Language of document : ECLI:EU:C:2019:700

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

11 september 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Beginselen van het Unierecht – Procedurele autonomie – Gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel – Rechtzekerheidsbeginsel – Gezag van gewijsde – Teruggave van door een lidstaat in strijd met het Unierecht geïnde heffingen – Definitieve beslissing van een rechter waarbij de betaling van een met het Unierecht strijdige heffing wordt bevolen – Verzoek tot herziening van een dergelijke rechterlijke beslissing – Termijn voor de indiening van dat verzoek”

In zaak C‑676/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curtea de Apel Ploieşti (rechter in tweede aanleg Ploieşti, Roemenië) bij beslissing van 5 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 1 december 2017, in de procedure

Oana Mădălina Călin

tegen

Direcţia Regională a Finanţelor Publice Ploieşti Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Dâmboviţa,

Statul Român Ministerul Finanţelor Publice,

Administraţia Fondului pentru Mediu,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, K. Jürimäe (rapporteur), D. Šváby, S. Rodin en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: R. Şereş, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 november 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Roemeense regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door R.‑H. Radu, C.‑M. Florescu en R. I. Haţieganu als gemachtigden, vervolgens door C.‑R. Canţăr, C.-M. Florescu en R. I. Hatieganu als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Armenia en C. Perrin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 februari 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 3, VEU, artikel 110 VWEU en de artikelen 17, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) alsook de beginselen van loyale samenwerking, gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en rechtszekerheid.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Oana Mădălina Călin en de Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Ploiești – Administrația Județeană a Finanțelor Publice Dâmbovița (regionaal directoraat-generaal Overheidsfinanciën van Ploiești – departementale administratie Overheidsfinanciën van Dâmbovița, Roemenië), de Statul Român – Ministerul Finanţelor Publice (Roemeense staat – ministerie van Overheidsfinanciën) en de Administrația Fondului pentru Mediu (bestuur van het Milieufonds, Roemenië), ter zake van een beroep strekkende tot herziening van een definitieve rechterlijke beslissing waarbij een beroep tot herziening van een andere definitieve rechterlijke beslissing, waarbij Călin werd veroordeeld tot betaling van een milieuheffing waarvan later werd geoordeeld dat deze in strijd was met het Unierecht, wegens tardiviteit niet-ontvankelijk is verklaard.

 Toepasselijke bepalingen

3        Artikel 21 van de Legea contenciosului administrativ nr. 554/2004 (wet nr. 554/2004 inzake het bestuursprocesrecht) van 2 december 2004 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 1154 van 7 december 2004), genaamd „buitengewone beroepsmogelijkheden”, bepaalde:

„(1)      De rechtsmiddelen als voorzien in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kunnen worden aangewend tegen definitieve en in kracht van gewijsde gegane beslissingen van bestuursgerechten.

(2)      Naast de gronden voor herziening genoemd in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering leveren definitieve en in kracht van gewijsde gegane beslissingen die in strijd zijn met het beginsel van voorrang van het [Unie]recht zoals neergelegd in artikel 148, lid 2, juncto artikel 20, lid 2, van de Roemeense grondwet, zoals opnieuw bekendgemaakt, eveneens grond op voor herziening. Het verzoek tot herziening wordt ingediend binnen 15 dagen na de mededeling, die, in afwijking van het bepaalde in artikel 17, lid 3, plaatsvindt op naar behoren met redenen omkleed verzoek van de betrokkene binnen 15 dagen na de uitspraak. Op het verzoek tot herziening wordt uiterlijk 60 dagen na de indiening ervan met spoed en bij voorrang beslist.”

4        Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat artikel 21, lid 2, tweede volzin, van wet nr. 554/2004 bij arrest nr. 1609/2010 van de Curtea Constituțională (constitutioneel Hof, Roemenië) van 9 december 2010 in strijd met de grondwet is verklaard.

5        De verwijzende rechter geeft in wezen aan dat alleen de eerste en de derde volzin van artikel 21, lid 2, van wet nr. 554/2004 nog rechtsgevolgen hebben. De tweede volzin van die bepaling, betreffende de termijn voor de indiening van een verzoek tot herziening, heeft daarentegen geen rechtsgevolgen meer.

6        Bij arrest nr. 45/2016 van 12 december 2016, op 23 mei 2017 bekendgemaakt in de Monitorul Oficial al României, heeft de Înalta Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie van Roemenië) geoordeeld dat de termijn voor de indiening van een op artikel 21, lid 2, van wet nr. 554/2004 gebaseerd verzoek tot herziening één maand is vanaf de datum waarop mededeling is gedaan van de definitieve beslissing waarop de herziening betrekking heeft.

7        Artikel 509 van de Codul de procedură civilă (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), genaamd „Voorwerp en gronden voor herziening”, bepaalt in lid 1 ervan:

„(1)       De herziening van een ten gronde genomen beslissing of een beslissing waarin de grond aan de orde wordt gesteld [...] kan worden gevraagd indien:

[...]

11.       „na het definitief worden van het vonnis, de Curtea Constituțională [grondwettelijk hof, Roemenië] zich heeft uitgesproken over de in die zaak opgeworpen exceptie en de door die exceptie beoogde bepaling ongrondwettig heeft verklaard.”

8        Artikel 511, lid 3, van de wet op de burgerlijke rechtsvordering, genaamd „Termijn voor uitoefening”, luidt:

„Wat de in artikel 509, lid 1, punten 10 en 11, bedoelde gronden betreft, is de termijn drie maanden vanaf de datum van bekendmaking van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of van de beslissing van de Curtea Constituțională in de Monitorul Oficial al României, deel 1.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9        Op 12 april 2013 heeft Călin, een Roemeens onderdaan, een tweedehands personenauto uit Duitsland gekocht. De Serviciul Public Comunitar Regim Permise de Conducere și Înmatriculare a Vehiculelor Târgoviște (overheidsdienst voor Rijbewijzen en Voertuigregistratie Târgoviște, Roemenië) heeft de registratie van dat voertuig in Roemenië onderworpen aan de betaling van een milieuheffing voor motorvoertuigen van een bedrag van 968 Roemeense leu (RON) (ongeveer 207 EUR). Călin heeft dit bedrag betaald.

10      Călin heeft bij de Tribunalul Dâmbovița – Secția a II-a civilă, de contencios administrativ și fiscal (rechter in eerste aanleg Dâmbovița, tweede civiele kamer bevoegd in bestuurs- en belastingzaken, Roemenië) een verzoek om terugbetaling van dat bedrag ingediend, op grond dat de betaling van die milieuheffing in strijd was met het Unierecht.

11      Bij vonnis van 15 mei 2014 heeft die rechter het verzoek afgewezen.

12      Op 28 april 2015 heeft Călin bij die rechter een eerste verzoek tot herziening van dat vonnis ingediend, op grond dat het Hof in het arrest van 14 april 2015, Manea (C‑76/14, EU:C:2015:216), had vastgesteld dat die milieuheffing in strijd was met het Unierecht. Dit verzoek tot herziening is afgewezen bij vonnis van 16 juni 2015.

13      Op 17 augustus 2016 heeft Călin bij de Tribunalul Dâmbovița – Secția a II-a civilă, de contencios administrativ și fiscal een tweede verzoek tot herziening van het vonnis van 15 mei 2014 ingediend. Dit verzoek tot herziening was gebaseerd op het arrest van 9 juni 2016, Budişan (C‑586/14, EU:C:2016:421), alsmede op artikel 21, lid 2, van wet nr. 554/2004, dat de herziening mogelijk zou moeten maken van definitieve beslissingen die in strijd zijn met het Unierecht. Bij vonnis van 11 oktober 2016 heeft die rechter het verzoek tot herziening toegewezen en de terugbetaling van de milieuheffing gelast, met rente.

14      Het regionaal directoraat-generaal Overheidsfinanciën van Ploiești – departementale administratie Overheidsfinanciën van Dâmbovița heeft bij de Curtea de Apel Ploiești (rechter in tweede aanleg van Ploiești, Roemenië) hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

15      Bij arrest van 16 januari 2017 heeft die rechter het arrest van de Tribunalul Dâmbovița – Secția a II-a civilă, de contencios administrativ și fiscal van 11 oktober 2016 vernietigd, op grond dat het tweede verzoek tot herziening was ingediend na afloop van de termijn van één maand vanaf de datum van mededeling van de definitieve beslissing waarop de herziening betrekking heeft. Die termijn, die voortvloeit uit arrest nr. 45/2016, zou vanaf de bekendmaking van dat arrest in de Monitorul Oficial al României voor alle Roemeense rechters verplicht gelden. Het arrest waarvan de herziening werd gevraagd, was aan Călin meegedeeld op 26 mei 2014, terwijl het verzoek tot herziening was ingediend op 17 augustus 2016.

16      Het hoofdgeding betreft een verzoek tot herziening van het arrest van 16 januari 2017, dat Călin bij de verwijzende rechter heeft ingediend. Dit verzoek is ten eerste gebaseerd op schending van het beginsel van non-retroactiviteit van de wet, aangezien het arrest van 9 juni 2016, Budişan (C‑586/14, EU:C:2016:421), is gewezen nadat de nationale beslissing waarbij om herziening is gevraagd, definitief is geworden. Ten tweede is dat verzoek gebaseerd op schending, door de Curtea de Apel Ploiești, van het in artikel 4, lid 3, VWEU verankerde beginsel van loyale samenwerking.

17      In die context heeft de verwijzende rechter twijfels over de verenigbaarheid van arrest nr. 45/2016 met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van loyale samenwerking alsmede met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.

18      De verwijzende rechter beklemtoont in dat verband dat de omstandigheden van het hoofdgeding anders zijn dan die van de zaak die tot het arrest van 6 oktober 2015, Târşia (C‑69/14, EU:C:2015:662), heeft geleid, waarin het Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht zich niet verzet tegen het ontbreken van een procedure tot herziening van een definitieve rechterlijke beslissing, wanneer die beslissing onverenigbaar blijkt met een uitlegging van het Unierecht. De nationale rechter merkt op dat er in het hoofdgeding, in tegenstelling tot in die zaak, immers een mogelijkheid bestaat om herziening te krijgen van een definitieve beslissing van een nationale rechter die is gewezen in strijd met het Unierecht.

19      De verwijzende rechter herinnert eraan dat het bij ontbreken van een Unierechtelijke regeling op het gebied van de teruggave van ten onrechte ontvangen heffingen, krachtens het beginsel van procedurele autonomie de taak van elke lidstaat is om de procedurele modaliteiten te regelen voor een beroep in rechte dat de rechten beoogt te verzekeren die de belastingplichtigen aan het Unierecht ontlenen. Die procedurele modaliteiten moeten echter altijd in overeenstemming zijn met het beginsel van loyale samenwerking, de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid alsmede het beginsel van rechtszekerheid.

20      In casu bevat artikel 21, lid 2, van wet nr. 554/2004 geen enkele termijn voor de indiening van het verzoek tot herziening, maar volgt die termijn slechts uit arrest nr. 45/2016.

21      De verwijzende rechter merkt echter op dat de toepassing van die termijn tot gevolg zou hebben dat het onmogelijk is om aan Călin de in strijd met het Unierecht geheven heffing terug te betalen. Zij beschikt immers over geen enkele andere nationale procedurele mogelijkheid om die heffing terug te krijgen.

22      In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

„Kunnen artikel 4, lid 3, VEU, dat betrekking heeft op het beginsel van loyale samenwerking, de artikelen 17, 20, 21 en 47 van het [Handvest], artikel 110 VWEU, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, die voortvloeien uit het beginsel van de procedurele autonomie, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, namelijk artikel 21, lid 2, van [wet nr. 554/2004], zoals uitgelegd bij arrest [nr. 45/2016], volgens welke de termijn waarbinnen een verzoek tot herziening op grond van artikel 21, lid 2, van wet [nr. 554/2004] kan worden ingediend, een maand bedraagt, te rekenen vanaf de datum van mededeling van de voor herziening vatbare definitieve beslissing?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

23      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht, in het bijzonder de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling zoals uitgelegd in een arrest van een nationale rechterlijke instantie, die voorziet in een vervaltermijn van een maand voor de indiening van een verzoek tot herziening van een definitieve rechterlijke beslissing die strijdig is met het Unierecht, vanaf de mededeling van de beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd.

24      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat Călin is onderworpen aan de betaling van een milieuheffing voor motorvoertuigen, terwijl het Hof in het arrest van 9 juni 2016, Budişan (C‑586/14, EU:C:2016:421), in wezen heeft geoordeeld dat artikel 110 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een heffing als de milieuheffing.

25      Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat het recht op teruggaaf van belastingen die door een lidstaat in strijd met het recht van de Unie zijn geïnd, het gevolg en het complement is van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de bepalingen van Unierecht die dergelijke belastingen verbieden, zoals uitgelegd door het Hof. De lidstaten zijn in beginsel dus verplicht in strijd met het Unierecht toegepaste heffingen terug te betalen (zie in die zin arresten van 9 november 1983, San Giorgio, 199/82, EU:C:1983:318, punt 12; 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C‑591/10, EU:C:2012:478, punt 24, en 6 oktober 2015, Târşia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 24).

26      Niettemin moet worden herinnerd aan het belang dat het beginsel van het gezag van gewijsde zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden heeft. Ter verzekering zowel van de stabiliteit van het recht en de rechtsbetrekkingen als van een goede rechtsbedeling is het immers van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor deze beroepsmogelijkheden gestelde termijnen, niet meer in geding kunnen worden gebracht (arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 58; 6 oktober 2015, Târşia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 28, en 29 juli 2019, Hochtief Solutions Magyarországi Fióktelepe, C‑620/17, EU:C:2019:630, punt 54).

27      Derhalve gebiedt het Unierecht een nationale rechter niet om nationale procedureregels die een rechterlijke beslissing gezag van gewijsde verlenen buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een nationale situatie die onverenigbaar is met dat recht kunnen worden hersteld (arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 59; 6 oktober 2015, Târşia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 29, en 29 juli 2019, Hochtief Solutions Magyarországi Fióktelepe, C‑620/17, EU:C:2019:630, punt 55).

28      Er is immers geoordeeld dat het Unierecht niet vereist dat een rechterlijke instantie uit principe terugkomt op een in kracht van gewijsde gegane beslissing om rekening te houden met de uitlegging die het Hof aan een relevante bepaling van dat recht heeft gegeven (zie in die zin arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 60; 6 oktober 2015, Târşia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 38, en 29 juli 2019, Hochtief Solutions Magyarországi Fióktelepe, C‑620/17, EU:C:2019:630, punt 56).

29      Wanneer de toepasselijke nationale procedureregels echter voorzien in de mogelijkheid voor de nationale rechter om onder bepaalde voorwaarden terug te komen op een beslissing met gezag van gewijsde om een situatie met het nationale recht verenigbaar te maken, moet die mogelijkheid, gelet op de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, ook bestaan – mits aan die voorwaarden is voldaan – om de betrokken situatie weer in overeenstemming te brengen met het Unierecht (zie in die zin arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 62; 6 oktober 2015, Târşia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 30, en 29 juli 2019, Hochtief Solutions Magyarországi Fióktelepe, C‑620/17, EU:C:2019:630, punt 60).

30      Volgens het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking mogen de procedureregels ter verzekering van de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, immers niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidbeginsel) (arrest van 24 oktober 2018, XC e.a., C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      Bij het onderzoek of deze vereisten in acht zijn genomen, moet rekening worden gehouden met de plaats van de betrokken voorschriften in de gehele procedure, met het verloop van de procedure en met de bijzondere kenmerken van deze voorschriften voor de verschillende nationale instanties (arresten van 27 juni 2013, Agrokonsulting-04, C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 oktober 2018, XC e.a., C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 24).

32      In casu blijkt uit de elementen waarover het Hof beschikt dat het Roemeense recht een beroepsmogelijkheid biedt om herziening te kunnen vragen van definitieve rechterlijke beslissingen die in strijd met het Unierecht blijken te zijn. Uit de door de verwijzende rechter gegeven aanwijzingen blijkt dat dit beroep tot herziening moet worden ingesteld binnen een maand vanaf de mededeling van de rechterlijke beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd. Die termijn volgt uit arrest nr. 45/2016, dat betrekking had op de uitlegging en de toepassing van artikel 21, lid 2, van wet nr. 554/2004.

33      Mitsdien moet worden onderzocht of die termijn verenigbaar is met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.

 Gelijkwaardigheidsbeginsel

34      Zoals in punt 30 van dit arrest in herinnering is gebracht, verbiedt het gelijkwaardigheidsbeginsel een lidstaat om procedureregels vast te stellen die minder gunstig zijn voor vorderingen ter bescherming van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen dan voor vergelijkbare nationale vorderingen.

35      Derhalve moet worden nagegaan of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beroep tot herziening kan worden vergeleken met een beroep gebaseerd op schending van het nationale recht, daarbij rekening houdend met het voorwerp, de oorzaak en de voornaamste kenmerken van die beroepen (zie in die zin arresten van 27 juni 2013, Agrokonsulting-04, C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 39, en 24 oktober XC e.a., C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 27).

36      Zoals de advocaat-generaal in wezen in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verwijst de verwijzende rechter in de motivering van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing niet naar het bestaan van een beroep tot herziening op basis van een schending van het nationale recht dat kan worden aangemerkt als vergelijkbaar met het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beroep.

37      De Commissie betoogt daarentegen dat het in artikel 21, lid 2, van wet nr. 554/2004 voorziene beroep tot herziening van een definitieve rechterlijke beslissing vergelijkbaar is met het beroep voorzien in artikel 509, lid 1, punt 11, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, dat voorziet in de mogelijkheid om beroep tot herziening van een rechterlijke beslissing in te stellen wanneer de Curtea Constituțională, nadat de beslissing definitief is geworden, zich heeft uitgesproken over de in die zaak opgeworpen exceptie van ongrondwettigheid en de in die exceptie bedoelde bepaling ongrondwettig heeft verklaard.

38      De Commissie is evenwel van mening dat in casu het gelijkwaardigheidsbeginsel wordt geschonden, aangezien de procedureregels voor op artikel 509, lid 1, punt 11, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering gebaseerde beroepen gunstiger zijn dan die voor beroepen tot herziening gebaseerd op artikel 21, lid 2, van wet nr. 554/2004. Terwijl het eerste beroep kan worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van bekendmaking van het arrest van de Curtea Constituțională waarbij de ongrondwettigheid van een nationale bepaling is vastgesteld, moet het tweede beroep worden ingesteld binnen een termijn van een maand vanaf de datum van mededeling van de beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd.

39      Zoals de advocaat-generaal in de punten 71 en 77 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan in het kader van artikel 509, lid 1, punt 11, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering het door de Curtea Constituțională gewezen arrest waarbij de ongrondwettigheid van een nationale bepaling is vastgesteld, echter alleen de definitieve rechterlijke beslissing worden herzien die is genomen in het kader van de procedure waarin de partijen de ongrondwettigheid van een nationale bepaling hebben opgeworpen, terwijl artikel 21, lid 2, van wet nr. 554/2004 de mogelijkheid biedt om elke definitieve rechterlijke beslissing te herzien die in strijd is met het Unierecht.

40      Bij gebreke van precisering over dat laatste punt kan het Hof zich echter niet uitspreken over de vraag of het bij artikel 21, lid 2, van wet nr. 554/2004 ingevoerde beroep tot herziening al dan niet vergelijkbaar is met het beroep voorzien in artikel 509, lid 1, punt 11, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering noch over de vraag of in casu de eisen voortvloeiende uit het gelijkwaardigheidsbeginsel in acht zijn genomen.

41      Het is derhalve de taak van de verwijzende rechter om na te gaan of in het licht van de in punt 30 van dit arrest genoemde rechtspraak in het hoofdgeding het gelijkwaardigheidsbeginsel is geëerbiedigd, met dien verstande dat hij de mogelijkheid behoudt om een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen wanneer hij in staat is om het Hof alle elementen te bezorgen die het Hof in staat stellen uitspraak te doen over die vraag (zie in die zin beschikking van 12 mei 2016, Security Service e.a., C‑692/15–C‑694/15, EU:C:2016:344, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

 Doeltreffendheidsbeginsel

42      Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof bij het onderzoek van elk geval waarin de vraag rijst of een nationaal procedurevoorschrift de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, rekening moet worden gehouden met de plaats van dat voorschrift in de gehele procedure voor de verschillende nationale instanties, alsook met het verloop en de bijzonderheden van deze procedure. Vanuit dit oogpunt dient in voorkomend geval met name rekening te worden gehouden met de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arresten van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 49; 22 februari 2018, INEOS Köln, C‑572/16, EU:C:2018:100, punt 44, en 24 oktober 2018, XC e.a., C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 49).

43      Wat meer in het bijzonder vervaltermijnen betreft, heeft het Hof geoordeeld dat de vaststelling van redelijke vervaltermijnen in het belang van de rechtszekerheid verenigbaar is met het doeltreffendheidsbeginsel (zie in die zin arresten van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral, 33/76, EU:C:1976:188, punt 5; 10 juli 1997, Palmisani, C‑261/95, EU:C:1997:351, punt 28; 29 oktober 2015, BBVA, C‑8/14, EU:C:2015:731, punt 28, en 22 februari 2018, INEOS Köln, C‑572/16, EU:C:2018:100, punt 47).

44      In casu blijkt uit de elementen van het dossier waarover het Hof beschikt, dat de Curtea de Apel Ploiești overeenkomstig arrest nr. 45/2016 heeft geoordeeld dat het tweede door Călin ingestelde beroep tot herziening tardief was. Volgens dat arrest was de termijn voor indiening van een verzoek tot herziening een maand vanaf de mededeling aan Călin van het vonnis van 15 mei 2014 waarvan de herziening wordt gevraagd.

45      Mitsdien moet de redelijkheid van die termijn worden onderzocht, na afloop waarvan een justitiabele niet langer een verzoek tot herziening kan indienen van een definitieve rechterlijke beslissing die in strijd is met het Unierecht.

46      In dit verband moet worden vastgesteld dat een termijn van een maand voor de instelling van dat beroep tot herziening van een definitieve rechterlijke beslissing, welke volgens het opschrift van artikel 21 van wet nr. 554/2004 een „buitengewone” beroepsmogelijkheid is, op zich niet vatbaar is voor kritiek.

47      Een vervaltermijn voor de instelling van een beroep tot herziening is immers redelijk wanneer hij de justitiabele de mogelijk biedt om te beoordelen of er gronden zijn om de herziening van een definitieve rechterlijke beslissing te vragen en, in voorkomend geval, het beroep tot herziening van die beslissing voor te bereiden. In dit verband moet worden opgemerkt dat in de onderhavige zaak geenszins is aangevoerd dat de daartoe gestelde termijn van een maand onredelijk was (zie naar analogie arrest van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 44).

48      Voorts moet worden gepreciseerd dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde termijn voor het beroep tot herziening begint te lopen vanaf de mededeling van de betrokken definitieve rechterlijke beslissing aan de partijen. Zij bevinden zich dus niet in een situatie waarin die termijn is verstreken zonder dat zij ook maar kennis hadden van de definitieve rechterlijke beslissing (zie naar analogie arrest van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 45).

49      In deze omstandigheden lijkt de duur van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde termijn voor een beroep tot herziening als zodanig de indiening van een verzoek tot herziening van een definitieve rechterlijke beslissing in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk te maken.

50      Wat de toepassingsmodaliteiten van die termijn betreft, moet eraan worden herinnerd dat het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het vertrouwensbeginsel het rechtstreekse uitvloeisel is, vereist dat rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn voor de justitiabelen (zie in die zin arresten van 15 februari 1996, Duff e.a., C‑63/93, EU:C:1996:51, punt 20; 10 september 2009, Plantanol, C‑201/08, EU:C:2009:539, punt 46, en 11 juni 2015, Berlington Hungary e.a., C‑98/14, EU:C:2015:386, punt 77).

51      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat de termijn van een maand voor de instelling van een beroep tot herziening is vastgesteld bij arrest nr. 45/2016, dat voor de Roemeense rechterlijke instanties geldt vanaf de bekendmaking ervan in de Monitorul Oficial al României. Uit de schriftelijke opmerkingen van partijen op een vraag van het Hof blijkt echter dat hoewel arrest nr. 45/2016 is gewezen op 12 december 2016, het pas op 23 mei 2017 in de Monitorul Oficial al României is gepubliceerd.

52      Arrest nr. 45/2016 was dus nog niet gepubliceerd in de Monitorul Oficial al României toen Călin op 17 augustus 2016 haar tweede beroep tot herziening instelde.

53      Gelet op deze elementen en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, lijkt het erop dat de Curtea de Apel Ploiești de termijn van arrest nr. 45/2016 heeft toegepast om vast te stellen dat het tweede beroep tot herziening van Călin tardief was, terwijl dat arrest nog niet was gepubliceerd. Voorts blijkt uit de informatie waarover het Hof beschikt niet dat er op het moment waarop Călin dat beroep tot herziening instelde naar Roemeens recht een andere termijn gold voor de indiening van een dergelijk verzoek tot herziening, die kon worden aangemerkt als duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar in de zin van de in punt 50 van dit arrest aangehaalde rechtspraak.

54      Ter terechtzitting heeft de Roemeense regering echter aangegeven dat de Roemeense rechterlijke instanties vóór de publicatie van arrest nr. 45/2016 in de Monitorul Oficial al României verschillende termijnen hanteerden voor de instelling van een beroep tot herziening op basis van artikel 21, lid 2, van wet nr. 554/2004, aangezien zij niet verplicht waren een specifieke termijn te hanteren.

55      De Roemeense regering probeert daarmee weliswaar een rechtvaardiging te geven voor de toepassing van de in arrest nr. 45/2016 gegeven oplossing voordat dat arrest zelfs maar was gepubliceerd, doch vastgesteld zij dat die praktijk niet zodanig was dat de regel van de termijn voor het beroep tot herziening duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar was en dus niet bijdroeg tot het doel van rechtszekerheid.

56      Waar de verwijzende rechter heeft opgemerkt dat de toepassing van die termijn door de Curtea de Apel Ploiești tot gevolg had gehad dat het onmogelijk was om de in strijd met het Unierecht ontvangen heffing aan Călin terug te betalen, aangezien zij niet over een ander nationaal procedurele mogelijkheid beschikte om die heffing terug te krijgen, moet eraan worden herinnerd dat, zoals de advocaat-generaal in punt 103 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het beginsel van het gezag van gewijsde zich niet ertegen verzet dat de staat aansprakelijk wordt gesteld voor de beslissing van een rechterlijke instantie die, zoals de verwijzende rechter, in laatste instantie uitspraak doet (arrest van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, point 40). Aangezien een schending van de rechten die particulieren aan het Unierecht ontlenen door een dergelijke beslissing gewoonlijk niet meer kan worden hersteld, mag hun immers niet de mogelijkheid worden ontzegd om de staat aansprakelijk te stellen en zo rechtsbescherming van hun rechten te krijgen (arresten van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 34; 6 oktober 2015, Târşia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 40, en 24 oktober 2018, XC e.a., C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 58).

57      Gelet op een en ander, moet op de gestelde vraag worden geantwoord:

–        het Unierecht, met name de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, moet aldus worden uitgelegd dat het zich in beginsel niet verzet tegen een nationale bepaling zoals uitgelegd in een arrest van een nationale rechterlijke instantie, die voorziet in een vervaltermijn van een maand voor de indiening van een verzoek tot herziening van een definitieve rechterlijke beslissing die strijdig is met het Unierecht, vanaf de mededeling van de beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd;

–        het beginsel van doeltreffendheid, gelezen in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel, moet echter aldus worden uitgelegd dat het zich in omstandigheden als die in het hoofdgeding verzet tegen de toepassing, door een nationale rechterlijke instantie, van een vervaltermijn van een maand voor de indiening van een verzoek tot herziening van een definitieve rechterlijke beslissing, wanneer het arrest waarbij die termijn wordt ingevoerd op het moment van indiening van dat verzoek tot herziening nog niet is gepubliceerd in de Monitorul Oficial al României.

 Kosten

58      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Het Unierecht, met name de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, moet aldus worden uitgelegd dat het zich in beginsel niet verzet tegen een nationale bepaling zoals uitgelegd in een arrest van een nationale rechterlijke instantie, die voorziet in een vervaltermijn van een maand voor de indiening van een verzoek tot herziening van een definitieve rechterlijke beslissing die strijdig is met het Unierecht, vanaf de mededeling van de beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd.

2)      Het beginsel van doeltreffendheid, gelezen in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel, moet echter aldus worden uitgelegd dat het zich in omstandigheden als die in het hoofdgeding verzet tegen de toepassing, door een nationale rechterlijke instantie, van een vervaltermijn van een maand voor de indiening van een verzoek tot herziening van een definitieve rechterlijke beslissing, wanneer het arrest waarbij die termijn wordt ingevoerd op het moment van indiening van dat verzoek tot herziening nog niet is gepubliceerd in de Monitorul Oficial al României.

ondertekeningen


*      Procestaal: Roemeens.