rechtsbedeling en het voorkomen van achterstand bij gerechtelijke instanties zijn door dat Hof als legitieme doelstellingen aangemerkt [EHRM, 13 juli 1995, Tolstoy Miloslavsky tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1995:0713JUD001813991, § 61); 11 oktober 2001, Rodríguez Valín tegen Spanje (CE:ECHR:2001:1011JUD004779299, § 22), en 19 december 1997, Brualla Gómez de la Torre tegen Spanje (CE:ECHR:1997:1219JUD002673795, § 36)].


13      Zie, met betrekking tot de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, arresten van 8 november 2005, Leffler (C‑443/03, EU:C:2005:665, punt 50), en 9 november 2016, ENEFI (C‑212/15, EU:C:2016:841, punt 30).


14      Zie arresten van 26 september 2018, Belastingdienst/Toeslagen (schorsende werking van hoger beroep) (C‑175/17, EU:C:2018:776, punt 47), en 26 september 2018, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (schorsende werking van hoger beroep) (C‑180/17, EU:C:2018:775, punt 43).


15      Niet te verwarren met het recht op rechtspraak in meerdere instanties. Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming een particulier een recht op toegang tot een rechter verleent en geen recht op rechtspraak in meerdere instanties [arrest van 28 juli 2011, Samba Diouf (C‑69/10, EU:C:2011:524, punt 69)].


16      Zie beschikking van 16 november 2010, Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert/Commissie (C‑73/10 P, EU:C:2010:684, punt 53 en aangehaalde EHRM-rechtspraak).


17      In dit opzicht is de procedure voor het verlenen van toestemming tot voortzetting van het geding vergelijkbaar met het verzoek om toestemming om beroep in te stellen, zoals dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 15 maart 2018, North East Pylon Pressure Campaign en Sheehy (C‑470/16, EU:C:2018:185).


18      Bovendien lijkt uit artikel § 18 van hoofdstuk 25a van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering voort te vloeien dat toestemming tot voortzetting van het geding wordt verleend wanneer ten minste één van de drie leden van de meervoudige kamer van het gerecht zich ten gunste daarvan uitspreekt.


19      Zie met name arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba (C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 49).


20      Zie arrest van 6 september 2012, Trade Agency (C‑619/10, EU:C:2012:531, punt 53).


21      Het is des te belangrijker om adressaat van een gemotiveerde beslissing te zijn, omdat uit artikel 44, gelezen in samenhang met bijlage IV bij verordening nr. 44/2001, blijkt dat de lidstaten niet in een rechtsmiddel hoeven te voorzien tegen de beslissing op krachtens artikel 43 van deze verordening ingestelde rechtsmiddelen.


22      Zie ontvankelijkheidsbeslissingen van het EHRM van 9 maart 1999, Groupe Kosser tegen Frankrijk (CE:ECHR:1999:0309DEC003874897); 28 januari 2003, Burg e.a. tegen Frankrijk (CE:ECHR:2003:0128DEC003476302), en 6 september 2005, Glender tegen Zweden (CE:ECHR:2005:0906DEC002807003).


23      Zie punten 24 tot en met 26 van deze conclusie.


24      Artikel 41 van verordening nr. 44/2001 bepaalt op ondubbelzinnige wijze dat „[de] partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, [...] in deze stand van de procedure niet [wordt] gehoord”.


25      Zie, in het kader van het Verdrag van Brussel, arresten van 21 mei 1980, Denilauler (125/79, EU:C:1980:130, punt 14); 12 juli 1984, P. (178/83, EU:C:1984:272, punt 11), en 10 juli 1986, Carron (198/85, EU:C:1986:313, punt 8).


26      Zie arrest van 11 mei 2000, Renault (C‑38/98, EU:C:2000:225, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


27      Zie, met betrekking tot administratieve procedures in het kader van de uitvoering van het Unierecht in de lidstaten, arresten van 22 oktober 2013, Sabou (C‑276/12, EU:C:2013:678, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 5 november 2014, Mukarubega (C‑166/13, EU:C:2014:2336, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 9 november 2017, Ispas (C‑298/16, EU:C:2017:843, punt 26). Zie, met betrekking tot administratieve of gerechtelijke procedures ten overstaan van autoriteiten of rechterlijke instanties van de Unie, arrest van 17 december 2009, Heroverweging M/EMEA (C‑197/09 RX‑II, EU:C:2009:804, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


28      Zie arresten van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a. (C‑89/08 P, EU:C:2009:742, punt 56), en 17 december 2009, Heroverweging M/EMEA (C‑197/09 RX‑II, EU:C:2009:804, punt 41). Zie, naar analogie, de zienswijze van het EHRM in het arrest van 20 juli 2001, Pellegrini tegen Italië (CE:ECHR:2001:0720JUD003088296, § 44).


29      Op administratief gebied is slechts sprake van een schending van de rechten van verdediging van een partij die tot nietigverklaring van een handeling van de Unie leidt, wanneer de belangen van deze partij zijn geschonden [zie, voor een voorbeeld waarin deze rechtspraak toepassing heeft gevonden, arrest van 2 oktober 2003, Corus UK/Commissie (C‑199/99 P, EU:C:2003:531, punten 19‑25)]. Wat de schending van het beginsel van hoor en wederhoor ten overstaan van de Unierechter betreft, wijs ik erop dat de hogere voorziening volgens artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie gebaseerd moet zijn op onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht van de Europese Unie waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan.


30      Zowel het Hof als het EHRM is van oordeel dat de reikwijdte van de waarborgen in verband met de inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, op zich beschouwd maar ook als onderdeel van de rechten van de verdediging, kan variëren naargelang van onder meer de specifieke kenmerken van de betrokken procedure [arrest van 5 november 2014, Mukarubega (C‑166/13, EU:C:2014:2336, punt 54)]. Zie, meer algemeen, Fricero, N., „Le droit à une procédure civile contradictoire dans la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme”, Revue trimestrielle des droits de l’homme, Anthemis, Waver, 2016, blz. 381‑393, inzonderheid blz. 388‑390.


31      Volgens § 17 van hoofdstuk 25a van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt de beslissing van het gerecht van eerste aanleg bekrachtigd, indien geen toestemming tot voortzetting van het geding wordt verleend.


32      In dit verband kan een gelijkenis worden vastgesteld met de vereenvoudigde behandeling van hogere voorzieningen door het Hof. Indien een hogere voorziening kennelijk ongegrond is, kan het Hof beslissen om deze hogere voorziening bij met redenen omklede beschikking af te wijzen, zonder partijen te horen. Indien de hogere voorziening daarentegen kennelijk gegrond is, kan het Hof enkel een daartoe strekkende uitspraak doen nadat partijen zijn gehoord (zie respectievelijk artikelen 181 en 182 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof).