Language of document : ECLI:EU:C:2019:662

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

4 september 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid – Migrerende werknemers – Regels van de Europese Unie inzake valuta-omrekening – Verordening (EG) nr. 987/2009 – Besluit nr. H3 van de administratieve commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels – Berekening van de aanvullende toeslag die is verschuldigd aan een werknemer die in een lidstaat woont en in Zwitserland werkt – Bepaling van de referentiedatum voor de wisselkoers”

In zaak C‑473/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Baden-Württemberg (belastingrechter in eerste aanleg van de deelstaat Baden-Württemberg, Duitsland) bij beslissing van 17 mei 2018, ingekomen bij het Hof op 20 juli 2018, in de procedure

GP

tegen

Bundesagentur für Arbeit – Familienkasse Baden-Württemberg West,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), kamerpresident, J. Malenovský en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Duitse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze en J. Möller, vervolgens door J. Möller, als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en D. Martin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 90 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2009, L 284, blz. 1), alsmede van besluit nr. H3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 15 oktober 2009 betreffende de in aanmerking te nemen datum voor het bepalen van de omrekeningskoersen als bedoeld in artikel 90 van verordening nr. 987/2009 (PB 2010, C 106, blz. 56; hierna: „besluit nr. H3”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen GP en de Bundesagentur für Arbeit – Familienkasse Baden-Württemberg West (federaal arbeidsbureau – overheidsdienst voor gezinsbijslagen van Baden-Württemberg West, Duitsland) (hierna: „overheidsdienst voor gezinsbijslagen”) betreffende de toekenning van een aanvullende toeslag in Duitsland op basis van de in Zwitserland ontvangen kinderbijslag.

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

3        Artikel 8 van de op 21 juni 1999 te Luxemburg ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, die namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de overeenkomst inzake Wetenschappelijke en Technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 6; hierna: „overeenkomst over het vrije verkeer van personen”), bepaalt:

„De overeenkomstsluitende partijen coördineren overeenkomstig bijlage II hun stelsels voor sociale zekerheid, met name met het oog op:

a)      gelijke behandeling;

b)      vaststelling van de toepasselijke wetgeving;

[...]

d)      betaling van uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen verblijven;

[...]”

4        Bijlage II bij de overeenkomst over het vrije verkeer van personen, met als opschrift „Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels”, zoals gewijzigd bij de bijlage bij besluit nr. 1/2012 van het gemengd comité ingesteld krachtens die Overeenkomst, van 31 maart 2012 (PB 2012, L 103, blz. 51) (hierna: „bijlage II bij de overeenkomst over het vrije verkeer van personen”), is in werking getreden op 1 april 2012.

5        Artikel 1 van bijlage II bij de overeenkomst over het vrije verkeer van personen luidt:

„1.      De overeenkomstsluitende partijen komen overeen ten aanzien van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels onderling de rechtshandelingen van de Europese Unie toe te passen zoals vermeld in en gewijzigd bij deel A van deze bijlage, of daarmee gelijkwaardige regels.

2.      In de in deel A van deze bijlage genoemde rechtshandelingen omvat de uitdrukking ,lidstaat/lidstaten’ niet alleen de staten die vallen onder de desbetreffende rechtshandelingen van de Europese Unie, maar tevens Zwitserland.”

6        Artikel 2, lid 1, van deze bijlage II bepaalt:

„Voor de toepassing van deze bijlage nemen de overeenkomstsluitende partijen goede nota van de rechtshandelingen van de Europese Unie vermeld in deel B van deze bijlage.”

7        Deel A van die bijlage II vermeldt verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (PB 2009, L 284, blz. 43) (hierna: „verordening nr. 883/2004”), en verordening nr. 987/2009. In deel B van dezelfde bijlage II wordt besluit nr. H3 genoemd.

 Unierecht

8        Artikel 68, lid 1 en lid 2, van verordening nr. 883/2004 bepaalt:

„1.      Indien gedurende hetzelfde tijdvak en voor dezelfde gezinsleden in uitkeringen is voorzien op grond van de wetgeving van meer dan een lidstaat, zijn de volgende prioriteitsregels van toepassing:

a)      indien door meer dan een lidstaat uitkeringen verschuldigd zijn op verschillende gronden, is de volgorde van prioriteit de volgende: eerst de rechten verkregen op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst, vervolgens de rechten verkregen op grond van een pensioen, en ten slotte de rechten op grond van de woonplaats;

[...]

2.      Bij samenloop van rechten worden de gezinsuitkeringen toegekend overeenkomstig de wetgeving die volgens lid 1 als prioritair is aangemerkt. De rechten op gezinsuitkeringen die verschuldigd zijn op grond van de andere betrokken wetgeving of wetgevingen, worden geschorst ter hoogte van het bedrag dat bij de wetgeving van de eerste lidstaat is vastgesteld en, zo nodig, wordt het deel dat dit bedrag overschrijdt uitbetaald in de vorm van een aanvullende toeslag. [...]”

9        Artikel 90 van verordening nr. 987/2009 luidt als volgt:

„Voor de toepassing van [...]verordening [nr. 883/2004] en [...]verordening [nr. 987/2009] is de wisselkoers tussen twee valuta’s de door de Europese Centrale Bank bekendgemaakte referentiekoers. De peildatum voor de berekening van de wisselkoers wordt vastgesteld door de Administratieve Commissie [voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels als bedoeld in artikel 71 van verordening nr. 883/2004].”

10      Overweging 1 van besluit nr. H3 luidt:

„Een groot aantal bepalingen, waaronder [...] artikel 68, lid 2, [...] van verordening [nr. 883/2004] en [...] van verordening [nr. 987/2009] betreffen situaties waar voor betaling, berekening of herberekening van uitkeringen [...] de wisselkoers moet worden bepaald.”

11      De punten 2 tot en met 5 van besluit nr. H3 zijn geformuleerd als volgt:

„2.      Voor zover niet anders bepaald in dit besluit geldt als omrekeningskoers de koers bekendgemaakt op de dag waarop het orgaan de desbetreffende verrichting uitvoert.

3.      Een orgaan van een lidstaat dat voor het vaststellen van rechten en voor een eerste berekening van een uitkering een bedrag moet omrekenen in de valuta van een andere lidstaat, dient:

a)      wanneer het orgaan, overeenkomstig de nationale wetgeving, rekening houdt met bedragen, zoals inkomsten uit arbeid of uitkeringen, gedurende een bepaalde periode vóór de datum waarvoor de uitkering wordt berekend, de op de laatste dag van die periode gepubliceerde omrekeningskoers te hanteren;

b)      wanneer het orgaan, overeenkomstig de nationale wetgeving, voor de berekening van de uitkering rekening houdt met één bedrag, de op de eerste dag van de maand voorafgaande aan de maand waarin de bepaling moet worden toegepast gepubliceerde omrekeningskoers te hanteren.

4.      Punt 3 is mutatis mutandis van toepassing wanneer een orgaan van een lidstaat vanwege veranderingen van de feitelijke of juridische situatie van de betrokkene voor de herberekening van een uitkering, een bedrag in de valuta van een andere lidstaat moet omrekenen.

5.      Een orgaan dat een uitkering uitbetaalt die overeenkomstig de nationale wetgeving regelmatig geïndexeerd wordt, en waarbij de bedragen in een andere valuta van invloed zijn op de uitkering, dient bij de herberekening de omrekeningskoers van de eerste dag van de maand voorafgaande aan de maand waarin de indexering moet plaatsvinden, te hanteren, tenzij de nationale wetgeving anders bepaalt.”

 Duits recht

12      De regels betreffende kinderbijslag voor personen die in Duitsland onbeperkt aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen, zijn vastgelegd in § 62 en volgende van het Einkommensteuergesetz (Duitse wet op de inkomstenbelasting, BGBl. 2009 I, blz. 3366; hierna: „EStG”).

13      Overeenkomstig § 65, lid 1, eerste volzin, punt 2, EStG wordt geen kinderbijslag uitbetaald voor een kind waarvoor in het buitenland uitkeringen worden toegekend die vergelijkbaar zijn met kinderbijslag.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14      Verzoekster in het hoofdgeding, GP, en haar echtgenoot wonen in Duitsland en verrichten in Zwitserland werkzaamheden in loondienst. Zij hebben twee kinderen. Vanaf februari 2012 ontving de echtgenoot in Zwitserland maandelijks voor elk kind 200 Zwitserse frank (CHF) (ongeveer 179 EUR) aan kinderbijslag.

15      Op 19 augustus 2015 heeft GP de overheidsdienst voor gezinsbijslagen verzocht om betaling van een aanvullende toeslag op de kinderbijslagen.

16      Bij besluit van 8 september 2015, dat na bezwaar is bevestigd op 14 oktober 2015, heeft de overheidsdienst voor gezinsbijslagen dat verzoek ten aanzien van de periode van april 2012 tot en met december 2014 afgewezen. Onder verwijzing naar artikel 90 van verordening nr. 987/2009 en besluit nr. H3 heeft dat orgaan geoordeeld dat voor de vaststelling van het bestaan van het recht op een dergelijke aanvullende toeslag en, in voorkomend geval, van het bedrag daarvan, de omrekeningskoers in aanmerking moet worden genomen die is gepubliceerd op de eerste dag van de maand voorafgaande aan de maand waarin de berekening werd verricht. Aangezien die berekening werd verricht op de dag waarop het besluit van 8 september 2015 werd vastgesteld, gold als omrekeningskoers de op 1 augustus 2015 gepubliceerde koers. Ingevolge de toepassing van die koers kwam het bedrag van 200 CHF overeen met 188,71 EUR, ofwel een hoger bedrag dan het bedrag aan kinderbijslag dat van 2012 tot 2014 door de Bondsrepubliek Duitsland was toegekend, namelijk 184 EUR per maand voor de eerste twee kinderen. De overheidsdienst voor gezinsbijslagen was derhalve van mening dat voor de betrokken periode geen aanvullende toeslag op de kinderbijslagen verschuldigd was.

17      GP heeft bij de verwijzende rechter, het Finanzgericht Baden-Württemberg (belastingrechter in eerste aanleg van de deelstaat Baden-Württemberg, Duitsland), beroep ingesteld tegen de besluiten van 8 september en 14 oktober 2015 van de overheidsdienst voor gezinsbijslagen, alsook tegen een later besluit van die dienst. GP stelt voor de verwijzende rechter dat punt 3, onder b), van besluit nr. H3 van toepassing is op haar zaak en dat de in deze bepaling vervatte formulering „de maand waarin de bepaling moet worden toegepast” aldus moet worden uitgelegd dat in casu daarmee april 2012 wordt bedoeld, oftewel de maand vanaf welke de verordeningen nr. 883/2004 en 987/2009 ingevolge de inwerkingtreding – op 1 april 2012 – van bijlage II bij de overeenkomst over het vrije verkeer van personen van toepassing waren op haar situatie. De overeenkomstig punt 3, onder b), van besluit nr. H3 toepasselijke omrekeningskoers zou dus de op 1 maart 2012 gepubliceerde omrekeningskoers zijn. Aangezien de toepassing van deze koers tot een omgerekende waarde van 331,90 EUR aan Zwitserse kinderbijslag voor de twee kinderen, oftewel 165,95 EUR per kind, zou leiden, vordert GP voor de periode van april 2012 tot en met december 2014 de betaling van een aanvullende toeslag van 36,10 EUR (18,05 EUR per kind) per maand.

18      Volgens de verwijzende rechter hangt de beslechting van het bij hem aanhangig gemaakte geding af van de uitlegging van besluit nr. H3. Hij heeft twijfels over de toepasselijkheid van punt 3, onder b), van dit besluit, aangezien het luidens de tekst ervan gaat om de omrekening, door het betrokken orgaan van een lidstaat, van een bedrag in de valuta van een andere lidstaat wanneer dat orgaan, overeenkomstig de nationale wetgeving, rekening houdt met één bedrag, terwijl in het onderhavige geval de overheidsdienst voor gezinsbijslagen een som in Zwitserse frank overeenkomstig het Unierecht, namelijk verordening nr. 883/2004, naar euro moet omrekenen, met andere woorden een omrekening in de valuta van zijn eigen lidstaat. Volgens de verwijzende rechter rijst die onzekerheid ook met betrekking tot punt 4 van besluit nr. H3.

19      Voor het geval dat de verwijzende rechter, bij gebreke van andersluidende bepaling in besluit nr. H3, punt 2 van dat besluit zou moeten toepassen, vraagt hij zich aangaande de bewoordingen „het orgaan de desbetreffende verrichting uitvoert” in dat punt af welke staat en verrichting daarmee worden bedoeld.

20      Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of punt 5 van besluit nr. H3, dat zijns inziens ook uitleggingsproblemen doet rijzen, van toepassing zou kunnen zijn.

21      In die omstandigheden heeft het Finanzgericht Baden-Württemberg de behandeling van de zaak geschorst en aan het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Welke bepaling van besluit nr. H3 [...] moet in omstandigheden als die in het hoofdgeding worden toegepast bij de valuta-omrekening van kindgerelateerde gezinsuitkeringen in de vorm van kinderbijslag of kindertoelagen?

2)      Hoe moet de toe te passen bepaling concreet worden uitgelegd bij de vaststelling van de van de wisselkoers afhankelijke aanvullende toeslag op de kinderbijslag?

a)      Indien punt 2 van besluit nr. H3 moet worden toegepast: welke dag is in de zin van deze bepaling de dag ,waarop het orgaan de desbetreffende verrichting uitvoert’?

b)      Indien punt 3, onder b), van besluit nr. H3 (in voorkomend geval juncto punt 4 van dit besluit) moet worden toegepast: welke maand is in de zin van deze bepaling de maand ‚waarin de bepaling moet worden toegepast’?

c)      Indien punt 5 van besluit nr. H3 moet worden toegepast: is de clausule ten gunste van de nationale wetgeving verenigbaar met de in artikel 90 van [verordening nr. 987/2009] geregelde machtiging? Zo ja, houdt een ,andersluidende bepaling’ in de nationale wetgeving in dat de aangelegenheid bij een wet in formele zin moet worden geregeld of volstaat een administratieve instructie van de nationale bestuurlijke instantie?

3)      Is er bij de valuta-omrekening van Zwitserse kindertoelagen door de Duitse Familienkasse (overheidsdienst voor gezinsuitkeringen) sprake van met bijzonderheden?

a)      Moet bij de toepassing van besluit nr. H3 ten aanzien van Zwitserland ermee rekening worden gehouden dat de nationale Duitse wetgeving in § 65, lid 1, eerste volzin, punt 2, van [het EStG] als zodanig in een uitsluiting voor die uitkering voorziet?

b)      Is het voor de valuta-omrekening overeenkomstig besluit nr. H3 van belang wanneer het Zwitserse orgaan de gezinsuitkeringen heeft toegekend of uitgekeerd?

c)      Is het voor de valuta-omrekening overeenkomstig besluit nr. H3 van belang wanneer het Duitse orgaan de aanvullende toeslag op de kinderbijslag heeft geweigerd dan wel heeft toegekend?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Derde vraag

22      Aangezien de derde vraag betrekking heeft op de mogelijke gevolgen van de omrekening, in de valuta van een lidstaat, van uitkeringen die door een Zwitsers orgaan in Zwitserse frank zijn uitbetaald, voor de toepassing en uitlegging van de in de eerste twee vragen bedoelde Unierechtelijke bepalingen, moet die vraag als eerste worden beantwoord.

23      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of bij de valuta-omrekening van kinderbijslag om het eventuele bedrag van een aanvullende toeslag uit hoofde van artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004 vast te stellen, het feit dat die kinderbijslag door een Zwitsers orgaan is uitbetaald in Zwitserse frank van invloed is op de toepassing en de uitlegging van artikel 90 van verordening nr. 987/2009 en van besluit nr. H3.

24      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 8 van de overeenkomst over het vrije verkeer van personen de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig bijlage II bij de overeenkomst over het vrije verkeer van personen hun stelsels voor sociale zekerheid coördineren, met name met het oog op de vaststelling van de toepasselijke wetgeving en de betaling van uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen verblijven. In deel A van deze bijlage II worden verordeningen nr. 883/2004 en nr. 987/2009 genoemd als regelingen die tussen de overeenkomstsluitende partijen van toepassing zijn. Aangezien volgens artikel 1, lid 2, van die bijlage II „[d]e uitdrukking ,lidstaat/lidstaten’ in de in deel A van deze bijlage genoemde rechtshandelingen [...] niet alleen de staten [omvat] die [...] onder de desbetreffende rechtshandelingen van de Europese Unie [vallen], maar tevens Zwitserland”, zien de bepalingen van deze verordeningen dus ook op de Zwitserse Bondsstaat (zie in die zin arrest van 14 maart 2019, Dreyer, C‑372/18, EU:C:2019:206, punt 29 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat geldt ook voor de bepalingen van besluit nr. H3 daar deel B van bijlage II bij de overeenkomst over het vrije verkeer van personen bepaalt dat de overeenkomstsluitende partijen goede nota van dit besluit nemen.

25      In die omstandigheden valt de situatie van GP, die net zoals haar echtgenoot – die door een Zwitsers orgaan toegekende gezinsuitkeringen ontvangt – in Duitsland woont en in Zwitserland werkt, binnen de werkingssfeer van verordeningen nr. 883/2004 en 987/2009, alsook binnen die van besluit nr. H3 (zie naar analogie arrest van 14 maart 2019, Dreyer, C‑372/18, EU:C:2019:206, punt 30).

26      Hieruit volgt dat die uitkeringen en de valuta-omrekening van de bedragen daarvan, op grond van deze Uniehandelingen, op dezelfde wijze moeten worden behandeld als uitkeringen die in een lidstaat van de Unie worden ontvangen. Aangaande met name de derde vraag, onder a), van de verwijzende rechter betreffende de relevantie van de uitsluiting, op grond van § 65, lid 1, eerste volzin, punt 2, EStG, van Duitse kinderbijslag wanneer een vergelijkbare uitkering in het buitenland – in casu Zwitserland – is toegekend, mag een in het nationaal recht van een lidstaat voorgeschreven anticumulatiebepaling niet worden toegepast wanneer wordt vastgesteld dat deze toepassing in strijd is met het Unierecht (zie in die zin arrest van 12 juni 2012, Hudzinski en Wawrzyniak, C‑611/10 en C‑612/10, EU:C:2012:339, punt 71).

27      Hieraan moet worden toegevoegd dat een afwijkende toepassing van verordening nr. 883/2004, verordening nr. 987/2009 en besluit nr. H3 in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding zou indruisen tegen de doelstelling van gelijke behandeling die met de in artikel 8 van de overeenkomst over het vrije verkeer van personen bedoelde coördinatie van de socialezekerheidsstelsels wordt nagestreefd.

28      Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat bij de valuta-omrekening van kinderbijslag om het eventuele bedrag van een aanvullende toeslag uit hoofde van artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004 vast te stellen, het feit dat die kinderbijslag door een Zwitsers orgaan is uitbetaald in Zwitserse frank niet van invloed is op de toepassing en de uitlegging van artikel 90 van verordening nr. 987/2009 alsmede van besluit nr. H3.

 Eerste vraag

29      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welke bepaling van besluit nr. H3 van toepassing is bij de omrekening van de valuta waarin kinderbijslag is uitgedrukt, om het eventuele bedrag van een aanvullende toeslag uit hoofde van artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004 vast te stellen.

30      Voor de beantwoording van deze vraag moet in de eerste plaats eraan worden herinnerd dat besluit nr. H3 een handeling ter uitvoering van verordeningen nr. 883/2004 en nr. 987/2009 vormt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet een uitvoerings‑ of toepassingshandeling indien mogelijk aldus worden uitgelegd dat zij in overeenstemming is met de bepalingen van de basishandeling (zie in die zin arresten van 14 mei 2009, Internationaal Verhuis‑ en Transportbedrijf Jan de Lely, C‑161/08, EU:C:2009:308, punt 38, en 19 juli 2012, Pie Optiek, C‑376/11, EU:C:2012:502, punt 34).

31      In de tweede plaats wordt artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004 in overweging 1 van besluit nr. H3 weliswaar genoemd als een van de bepalingen die betrekking hebben op „situaties waar voor betaling, berekening of herberekening van uitkeringen de wisselkoers moet worden bepaald”, maar noch punt 2 van dit besluit, noch punten 3 tot en met 5 daarvan – waarin de omrekeningskoersen worden gepreciseerd die in bepaalde specifieke situaties betreffende uitkeringen in aanmerking moeten worden genomen – geven uitdrukkelijk aan op welke bepalingen van verordeningen nr. 883/2004 en nr. 987/2009 zij van toepassing zijn.

32      In die omstandigheden moet worden vastgesteld welke bepaling van besluit nr. H3 in de in de eerste vraag bedoelde situatie van toepassing is, door rekening te houden met de aard en de doelstelling van de betrokken uitkering.

33      In dat verband is de uitkering die in het hoofdgeding aan de orde is, welke bestaat uit een aanvullende toeslag die in voorkomend geval samen met de maandelijkse gezinsuitkeringen wordt uitbetaald, gebaseerd op artikel 68 van verordening nr. 883/2004. Lid 1, onder a), van dit artikel bepaalt dat indien de wetgeving van meer dan een lidstaat gedurende hetzelfde tijdvak en voor dezelfde gezinsleden op verschillende gronden in uitkeringen voorziet, eerst de rechten verkregen op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst, verschuldigd zijn en vervolgens de rechten op grond van de woonplaats. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat bij samenloop van rechten de gezinsuitkeringen worden toegekend overeenkomstig de wetgeving die aldus als prioritair is aangemerkt, waarbij de rechten op gezinsuitkeringen die verschuldigd zijn op grond van andere wetgevingen, worden geschorst ter hoogte van het bedrag dat bij de wetgeving van de eerste lidstaat is vastgesteld en, zo nodig, het deel dat dit bedrag overschrijdt wordt uitbetaald in de vorm van een aanvullende toeslag.

34      Het Hof heeft geoordeeld dat met een dergelijke anticumulatiebepaling wordt beoogd de ontvanger van door verschillende lidstaten betaalde uitkeringen een totaal uitkeringsbedrag te garanderen dat identiek is aan het bedrag van de gunstigste uitkering die hem krachtens de wetgeving van slechts één van die staten verschuldigd is (arrest van 30 april 2014, Wagener, C‑250/13, EU:C:2014:278, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Om te verzekeren dat bij de vergelijking van bedragen in verschillende valuta een bedrag wordt uitgekeerd dat volstrekt identiek is aan het bedrag van de gunstigste uitkering, moet de referentiekoers worden gehanteerd die door de Europese Centrale Bank is gepubliceerd op een datum die zo dicht mogelijk bij de datum van betaling van de uitkeringen ligt. Dit impliceert dat ten aanzien van uitkeringen die met regelmatige tussenpozen, in casu maandelijks, over een lange periode worden betaald, voor elke betaling een andere wisselkoers wordt gehanteerd.

36      Indien voor een dergelijke periode één enkele wisselkoers wordt gehanteerd, zelfs al kunnen zich in die periode aanzienlijke schommelingen van de wisselkoersen voordoen, zou namelijk het gevaar bestaan dat ofwel de uitkeringsontvanger een deel van het bedrag van de gunstigste uitkering wordt onthouden, ofwel hem een hoger bedrag dan dat van de gunstigste uitkering wordt toegekend.

37      Hoewel de noodzaak om op elke vervaldag een berekening op basis van een nieuwe wisselkoers te verrichten een bijkomende administratieve belasting voor de bevoegde socialezekerheidsinstellingen vormt, zoals de Duitse regering in haar schriftelijke opmerkingen opmerkt, kan het gemak van een andere berekeningsmethode niet als argument worden aangevoerd om af te wijken van een duidelijke tekst en de doelstelling waarop die tekst berust (zie naar analogie arrest van 30 april 2014, Wagener, C‑250/13, EU:C:2014:278, punt 38).

38      Aangaande de bepalingen van besluit nr. H3 die eventueel van toepassing zijn op het hoofdgeding, bepaalt punt 2 van dit besluit dat voor zover in dat besluit niet anders is bepaald, de koers bekendgemaakt op de dag waarop het orgaan de desbetreffende verrichting uitvoert als te hanteren omrekeningskoers geldt.

39      Vastgesteld moet worden dat de toepassing van deze regel op de uitkering die in het hoofdgeding aan de orde is, kan leiden tot de toepassing van een nieuwe wisselkoers voor elke betaling van de betrokken gezinsuitkering en, in voorkomend geval, van een aanvullende toeslag, wat blijkens de punten 34 tot en met 36 van dit arrest strookt met de doelstelling die erin bestaat een aanvullende toeslag uit hoofde van artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004 uit te keren om ervoor te zorgen dat een bedrag wordt betaald dat volstrekt identiek is aan het bedrag van de gunstigste uitkering.

40      Opgemerkt zij evenwel dat uit de tekst van punt 2 van besluit nr. H3 blijkt dat het om een vangnetbepaling gaat, in die zin dat dit punt moet worden toegepast om vast te stellen welke omrekeningskoers op grond van de in dit besluit bedoelde bepalingen van verordeningen nr. 883/2004 en nr. 987/2009 moet worden gehanteerd, voor zover in dat besluit niet anders is bepaald. Bijgevolg moet worden onderzocht of de door de verwijzende rechter genoemde punten 3 tot en met 5 van besluit nr. H3 van toepassing zijn op een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

41      Dienaangaande moet om te beginnen worden vastgesteld dat de tekst zelf van punt 3 van besluit nr. H3 de toepassing van deze bepaling in deze situatie uitsluit. Ten eerste moet die bepaling namelijk worden toegepast in gevallen waarin een orgaan van een lidstaat „een bedrag moet omrekenen in de valuta van een andere lidstaat”. Het hoofdgeding betreft de omgekeerde situatie, namelijk de omrekening, door een socialezekerheidsinstelling van een lidstaat, van een in de valuta van een andere staat uitgedrukt bedrag in haar valuta.

42      Ten tweede vermeldt dat punt 3, onder a) en b), dat „overeenkomstig de nationale wetgeving” rekening wordt gehouden met bedragen, terwijl in de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, de verplichting om rekening te houden met het bedrag van de in Zwitserland betaalde uitkeringen voor de berekening van een eventueel in Duitsland verschuldigde aanvullende toeslag voortvloeit uit de toepassing van artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004 en de overeenkomst over het vrije verkeer van personen.

43      Voorts kan punt 4 van besluit nr. H3 niet worden toegepast daar ook dit punt ziet op situaties waarin een orgaan van een lidstaat een bedrag moet omrekenen in de valuta van een andere staat. Daarenboven blijkt uit de bewoordingen van dat punt, met name uit de bewoordingen „[p]unt 3 is mutatis mutandis van toepassing wanneer [...] een lidstaat [...] voor de herberekening van een uitkering, een bedrag [...] moet omrekenen”, dat het een bijzondere toepassing van punt 3 van dit besluit vormt.

44      Ten slotte is punt 5 van besluit nr. H3 van toepassing op de herberekening van een uitkering die overeenkomstig de nationale wetgeving regelmatig geïndexeerd wordt en waarbij de bedragen in een andere valuta van invloed zijn op die uitkering. De tekst van deze bepaling staat, in beginsel, niet eraan in de weg dat zij wordt toegepast ter bepaling van een aanvullende toeslag die eventueel is verschuldigd wanneer de gezinsuitkering van een lidstaat, die overeenkomstig artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004 is geschorst ter hoogte van het bedrag dat bij de als prioritair aangemerkte wetgeving is vastgesteld, regelmatig wordt geïndexeerd.

45      De verwijzende rechter merkt evenwel op dat de Duitse kinderbijslag van 184 EUR voor elk van de eerste twee kinderen ongewijzigd is gebleven in de jaren 2010‑2014 en vanaf 2015 een keer per jaar is verhoogd. Deze uitkering heeft dus geen wijzigingen ondergaan in de periode waarvoor in casu een aanvullende toeslag wordt gevorderd, namelijk die van april 2012 tot en met december 2014.

46      In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat die uitkering regelmatig is geïndexeerd in de zin van punt 5 van besluit nr. H3. De aanname dat deze bepaling van toepassing is, zou leiden tot de toepassing van een omrekeningskoers die gepubliceerd is op een datum die te ver verwijderd is van de meeste maandelijkse gezinsuitkeringen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, wat zou indruisen tegen de in punt 34 van dit arrest genoemde doelstelling van artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004.

47      Aangezien geen van de punten 3 tot en met 5 van besluit H3 toepassing vindt in een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, dient punt 2 te worden toegepast, zoals uit punt 40 van het onderhavige arrest blijkt.

48      Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat besluit nr. H3 aldus moet worden uitgelegd dat punt 2 van dit besluit moet worden toegepast bij de omrekening van de valuta waarin kinderbijslagen zijn uitgedrukt, om het eventuele bedrag van een aanvullende toeslag uit hoofde van artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004 vast te stellen.

 Tweede vraag

49      Met zijn tweede vraag, onder a), die de verwijzende rechter heeft voorgelegd voor het geval zou worden geoordeeld dat punt 2 van besluit nr. H3 van toepassing is op een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen wat de strekking is van het begrip „dag waarop het orgaan de desbetreffende verrichting uitvoert” in de zin van deze bepaling.

50      Vastgesteld zij dat dit begrip, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, betrekking heeft op de dag waarop het bevoegde orgaan van de werkstaat, dat prioritair verantwoordelijk is voor de betaling van de betrokken gezinsuitkering, deze betaling verricht. Die betaling vindt namelijk in ieder geval plaats, terwijl de betaling van de uitkeringen waarin de staat van verblijf voorziet, in de vorm van een aanvullende toeslag, slechts onder specifieke voorwaarden plaatsvindt en dus voorwaardelijk en onzeker is. Pas na betaling van die uitkering door de werkstaat en de omrekening ervan naar de valuta van de woonstaat, kan de betrokkene in de laatstgenoemde staat in aanmerking komen voor die aanvullende toeslag indien het omgerekende bedrag lager is dan het bedrag van dezelfde uitkering die krachtens de wetgeving van de woonstaat verschuldigd is (zie naar analogie arrest van 30 april 2014, Wagener, C‑250/13, EU:C:2014:278, punten 45 en 47).

51      Deze uitlegging strookt overigens met het doel van de anticumulatiebepaling in artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004, zoals in punt 34 van het onderhavige arrest is vermeld.

52      Bijgevolg moet op de tweede vraag, onder a), worden geantwoord dat punt 2 van besluit nr. H3 aldus moet worden uitgelegd dat in een situatie als die aan de orde in het hoofdgeding het begrip „dag waarop het orgaan de desbetreffende verrichting uitvoert” in de zin van deze bepaling, betrekking heeft op de dag waarop het bevoegde orgaan van de werkstaat de betrokken gezinsuitkering betaalt.

53      Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden onderzocht.

 Kosten

54      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

1)      Bij de valuta-omrekening van kinderbijslag om het eventuele bedrag van een aanvullende toeslag uit hoofde van artikel 68, lid 2, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009, vast te stellen, is het feit dat die kinderbijslag door een Zwitsers orgaan is uitbetaald in Zwitserse frank, niet van invloed op de toepassing en de uitlegging van artikel 90 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 alsmede van besluit nr. H3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 15 oktober 2009 betreffende de in aanmerking te nemen datum voor het bepalen van de omrekeningskoersen als bedoeld in artikel 90 van verordening nr. 987/2009.

2)      Besluit nr. H3 van 15 oktober 2009 moet aldus worden uitgelegd dat punt 2 daarvan van toepassing is bij de omrekening van de valuta waarin kinderbijslagen zijn uitgedrukt, om het eventuele bedrag van een aanvullende toeslag uit hoofde van artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 988/2009, vast te stellen.

3)      Punt 2 van besluit nr. H3 van 15 oktober 2009 moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie als die aan de orde in het hoofdgeding het begrip „dag waarop het orgaan de desbetreffende verrichting uitvoert” in de zin van deze bepaling, betrekking heeft op de dag waarop het bevoegde orgaan van de werkstaat de betrokken gezinsuitkering betaalt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.