Language of document : ECLI:EU:C:2019:760

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA

van 18 september 2019 (1)

Zaak C678/18

Procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing – Ontvankelijkheid – Artikel 267 VWEU – Begrip ‚geding’ – Cassatieberoep in het belang der wet – Onveranderlijkheid van de situatie waarover bij het bestreden vonnis uitspraak is gedaan – Modellen – Voorlopige en beschermende maatregelen – Bevoegdheid van de nationale rechters in eerste aanleg om kennis te nemen van vorderingen in kort geding – Exclusieve bevoegdheid van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel”






1.        In verordening (EG) nr. 6/2002(2) is bepaald dat de lidstaten op hun grondgebied een of meer „rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel” aanwijzen die exclusief bevoegd zijn om zich uit te spreken over bepaalde rechtsvorderingen met betrekking tot inbreuken op en de geldigheid van Gemeenschapsmodellen (artikel 81).

2.        Ter uitvoering van die opdracht heeft Nederland die exclusieve bevoegdheid toegewezen aan de rechtbank Den Haag (Nederland), waarbij aan een van de rechters daarvan ook de bevoegdheid werd toegekend om beschermende en voorlopige maatregelen te bevelen.

3.        De Hoge Raad der Nederlanden betwijfelt evenwel of deze laatste maatregel (namelijk dat een rechter van de gespecialiseerde rechtbank voor het Gemeenschapsmodel in Den Haag als enige bevoegd is verklaard om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen in de in artikel 81 van verordening nr. 6/2002 bedoelde geschillen) verenigbaar is met andere bepalingen van de verordening.

4.        Deze twijfel vloeit voort uit de discussie die is ontstaan in Nederland, waar meerdere rechters in eerste aanleg en appelrechters die geen rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel zijn, zich bevoegd hebben verklaard om kennis te nemen van verzoeken om beschermende en voorlopige maatregelen in procedures betreffende rechtsvorderingen ter zake van inbreuk op of nietigheid van dat model.

I.      Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht. Verordening nr. 6/2002

5.        Titel IX betreft de „bevoegdheid en procedure inzake rechtsvorderingen betreffende Gemeenschapsmodellen”.

6.        Afdeling 2 van die titel, die de artikelen 80 tot en met 92 bevat, heeft betrekking op „geschillen ter zake van inbreuk op en geldigheid van Gemeenschapsmodellen”.

7.        Artikel 80 („Rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel”) luidt:

„1.      De lidstaten wijzen op hun grondgebied een zo gering mogelijk aantal nationale rechterlijke instanties van eerste en tweede aanleg aan, de ‚rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel’, die de hun bij deze verordening opgedragen taken vervullen.

[...]”

8.        In artikel 81 („Bevoegdheid ter zake van inbreuk en geldigheid”) is bepaald:

„De rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel hebben uitsluitende bevoegdheid ter zake van:

a)      alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en – indien naar nationaal recht toegestaan – dreigende inbreuk op Gemeenschapsmodellen;

b)      rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk op Gemeenschapsmodellen, indien naar nationaal recht toegestaan;

c)      rechtsvorderingen tot nietigverklaring van een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel;

d)      reconventionele vorderingen tot nietigverklaring van een Gemeenschapsmodel die zijn ingesteld in samenhang met rechtsvorderingen als bedoeld onder a).”

9.        Artikel 90 („Voorlopige, inclusief beschermende, maatregelen”) luidt:

„1.      Aan de rechterlijke instanties van een lidstaat, met inbegrip van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel, kunnen voor een Gemeenschapsmodel dezelfde voorlopige en beschermende maatregelen worden gevraagd als het recht van die staat kent voor nationale modellen, zelfs indien een rechtbank voor het Gemeenschapsmodel van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.

2.      In procedures inzake voorlopige en beschermende maatregelen mag de gedaagde, op andere wijze dan bij reconventionele vordering, de nietigheid van een Gemeenschapsmodel opwerpen. Artikel 85, lid 2, is evenwel van overeenkomstige toepassing.

3.      Een krachtens artikel 82, leden 1, 2, 3 of 4, bevoegde rechtbank voor het Gemeenschapsmodel is bevoegd voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen die, onverminderd de procedure voor erkenning en tenuitvoerlegging overeenkomstig titel III van het Bevoegdheids- en Executieverdrag, van kracht zijn op het grondgebied van elke lidstaat. Geen enkele andere rechterlijke instantie heeft deze bevoegdheid.”

10.      Afdeling 3 van titel IX (artikelen 93 en 94) gaat over „andere geschillen betreffende Gemeenschapsmodellen”.

11.      In artikel 93 („Aanvullende bepalingen inzake de bevoegdheid van andere nationale rechterlijke instanties dan de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel”) staat:

„1.      In de lidstaat waar de rechterlijke instanties volgens artikel 79, lid 1 of lid 4, bevoegd zijn, worden andere rechtsvorderingen betreffende Gemeenschapsmodellen dan de in artikel 81 bedoelde ingesteld bij de rechterlijke instanties die absoluut en relatief bevoegd zouden zijn indien het rechtsvorderingen inzake een nationaal modelrecht van die lidstaat zou betreffen.

[...]”

B.      Nationaal recht

1.      Wet op de rechterlijke organisatie

12.      Artikel 78 luidt:

„1.      De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie tegen de handelingen, arresten, vonnissen en beschikkingen van de gerechtshoven en de rechtbanken, ingesteld hetzij door een partij, hetzij ‚in het belang der wet’ door de procureur-generaal bij de Hoge Raad.

[...]

7.      Cassatie ‚in het belang der wet’ kan niet worden ingesteld indien voor partijen een gewoon rechtsmiddel openstaat en brengt geen nadeel toe aan de rechten door partijen verkregen.”

13.      Ingevolge artikel 111, lid 2, aanhef en onder c), komt de procureur-generaal bij de Hoge Raad de bevoegdheid toe cassatie in het belang der wet in te stellen.

2.      Wet van 4 november 2004 tot uitvoering van de verordening van de Raad van de Europese Unie betreffende Gemeenschapsmodellen houdende aanwijzing van de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel (Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen)

14.      Artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen(3) schrijft voor:

„Voor alle vorderingen, bedoeld in artikel 81 van de verordening, is in eerste aanleg uitsluitend bevoegd de rechtbank Den Haag en in kort geding de voorzieningenrechter van die rechtbank.”

II.    Feiten en prejudiciële vraag

15.      Spin Master is een Canadese onderneming in speelgoedproducten. Onder het merk „Bunchems” verhandelt zij gekleurde speelballetjes (klittenballetjes) die aan elkaar klitten, waardoor allerlei vormen en figuren kunnen worden gemaakt. Op 16 januari 2015 is op haar naam en onder nummer 002614669 0002 een Gemeenschapsmodel voor deze speelballetjes geregistreerd.

16.      High5 verhandelt onder de naam „Linkeez” eveneens gekleurde speelballetjes die aan elkaar klitten, waardoor allerlei vormen en figuren kunnen worden gemaakt.

17.      Spin Master heeft bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (Nederland) een vordering ingesteld tot vaststelling van voorlopige en beschermende maatregelen wegens inbreuk op haar geregistreerde Gemeenschapsmodel. Zij heeft die rechter concreet verzocht om High5 te verbieden de producten in Nederland te koop aan te bieden.

18.      In die procedure heeft High5 vóór alles aangevoerd dat alleen de rechtbank Den Haag bevoegd was om van het geschil kennis te nemen en dat de rechtbank Amsterdam dus niet bevoegd was.

19.      Op 12 januari 2017 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam dat bezwaar inzake onbevoegdheid afgewezen op grond van artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 en heeft hij een aantal voorlopige en beschermende maatregelen bevolen.(4) Bij datzelfde vonnis heeft die rechter de termijn voor het instellen van de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald op zes maanden te rekenen vanaf de datum van het vonnis.

20.      De Procureur-generaal heeft erop gewezen dat binnen de Nederlandse rechtspraak verschillend wordt geoordeeld over de vraag of voorzieningenrechters van andere rechtbanken dan de rechtbank Den Haag bevoegd zijn om in dergelijke geschillen voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen, en heeft tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam cassatie „in het belang der wet” ingesteld.

21.      In het cassatiemiddel voerde de Procureur-generaal aan dat:

–      volgens de Nederlandse wet uitsluitend de rechtbank Den Haag bevoegd is om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen in zaken met betrekking tot inbreuken op Gemeenschapsmodellen;

–      artikel 90, lid 2, van verordening nr. 6/2002 niet van toepassing is op de in artikel 81 ervan bedoelde geschillen, zoals blijkt uit de ontstaansgeschiedenis en de opzet van die verordening.

22.      Binnen deze context verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 90, lid 1, [van de verordening betreffende Gemeenschapsmodellen] aldus worden uitgelegd dat het een dwingende toekenning inhoudt aan alle daar genoemde rechterlijke instanties van een lidstaat, van de bevoegdheid om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen, of laat het de lidstaten – geheel of gedeeltelijk – vrij om de bevoegdheid dergelijke maatregelen te bevelen, bij uitsluiting op te dragen aan de rechterlijke instanties die overeenkomstig artikel 80, lid 1, [van de verordening betreffende Gemeenschapsmodellen] zijn aangewezen als rechtbanken (van eerste en tweede aanleg) voor het Gemeenschapsmodel?”

III. Procedure bij het Hof

23.      De verwijzingsbeslissing is bij het Hof ingekomen op 5 november 2018.

24.      De Procureur-generaal, de Nederlandse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Het houden van een zitting is niet nodig geacht.

IV.    Beoordeling

25.      Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de exclusieve bevoegdheid van de (gespecialiseerde) rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel om kennis te nemen van bepaalde vorderingen ter zake van inbreuken en geldigheid, zoals bedoeld in de artikelen 80 en 81 van verordening nr. 6/2002, zich al dan niet uitstrekt tot de in artikel 90 van die verordening bedoelde voorlopige en beschermende maatregelen.

26.      Aanleiding voor deze vraag is dat voornoemd artikel 90, in afwijking van die exclusiviteit, de mogelijkheid lijkt te bieden om, met betrekking tot Gemeenschapsmodellen, ook andere (dan de gespecialiseerde) rechtbanken van de lidstaten te verzoeken om voorlopige en beschermende maatregelen te treffen.

27.      Alvorens op deze vraag in te gaan, moet ik verduidelijken of dit geding, zoals de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissing suggereert, voldoet aan de vereisten van artikel 267 VWEU.

A.      Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

28.      Het prejudiciële verzoek om uitlegging werd voorgelegd in het kader van een cassatieberoep „in het belang der wet”, dat door de Procureur-generaal kan worden ingesteld tegen beslissingen van rechters in eerste aanleg en appelrechters waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat.

29.      Dit soort cassatieberoep is bedoeld om de uniforme toepassing van het recht te waarborgen. Het is een geschikt rechtsmiddel wanneer de kwestie waarop het geding betrekking heeft in een groot aantal zaken aan de orde is en de rechtspraak bij gebreke van een beslissing van de Hoge Raad uiteenlopende oplossingen aanreikt.

30.      Het gaat om een procedureel mechanisme dat de ultieme uitdrukking vormt van de traditionele nomofylactische functie van het cassatieberoep (te weten de bescherming van het recht, in objectieve zin, eerder dan van de subjectieve belangen van de partijen bij het geding). Daarnaast is dit cassatieberoep „in het belang der wet” eveneens bedoeld om rechtspraak voor de toekomst vast te stellen, zij het zonder concrete gevolgen voor het geding dat eraan ten grondslag ligt, waarvan het resultaat onveranderd blijft. Indien het cassatieberoep wordt toegewezen, moet het bestreden vonnis worden vernietigd, maar dat zal geen gevolgen hebben voor de rechtspositie van de partijen, die in eerste aanleg al definitief is vastgesteld.

31.      De Hoge Raad is uiteraard een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep in de zin van artikel 267 VWEU. Hij is dus verplicht om bij twijfel over de uitlegging van een regel van Unierecht een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof.

32.      Ook al vervult de verwijzende rechter algemeen gesproken een rechterlijke functie, dan nog zou men kunnen denken dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk mag worden verklaard, aangezien er bij cassatie in het belang der wet geen sprake is van een daadwerkelijk geschil tussen de partijen.

33.      Dat bezwaar kan mijns inziens echter niet worden aanvaard. Het vereiste dat de prejudiciële vraag wordt voorgelegd in het kader van een contradictoire procedure is reeds geruime tijd door het Hof van de hand gewezen.(5) Zoals advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer verklaarde, kunnen prejudiciële vragen ook worden gesteld „buiten het kader van een geschil. Beslissend is [...] dat degene die het Hof om bijstand verzoekt, met rechtspraak is belast en dat hij een uitlegging van het Gemeenschapsrecht noodzakelijk acht voor het geven van zijn beslissing. Daarbij is irrelevant dat de procedure waarin de vraag rijst, een niet-contradictoire procedure is.”(6)

34.      Indien er, zoals in deze zaak het geval is, een eerder geding is geweest tussen de partijen en tegen de beslissing in eerste aanleg hoger beroep of cassatieberoep is ingesteld bij een hogere rechter, „moet het gerecht dat [...] uitspraak doet, in beginsel [...] worden aangemerkt als een rechterlijke instantie in de zin van artikel [267 VWEU] die bevoegd is het Hof een prejudiciële vraag te stellen”.(7)

35.      Dat de individuele situatie van de partijen ongewijzigd blijft, ongeacht de strekking van het arrest dat in het belang der wet wordt gewezen, doet aan die stelling niet af. Integendeel, wegens de werking erga omnes van dergelijke arresten, die verder reikt dat het concrete geval, is het des te meer gerechtvaardigd dat de Hoge Raad een beroep kan doen op het Hof om een antwoord te verkrijgen dat, bij de uitlegging van het Unierecht, een ruimere draagwijdte heeft, en om zo de uniforme toepassing van verordening nr. 6/2002 door alle rechterlijke instanties van Nederland te waarborgen.

36.      Volgens mij staat, kortom, niets eraan in de weg dat de prejudiciële vraag ontvankelijk wordt verklaard.

B.      Ten gronde

37.      In verordening nr. 6/2002 is gekozen voor een model van gespecialiseerde rechters: in elke lidstaat wordt een zo gering mogelijk aantal nationale rechterlijke instanties (zogeheten „rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel”) aangewezen om beslissingen inzake de nietigheid van en inbreuken op Gemeenschapsmodellen te nemen.

38.      Die regel, die is opgenomen in de artikelen 80 en 81 van de verordening, houdt in – en hierover bestaat geen discussie – dat de beslechting ten gronde van de desbetreffende geschillen uitsluitend aan de genoemde rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel staat, als deskundigen ter zake.

39.      Artikel 90, lid 1, van de verordening lijkt echter een andere logica te volgen, die dichter aanleunt bij het doeltreffendheidsbeginsel dan bij het beginsel van gespecialiseerde rechters, wat beschermende en voorlopige maatregelen betreft.(8) Die maatregelen kunnen voor een Gemeenschapsmodel „aan de rechterlijke instanties van een lidstaat [worden gevraagd], met inbegrip van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel”.

40.      Op het eerste gezicht verdwijnt de exclusiviteit waarin artikel 81 voorziet dus in artikel 90, waardoor behalve de gespecialiseerde rechter ook andere nationale rechters kunnen optreden, zij het uitsluitend om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen. Wat die maatregelen betreft, zouden de noodzaak van een snelle behandeling, die inherent is aan het doeltreffendheidsbeginsel, en de geografische nabijheid van de verschillende bevoegde rechters een gedecentraliseerde oplossing rechtvaardigen in plaats van een oplossing waarbij de bevoegdheid geconcentreerd is bij één rechterlijke instantie.(9)

41.      De tekst van artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 pleit voor een dergelijke uitlegging: elke rechtbank van een lidstaat (waaronder de rechtbanken moeten worden verstaan die in de betrokken lidstaat geschillen over modellen beslechten) kan dit soort maatregelen uitvaardigen. Dat het niet noodzakelijk om een gespecialiseerde rechtbank hoeft te gaan, bevestigt de zinsnede „met inbegrip van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel”: deze laatste genieten derhalve dezelfde bevoegdheden als de overige rechtbanken met betrekking tot beschermende en voorlopige maatregelen.(10)

42.      Zowel de Procureur-generaal(11) als de Nederlandse regering stelt evenwel dat artikel 90 van verordening nr. 6/2002 niets verandert aan de draagwijdte van artikel 81 en evenmin een uitzondering vormt op wat in dat artikel is bepaald. Volgens hen staaft artikel 81 de bevoegdheid van de gespecialiseerde rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel in elke fase van de nietigverklarings- of inbreukprocedure, met inbegrip van de conservatoire fase. Artikel 90 zou betrekking hebben op andere soorten vorderingen dan die welke in artikel 81 zijn opgesomd.

43.      De Commissie staat de tegengestelde oplossing voor. Uit artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 is volgens haar te begrijpen dat de bevoegdheid voor het vaststellen van beschermende maatregelen met betrekking tot Gemeenschapsmodellen bij de rechtbanken van de lidstaten ligt, „met inbegrip van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel”. Dit artikel biedt dus de mogelijkheid om zich ofwel tot de (gespecialiseerde) rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel te wenden, ofwel tot andere, niet-gespecialiseerde rechtbanken (die evenwel algemeen bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen op het gebied van modellen). Ik ben van oordeel dat deze benadering het meeste recht doet aan de uitlegging van die bepaling.

44.      Ter ondersteuning van zijn standpunt citeert de Procureur-generaal het protocol betreffende de beslechting van geschillen inzake inbreuken op en de geldigheid van Gemeenschapsoctrooien.(12) Volgens hem volgt artikel 90 van verordening nr. 6/2002 het patroon van artikel 36 van dat protocol, dat de vaststelling van beschermende maatregelen mogelijk moest maken ten aanzien van zowel nationale als Gemeenschapsoctrooien. Voornoemd artikel 36 was niet bedoeld als uitzondering op de regels van het protocol inzake interne bevoegdheid, maar op die met betrekking tot de internationale bevoegdheid.(13)

45.      Ik denk niet dat deze verwijzing naar de regeling inzake geschillen met betrekking tot Gemeenschapsoctrooien (die destijds niet het permanente mechanisme is geworden) op de ene of de andere manier kan worden gebruikt om artikel 90 van verordening nr. 6/2002 betreffende modellen uit te leggen. De Nederlandse wetgever heeft weliswaar aangegeven alle bevoegdheden met betrekking tot de bescherming van het Gemeenschapsoctrooi bij één rechterlijke instantie te willen concentreren, onder toepassing van de in het protocol vervatte bepaling, maar een dergelijke beslissing neemt de twijfels over de draagwijdte van artikel 90 in verhouding tot artikel 81 van verordening 6/2002 niet weg.

46.      Belangrijker is het argument inzake de „opzet” van verordening nr. 6/2002, dat door de Procureur-generaal en de Nederlandse regering wordt aangevoerd. Volgens hen is artikel 90 de algemene regel voor beschermende en voorlopige maatregelen, die moet worden aangevuld naargelang van het soort geding waarin om die maatregelen wordt verzocht:

–      wanneer het gaat om vorderingen „ter zake van inbreuk op en geldigheid van Gemeenschapsmodellen” (artikel 81), kunnen alleen de gespecialiseerde rechtbanken de relevante beschermende en voorlopige maatregelen treffen, aangezien alleen zij voor dergelijke procedures exclusief bevoegd zijn;

–      waar het gaat om andere dan de in artikel 81 bedoelde vorderingen, wordt de betekenis van de bewoordingen van artikel 90, lid 1, – dat elke rechterlijke instantie van een lidstaat beschermende en voorlopige maatregelen kan treffen, met inbegrip van de gespecialiseerde rechtbanken – ten volle duidelijk. Dit zou deze „problematische of raadselachtige”(14) tekst beter verklaren.

47.      Dat standpunt deel ik echter niet. De structuur van titel IX van verordening nr. 6/2002, die betrekking heeft op de bevoegdheid en de procedure inzake rechtsvorderingen betreffende Gemeenschapsmodellen, pleit hiertegen. Titel IX is onderverdeeld in drie afdelingen:

–      In afdeling 1 wordt het kader vastgesteld waarbinnen wordt bepaald welke nationale rechterlijke instantie bevoegd is om kennis te nemen van een geschil. De regels waarnaar wordt verwezen zijn die van het Executieverdrag(15), die van toepassing zijn tenzij in verordening nr. 6/2002 anders is bepaald.

–      Afdeling 2 bevat beperkingen op de toepassing van verordening Brussel I bis. In deze afdeling zijn internationale bevoegdheidsregels opgenomen (artikel 82) en is bepaald welke rechters bevoegd zullen zijn om geschillen over Gemeenschapsmodellen te beslechten en van welke vorderingen zij kennis zullen nemen (artikelen 80 en 81).(16) Artikel 90 („Voorlopige, inclusief beschermende, maatregelen”) maakt deel uit van deze afdeling.

–      In afdeling 3, met het opschrift „Andere geschillen betreffende Gemeenschapsmodellen”, wordt verwezen naar artikel 79, leden 1 en 4, voor het bepalen van de bevoegde nationale rechterlijke instantie(17) en wordt de interne bevoegdheid voor andere dan de in artikel 81 bedoelde vorderingen toegewezen. Die bevoegdheid wordt concreet toegewezen aan de rechtbanken die absoluut en relatief bevoegd zouden zijn indien het rechtsvorderingen inzake een nationaal modelrecht van de betrokken lidstaat zou betreffen (artikel 93).

48.      De systematische uitlegging van titel IX van verordening nr. 6/2002 bevestigt dat de wetgever een onderscheid heeft willen maken in de behandeling van vorderingen betreffende inbreuk op en nietigheid van Gemeenschapsmodellen, enerzijds, en andere vorderingen, anderzijds. De eerste zijn geregeld in afdeling 2, waartoe ook artikel 90 behoort. Het is dan ook moeilijk denkbaar dat dit artikel een ander doel dient dan het geheel van regels (afdeling 2) waar het deel van uitmaakt. Artikel 90 geldt met andere woorden eveneens voor beschermende en voorlopige maatregelen waarom wordt verzocht in het kader van procedures met betrekking tot inbreuken op en de nietigheid van Gemeenschapsmodellen.

49.      De Nederlandse regering voert als aanvullend argument aan dat artikel 90 binnen afdeling 2 ver afstaat van de artikelen 80 en 81 van verordening nr. 6/2002. Dat deze artikelen van elkaar zijn gescheiden door de artikelen 82 tot en met 89, die betrekking hebben op andere soorten aangelegenheden, lijkt aan te geven dat zij enigszins losstaan van elkaar.

50.      Dat argument lijkt mij niet houdbaar. De formulering van de artikelen 82 tot en met 89 van verordening nr. 6/2002 bevat tal van verwijzingen naar de in artikel 81 bedoelde vorderingen, wat aantoont dat zij dezelfde logica volgen als dit artikel – welke logica rechtvaardigt dat al die artikelen zijn opgenomen in afdeling 2 van titel IX. Die logica verklaart ook waarom artikel 90 tot diezelfde afdeling behoort, hetgeen het idee versterkt dat de beschermende maatregelen waarnaar wordt verwezen, overeenstemmen met de in artikel 81 bedoelde procedures, en niet met de procedures van artikel 93, dat in afdeling 3 staat.

51.      De letterlijke en de systematische uitlegging pleiten dus voor een andere oplossing dan die welke de Procureur-generaal en de Nederlandse regering voorstaan. De logica achter het tweeledige systeem van gespecialiseerde rechters/andere bevoegde rechters binnen elke lidstaat, bezien in samenhang met de verschillende rol die is weggelegd voor de voorlopige en beschermende maatregelen, enerzijds, en de rechterlijke beslissing over de grond van de zaak, anderzijds, wijst in de richting van diezelfde oplossing.

52.      Het stelsel van gespecialiseerde rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel draagt zonder enige twijfel bij tot de eenheid van de rechtspraak en de uniforme toepassing van de regels ten gronde voor vorderingen ter zake van inbreuk en nietigheid. Die visie op de rol van de uitspraak ten gronde blijkt uit de opzet van verordening nr. 6/2002: zo is de bevoegdheid voor de in artikel 81 bedoelde vorderingen in artikel 80 geconcentreerd bij een beperkt aantal rechtbanken, met als doel „de ontwikkeling van een uniforme interpretatie van de voorwaarden waaraan Gemeenschapsmodellen moeten voldoen om rechtsgeldig te zijn” (overweging 28).

53.      Er is echter geen reden om die doelstelling na te streven voor de beschermende en voorlopige maatregelen, waarvan de vaststelling per definitie beperkt is in de tijd en niet vooruitloopt (niet mag vooruitlopen) op de uiteindelijke beslissing in het geschil.

54.      Zonder het praktische belang te ontkennen dat de beslissing in kort geding in bepaalde zaken kan hebben, wijs ik er toch op dat die beslissing ondergeschikt is aan de voortzetting van de hoofdzaak(18) en niet mag ingrijpen in kwesties die eigen zijn aan deze laatste. In verordening nr. 6/2002 is de bevoegdheid om kennis te nemen van complexe aangelegenheden die de grond van de zaak betreffen (zoals een inbreuk op of de nietigheid van het model) uitdrukkelijk voorbehouden aan de gespecialiseerde rechtbanken.

55.      Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk in het kader van de reconventionele vordering die de verweerder overeenkomstig artikel 85, lid 1, moet instellen als hij de rechtsgeldigheid wil aanvechten van het Gemeenschapsmodel waarvan de verzoeker houder is en deze laatste een vordering overeenkomstig artikel 81 van verordening nr. 6/2002 heeft ingesteld. In de procedurele fase van de beschermende of voorlopige maatregelen kan de verweerder er daarentegen mee volstaan een gewone exceptie van nietigheid op te werpen (artikel 90, lid 2, van verordening nr. 6/2002).(19)

56.      Die dubbele behandeling laat zien dat de werking van beslissingen in kort geding voor de Uniewetgever – net omdat zij een voorlopig karakter hebben en worden gegeven in afwachting van de beslissing ten gronde – beperkt is. Het is niet zo dat de voorzieningenrechter bij zijn beoordeling van de fumus boni juris of de overige aangevoerde gronden niet kan ingaan op het middel dat de verweerder (bij wege van exceptie) opwerpt met betrekking tot de geldigheid van het model van de verzoeker, maar aangezien dat oordeel niet definitief is, vereist het geen reconventionele vordering noch het optreden van de gespecialiseerde rechtbank die zich daar uiteindelijk over zal moeten uitspreken.

57.      Voorts moet er rekening mee worden gehouden dat hoewel vaststaat dat de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel kennis van zaken hebben op dit gebied, dat ook geldt voor de andere nationale rechters.

58.      Het stelsel ter bescherming van modellen is immers gebaseerd op het naast elkaar bestaan van modellen met een communautair bereik en modellen met een louter nationaal bereik. Die co-existentie komt tot uiting in de toekenning van de rechterlijke bevoegdheden.

59.      De bescherming van nationale modellen staat aan de nationale rechters (niet-gespecialiseerde rechters in de zin van verordening nr. 6/2002) die door het recht van elke lidstaat worden aangewezen – alleen hierdoor al staan zij dicht bij de materie. In dergelijke gedingen kunnen zij dezelfde beschermende maatregelen vaststellen als die welke in voorkomend geval van toepassing zullen zijn in gedingen met betrekking tot Gemeenschapsmodellen.(20)

60.      Bovendien zijn deze (niet-gespecialiseerde) nationale rechters eveneens bevoegd om bepaalde geschillen met betrekking tot Gemeenschapsmodellen te beslechten overeenkomstig artikel 93 van verordening nr. 6/2002. Zij kunnen in die geschillen eveneens beschermende en voorlopige maatregelen bevelen.

61.      De rechters die uitgesloten zijn van de in artikel 81 van verordening nr. 6/2002 bedoelde bevoegdheid bewegen zich dus op een voor hen bekend terrein, maar het blijft een feit dat zij niet bevoegd zijn om zich uit te spreken over de grond van een geschil ter zake van inbreuk op of nietigheid van een Gemeenschapsmodel.

62.      Het argument dat de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel (sterker) gespecialiseerd zijn, lijkt mij derhalve geen inperking van de bevoegdheden van de overige nationale rechters ten aanzien van beschermende en voorlopige maatregelen te rechtvaardigen.

63.      De Nederlandse regering legt artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 aldus uit dat het de lidstaten vrijlaat om te kiezen hoe zij de procedure in kort geding inrichten, met de beperking dat de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel noodzakelijkerwijs bevoegd moet zijn.

64.      Zij voert in dat verband aan dat de procesautonomie van de lidstaten slechts wijkt wanneer krachtens uitdrukkelijke regels bepaalde bevoegdheden aan een specifieke rechterlijke autoriteit moeten worden toegewezen (zoals het geval is bij de artikelen 80 en 81 van verordening nr. 6/2002). Niets belet een lidstaat dus om te beslissen dat de gespecialiseerde rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel exclusief bevoegd zijn voor vorderingen betreffende inbreuk of nietigheid, ook in de conservatoire fase.

65.      In die visie wordt artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 opgevat als een loutere machtigingsbepaling: de lidstaten „kunnen” ervoor kiezen om de conservatoire bevoegdheid op te dragen aan bepaalde rechterlijke instanties (met de eerder genoemde beperking dat de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel in elk geval bevoegd moeten zijn).

66.      Ik ben evenwel van oordeel dat het woord „kunnen” in die bepaling een andere betekenis heeft, die nauwer aansluit bij het doel van de regeling. De mogelijkheid om te kiezen betreft niet de lidstaten, maar de procespartijen. Net om redenen die verband houden met de bescherming van de belangen van deze laatste en de nabijheid van de rechterlijke instanties die hun dringend een antwoord moeten geven(21), zij het dan op een louter voorlopige en conservatoire basis, wordt hun de mogelijkheid geboden om zich hetzij tot de gespecialiseerde rechtbanken te wenden, hetzij tot de gewone.

67.      De bepaling moet derhalve worden gelezen vanuit het oogpunt van de houders van het aan het ingeschreven Gemeenschapsmodel verbonden recht die om rechterlijke bescherming van dat model verzoeken. Wat hier, kortom, wordt bevorderd, is de openstelling van een genereuzere conservatoire beroepsweg, waarbij doeltreffendheid vooropstaat(22), terwijl in het bodemgeschil gespecialiseerde kennis belangrijker is om vorderingen betreffende inbreuk of nietigheid te beslechten.

68.      Men zou kunnen denken dat de opname van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel in dat geval overbodig is, maar dat is niet zo. De reden daarvoor is te vinden in artikel 90, lid 3, waaruit voortvloeit dat:

–      indien de betrokkene ervoor kiest om de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel om de beschermende en voorlopige maatregel te verzoeken, de maatregelen die deze rechtbank treft van toepassing zijn op het grondgebied van gelijk welke lidstaat;

–      indien de betrokkene ervoor kiest om dit verzoek aan andere dan de gespecialiseerde nationale rechtbanken te richten, de werking van de beschermende maatregel die deze rechtbanken treffen, beperkt is tot de betrokken lidstaat.

69.      De laatste zin van artikel 90, lid 3, van verordening nr. 6/2002 bevestigt wat tot nu toe is uiteengezet. Het zou niet nodig zijn voor te schrijven dat „geen enkele andere rechterlijke instantie [dan de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel] deze bevoegdheid [heeft, om de werking van haar beschermende en voorlopige maatregelen uit te breiden tot het grondgebied van gelijk welke lidstaat]” indien de overige rechtbanken per definitie niet bevoegd waren om beschermende maatregelen te treffen in het kader van vorderingen betreffende nietigheid van of inbreuk op Gemeenschapsmodellen.

70.      Kort gezegd, met de vaststelling van een beschermende maatregel door de nationale rechtbanken (zoals hierboven omschreven) wordt toegang verkregen tot de rechterlijke bescherming die noodzakelijkerwijs eigen is aan dit soort procedures en gekenmerkt wordt door spoedeisendheid, waarbij ik onderstreep dat de zaak in deze fase van het proces niet uitputtend ten gronde kan worden onderzocht, hetgeen uitsluitend aan de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel staat.

V.      Conclusie

71.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de Hoge Raad der Nederlanden het volgende antwoord te geven:

„Artikel 90, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen moet aldus worden uitgelegd dat de nationale rechtbanken die bevoegd zijn voor nationale modellen, voorlopige en beschermende maatregelen kunnen bevelen in procedures ter zake van inbreuk op of geldigheid van Gemeenschapsmodellen waarin de bevoegdheid om uitspraak ten gronde te doen uitsluitend toekomt aan de rechterlijke instanties die overeenkomstig artikel 80, lid 1, van die verordening zijn aangewezen.”


1      Oorspronkelijke taal: Spaans.


2      Verordening van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).


3      Stb. 2004/573; hierna: „wet van 4 november 2004”.


4      De rechter heeft High5 op straffe van dwangsommen met name verboden de speelballetjes en de accessoires te verkopen en heeft haar bevolen al haar professionele afnemers te verzoeken deze producten te retourneren, met het aanbod de factuurprijs en de transportkosten te vergoeden. Voorts moest High5 aan Spin Master een opgave bezorgen van haar toeleverancier(s) en haar professionele afnemers, alsook een specificatie van het totale aantal geleverde producten.


5      Arresten van 14 december 1971, Politi (43/71, EU:C:1971:122); 21 februari 1974, Birra Dreher (162/73, EU:C:1974:17); 18 juni 1998, Corsica Ferries (C‑266/96, EU:C:1998:306), en 25 juni 2009, Roda Golf & Beach Resort (C‑14/08, EU:C:2009:395, punt 33).


6      Conclusie in de zaak De Coster (C‑17/00, EU:C:2001:366, punt 30).


7      Arrest van 16 december 2008, Cartesio (C‑210/06, EU:C:2008:723, punten 57‑59).


8      De indeling van die maatregelen is niet geharmoniseerd bij verordening nr. 6/2002: in elke lidstaat worden de maatregelen toegepast waarin de nationale wetgeving voorziet.


9      Zoals reeds vermeld, staat verordening nr. 6/2002 toe dat elke lidstaat niet één, maar meerdere (een „zo gering mogelijk” aantal) rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel aanwijst. In Nederland werd gekozen voor één enkele rechtbank.


10      Een andere kwestie is de werking van die maatregelen, die verschilt naargelang van de rechtbank die ze treft. Op dat onderscheid zal ik later ingaan.


11      Zijn opmerkingen komen overeen met die welke hij formuleerde in het bij de Hoge Raad in het belang der wet ingestelde cassatieberoep.


12      PB 1989, L 401, blz. 34.


13      De internationale bevoegdheid komt aan bod in artikel 14 van het protocol, de nationale bevoegdheid in artikel 15.


14      Opmerkingen van de Procureur-Generaal, punt 3.23.


15      PB 1998, C 27, blz. 1, geconsolideerde versie in PB 2009, L 147, blz. 5. De verwijzing naar dit verdrag moet evenwel worden opgevat als een verwijzing naar verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1) (hierna: „verordening Brussel I bis”).


16      Daarnaast zijn in deze afdeling enkele specifieke aspecten geregeld met betrekking tot de draagwijdte en de effecten van het instellen van vorderingen betreffende inbreuk en nietigheid en bevat zij onder meer bepalingen inzake het toepasselijke recht, verknochtheid en bevoegdheid in tweede aanleg (artikelen 82‑89, 91 en 92).


17      Indien op grond van artikel 79, leden 1 en 4, geen rechterlijke instantie bevoegd is, wordt de bevoegdheid toegewezen aan de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) is gevestigd.


18      Daarom heeft de voorzieningenrechter van Amsterdam in zijn beslissing van 12 januari 2017 een termijn vastgesteld voor het instellen van de hoofdzaak.


19      In de Spaanse taalversie van dit lid wordt ten onrechte de uitdrukking „demanda de nulidad” („verzoek om nietigverklaring”) gebruikt, terwijl het in werkelijkheid om een echte exceptie gaat en niet om een verzoek, in procedurele zin. Dat wordt ook bevestigd door de andere taalversies die ik heb geraadpleegd: exception de nullité, in de Franse versie; plea, in de Engelse; eccezioni di nullità, in de Italiaanse; excepção de nulidade, in de Portugese, en Einwand der Nichtigkeit, in de Duitse.


20      Zoals ik reeds heb opgemerkt (voetnoot 8), bevat verordening nr. 6/2002 geen specifieke bepalingen aangaande de indeling van die maatregelen. Hiervoor geldt de regeling die is vastgesteld in het recht van elke lidstaat inzake nationale modellen.


21      Zo interpreteert de Commissie dit: zij benadrukt dat de rechtzoekende een beroep moet kunnen doen op een geografisch nabije rechterlijke instantie die hij om dringende bescherming kan verzoeken, hetgeen impliceert dat de specialisatie minder belangrijk wordt. Bij wijze van voorbeeld vermeldt zij de noodzaak bewijsmateriaal te bewaren dat dreigt te verdwijnen, of de verspreiding van namaakproducten vanuit een specifiek distributiepunt, zoals een haven of een fabriek.


22      Op het gebied van intellectuele eigendom speelt conservatoire bescherming een fundamentele rol om, met betrekking tot de rechten van verdediging van de tegenpartij, ervoor te zorgen dat de houder van het recht passende bescherming krijgt tot een beslissing ten gronde is gegeven [overweging 22 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45; met rectificatie in PB 2004, L 195, blz. 16)].