Language of document : ECLI:EU:C:2019:750

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

18 september 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Directe belastingen – Richtlijn 90/434/EEG – Richtlijn 2009/133/EG – Artikel 8 – Meerwaarden betreffende effectenruilen – Vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten – Meerwaarde waarvoor belastinguitstel is toegekend – Belastingheffing bij de aandeelhouders – Belastingheffing volgens verschillende grondslag- en tariefregels – Inkomensaftrekken die rekening houden met de duur van het houderschap van de effecten”

In de gevoegde zaken C‑662/18 en C‑672/18,

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) bij beslissingen van 12 oktober 2018, ingekomen bij het Hof op 23 respectievelijk 29 oktober 2018, in de procedures

AQ (C‑662/18),

DN (C‑672/18)

tegen

Ministre de l’Action et des Comptes publics,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, J. Malenovský en C. G. Fernlund (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        AQ en DN, vertegenwoordigd door M. Bornhauser en N. Canetti, avocats,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Alidière, E. de Moustier en D. Colas als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels en N. Gossement als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 8 van richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PB 2009, L 310, blz. 34) en van artikel 8 van richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten (PB 1990, L 225, blz. 1).

2        Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen AQ (C‑662/18) respectievelijk DN (C‑672/18) enerzijds en de belastingdienst anderzijds over de weigering van deze dienst om, bij de heffing van belasting over de meerwaarden waarvoor belastinguitstel geldt krachtens artikel 8 van elk van deze richtlijnen en over de meerwaarden die zijn gerealiseerd bij de vervreemding van de bij een effectenruil ontvangen effecten, een algemene inkomensaftrek toe te passen die wordt berekend op basis van de datum van verwerving van de geruilde effecten.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Zoals in overweging 1 van richtlijn 2009/133 wordt verklaard, is bij deze richtlijn richtlijn 90/434 gecodificeerd omdat richtlijn 90/434 herhaaldelijk en ingrijpend was gewijzigd.

4        De overwegingen 2 tot en met 5 en 10 van richtlijn 2009/133 bepalen in wezen hetzelfde als respectievelijk de overwegingen 1 tot en met 4 en 8 van richtlijn 90/434. Bovendien komt artikel 8, leden 1, 4, 6 en 7, van eerstgenoemde richtlijn in wezen overeen met artikel 8, leden 1 en 2, van laatstgenoemde richtlijn.

5        De overwegingen 2 tot en met 5 en 10 van richtlijn 2009/133 luiden:

„(2)      Fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil, betrekking hebbende op vennootschappen uit verschillende lidstaten kunnen noodzakelijk zijn teneinde in de Gemeenschap soortgelijke voorwaarden te scheppen als op een binnenlandse markt en daardoor de goede werking van de interne markt te verzekeren. Deze transacties moeten niet worden belemmerd door uit de fiscale voorschriften der lidstaten voortvloeiende bijzondere beperkingen, nadelen of distorsies. Er moet bijgevolg voor deze transacties worden voorzien in concurrentieneutrale belastingvoorschriften om de ondernemingen in staat te stellen zich aan te passen aan de eisen van de gemeenschappelijke markt, hun productiviteit te vergroten en hun concurrentiepositie op de internationale markt te versterken.

(3)      Bepalingen van fiscale aard benadelen deze transacties thans ten opzichte van transacties met betrekking tot vennootschappen van eenzelfde lidstaat. Deze benadeling moet worden opgeheven.

(4)      Dit doel kan niet worden bereikt door de in de lidstaten geldende nationale regelingen uit te breiden tot de gehele Gemeenschap, omdat de verschillen tussen deze regelingen distorsies kunnen veroorzaken. Daarom kan uitsluitend een gemeenschappelijke fiscale regeling een bevredigende oplossing bieden.

(5)      De gemeenschappelijke fiscale regeling moet voorkomen dat wegens fusies [...] belasting wordt geheven, met dien verstande dat de financiële belangen van de staat van de inbrengende of verworven vennootschap moeten worden veiliggesteld.

[...]

(10)      Toekenning van aandelen van de ontvangende of verwervende vennootschap aan de deelgerechtigden van de inbrengende vennootschap mag op zichzelf niet leiden tot enigerlei belastingheffing bij die deelgerechtigden.”

6        Ingevolge artikel 2, onder e), van deze richtlijn wordt onder „aandelenruil” verstaan, de rechtshandeling waarbij een vennootschap in het maatschappelijk kapitaal van een andere vennootschap een deelneming verkrijgt waardoor zij een meerderheid van stemmen in die vennootschap krijgt.

7        In artikel 8 van diezelfde richtlijn wordt bepaald:

„1.      Indien bij een fusie, een splitsing of een aandelenruil bewijzen van deelgerechtigdheid in het maatschappelijk kapitaal van de ontvangende of de verwervende vennootschap worden toegekend aan een deelgerechtigde van de inbrengende of verworven vennootschap in ruil voor bewijzen van deelgerechtigdheid in het maatschappelijk kapitaal van deze laatste vennootschap, mag dit op zich niet leiden tot enigerlei belastingheffing over het inkomen, de winst of de vermogenswinst van deze deelgerechtigde.

[...]

4.       De leden 1 en 3 zijn slechts van toepassing indien de deelgerechtigde aan de in ruil ontvangen bewijzen geen hogere fiscale waarde toerekent dan de waarde die de geruilde bewijzen onmiddellijk vóór de fusie, de splitsing of de aandelenruil hadden.

[...]

6.       De toepassing van [lid] 1 [...] belet de lidstaten niet de winst die uit de latere vervreemding van de ontvangen bewijzen voortvloeit, op dezelfde wijze te belasten als de winst uit de vervreemding van de bewijzen die vóór de verwerving bestonden.

7.       Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ,fiscale waarde’ verstaan: de waarde die als grondslag zou dienen voor de eventuele berekening van een meerwaarde of waardevermindering die onder de toepassing valt van een belasting over het inkomen, de winst of de vermogenswinst van de deelgerechtigde van de vennootschap.

[...]”

 Frans recht

 Nationale wetgeving

–       Nationale wetgeving die van toepassing is in de zaken C662/18 en C672/18

8        Artikel 150‑0 D van de code général des impôts (algemene belastingwet; hierna: „CGI”), zoals gewijzigd bij wet nr. 2013‑1278 van 29 december 2013 houdende de begroting voor 2014, dat van toepassing is op de winst die is gerealiseerd en de winstuitkeringen die zijn ontvangen vanaf 1 januari 2013, bepaalt:

„1.      [...]

Op de nettowinst uit de vervreemding onder bezwarende titel van aandelen, deelbewijzen van vennootschappen, rechten betreffende die aandelen of deelbewijzen, of effecten die de aandelen, deelbewijzen of rechten vertegenwoordigen, zoals vermeld in artikel 150‑0 A, lid I, evenals de uitkeringen zoals bedoeld in de punten 7 en 7 bis, en de laatste twee alinea’s van punt 8 van lid II van datzelfde artikel, in artikel 150‑0 F en artikel 163 quinquies C, lid II, punt 1, wordt een inkomensaftrek toegepast zoals vastgesteld overeenkomstig de voorwaarden van, naargelang het geval, lid 1 ter of lid 1 quater van dit artikel.

[...]

1 ter. De in lid 1 bedoelde inkomensaftrek is gelijk aan:

a)      50 % van het bedrag van de nettowinst of de winstuitkeringen wanneer de aandelen, deelbewijzen, rechten of effecten sinds ten minste twee jaar en minder dan acht jaar zijn aangehouden op de datum van de vervreemding of van de winstuitkering;

b)      65 % van het bedrag van de nettowinst of de winstuitkeringen wanneer de aandelen, deelbewijzen, rechten of effecten sinds ten minste acht jaar zijn aangehouden op de datum van de vervreemding of van de winstuitkering.”

9        Artikel 17 van wet nr. 2013‑1278 bepaalt in lid III:

„Leden I en II zijn van toepassing op de winst die is gerealiseerd en de winstuitkeringen die zijn ontvangen vanaf 1 januari 2013, met uitzondering van de punten 1° en 4° van D, van E, van de drieëntwintigste en de vierentwintigste alinea van punt 2° van F, van G en H, van b en c van punt 1° van K, van L, van de punten 1° en 3° van N, van O, R en W van het lid I en van punt 2° van lid II, die toepassing zijn op de winst die is gerealiseerd en de winstuitkeringen die zijn ontvangen vanaf 1 januari 2014. M en V gelden niet voor belastingplichtigen die op 31 december 2013 een belastinguitstel genieten als bedoeld in artikel 150‑0 D bis, zoals van toepassing op die datum.”

–       Nationale wetgeving die van toepassing is in zaak C662/18

10      Lid I van artikel 150‑0 B ter van de CGI, zoals gewijzigd bij artikel 18 van wet nr. 2012‑1510 van 29 december 2012 houdende de gewijzigde begroting voor 2012, van toepassing op meerwaarden die zijn gerealiseerd vanaf 14 november 2012, bepaalt:

„De belasting over de meerwaarde die, rechtstreeks of via een tussenpersoon, wordt gerealiseerd in het kader van de inbreng van roerende waarden, vennootschapsrechten, effecten of ermee samenhangende rechten zoals omschreven in artikel 150‑0 A, in een vennootschap die belastingplichtig is in de vennootschapsbelasting of een soortgelijke belasting, wordt uitgesteld indien is voldaan aan de voorwaarden van lid III van dit artikel. [...]”

11      Artikel 200 A van de CGI, zoals gewijzigd bij artikel 34 van wet nr. 2016‑1918 van 29 december 2016 houdende de gewijzigde begroting voor 2016, bepaalt:

„[...]

2.       De nettowinst die is verkregen onder de in artikel 150‑0 A bedoelde voorwaarden, wordt meegerekend voor de vaststelling van het in artikel 158 omschreven totale netto-inkomen.

[...]

2 ter. a. De in artikel 150‑0 B ter, lid I, vermelde meerwaarden zijn belastbaar in de inkomstenbelasting tegen een tarief dat gelijk is aan de verhouding tussen de volgende twee grootheden:

– de teller, die het resultaat is van het verschil tussen, enerzijds, het bedrag van de belasting die het resultaat was geweest, voor het jaar van de inbreng, van de toepassing van artikel 197 op de som van alle meerwaarden vermeld in de eerste alinea van a., alsook de inkomsten die worden belast voor hetzelfde jaar overeenkomstig de voorwaarden van artikel 197, en, anderzijds, het bedrag van de belasting dat voor datzelfde jaar is verschuldigd en dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 197;

– de noemer, die het totaal is van de meerwaarden vermeld in de eerste alinea van a., en in aanmerking genomen in de tweede alinea van a.

Voor de bepaling van het in de eerste alinea van a. vermelde tarief worden de meerwaarden vermeld in die eerste alinea in voorkomend geval alleen verminderd met de inkomensaftrek zoals vermeld in artikel 150‑0 D, lid 1.

In afwijking daarvan wordt het tarief dat van toepassing is op de tussen 14 november en 31 december 2012 gerealiseerde meerwaarden uit inbrengtransacties vastgesteld overeenkomstig artikel 10, lid IV, A, van wet nr. 2012‑1509 van 29 december 2012 houdende de begroting voor 2013.

[...]”

12      Volgens artikel 10, lid IV, A, van wet nr. 2012‑1509 worden de meerwaarden vermeld in artikel 150‑0 B ter, lid I, die afkomstig zijn uit tussen 14 november en 31 december 2012 gerealiseerde inbrengtransacties, belast tegen een forfaitair tarief van 24 % of, wanneer is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 200 A, lid 2 bis, zoals gewijzigd bij diezelfde wet, tegen een forfaitair tarief van 19 %, zoals vastgesteld in dat lid 2 bis.

13      Volgens artikel 17, lid III, van wet nr. 2013‑1278 zijn de in de leden 1 ter en 1 quater van artikel 150‑0 D van de CGI bedoelde inkomensaftrekken voor de duur van het houderschap, die van toepassing zijn op de nettowinst die werd verworven overeenkomstig de voorwaarden van artikel 150‑0 A van de CGI en die meegerekend wordt voor de vaststelling van het totale netto-inkomen dat krachtens lid 2 van artikel 200 A aan het progressieve inkomstenbelastingtarief is onderworpen, van toepassing op de vanaf 1 januari 2013 gerealiseerde winst.

–       Nationale wetgeving die van toepassing is in zaak C672/18

14      Artikel 92 B, lid II, van de CGI, zoals van toepassing op de voor 1 januari 2000 gerealiseerde meerwaarden, bepaalt:

„1.      Vanaf 1 januari 1992 of vanaf 1 januari 1991 voor de inbreng van effecten in een vennootschap die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, kan de belasting over de meerwaarde gerealiseerd bij een effectenruil als gevolg van een openbaar bod, een fusie, een splitsing, een overname van een gemeenschappelijk investeringsfonds door een investeringsvennootschap met variabel kapitaal, die overeenkomstig de geldende wetgeving is gerealiseerd, of bij een inbreng van effecten in een vennootschap die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, worden uitgesteld tot het tijdstip waarop de vervreemding, de terugkoop, de terugbetaling of de vernietiging van de bij de ruil ontvangen effecten plaatsvindt. [...]”

15      Artikel 160, lid I ter, van de CGI, zoals van toepassing op de voor 1 januari 2000 gerealiseerde meerwaarden, bepaalt:

„4.       De belasting over de vanaf 1 januari 1991 gerealiseerde meerwaarde, in geval van ruil van vennootschapsrechten als gevolg van een fusie, een splitsing, een inbreng van effecten in een vennootschap die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, kan onder de voorwaarden van artikel 92 B, lid II, worden uitgesteld. [...]”

16      Volgens artikel 200 A, lid 2, van de CGI, zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2013 ontvangen inkomsten en zoals gewijzigd bij wet nr. 2012‑1509, wordt de onder de voorwaarden van artikel 150‑0 A verworven nettowinst meegerekend voor de vaststelling van het totale netto-inkomen dat is onderworpen aan het progressieve inkomstenbelastingtarief.

 Administratieve toelichting

17      Punt 130 van de administratieve toelichting, bekendgemaakt in het Bulletin officiel des finances publiques van 24 juli 2017 onder referentie BOI-RPPM-PVBMI-20‑20-10 (hierna: administratieve toelichting nr. 130), bepaalt:

„[...] [D]e inkomensaftrek voor de duur van het houderschap is niet van toepassing [...] op de vóór 1 januari 2013 gerealiseerde nettowinst uit de verkoop, ruil of inbreng waarvoor belastinguitstel geldt overeenkomstig de voorwaarden van artikel 92 B, lid II, artikel 160, lid I ter, en artikel 150 A bis van de CGI, in de versie ervan die van kracht was vóór 1 januari 2000, [...]”

 Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

18      Wat zaak C‑662/18 betreft, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat AQ bij een aandelenruil op 14 december 2012 de effecten die hij bezat in een vennootschap naar Frans recht, heeft ingebracht in een andere vennootschap naar Frans recht in ruil voor effecten van deze laatste vennootschap. Volgens AQ heeft de verwervende vennootschap als gevolg van deze aandelenruil geen meerderheid van de stemrechten binnen de verworven vennootschap verkregen. Naar aanleiding van deze transactie is een meerwaarde gelijk aan de waarde van de geruilde effecten op de datum van deze inbreng, verminderd met de aankoopprijs van deze effecten, vastgesteld en voor die meerwaarde is belastinguitstel toegekend. In de loop van 2015 is, omdat de daaropvolgende vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten een einde had gemaakt aan dat belastinguitstel, belasting geheven over deze meerwaarde en over de meerwaarde uit de vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten.

19      Overeenkomstig de bestuurspraktijk en krachtens administratieve toelichting nr. 130 is de meerwaarde waarvoor belastinguitstel was toegekend, in eerste instantie belast tegen het tarief dat gold gedurende het jaar van de vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten, doch zonder het voordeel van de in de nationale wetgeving voorziene inkomensaftrek voor de duur van het houderschap voor de meerwaarden die zijn gerealiseerd vanaf 1 januari 2013. Bovendien werd de inkomensaftrek voor de duur van het houderschap van de bij de ruil ontvangen effecten berekend op basis van de datum van de ruil en niet op basis van de datum van verwerving van de geruilde effecten. Overeenkomstig een beslissing van de Conseil constitutionnel (grondwettelijke raad, Frankrijk) is deze meerwaarde, waarvoor belastinguitstel was toegekend, vervolgens belast tegen het tarief dat gold op het tijdstip van de inbreng van de betrokken effecten, zijnde het in 2012 geldende tarief.

20      Wat zaak C‑672/18 betreft, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat DN naar aanleiding van een fusie tussen twee vennootschappen naar Frans recht in 1998 in ruil voor zijn effecten effecten heeft ontvangen van de andere vennootschap die bij de fusie was betrokken. Daarbij is een meerwaarde over de geruilde effecten vastgesteld en voor die meerwaarde is belastinguitstel toegekend. In 2016 is met de daaropvolgende vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten een einde aan dat belastinguitstel gekomen. Deze meerwaarde en de meerwaarden uit de vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten werden dus belast.

21      Overeenkomstig de bestuurspraktijk en krachtens administratieve toelichting nr. 130 is de meerwaarde waarvoor belastinguitstel was toegekend, belast tegen het tarief dat gold gedurende het jaar van de vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten, doch zonder het voordeel van de in de nationale wetgeving voorziene inkomensaftrek voor de duur van het houderschap voor de meerwaarden die zijn gerealiseerd vanaf 1 januari 2013. Bovendien werd de inkomensaftrek voor de duur van het houderschap van de bij de ruil ontvangen effecten berekend op basis van de datum van de ruil en niet op basis van de datum van verwerving van de geruilde effecten.

22      Aangezien AQ en DN van mening waren dat de fiscale behandeling die voortvloeit uit die administratieve toelichting nr. 130 noch met de doelstelling van richtlijn 2009/133 noch met artikel 8 ervan verenigbaar is, hebben zij bij de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) beroep ingesteld tot nietigverklaring van die toelichting nr. 130. Gelet op deze onverenigbaarheid moeten, aldus AQ en DN, de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde bepalingen buiten toepassing worden gelaten in een geschil dat een grensoverschrijdende situatie betreft. Hieruit volgt een omgekeerde discriminatie ten nadele van situaties die – zoals de hunne – zuiver binnenlandse situaties zijn, hetgeen in strijd is met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid voor de wet en gelijkheid inzake de openbare lasten.

23      De verwijzende rechter merkt in wezen op dat voor de beslechting van de bij hem aanhangige gedingen uitlegging van het Unierecht, inzonderheid artikel 8 van richtlijn 2009/133, noodzakelijk is.

24      Tegen deze achtergrond heeft de Conseil d’État in de twee hoofdgedingen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over dezelfde, identiek geformuleerde vragen:

„1)      Dient artikel 8 van [richtlijn 2009/133] aldus te worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de meerwaarde die is gerealiseerd bij de verkoop van de bij een ruil ontvangen effecten, en de meerwaarde waarvoor de belasting is uitgesteld, volgens andere heffingsgrondslag- en tariefregels worden belast?

2)      Dient dat artikel in het bijzonder aldus te worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de inkomensaftrekken die zijn bedoeld om rekening te houden met de duur van het houderschap van de effecten niet van toepassing zijn op de meerwaarde waarvoor de belasting is uitgesteld, op grond dat die regel betreffende de vermindering van de heffingsgrondslag niet van toepassing was op de datum waarop die meerwaarde werd gerealiseerd, maar wel van toepassing zijn op de meerwaarde uit de verkoop van de bij de ruil ontvangen effecten, rekening houdende met de datum van de ruil van de effecten, en niet met de datum van verwerving van de in ruil gegeven effecten?”

25      Bij beslissing van de president van het Hof van 14 november 2018 zijn de zaken C‑662/18 en C‑672/18 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Ontvankelijkheid

26      Uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat de aan de hoofgedingen ten grondslag liggende feiten transacties betreffen waarbij vennootschappen zijn betrokken die in een en dezelfde lidstaat, te weten de Franse Republiek, zijn gevestigd. Bovendien heeft, in zaak C‑662/18, AQ erop gewezen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde transactie geen aandelenruil in de zin van richtlijn 2009/133 uitmaakt, aangezien de verwervende vennootschap bij die transactie niet de meerderheid van de stemrechten in de verworven vennootschap heeft verkregen.

27      Alle partijen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, wijzen er in wezen op dat de betrokken nationale wetgeving aan situaties die niet onder het Unierecht vallen, oplossingen biedt die in overeenstemming zijn met de aanpak van het Unierecht, zodat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn.

28      Het Hof heeft reeds verzoeken om een prejudiciële beslissing ontvankelijk verklaard in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vielen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing waren op grond van de nationale wettelijke regeling, waarin ten aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspeelden, was gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht (arrest van 22 maart 2018, Jacob en Lassus, C‑327/16 en C‑421/16, EU:C:2018:210, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Bovendien heeft het Hof dergelijke verzoeken ontvankelijk verklaard ook in gevallen waarin de bepaling van Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht, naar nationaal recht toepassing vindt onder andere omstandigheden dan die waarop de overeenstemmende bepaling van Unierecht ziet (zie in die zin arresten van 11 oktober 2001, Adam, C‑267/99, EU:C:2001:534, punten 27‑29, en 7 november 2018, C en A, C‑257/17, EU:C:2018:876, punten 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      In dergelijke gevallen heeft de Europese Unie immers stellig belang erbij dat ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst de overgenomen bepalingen of begrippen van Unierecht op uniforme wijze worden uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden (arresten van 22 maart 2018, Jacob en Lassus, C‑327/16 en C‑421/16, EU:C:2018:210, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 november 2018, C en A, C‑257/17, EU:C:2018:876, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      In casu zij in de eerste plaats opgemerkt dat de prejudiciële vragen de uitlegging van bepalingen van het Unierecht betreffen. In de tweede plaats volgt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de in de hoofdgedingen toepasselijke nationale wetgeving die is vastgesteld tot omzetting van richtlijn 90/434, zoals vervangen door richtlijn 2009/133, voor situaties als die welke in de hoofdgedingen zijn gerezen, oplossingen biedt die in overeenstemming zijn met die van de richtlijnen.

32      Derhalve dient te worden vastgesteld dat de verzoeken om een prejudiciële beslissing ontvankelijk zijn.

 Ten gronde

33      Vooraf zij ten eerste opgemerkt dat de prejudiciële vragen enkel zien op richtlijn 2009/133, die richtlijn 90/434 heeft vervangen. Aangezien de in zaak C‑672/18 aan de orde zijnde fusie heeft plaatsgevonden voordat de eerste van die richtlijnen in werking is getreden, moeten de vragen van de verwijzende rechter aldus worden begrepen dat hij het Hof verzoekt om uitlegging van zowel richtlijn 2009/133 als richtlijn 90/434.

34      Ten tweede hebben beide richtlijnen, zoals blijkt uit de punten 3 en 4 van dit arrest, dezelfde doelstelling, en de in casu relevante bepalingen van richtlijn 2009/133 stemmen overeen met die van richtlijn 90/434. De verwijzingen in dit arrest naar artikel 8, leden 1, 4, 6 en 7, van richtlijn 2009/133 moeten dus worden opgevat als verwijzingen naar artikel 8, lid 1 en lid 2, eerste tot en met derde alinea, van richtlijn 90/434. Bovendien is de rechtspraak van het Hof betreffende een van deze twee richtlijnen ook van toepassing op de andere.

35      Ten derde blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde belastingregeling ertoe leidt dat de in het nationale recht voorziene inkomensaftrek slechts wordt toegepast op een deel van de meerwaarde uit de vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten, doordat de duur van het houderschap wordt berekend vanaf de datum van de ruil van de effecten en niet vanaf de datum van verwerving van de geruilde effecten.

36      Derhalve wenst de verwijzende rechter met zijn vragen, die samen dienen te worden onderzocht, in wezen te vernemen of artikel 8, leden 1 en 6, van richtlijn 2009/133 en artikel 8, lid 1 en lid 2, tweede alinea, van richtlijn 90/434 aldus moeten worden uitgelegd dat bij een effectenruil voor de meerwaarde betreffende de geruilde effecten waarvoor belastinguitstel is toegekend, alsmede voor de meerwaarde uit de vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten dezelfde fiscale behandeling moet gelden wat betreft het belastingtarief en de toepassing van een inkomensaftrek om rekening te houden met de duur van het houderschap van de effecten, als de fiscale behandeling die van toepassing zou zijn geweest op de meerwaarde die zou zijn gerealiseerd bij de vervreemding van de effecten die bestonden vóór de effectenruil, indien die ruil niet had plaatsgevonden.

37      Vastgesteld zij dat in de hoofdgedingen niet wordt gesteld dat de betrokken belastingplichtigen aan de bij de ruil ontvangen effecten een hogere „fiscale waarde” hebben toegekend dan de waarde die de geruilde effecten hadden onmiddellijk vóór de betrokken ruiltransacties, of dat deze fiscale waarde niet is berekend overeenkomstig artikel 8, lid 7, van richtlijn 2009/133. Bijgevolg is – zoals voortvloeit uit artikel 8, lid 4, van deze richtlijn – dat artikel 8, lid 1, van toepassing op deze transacties.

38      Ingevolge artikel 8, lid 1, van richtlijn 2009/133 mag toekenning bij een fusie, een splitsing of een aandelenruil van bewijzen van deelgerechtigdheid in het maatschappelijk kapitaal van de ontvangende of de verwervende vennootschap aan een deelgerechtigde van de inbrengende of verworven vennootschap in ruil voor bewijzen van deelgerechtigdheid in het maatschappelijk kapitaal van deze laatste vennootschap, op zich niet leiden tot enigerlei belastingheffing op het inkomen, de winst of de vermogenswinst van deze deelgerechtigde.

39      Niettemin bepaalt artikel 8 van deze richtlijn in lid 6 dat de toepassing van lid 1 van dat artikel de lidstaten niet belet de winst die uit de latere vervreemding van de ontvangen effecten voortvloeit, op dezelfde wijze te belasten als de winst uit de vervreemding van de effecten die vóór de verwerving bestonden.

40      Dienaangaande heeft het Hof reeds overwogen dat hoewel artikel 8, lid 1, van deze richtlijn, door te bepalen dat een effectenruil op zich niet mag leiden tot belastingheffing over de meerwaarde uit die ruil, de fiscale neutraliteit van die transactie verzekert, het blijkbaar evenwel niet de bedoeling is dat deze fiscale neutraliteit een dergelijke meerwaarde onttrekt aan belastingheffing door de lidstaten die voor die meerwaarde heffingsbevoegd zijn, maar zij verbiedt enkel dat deze ruil wordt aangeduid als het belastbare feit (zie in die zin arrest van 22 maart 2018, Jacob en Lassus, C‑327/16 en C‑421/16, EU:C:2018:210, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41      Bovendien heeft het Hof gepreciseerd dat aangezien richtlijn 2009/133 geen bepalingen bevat betreffende de fiscale maatregelen die geschikt zijn om artikel 8 ervan ten uitvoer te leggen, de lidstaten over een zekere handelingsvrijheid beschikken om, met eerbiediging van het Unierecht, dit artikel ten uitvoer te leggen (zie in die zin arrest van 22 maart 2018, Jacob en Lassus, C‑327/16 en C‑421/16, EU:C:2018:210, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      In die context heeft het Hof reeds erkend dat een maatregel waarbij de meerwaarde uit de effectenruil wordt vastgesteld en het belastbare feit voor belastingheffing over deze meerwaarde wordt uitgesteld tot het jaar waarin de gebeurtenis plaatsvindt die een einde maakt aan dat belastinguitstel, niets meer is dan een „techniek” die het mogelijk maakt de heffingsbevoegdheid van de lidstaten te vrijwaren en dus hun financiële belangen veilig te stellen en tegelijk, overeenkomstig artikel 8, lid 6, van richtlijn 2009/133, het in artikel 8, lid 1, van deze richtlijn neergelegde beginsel van fiscale neutraliteit eerbiedigt doordat de effectenruil op zich geen aanleiding geeft tot enige belastingheffing over deze meerwaarde (zie in die zin arrest van 22 maart 2018, Jacob en Lassus, C‑327/16 en C‑421/16, EU:C:2018:210, punten 54 en 55).

43      Het uitstel van het belastbare feit voor belastingheffing over de meerwaarde betreffende de geruilde effecten impliceert noodzakelijkerwijs dat de belastingheffing over deze meerwaarde is onderworpen aan dezelfde fiscale regels die gelden en het tarief dat geldt op de datum waarop dit belastbaar feit plaatsvindt, in casu de datum van de latere vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten. Zo op deze datum de desbetreffende wettelijke belastingregeling voorziet in een inkomensaftrek voor de duur van het houderschap van de effecten, komt ook de meerwaarde waarvoor belastinguitstel is toegekend bijgevolg in aanmerking voor deze inkomensaftrek, onder dezelfde voorwaarden als die welke zouden gelden voor de meerwaarde die zou zijn gerealiseerd bij de vervreemding van de effecten die bestonden vóór de ruiltransactie, indien deze ruil niet zou hebben plaatsgevonden.

44      Elke andere maatregel zou immers verder gaan dan een loutere vaststelling van de meerwaarde betreffende de geruilde effecten die is ontstaan uit de effectenruil naar aanleiding daarvan en zou kunnen leiden tot daadwerkelijke nadelige fiscale gevolgen voor de belastingheffing over deze meerwaarde op de datum waarop het belastbare feit voor deze belastingheffing plaatsvindt, in casu de datum van de latere vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten, hetgeen in strijd zou zijn met het in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2009/133 beoogde beginsel van fiscale neutraliteit.

45      Wat de meerwaarde betreffende de bij de ruil ontvangen effecten betreft, komen deze effecten, zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 8, lid 6, van richtlijn 2009/133, gewoon in de plaats van de effecten die bestonden vóór de ruil. Derhalve moet op de meerwaarde die ontstaat uit de ruil en waarvoor belastinguitstel is toegekend, en op de meerwaarde betreffende de vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten dezelfde fiscale behandeling worden toegepast, inzonderheid dezelfde inkomensaftrek als die welke zou zijn toegepast op de meerwaarde die zou zijn gerealiseerd bij de vervreemding van de effecten die bestonden vóór de ruiltransactie, indien die ruil niet zou hebben plaatsgevonden.

46      Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de doelstelling om de financiële belangen van de lidstaten veilig te stellen. Zoals blijkt uit artikel 8, lid 6, van richtlijn 2009/133, zijn deze belangen immers beperkt tot de heffing van een belasting die gelijk is aan de belasting waarop zij recht zouden hebben gehad indien de effectenruil niet zou hebben plaatsgevonden.

47      Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 8, leden 1 en 6, van richtlijn 2009/133 en artikel 8, lid 1 en lid 2, tweede alinea, van richtlijn 90/434 aldus moeten worden uitgelegd dat bij een effectenruil voor de meerwaarde betreffende de geruilde effecten waarvoor belastinguitstel is toegekend, alsmede voor de meerwaarde uit de vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten dezelfde fiscale behandeling moet gelden wat betreft het belastingtarief en de toepassing van een inkomensaftrek om rekening te houden met de duur van het houderschap van de effecten, als de fiscale behandeling die van toepassing zou zijn geweest op de meerwaarde die zou zijn gerealiseerd bij de vervreemding van de effecten die bestonden vóór de effectenruil, indien die ruil niet had plaatsgevonden.

 Kosten

48      Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 8, leden 1 en 6, van richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat, en artikel 8, lid 1 en lid 2, tweede alinea, van richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten moeten aldus worden uitgelegd dat bij een effectenruil voor de meerwaarde betreffende de geruilde effecten waarvoor belastinguitstel is toegekend, alsmede voor de meerwaarde uit de vervreemding van de bij de ruil ontvangen effecten dezelfde fiscale behandeling moet gelden wat betreft het belastingtarief en de toepassing van een inkomensaftrek om rekening te houden met de duur van het houderschap van de effecten, als de fiscale behandeling die van toepassing zou zijn geweest op de meerwaarde die zou zijn gerealiseerd bij de vervreemding van de effecten die bestonden vóór de effectenruil, indien die ruil niet had plaatsgevonden.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.