Language of document : ECLI:EU:C:2019:684

Voorlopige editie

BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)

5 september 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Vrij verkeer van werknemers – Gelijke behandeling – Artikel 45 VWEU – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 4 – Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de werklidstaat en een derde land – Gezinsbijslagen – Toepassing op een grensarbeider die noch onderdaan, noch ingezetene is van een van de staten die partij zijn bij dat verdrag”

In zaak C‑801/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil supérieur de la sécurité sociale (hoogste rechter in socialezekerheidszaken, Luxemburg) bij beslissing van 17 december 2018, ingekomen bij het Hof op 19 december 2018, in de procedure

EU

tegen

Caisse pour l’avenir des enfants,

geeft

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: C. Toader, kamerpresident, A. Rosas (rapporteur) en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking,

de navolgende

Beschikking

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 45 VWEU, richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificaties in PB 2004, L 229, blz. 35; PB 2018, L 94, blz. 32, en PB 2019, L 34, blz. 10), en artikel 4 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen EU en de Caisse pour l’avenir des enfants (nationaal fonds voor kinderbijslag, Luxemburg) over de weigering van laatstgenoemde om kinderbijslag toe te kennen aan het kind van EU dat met haar moeder in een derde land woont.

 Toepasselijke bepalingen

 Verdrag van 1965 betreffende de sociale zekerheid

3        Het op 16 september 1965 te Rio de Janeiro ondertekende verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen Luxemburg en de Verenigde Staten van Brazilië (Mémorial A 1966, blz. 621), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „verdrag van 1965 betreffende de sociale zekerheid”), bepaalde in artikel 1:

„Dit verdrag heeft tot doel om, op voet van gelijkheid, de sociale zekerheid van de onderdanen van de Hoge Verdragsluitende Partijen te regelen.”

4        Artikel 2 van dit verdrag bepaalde:

„Het verdrag is van toepassing op ziektekosten-, moederschaps-, invaliditeits-, ouderschaps-, overlijdens- en arbeidsongevallenverzekeringen, alsmede kinderbijslagen (met uitzondering van niet op bijdragebetaling berustende uitkeringen bij geboorte).”

5        Artikel 3, lid 1, van voornoemd verdrag luidt als volgt:

„Onderdanen van een van de Partijen die gewoonlijk op het grondgebied van een van hen werkzaam zijn, zijn onderworpen aan de wetgeving van die Partij.”

6        Artikel 4 van ditzelfde verdrag luidt:

„Onderdanen van een Partij die recht hebben op uitkeringen, zullen deze uitkeringen volledig en zonder beperking ontvangen zolang zij op het grondgebied van een Partij wonen.”

 Verordening nr. 883/2004

7        Artikel 4 van verordening nr. 883/2004 luidt als volgt:

„Tenzij in deze verordening anders bepaald, hebben personen op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.”

 Luxemburgs recht

8        Het verdrag van 1965 betreffende de sociale zekerheid is door het Groothertogdom Luxemburg goedgekeurd bij de wet van 12 juli 1966 (Mémorial A 1966, blz. 620).

9        Artikel 269 van de code de la sécurité sociale (wetboek sociale zekerheid), met het opschrift „Toekenningsvoorwaarden”, bepaalt in lid 1:

„Onder de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden heeft recht op kinderbijslag:

a)      ieder kind dat daadwerkelijk en onafgebroken in Luxemburg woont en aldaar zijn wettelijke woonplaats heeft, voor zichzelf;

b)      eenieder die op grond van het toepasselijke internationale instrument onderworpen is aan de Luxemburgse wetgeving en valt binnen de werkingssfeer van de communautaire verordeningen of van andere door Luxemburg gesloten bi- of multilaterale instrumenten die de sociale zekerheid betreffen en voorzien in de betaling van de kinderbijslag conform de wetgeving van het land van tewerkstelling, voor de leden van zijn gezin. Als gezinslid van een persoon wordt beschouwd het kind dat behoort tot het gezin van deze persoon, zoals omschreven in artikel 270. De in deze bepaling bedoelde gezinsleden moeten hun woonplaats hebben in een land waarop de betrokken verordeningen of instrumenten betrekking hebben.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10      Op 8 december 2015 heeft EU, een Portugees onderdaan die woonachtig is in Frankrijk en in Luxemburg werkt, bij de Caisse nationale des prestations familiales [nationaal fonds voor gezinsbijslag, thans de Caisse pour l’avenir des enfants (fonds voor kinderbijslag)] een verzoek om kinderbijslag ingediend voor zijn kind dat bij haar moeder in Brazilië woont.

11      De Caisse pour l’avenir des enfants heeft dit verzoek bij besluit van 6 juni 2016 afgewezen omdat EU niet onder artikel 269, eerste alinea, onder b), van de code de la sécurité sociale viel, aangezien hij niet de Braziliaanse of Luxemburgse nationaliteit had en het verdrag van 1965 betreffende de sociale zekerheid dus niet op hem van toepassing was.

12      De Conseil arbitral de la sécurité sociale (scheidsgerecht voor de sociale zekerheid, Luxemburg) waarbij EU beroep had aangetekend, heeft dat beroep bij uitspraak van 7 juli 2017 ongegrond verklaard. Volgens dit scheidsgerecht had het kind van EU geen recht op kinderbijslag, noch voor zichzelf – omdat zij niet daadwerkelijk en ononderbroken in Luxemburg woonde –, noch als gezinslid van haar moeder – die niet aan de Luxemburgse wetgeving was onderworpen –, noch als gezinslid van haar vader – die niet onder de werkingssfeer van het verdrag van 1965 betreffende sociale zekerheid viel omdat hij geen Luxemburgs of Braziliaans onderdaan was, aangezien de enkele hoedanigheid van grensarbeider niet volstaat om als onderdaan van Luxemburg te kunnen worden aangemerkt –.

13      Subsidiair heeft de Conseil arbitral de la sécurité sociale opgemerkt dat de vraag kan rijzen of het arrest van 15 januari 2002, Gottardo (C‑55/00, EU:C:2002:16), van toepassing moet zijn op het hoofdgeding, zonder deze vraag echter aan de partijen in het hoofdgeding voor te leggen en zonder daaraan rechtsgevolgen te verbinden.

14      Op 4 augustus 2017 heeft EU tegen de uitspraak van de Conseil arbitral de la sécurité sociale hoger beroep ingesteld bij de Conseil supérieur de la sécurité sociale (college van beroep voor de sociale zekerheid, Luxemburg), waarbij hij aanvoerde dat zijn kind recht heeft op kinderbijslag.

15      EU heeft betoogd dat indien hij in Frankrijk zou werken, hij op grond van het op 15 december 2011 in Brasilia ondertekende verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen de Franse Republiek en de Federale Republiek Brazilië recht zou hebben op Franse kinderbijslag voor zijn kind, en dat indien hij in Portugal zou werken, hij recht zou hebben op Portugese kinderbijslag voor zijn kind krachtens een bilateraal „Iberoamericano”-verdrag.

16      Met een beroep op het Europese beginsel van het vrije verkeer van werknemers en onder verwijzing naar artikel 45 VWEU, richtlijn 2004/38, en verordening nr. 883/2004, maakt EU aanspraak op het recht op Luxemburgse kinderbijslag, waarbij hij aanvoert dat als deze bijslag niet wordt uitbetaald, hij een bijzonder nadeel lijdt dat hem er toe kan aanzetten zijn werkzaamheden in Luxemburg te staken, wat een belemmering van het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie zou vormen.

17      EU heeft zich subsidiair beroepen op het arrest van 15 januari 2002, Gottardo (C‑55/00, EU:C:2002:16), en aangevoerd dat het uit de relevante Unierechtelijke bepalingen voortvloeiende beginsel van gelijke behandeling kan worden tegengeworpen tegen de instelling van de lidstaat waarin hij is aangesloten, wanneer er een verdrag betreffende de sociale zekerheid bestaat tussen die lidstaat en het betrokken derde land. Verder heeft EU gevorderd dat het Hof een prejudiciële vraag zou worden gesteld.

18      De Caisse pour l’avenir des enfants heeft verzocht om bevestiging van de uitspraak van de Conseil arbitral de la sécurité sociale, omdat noch het kind, noch haar moeder, noch EU voldoet aan de toekenningsvoorwaarden voor kinderbijslag zoals vervat in artikel 269 van het wetboek sociale zekerheid.

19      Op 22 januari 2018 heeft de Conseil supérieur de la sécurité sociale de partijen in het hoofdgeding gevraagd naar hun standpunt aangaande de toepassing van het verdrag van 1965 betreffende de sociale zekerheid op personen die, zoals in het hoofdgeding, niet op het grondgebied van een partij bij dat verdrag wonen, gelet op artikel 4 ervan, dat voor het verkrijgen van uitkeringen als voorwaarde stelt dat de betrokken onderdaan op het grondgebied van een partij woont.

20      In dit verband verwijst EU nogmaals naar het arrest van 15 januari 2002, Gottardo (C‑55/00, EU:C:2002:16), om aan te voeren dat, gelet op het beginsel van gelijke behandeling en op het vrij verkeer van werknemers binnen de Unie, artikel 4 van het verdrag van 1965 betreffende de sociale zekerheid hem niet kan worden tegengeworpen.

21      De Caisse pour l’avenir des enfants meent dat, voor zover het Groothertogdom Luxemburg ingevolge het arrest van 15 januari 2002, Gottardo (C‑55/00, EU:C:2002:16), voortaan verplicht is om – teneinde elke discriminatie op grond van nationaliteit te voorkomen – iedere onderdaan van een lidstaat in aanmerking te laten komen voor de voordelen van ieder internationaal verdrag tussen het Groothertogdom Luxemburg en een derde land, EU zich in het hoofdgeding objectief niet in dezelfde situatie bevindt als nationale onderdanen van de staat die partij is bij het verdrag die ook hun wettelijke woonplaats op het grondgebied van die staat hebben.

22      De Conseil supérieur de la sécurité sociale meent dat, omdat het kind van EU niet haar wettelijke woonplaats in Luxemburg heeft en er niet daadwerkelijk woont, zij geen recht heeft op kinderbijslag, noch voor zichzelf, noch als gezinslid van haar moeder, die niet aan de Luxemburgse wetgeving is onderworpen, noch als gezinslid van haar vader.

23      Om dit kind als zijn gezinslid kinderbijslag te kunnen laten ontvangen, moet EU, die vanwege zijn arbeidsovereenkomst in Luxemburg aan de Luxemburgse wetgeving is onderworpen, volgens de Conseil supérieur de la sécurité sociale onder een bilateraal verdrag vallen. De werkingssfeer van het verdrag van 1965 betreffende de sociale zekerheid is echter krachtens de artikelen 3 en 4 ervan beperkt tot onderdanen en inwoners van een van de staten die partij zijn bij dat verdrag.

24      EU stelt dat deze beperking indruist tegen de beginselen van vrij verkeer van werknemers binnen de Unie en van gelijke behandeling, onder verwijzing naar met name artikel 45 VWEU, waarin staat te lezen dat het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij is, wat de afschaffing van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten inhoudt wat betreft werkgelegenheid, beloning en overige arbeidsvoorwaarden, en naar verordening nr. 883/2004 en in het bijzonder artikel 4 daarvan, dat bepaalt dat personen op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn de rechten en verplichtingen hebben voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

25      De verwijzende rechter merkt op dat het Hof in het arrest van 15 januari 2002, Gottardo (C‑55/00, EU:C:2002:16), heeft vastgesteld dat de bevoegde socialezekerheidsautoriteiten van een eerste lidstaat uit hoofde van de krachtens artikel 39 EG (thans artikel 45 VWEU) op hen rustende verplichtingen gehouden zijn om voor de vaststelling van het recht op ouderdomsuitkeringen de in een derde land door een onderdaan van een tweede lidstaat vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking te nemen, wanneer deze bevoegde autoriteiten op grond van een bilateraal verdrag tussen de eerste lidstaat en dat derde land onder dezelfde voorwaarden inzake bijdragebetaling de door hun eigen onderdanen vervulde tijdvakken in aanmerking nemen.

26      De verwijzende rechter meent daarom dat de vraag zich voordoet of – met betrekking tot kinderbijslag – het verdrag van 1965 betreffende de sociale zekerheid van toepassing is op EU, ondanks dat hij geen onderdaan of inwoner is van een van de staten die partij zijn bij dat verdrag.

27      Daarop heeft de Conseil supérieur de la sécurité sociale de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Zijn de bevoegde socialezekerheidsautoriteiten van een eerste lidstaat [– zoals in het hoofdgeding de Caisse pour l’avenir des enfants –] uit hoofde van de Unierechtelijke verplichtingen die op hen rusten krachtens artikel 45 VWEU, [richtlijn 2004/38], en [verordening nr. 883/2004], waarvan met name artikel 4, gehouden gezinsbijslagen te betalen aan een onderdaan van een tweede lidstaat, wanneer deze bevoegde autoriteiten op grond van een bilateraal verdrag tussen de eerste lidstaat [(het Groothertogdom Luxemburg)] en het derde land [(de Verenigde Staten van Brazilië, thans de Federale Republiek Brazilië)] onder dezelfde voorwaarden het recht op gezinsbijslagen toekennen aan hun eigen onderdanen en inwoners?

2)      Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord en voor het geval dat het beginsel dat in [het arrest van 15 januari 2002, Gottardo (C‑55/00, EU:C:2002:16)] is gehanteerd ook geldt in de context van gezinsbijslagen, kan de bevoegde socialezekerheidsautoriteit, en meer in het bijzonder de bevoegde gezinsbijslagautoriteit – in casu de Caisse pour l’avenir des enfants, de nationale instelling voor gezinsbijslagen van het Groothertogdom Luxemburg – zich dan, als objectieve reden ter rechtvaardiging van de ongelijke behandeling van onderdanen van de [staten] die partij zijn (bij het betrokken bilaterale verdrag) ten opzichte van andere onderdanen van de [lidstaten van de Unie], beroepen op overwegingen betreffende de financiële en buitengewoon zware administratieve lasten waarmee de betrokken administratie te maken krijgt?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

28      Met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 45 VWEU juncto artikel 4 van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van een eerste lidstaat weigeren om een onderdaan van een tweede lidstaat, die in de eerste lidstaat werkt maar er niet woont, kinderbijslag toe te kennen voor zijn kind dat met de moeder in een derde land woont, wanneer deze bevoegde autoriteiten op grond van een bilateraal verdrag tussen de eerste lidstaat [(het Groothertogdom Luxemburg)] en dat derde land [(de Verenigde Staten van Brazilië, thans de Federale Republiek Brazilië)] onder dezelfde voorwaarden het recht op gezinsbijslagen toekennen aan hun eigen onderdanen en inwoners? In voorkomend geval wenst de verwijzende rechter te vernemen of, ter objectieve rechtvaardiging van een ongelijke behandeling van onderdanen van de staten die partij zijn bij het betrokken bilaterale verdrag ten opzichte van onderdanen van andere lidstaten van de Unie, een beroep kan worden gedaan op overwegingen betreffende de financiële en administratieve lasten voor de betrokken administratie.

29      Ingevolge artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan het Hof, wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over het antwoord op een dergelijke vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking.

30      Deze bepaling dient in de onderhavige zaak te worden toegepast.

31      In casu staat vast dat EU als grensarbeider in Luxemburg woont, is aangesloten bij het Luxemburgse socialezekerheidsstelsel en in Luxemburg onderworpen is aan de inkomstenbelasting. Omdat hij vanwege zijn arbeidsovereenkomst in Luxemburg aan de Luxemburgse wetgeving is onderworpen, heeft EU verzocht om kinderbijslag te ontvangen voor zijn kind op basis van artikel 269, eerste alinea, onder b), van het wetboek sociale zekerheid, waarin staat te lezen dat recht heeft op kinderbijslag: „eenieder die op grond van het toepasselijke internationale instrument onderworpen is aan de Luxemburgse wetgeving en valt binnen de werkingssfeer van de communautaire verordeningen of van andere door Luxemburg gesloten bi- of multilaterale instrumenten die de sociale zekerheid betreffen en voorzien in de betaling van de kinderbijslag conform de wetgeving van het land van tewerkstelling, voor de leden van zijn gezin”.

32      Om te beginnen valt volgens vaste rechtspraak van het Hof iedere onderdaan van de Unie die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer en in een andere lidstaat dan zijn woonstaat een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit, binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU (zie met name arresten van 12 december 2002, De Groot, C‑385/00, EU:C:2002:750, punt 76; 28 februari 2013, Petersen, C‑544/11, EU:C:2013:124, punt 34, en 14 maart 2019, Jacob en Lennertz, C‑174/18, EU:C:2019:205, punt 21).

33      Gelet op de in de onderhavige zaak gestelde vragen, dient vervolgens te worden herinnerd aan de rechtspraak van het Hof inzake de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling in de context van de verhoudingen tussen het Unierecht en bilaterale verdragen die zijn gesloten tussen twee lidstaten of tussen een lidstaat en een derde land.

34      In dit verband heeft het Hof, aangaande een cultureel akkoord tussen twee lidstaten waarbij het recht op studiebeurzen uitsluitend werd voorbehouden aan onderdanen van deze twee staten, geoordeeld dat de autoriteiten van die lidstaten ingevolge artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2), verplicht waren om het recht op steun bij de opleiding waarin het betrokken bilaterale verdrag voorzag uit te breiden tot werknemers die op hun grondgebied woonden en werkzaamheden in loondienst verrichtten, maar de nationaliteit van een derde lidstaat hadden (zie in die zin arrest van 27 september 1988, Matteucci, 235/87, EU:C:1988:460, punten 16 en 23).

35      Het Hof heeft immers geoordeeld dat wanneer een maatregel ter uitvoering van een zelfs buiten de werkingssfeer van het Verdrag vallend bilateraal verdrag een belemmering dreigt te vormen voor de toepassing van een bepaling van gemeenschapsrecht, iedere lidstaat gehouden is de toepassing van deze bepaling te vergemakkelijken en te dien einde elke andere lidstaat waarop een verplichting krachtens het gemeenschapsrecht rust, bij te staan (arrest van 27 september 1988, Matteucci, 235/87, EU:C:1988:460, punt 19).

36      Aldus heeft het Hof in punt 23 van het arrest van 27 september 1988, Matteucci (235/87, EU:C:1988:460), geoordeeld dat een bilateraal verdrag waarbij studiebeurzen uitsluitend worden voorbehouden aan staatsburgers van de twee lidstaten die partij zijn bij dat verdrag, niet in de weg kan staan aan de toepassing van het beginsel van de gelijke behandeling van nationale werknemers en communautaire werknemers die op het grondgebied van een van deze twee lidstaten zijn gevestigd.

37      Bovendien heeft het Hof met betrekking tot een bilateraal verdrag tussen een lidstaat en een derde land ter vermijding van dubbele belasting in herinnering gebracht dat, ofschoon de directe belastingen tot de exclusieve bevoegdheidssfeer van de lidstaten behoren, deze niettemin niet de gemeenschapsregels naast zich neer mogen leggen (zie in die zin arrest van 21 september 1999, Saint-Gobain ZN, C‑307/97, EU:C:1999:438, punten 57‑59). Het Hof oordeelde dus dat de verdragsluitende lidstaat ingevolge het beginsel van de nationale behandeling verplicht is de in het verdrag voorziene voordelen te verlenen aan vaste inrichtingen van in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor in de verdragsluitende lidstaat gevestigde vennootschappen (arrest van 21 september 1999, Saint-Gobain ZN, C‑307/97, EU:C:1999:438, punt 59).

38      Het Hof heeft deze rechtspraak in herinnering gebracht in het kader van het arrest van 15 januari 2002, Gottardo (C‑55/00, EU:C:2002:16, punt 32), dat betrekking had op het recht van een Frans onderdaan – die in Italië, Zwitserland en Frankrijk had gewerkt en onvoldoende rechten had om in Italië een ouderdomspensioen te verkrijgen – op samentelling van de verzekeringstijdvakken die zij in Zwitserland en Italië had vervuld, zoals voorzien in het bilaterale verdrag tussen de Italiaanse Republiek en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de sociale zekerheid van de onderdanen van die twee landen. In de zaak die aanleiding gaf tot dat arrest wenste de nationale rechter te vernemen of de bevoegde Italiaanse socialezekerheidsautoriteiten uit hoofde van de krachtens met name artikel 39 EG (thans artikel 45 VWEU) op hen rustende verplichtingen ertoe gehouden waren om voor werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten dan Italië, de in Zwitserland vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking te nemen teneinde een recht op Italiaanse ouderdomsuitkeringen te verkrijgen.

39      Tegen die achtergrond heeft het Hof benadrukt dat de lidstaten bij de uitvoering van de verbintenissen die zij krachtens verdragen zijn aangegaan, ongeacht of het om een verdrag tussen lidstaten dan wel om een verdrag tussen een lidstaat en een of meer derde landen gaat, de krachtens het Unierecht op hen rustende verplichtingen moeten nakomen, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 307 EG (thans artikel 351 VWEU) (arresten van 15 januari 2002, Gottardo, C‑55/00, EU:C:2002:16, punt 33, en 21 januari 2010, Commissie/Duitsland, C‑546/07, EU:C:2010:25, punt 42). Dat de derde landen geen verplichting uit hoofde van het Unierecht hoeven na te komen, is in dit opzicht irrelevant.

40      Wanneer een lidstaat met een derde staat een bilateraal verdrag inzake sociale zekerheid sluit waarin is bepaald dat de in dat land vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van het recht op ouderdomsuitkeringen, is deze lidstaat derhalve overeenkomstig het fundamentele beginsel van gelijke behandeling verplicht om de onderdanen van de andere lidstaten dezelfde voordelen te verlenen als die welke zijn eigen onderdanen krachtens dit verdrag genieten, tenzij hij een objectieve rechtvaardiging voor zijn weigering kan aanvoeren (arrest van 15 januari 2002, Gottardo, C‑55/00, EU:C:2002:16, punt 34).

41      In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de verstoring van het evenwicht en de wederkerigheid van een tussen een lidstaat en een derde land gesloten bilateraal verdrag een objectieve rechtvaardiging kan vormen voor de weigering van de verdragsluitende lidstaat om de voordelen die zijn eigen onderdanen ingevolge dit verdrag genieten, uit te breiden tot de onderdanen van de andere lidstaten (zie in die zin arresten van 21 september 1999, Saint-Gobain ZN, C‑307/97, EU:C:1999:438, punt 60, en 15 januari 2002, Gottardo, C‑55/00, EU:C:2002:16, punt 36).

42      In het arrest van 15 januari 2002, Gottardo (C‑55/00, EU:C:2002:16, punt 37), heeft het Hof echter overwogen dat de Italiaanse regering niet had bewezen dat de krachtens het Unierecht op haar rustende verplichtingen de door de Italiaanse Republiek ten aanzien van de Zwitserse Bondsstaat aangegane verbintenissen in gevaar brengen. In de zaak die aanleiding gaf tot dat arrest stelde het Hof namelijk vast dat, voor zover de Italiaanse Republiek het recht op inaanmerkingneming van de in Zwitserland vervulde verzekeringstijdvakken voor de vaststelling van het recht op Italiaanse ouderdomsuitkeringen eenzijdig uitbreidt tot werknemers die onderdaan van andere lidstaten dan de Italiaanse Republiek zijn, de rechten die voor de Zwitserse Bondsstaat uit het Italiaans-Zwitserse verdrag voortvloeien daardoor niet in het gedrang worden gebracht en hem geen nieuwe verplichtingen worden opgelegd.

43      Voorts merkte het Hof in voornoemd arrest op dat de argumenten die de bevoegde nationale instantie en de Italiaanse regering aanvoerden ter rechtvaardiging van hun weigering om de door betrokkene vervulde verzekeringstijdvakken samen te tellen, ontleend aan de eventuele verhoging van hun financiële lasten en de administratieve moeilijkheden bij de samenwerking met de bevoegde Zwitserse autoriteiten, het niet in acht nemen door de Italiaanse Republiek van haar Verdragsverplichtingen niet konden rechtvaardigen.

44      In de onderhavige zaak is EU, die de Portugese nationaliteit bezit, werkzaam in Luxemburg en woonachtig in Frankrijk. Zijn situatie lijkt dus te vallen binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU, dat afschaffing van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten voorschrijft wat betreft werkgelegenheid, beloning en andere arbeidsvoorwaarden, en zowel hij als zijn kind lijken te vallen onder verordening nr. 883/2004, waarvan artikel 4 bepaalt dat personen op wie de bepalingen van die verordening van toepassing zijn de rechten die voortvloeien uit de wetgeving van elke lidstaat genieten onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

45      Zoals volgt uit de verwijzingsbeslissing menen de Luxemburgse autoriteiten dat, gezien de omstandigheden van het hoofdgeding, het kind van EU geen recht heeft op kinderbijslag, noch voor zichzelf, noch als gezinslid van haar moeder, noch als gezinslid van haar vader.

46      In het licht van de in de punten 38 tot en met 42 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, lijkt de verplichting van het Groothertogdom Luxemburg om in een situatie zoals die in het hoofdgeding de voordelen die zijn eigen onderdanen aan dat verdrag ontlenen uit te breiden tot een migrerende werknemer, het evenwicht en de wederkerigheid ervan niet te verstoren, aangezien die uitbreiding de verplichtingen die het Groothertogdom Luxemburg ten aanzien van de Verenigde Staten van Brazilië (thans de Federale Republiek Brazilië) is aangegaan niet in het gedrang zou brengen. De door het Groothertogdom Luxemburg eenzijdig toegepaste uitbreiding tot onderdanen van andere lidstaten die op het Luxemburgse grondgebied werken, van het recht op kinderbijslag voor hun kinderen die niet op dat grondgebied wonen, doet immers geen afbreuk aan de rechten die voor de Federale Republiek Brazilië voortvloeien uit het verdrag van 1965 betreffende de sociale zekerheid en legt dat derde land geen nieuwe verplichtingen op.

47      Bovendien kan het argument dat de betrokken instelling financieel en administratief zwaar zou worden belast als zij het recht op aan de eigen onderdanen toegekende voordelen zou uitbreiden tot onderdanen van andere lidstaten, als zodanig niet op objectieve wijze rechtvaardigen dat die instelling weigert tot een dergelijke uitbreiding over te gaan.

48      In dit verband heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat gronden ontleend aan een verhoging van de financiële lasten en eventuele administratieve problemen in ieder geval niet kunnen rechtvaardigen dat niet wordt voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het in artikel 45 VWEU neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit (arresten van 15 januari 2002, Gottardo, C‑55/00, EU:C:2002:16, punt 38; 16 september 2004, Merida, C‑400/02, EU:C:2004:537, punt 30; 28 juni 2012, Erny, C‑172/11, EU:C:2012:399, punt 48, en 19 juni 2014, Specht e.a., C‑501/12–C‑506/12, C‑540/12 en C‑541/12, EU:C:2014:2005, punt 77).

49      Hieruit volgt dat in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin het kind van een migrerende werknemer die onderdaan is van een lidstaat, dat met haar moeder in een derde land woont, geen recht heeft op gezinsbijslagen, noch voor zichzelf, noch als gezinslid van haar moeder, noch als gezinslid van haar vader, de lidstaat waar deze werknemer werkt in beginsel overeenkomstig de krachtens artikel 45 VWEU en artikel 4 van verordening nr. 883/2004 op hem rustende verplichtingen het recht van dit kind op de gezinsbijslagen die deze lidstaat krachtens een bilateraal verdrag met voornoemd derde land onder dezelfde voorwaarden aan zijn eigen onderdanen en inwoners toekent, moet erkennen, tenzij deze lidstaat een objectieve rechtvaardiging voor zijn weigering kan aanvoeren. De verstoring van het evenwicht en de wederkerigheid van de tussen een lidstaat en een derde land gesloten bilateraal verdrag kan een objectieve rechtvaardiging vormen voor de weigering van die lidstaat om de voordelen die zijn eigen onderdanen ingevolge dit verdrag genieten, uit te breiden tot de onderdanen van de andere lidstaten.

50      Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 45 VWEU juncto artikel 4 van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van een eerste lidstaat weigeren om een onderdaan van een tweede lidstaat, die in de eerste lidstaat werkt maar er niet woont, gezinsbijslagen toe te kennen voor zijn kind dat met de moeder in een derde land woont, wanneer deze bevoegde autoriteiten op grond van een bilateraal verdrag tussen de eerste lidstaat en dat derde land onder dezelfde voorwaarden het recht op gezinsbijslagen toekennen aan hun eigen onderdanen en inwoners, tenzij deze autoriteiten een objectieve rechtvaardiging voor hun weigering kunnen aanvoeren.

 Kosten

51      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 45 VWEU juncto artikel 4 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van een eerste lidstaat weigeren om een onderdaan van een tweede lidstaat, die in de eerste lidstaat werkt maar er niet woont, gezinsbijslagen toe te kennen voor zijn kind dat met de moeder in een derde land woont, wanneer deze bevoegde autoriteiten op grond van een bilateraal verdrag tussen de eerste lidstaat en dat derde land onder dezelfde voorwaarden het recht op gezinsbijslagen toekennen aan hun eigen onderdanen en inwoners, tenzij deze autoriteiten een objectieve rechtvaardiging voor hun weigering kunnen aanvoeren.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.