Language of document : ECLI:EU:C:2019:764

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

19 september 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 3, leden 1 en 3 – Bijlage bij richtlijn 93/13/EEG – Punt 1, onder m) en q) – Hypothecaire lening – Notariële akte – Aanbrengen van de formule van tenuitvoerlegging door een notaris – Omkering van de bewijslast – Artikel 5, lid 1 – Duidelijke en begrijpelijke bewoordingen”

In zaak C‑34/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Ítélőtábla (rechter in tweede aanleg Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 9 januari 2018, ingekomen bij het Hof op 18 januari 2018, in de procedure

Ottília Lovasné Tóth

tegen

ERSTE Bank Hungary Zrt.,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, F. Biltgen, J. Malenovský, C. G. Fernlund en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: G. Hogan,

griffier: R. Şereş, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 januari 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        Ottília Lovasné Tóth, vertegenwoordigd door G. Némethi, ügyvéd,

–        ERSTE Bank Hungary Zrt., vertegenwoordigd door T. Kende en P. Sonnevend, ügyvédek,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Ruiz García en A. Tokár als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 maart 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 5 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) en van punt 1, onder m) en q), van de bijlage bij deze richtlijn.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Ottília Lovasné Tóth (hierna: „kredietnemer”) en ERSTE Bank Hungary Zrt. (hierna: „bank”) betreffende een verzoek om vaststelling van het vermeend oneerlijke karakter van een beding in een hypothecaire lening die in buitenlandse valuta is uitgedrukt.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De vijfde overweging van richtlijn 93/13 luidt als volgt:

„Overwegende dat over het algemeen de consument de rechtsregels niet kent die in andere lidstaten dan het land waarin hij woont, gelden voor overeenkomsten voor de verkoop van goederen of het aanbieden van diensten; dat dit gebrek aan kennis hem van rechtstreekse transacties van aankoop van goederen of betreffende dienstverrichtingen in een andere lidstaat kan afhouden”.

4        Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”

5        Artikel 3, lid 3, van die richtlijn verwijst naar de bijlage erbij, die een „indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt” bevat.

6        Artikel 5, eerste volzin, van deze richtlijn bepaalt:

„In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld.”

7        Artikel 8 van richtlijn 93/13 luidt:

„Ter verhoging van het beschermingsniveau van de consument kunnen de lidstaten op het onder deze richtlijn vallende gebied strengere bepalingen aannemen of handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Verdrag.”

8        Punt 1 van de bijlage bij deze richtlijn is geformuleerd als volgt:

„Bedingen die tot doel of tot gevolg hebben:

[...]

m)      de verkoper het recht te geven te bepalen of de geleverde goederen of de dienst aan de bepalingen van de overeenkomst beantwoorden of hem het exclusieve recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren;

[...]

q)      het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren, met name door de consument te verplichten zich uitsluitend tot een niet onder een wettelijke regeling ressorterend scheidsgerecht te wenden, door de bewijsmiddelen waarop de consument een beroep kan doen op ongeoorloofde wijze te beperken of hem een bewijslast op te leggen die volgens het geldende recht normaliter op een andere partij bij de overeenkomst rust.”

 Hongaars recht

 Burgerlijk wetboek

9        De Polgári Törvénykönyvről szóló 1959. évi IV. törvény (wet nr. IV van 1959 houdende invoering van het burgerlijk wetboek), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „burgerlijk wetboek”), bepaalt in artikel 205/A:

„1.      Als algemene contractvoorwaarden worden beschouwd de contractuele bedingen die door een partij voor het afsluiten van meerdere overeenkomsten eenzijdig, zonder betrokkenheid van de andere partij, vooraf zijn vastgelegd en waarover door de partijen niet afzonderlijk is onderhandeld.

[...]

3.      Voor de kwalificatie als algemene contractvoorwaarden zijn niet van belang de omvang, de vorm, de wijze van formulering en het feit dat de voorwaarden in de overeenkomst zelf of in een ander document zijn opgenomen.”

10      Artikel 209 van het burgerlijk wetboek bepaalt:

„1.      Algemene contractvoorwaarden en bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, zijn oneerlijk wanneer zij de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen in strijd met de goede trouw en billijkheid eenzijdig en zonder rechtvaardiging vastleggen ten nadele van de partij die de contractvoorwaarden niet heeft opgesteld.

2.      Bij de beoordeling of een beding oneerlijk is, moeten alle op de datum van de sluiting van de overeenkomst bestaande omstandigheden worden onderzocht die tot de sluiting van de overeenkomst hebben geleid, alsook de aard van de overeengekomen dienst en het verband van het betrokken beding met de overige bedingen van de overeenkomst in kwestie of met andere overeenkomsten.

3.      In bijzondere voorschriften kunnen de bedingen van consumentenovereenkomsten worden bepaald die als oneerlijk worden beschouwd of die behoudens bewijs van het tegendeel als oneerlijk moeten worden beschouwd.”

11      Artikel 209/A van het burgerlijk wetboek luidt als volgt:

„1.      Oneerlijke bedingen die als algemene contractvoorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst, kunnen door de benadeelde partij worden betwist.

2.      Oneerlijke bedingen die als algemene contractvoorwaarden deel uitmaken van de consumentenovereenkomst en oneerlijke bedingen die door de partij die met de consument een overeenkomst sluit, van tevoren eenzijdig zijn vastgesteld zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, zijn nietig. Nietigheid kan enkel worden ingeroepen in het belang van de consument.”

12      In artikel 242 van het burgerlijk wetboek staat te lezen:

„1.      De erkenning van schuld wijzigt de rechtstitel van de schuld niet; het is evenwel aan diegene die de schuld erkent om te bewijzen dat de schuld niet bestaat, dat niet langs gerechtelijke weg om gedwongen tenuitvoerlegging van de schuldvordering kan worden verzocht of dat de overeenkomst ongeldig is.

2.      De erkenning van de schuld geschiedt bij schriftelijke verklaring gericht aan de andere partij.”

13      Artikel 523 van het burgerlijk wetboek bepaalt:

„1.      Met een leningsovereenkomst verbindt de kredietinstelling of een andere crediteur zich ertoe de debiteur een bepaald geldbedrag ter beschikking te stellen en de debiteur verbindt zich ertoe dat bedrag af te lossen volgens het bepaalde in de overeenkomst.

2.      Behoudens andersluidende bepaling moet de debiteur, indien de crediteur een kredietinstelling is, rente betalen (banklening).”

14      Volgens artikel 688 van het burgerlijk wetboek strekt dit wetboek onder meer tot omzetting van richtlijn 93/13 in Hongaars recht.

 Regeringsdecreet

15      Volgens artikel 1, lid 1, van de fogyasztóval kötött szerződésben tisztességtelennek minősülő feltételekről szóló 18/1999. (II. 5.) Kormányrendelet [regeringsdecreet 18/1999 (II. 5.) betreffende als oneerlijk te beschouwen bedingen in consumentenovereenkomsten], in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „regeringsdecreet”), zijn met name die bedingen oneerlijk die:

„[...]

b)      uitsluitend de partij die met de consument een overeenkomst sluit, machtigen om te bepalen of de overeenkomst conform de daarin opgenomen bepalingen is nagekomen;

[...]

i)      de mogelijkheden voor de consument om zijn rechten krachtens de wet of de overeenkomst tussen de partijen in rechte te doen gelden, uitsluiten of beperken, tenzij die mogelijkheden worden vervangen door een andere wettelijke procedure voor de beslechting van geschillen;

j)      de bewijslast omkeren ten nadele van de consument.”

16      Artikel 3, lid 2, van dit decreet luidt:

„Dit decreet strekt samen met de relevante bepalingen van het burgerlijk wetboek tot omzetting van richtlijn [93/13] in Hongaars recht.”

 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

17      De polgári perrendtartásról szóló 1952. évi III. törvény (wet nr. III van 1952 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), bepaalt in artikel 164, lid 1:

„Het bewijs van de feitelijke elementen die nodig zijn om het geschil te beslechten, moet in de regel worden geleverd door de partij die er belang bij heeft dat die elementen door de rechter bewezen worden geacht.”

 Hongaarse wet nr. LIII van 1994

18      De bírósági végrehajtásról szóló 1994. évi LIII törvény (Hongaarse wet nr. LIII van 1994 inzake gedwongen tenuitvoerlegging), in de versie die van toepassing was op de datum van ondertekening van de overeenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is, bepaalt in artikel 10:

„De tenuitvoerlegging wordt toegestaan op overlegging van een executoriale titel. Als executoriale titels worden beschouwd:

[...]

b)      akten die zijn voorzien van de formule van tenuitvoerlegging afgegeven door een rechterlijke instantie”.

19      Sinds 1 juni 2010 luidt deze bepaling als volgt:

„De tenuitvoerlegging wordt toegestaan op overlegging van een executoriale titel. Als executoriale titels worden beschouwd:

[...]

b)      akten die zijn voorzien van de formule van tenuitvoerlegging afgegeven door een rechterlijke instantie of een notaris”.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20      Op 27 oktober 2008 hebben de kredietnemer en de bank een hypothecaire lening in Zwitserse frank (CHF) (hierna: „leningsovereenkomst”) gesloten, waarbij de bank zich ertoe heeft verbonden een bedrag van 132 848 CHF (ongeveer 118 140 EUR) ter beschikking van de kredietnemer te stellen voor de herfinanciering van een krediet. Op diezelfde dag heeft de kredietnemer voor een notaris een authentieke akte laten verlijden die als opschrift „eenzijdige verklaring van schulderkenning” droeg en waarin de bedingen van de leningsovereenkomst waren opgenomen.

21      Punt I.4 van de leningsovereenkomst, waarvan de inhoud ook is opgenomen in die notariële akte, is als volgt geformuleerd:

„De partijen verbinden zich ertoe een bewijskrachtig, op basis van de rekeningen van de schuldenaar bij de bank en van de registers en de boekhouding van deze laatste opgesteld document, waarvan de inhoud is vastgelegd in een authentieke akte, te aanvaarden als een betrouwbaar en onweerlegbaar bewijs ter beslechting van mogelijke afrekeningsgeschillen of ter voldoening van een vordering van de bank, ter bepaling van het op een bepaald tijdstip uitstaande bedrag van de lening of van enige andere schuld overeenkomstig de onderhavige akte, ter bepaling van de effectieve datum van uitbetaling en van de datum waarop een schuld opeisbaar wordt, alsook ter vaststelling van andere feiten of gegevens die nodig zijn om tot rechtstreekse gerechtelijke executie te kunnen overgaan.

In geval van wanbetaling van de hoofdsom of de bijbehorende interesten en kosten, of in het geval dat de betaling niet strookt met hetgeen is overeengekomen, zal naast het onderhavige document derhalve ook het bewijskrachtige, op basis van de rekeningen van de schuldenaar bij de bank en van de registers en de boekhouding van deze laatste opgestelde document, waarvan de inhoud is vastgelegd in een authentieke akte, als bewijs dienen voor het op een bepaald tijdstip uitstaande bedrag van de lening en de interesten en kosten, die grond opleveren voor executie, alsook voor de eerder genoemde feiten. Door ondertekening van deze overeenkomst verbinden de partijen zich ertoe het bovengenoemde bewijskrachtige document te aanvaarden.

In het geval waarin een executieprocedure wordt ingeleid door de bank, verzoeken de partijen of de schuldenaar de notaris die de onderhavige akte heeft verleden of een andere bevoegde notaris, om op basis van de rekeningen van de schuldenaar bij de bank en van de registers en de boekhouding van deze laatste en na onderzoek van de registers, het uitstaande bedrag van de lening en de interesten en kosten of van enige andere schuld die voortvloeit uit de eerder genoemde lening en de eerder genoemde feiten en gegevens vast te leggen in een notariële akte, en stemmen zij in met de opheffing van het bankgeheim met betrekking tot deze informatie.”

22      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de leningsovereenkomst de bank machtigt om deze overeenkomst onmiddellijk te ontbinden in geval van ernstig verzuim bij de nakoming van de contractuele verplichtingen door de kredietnemer, zoals de niet-nakoming van een betalingsverplichting. Aangezien alle uitstaande verplichtingen van die overeenkomst ingevolge de ontbinding vervallen, heeft de bank recht op onmiddellijke betaling van het resterende verschuldigde bedrag.

23      Op 5 januari 2016 heeft de kredietnemer beroep ingesteld bij de in eerste aanleg bevoegde Hongaarse rechter. Zij voerde aan dat het beding in punt I.4 van de leningsovereenkomst en de daarmee overeenstemmende bepaling van de authentieke akte die naar aanleiding van de sluiting van de leningsovereenkomst was opgesteld, oneerlijk waren omdat zij zich met dat beding ertoe had verbonden te aanvaarden dat de bank een verzuim van harentwege en de uitstaande schuld eenzijdig kon vaststellen en op basis van deze bewijskrachtige authentieke akte tot rechtstreekse executie kon overgaan, voor zover zij was voorzien van de tenuitvoerleggingsformule. Volgens de kredietnemer keert dat beding de bewijslast om ten nadele van de consument, aangezien het in geval van onenigheid tussen partijen aan de consument staat om bij een rechter in verzet te komen tegen de gedwongen tenuitvoerlegging.

24      De bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Volgens de bank kan uit hoofde van het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, niet eenzijdig worden bepaald of de kredietnemer haar verplichtingen is nagekomen. Dat beding keert de bewijslast niet om en ontneemt de kredietnemer niet de mogelijkheid om haar rechten te doen gelden. Zelfs al is een notariële akte verleden waarin het bedrag van de schuld is vastgelegd, dan nog is het op grond van het Hongaarse recht steeds mogelijk om tegenbewijs te leveren. Zelfs in het kader van een vereenvoudigde tenuitvoerleggingsprocedure is het steeds aan de bank om het bedrag van de vordering te bewijzen. Het beding machtigt de bank niet om de uitstaande schuld eenzijdig vast te stellen noch om haar eigen uitlegging van de bepalingen van de leningsovereenkomst op te leggen.

25      De in eerste aanleg bevoegde Hongaarse rechter heeft het beroep van kredietnemer verworpen op grond dat het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, niet oneerlijk was, waarbij hij zich beperkte tot het verduidelijken van de modaliteiten die in acht moeten worden genomen om de schuld vast te leggen. Aangaande de tenuitvoerlegging heeft die rechter geoordeeld dat, wanneer zij is toegestaan, niet kan worden geverifieerd of de kredietnemer in gebreke is gebleven. De kredietnemer kan evenwel ten overstaan van de deurwaarder verklaren dat zij haar verplichtingen is nagekomen en, zo nodig, een procedure inleiden om gedwongen tenuitvoerlegging uit te sluiten. In die procedure kan de kredietnemer de vordering betwisten.

26      De kredietnemer heeft hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij heeft benadrukt dat het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, een onevenwicht ten nadele van de consument in de zin van richtlijn 93/13 met zich kan brengen doordat het de bank gemakkelijker wordt gemaakt om haar rechten te doen gelden en het de consument moeilijker wordt gemaakt om zich te verweren.

27      De verwijzende rechter – die eraan herinnert dat volgens artikel 242 van het burgerlijk wetboek het aan diegene die de schuld erkent is om te bewijzen dat de schuld niet bestaat, dat niet langs gerechtelijke weg om tenuitvoerlegging van de schuldvordering kan worden verzocht of dat de overeenkomst ongeldig is – is van mening dat dit artikel niet van toepassing is op het beding in punt I.4 van de leningsovereenkomst. Volgens de verwijzende rechter is dat artikel, waarbij in geval van schulderkenning de bewijslast wordt omgekeerd, slechts van toepassing indien het bedrag van de schuld duidelijk is omschreven. In casu is dat niet het geval.

28      Voorts stelt de verwijzende rechter vast dat punt I.4 van de leningsovereenkomst ten aanzien van de omkering van de bewijslast hetzelfde effect heeft als artikel 242 van het burgerlijk wetboek, aangezien het in geval van onenigheid tussen partijen aan de kredietnemer staat om het ongelijk van de bank te bewijzen en bij een rechter de wettigheid van de gedwongen tenuitvoerlegging of de geldigheid van de leningsovereenkomst te betwisten. In een procedure strekkende tot beperking of uitsluiting van gedwongen tenuitvoerlegging zijn de vereisten inzake termijnen en bewijslevering strikter dan in gewone civiele procedures. Door voor te schrijven dat de schuld moet worden vastgelegd aan de hand van een bewijskrachtige authentieke akte op basis van de boekhouding van de bank, zelfs al is zij door de debiteur niet noodzakelijkerwijs erkend, brengt dit beding een onevenwicht ten nadele van de consument met zich.

29      De verwijzende rechter heeft twijfels over de vraag of dat beding onder punt 1, onder m) en q), van de bijlage bij richtlijn 93/13 valt en over de wijze waarop hij moet beoordelen of een dergelijk beding oneerlijk is. De verwijzende rechter merkt dienaangaande op dat die bijlage in Hongaars recht is omgezet en dat de bedingen waarvan sprake in artikel 1, lid 1, van het regeringsdecreet oneerlijk worden geacht zonder dat verder onderzoek nodig is.

30      De verwijzende rechter wijst erop dat artikel 8 van richtlijn 93/13 bepaalt dat de lidstaten, ter verhoging van het beschermingsniveau van de consument, strengere bepalingen op het onder die richtlijn vallende gebied kunnen aannemen, voor zover deze verenigbaar zijn met het Verdrag. Het is de nationale wetgever dus toegestaan om de bedingen als bedoeld in artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1 van de bijlage bij deze richtlijn, zonder bijkomend onderzoek oneerlijk te bevinden.

31      Aangaande de vraag of een beding als aan de orde in het hoofdgeding onder punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn 93/13 valt, merkt de verwijzende rechter op dat de Hongaarse taalversie van deze bepaling ziet op bedingen „die tot doel of tot gevolg hebben [...]”, terwijl andere taalversies van die bepaling, zoals de Duitse, Poolse, Tsjechische en Sloveense, verwijzen naar bedingen „die ertoe strekken of tot gevolg hebben [...]”. Op basis van laatstgenoemde taalversies moet worden geoordeeld dat de betrokken financiële instelling, door dat beding in de betrokken overeenkomst in te voegen, de bedoeling had om de bewijslast om te keren.

32      In dat verband vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder q), van de bijlage bij deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een beding dat tot doel heeft de bewijslast om te keren teneinde in geval van ernstig verzuim van de consument te kunnen overgaan tot vereenvoudigde gedwongen tenuitvoerlegging, zelfs al kan die vereenvoudigde tenuitvoerleggingsprocedure, ongeacht dat beding, ook worden gebaseerd op het nationale recht.

33      Volgens de verwijzende rechter kan het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, ook al vormt het de omzetting van een procedure tot tenuitvoerlegging door een notaris waarin de Hongaarse wetgeving reeds voorziet, oneerlijk zijn voor zover het tot gevolg heeft dat de kredietnemer verstoken blijft van evenwichtige en faire onderhandelingen en verplicht wordt om een dure gerechtelijke procedure in te leiden, doordat het de bank de mogelijkheid laat het resterende verschuldigde bedrag te bepalen. Ten slotte zijn de potentiële gevolgen van dat beding in geval van een geding niet volstrekt begrijpelijk voor de gemiddelde consument bij de sluiting van de overeenkomst.

34      De verwijzende rechter merkt op dat een situatie die vergelijkbaar is met die welke in het hoofdgeding aan de orde is, heeft geleid tot het arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C‑32/14, EU:C:2015:637). Dat arrest is door de Hongaarse rechters evenwel op uiteenlopende wijze toegepast ten aanzien van bedingen als aan de orde in het hoofdgeding.

35      De verwijzende rechter benadrukt dat de debiteur, indien de tenuitvoerleggingsformule op een authentieke akte is aangebracht, volgens de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije) de schuld uit hoofde van artikel 369 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering slechts kan betwisten in het kader van een procedure tot staking of beperking van de tenuitvoerlegging. Daarbij gaat het evenwel om een gevolg dat voortvloeit uit de procedureregels die van toepassing zijn op notariële authentieke aktes en de tenuitvoerleggingsformule. Bedingen die vergelijkbaar zijn met het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, hebben dus geen negatieve invloed op de rechtspositie van de consument en spelen dienaangaande geenszins in zijn nadeel. Het feit dat de bewijslast volgens artikel 164, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering op de consument rust, is namelijk inherent aan procedures strekkende tot uitsluiting of beperking van gedwongen tenuitvoerlegging, zodat de notariële authentieke akte de bewijslast voor de consument niet verzwaart.

36      Andere rechterlijke instanties dan de Kúria hebben evenwel geoordeeld dat een dergelijk beding de bewijslast kan omkeren ten nadele van de consument.

37      De verwijzende rechter merkt daarenboven op dat het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, kan worden beschouwd als een beding in de zin van punt 1, onder m), van de bijlage bij richtlijn 93/13, dat tot doel of tot gevolg heeft de verkoper het recht te geven te bepalen of de geleverde goederen of de dienst aan de bepalingen van de overeenkomst beantwoorden of hem het exclusieve recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren.

38      In die omstandigheden heeft de Fővárosi Ítélőtábla (rechter in tweede aanleg Boedapest, Hongarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Moet punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat het, als regel van de Unie met de rang van een regel van openbare orde, op algemene wijze verbiedt – zodat verder onderzoek overbodig is – dat een crediteur aan een debiteur-consument een contractueel beding opdringt in de vorm van een algemeen beding of een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en dat tot doel of tot gevolg heeft dat de bewijslast wordt omgekeerd?

2)      Kan, in het geval dat het doel of het gevolg van het contractuele beding moet worden beoordeeld op grond van punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn [93/13], worden vastgesteld dat de consumenten worden gehinderd in de uitoefening van hun rechten door een contractueel beding

–        uit hoofde waarvan de debiteur-consument gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij de overeenkomst in haar geheel moet nakomen, met inbegrip van alle bedingen, op de wijze en in de mate bepaald door de crediteur, ook als de debiteur ervan overtuigd is dat de door de crediteur geëiste prestatie niet of niet geheel opeisbaar is, of

–        dat tot gevolg heeft dat de toegang van de consument tot een procedure van geschillenbeslechting op basis van eerlijke onderhandelingen wordt beperkt of uitgesloten, aangezien het voor de crediteur volstaat om dit contractuele beding aan te voeren om het geschil als beslecht te beschouwen?

3)      In het geval dat over het oneerlijke karakter van de in de bijlage bij richtlijn [93/13] vermelde contractuele bedingen moet worden beslist in het licht van de in artikel 3, lid 1, van die richtlijn vastgestelde criteria, voldoet een contractueel beding dat de beslissingen van de consument met betrekking tot de nakoming van de overeenkomst, de beslechting van geschillen met de crediteur langs gerechtelijke of buitengerechtelijke weg of de uitoefening van rechten beïnvloedt dan aan het vereiste van duidelijke en begrijpelijke bewoordingen dat in artikel 5 van de richtlijn is vervat, wanneer het weliswaar duidelijk is geformuleerd uit grammaticaal oogpunt, maar rechtsgevolgen heeft die alleen middels uitlegging van nationale regels kunnen worden vastgesteld ten aanzien waarvan op het tijdstip waarop de overeenkomst werd gesloten geen uniforme gerechtelijke praktijk bestond, en die zich evenmin heeft ontwikkeld in de jaren nadien?

4)      Moet punt 1, onder m), van de bijlage bij richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, ook oneerlijk kan zijn ingeval het de partij die de overeenkomst sluit met de consument de mogelijkheid biedt om eenzijdig te bepalen of de prestatie van de consument strookt met hetgeen is vastgelegd in de overeenkomst, en de consument erkent door het beding te zijn gebonden, zelfs voordat de partijen bij de overeenkomst enige prestatie hebben geleverd?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Ontvankelijkheid van de vragen

39      De bank voert aan dat de voorgelegde vragen niet-ontvankelijk zijn omdat zij in wezen hypothetisch van aard zijn. Aangaande de eerste twee vragen stelt de bank dat de verwijzende rechter uitgaat van de onjuiste premisse dat het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, de bewijslast omkeert ten nadele van de consument. Voorts kan dit beding het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument niet beletten of belemmeren. Bijgevolg is punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn 93/13 niet van toepassing in het hoofdgeding. Wat de derde vraag betreft, betoogt de bank dat de rechtspraak betreffende bedingen als die aan de orde in het hoofdgeding uniform was op het tijdstip waarop de leningsovereenkomst is gesloten, aangezien de Kúria herhaaldelijk heeft geoordeeld dat dergelijke bedingen noch de rechten noch de verplichtingen van de consument met betrekking tot de toepasselijke nationale rechtsregels wijzigen. Wat ten slotte de vierde vraag betreft, voert de bank aan dat punt 1, onder m), van de bijlage bij richtlijn 93/13 niet van toepassing is op het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, daar het de verkoper niet het recht geeft te bepalen of de prestaties van de consument aan de bepalingen van de leningsovereenkomst beantwoorden.

40      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk hypothetisch van aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41      In dat verband blijkt niet kennelijk uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de situaties die de verwijzende rechter voor ogen heeft, niet overeenstemmen met de situatie aan de orde in het hoofdgeding, zoals de advocaat-generaal in punt 37 van zijn conclusie ook heeft opgemerkt.

42      Voorts dient te worden opgemerkt dat in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, elke beoordeling van de feiten en het nationaal recht tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort (zie in die zin arrest van 27 februari 2019, Associação Peço a Palavra e.a., C‑563/17, EU:C:2019:144, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu staat het dus uitsluitend aan de verwijzende rechter om de betekenis en de draagwijdte te beoordelen van het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is.

43      De prejudiciële vragen zijn derhalve ontvankelijk.

 Eerste vraag

44      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder q), van de bijlage bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en dat tot doel of tot gevolg heeft dat de bewijslast wordt omgekeerd ten nadele van de consument, daarbij in algemene zin en zonder verder onderzoek als oneerlijk wordt aangemerkt.

45      Blijkens de bewoordingen van artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13 bevat de bijlage bij deze richtlijn een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Het is juist dat de bijlage bij richtlijn 93/13, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, een wezenlijk aspect vormt waarop de bevoegde rechter zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding kan baseren (zie in die zin beschikking van 3 april 2014, Sebestyén, C‑342/13, EU:C:2014:1857, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat evenwel vast dat een in de lijst van die bijlage voorkomend beding niet noodzakelijkerwijs als oneerlijk hoeft te worden aangemerkt en dat omgekeerd een beding dat er niet in voorkomt toch oneerlijk kan worden bevonden (zie in die zin arrest van 7 mei 2002, Commissie/Zweden, C‑478/99, EU:C:2002:281, punt 20).

46      Hieruit volgt dat het aan de nationale rechter staat om met betrekking tot een contractueel beding overeenkomstig artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder q), van de bijlage bij deze richtlijn, te verifiëren of dit beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

47      Luidens artikel 8 van richtlijn 93/13 kunnen de lidstaten evenwel, ter verhoging van het beschermingsniveau van de consument, strengere bepalingen op het onder dezelfde richtlijn vallende gebied aannemen of handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Verdrag. De lidstaten zijn in beginsel dus vrij om de bescherming als bedoeld in artikel 3, leden 1 en 3, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met punt 1 van de bijlage bij die richtlijn, te verruimen door de in dit punt genoemde standaardbedingen over het algemeen oneerlijk te bevinden, zonder dat verder onderzoek volgens de criteria van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 nodig is.

48      Uit de aan het Hof overgelegde stukken volgt dat de in punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn 93/13 vervatte bedingen volgens het Hongaarse recht inderdaad als oneerlijk worden beschouwd zonder dat bijkomend onderzoek nodig is, hetgeen evenwel aan de verwijzende rechter staat om na te gaan. Als dat het geval is, is het ook aan de verwijzende rechter om vast te stellen of het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, onder artikel 1, lid 1, onder j), van het regeringsdecreet valt.

49      Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder q), van de bijlage bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat volgens deze bepaling een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en dat tot doel of tot gevolg heeft dat de bewijslast wordt omgekeerd ten nadele van de consument, niet in algemene zin en zonder verder onderzoek als oneerlijk wordt aangemerkt.

 Tweede vraag

50      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder q), van de bijlage bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een beding dat tot doel of tot gevolg heeft, ten eerste, dat de consument gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij al zijn contractuele verplichtingen moet nakomen, ook als hij van mening is dat bepaalde prestaties niet verschuldigd zijn, en, ten tweede, dat het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument wordt belemmerd wanneer het resterende bedrag dat de consument uit hoofde van de overeenkomst verschuldigd is, is vastgesteld bij een bewijskrachtige notariële akte op grond waarvan de crediteur het geschil kan beëindigen.

51      Uit de bewoordingen van punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn 93/13 volgt dat dit punt ziet op bedingen die tot doel of tot gevolg hebben het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren.

52      Aangaande bedingen die mogelijkerwijs vallen onder punt 1, onder q), van de bijlage bij deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van dezelfde richtlijn, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het aan de nationale rechter staat om te beoordelen of, en in voorkomend geval in welke mate, het betrokken beding afwijkt van de regels die van toepassing zijn wanneer partijen geen regeling hebben getroffen, zodat het voor de consumenten moeilijker is, gelet op de procedurele middelen waarover hij beschikt, om toegang tot de rechter te krijgen en zijn recht van verdediging uit te oefenen (zie in die zin arrest van 14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 75).

53      Hieruit volgt dat een beding dat de consument niet in een minder gunstige rechtspositie kan plaatsen dan het geldende nationale recht bepaalt, niet valt onder punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van deze richtlijn. Punt 1, onder q), van deze bijlage ziet dus op bedingen waarvan de rechtsgevolgen objectief kunnen worden vastgesteld. Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de invoeging van een dergelijk beding in een overeenkomst bij de consument de indruk kan wekken dat de rechtsmiddelen beperkt zijn en dat hij dientengevolge alle contractuele verplichtingen dient na te komen, aangezien het betrokken beding, gelet op de toepasselijke nationale regelgeving, zijn rechtspositie niet aantast.

54      In casu geeft het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, volgens de verwijzende rechter met name uiting aan de in het Hongaarse recht voorziene mogelijkheid voor de crediteur om, in geval van ernstig verzuim bij de nakoming van de contractuele verplichtingen door de consument, op basis van een van de tenuitvoerleggingsformule voorziene notariële akte over te gaan tot gedwongen tenuitvoerlegging van de betaling van het door de consument verschuldigde resterende bedrag. De verwijzende rechter wijst er tevens op dat de debiteur een procedure kan instellen om gedwongen tenuitvoerlegging uit te sluiten of te beperken.

55      Wat diezelfde vereenvoudigde procedure van gedwongen tenuitvoerlegging betreft, is in punt 60 van het arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C‑32/14, EU:C:2015:637), opgemerkt dat de consument overeenkomstig artikel 209/A, lid 1, van het burgerlijk wetboek een beroep aanhangig kan maken ter betwisting van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst, en daarnaast ingevolge artikel 369 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering een procedure kan beginnen tot staking of beperking van de gedwongen tenuitvoerlegging. In deze laatste procedure kan hij volgens artikel 370 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering verzoeken om schorsing van de gedwongen tenuitvoerlegging.

56      In die omstandigheden doet het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, geen afbreuk aan de rechtspositie van de consument aangezien dat beding het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument niet belet of belemmert in de zin van punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn 93/13, wat evenwel door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

57      Een beding op grond waarvan de crediteur eenzijdig een einde kan maken aan elk geschil, waarbij het resterende verschuldigde bedrag op basis van de boekhouding van de bank is vastgelegd bij een notariële akte die door de notaris kan worden voorzien van de tenuitvoerleggingsformule, kan daarentegen onder punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn 93/13 vallen. Voor zover dat beding de verkoper het recht geeft om eventuele geschillen over de contractuele verplichtingen definitief te beslechten, vormt het immers een beletsel of belemmering voor het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument in de zin van die bepaling.

58      Zoals in punt 54 van dit arrest is opgemerkt, kan het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, gelet op de procedurele modaliteiten waarin het toepasselijke Hongaarse recht voorziet, het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering echter niet beletten of belemmeren, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.

59      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke een notaris die met inachtneming van de vormvoorschriften een authentieke akte betreffende een consumentenovereenkomst heeft verleden, de formule van tenuitvoerlegging op die akte kan aanbrengen of kan weigeren die formule door te halen, hoewel op geen enkel moment is getoetst of de bedingen van die overeenkomst mogelijkerwijs oneerlijk zijn, op voorwaarde evenwel dat de in het nationale recht geldende procedurevoorschriften, in de omstandigheden van het betrokken hoofdgeding, daadwerkelijke rechterlijke bescherming voor de consument garanderen, wat door de verwijzende rechter moet worden nagegaan (zie in die zin arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary, C‑32/14, EU:C:2015:637, punten 64 en 65).

60      Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder q), van de bijlage bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling niet ziet op een beding dat tot doel of tot gevolg heeft dat de consument gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij al zijn contractuele verplichtingen moet nakomen, ook als hij van mening is dat bepaalde prestaties niet verschuldigd zijn, voor zover dat beding – gelet op de toepasselijke nationale regelgeving – geen afbreuk doet aan de rechtspositie van de consument, maar wel ziet op een beding dat tot doel of tot gevolg heeft dat het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument wordt belemmerd wanneer het resterende verschuldigde bedrag is vastgelegd bij een bewijskrachtige notariële akte, op grond waarvan de crediteur het geschil eenzijdig en definitief kan beëindigen.

 Derde vraag

61      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5 van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling vereist dat de verkoper aanvullende inlichtingen verstrekt betreffende een beding dat duidelijk is geformuleerd, maar rechtsgevolgen heeft die alleen kunnen worden vastgesteld door middel van uitlegging van nationale regels ten aanzien waarvan geen uniforme rechtspraak bestaat.

62      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof het vereiste van transparantie van contractuele bedingen, waaraan met name wordt herinnerd in artikel 5 van richtlijn 93/13, niet alleen verlangt dat het betrokken beding voor de consument grammaticaal begrijpelijk is, maar ook dat het hem in staat stelt om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria een inschatting te maken van de economische gevolgen die daaruit voor hem voortvloeien (zie in die zin arresten van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 75, en 9 juli 2015, Bucura, C‑348/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:447, punt 55).

63      Deze rechtspraak vereist in wezen dat de mechanismen voor de berekening van de schuld en het door de consument terug te betalen bedrag transparant en begrijpelijk zijn en dat de verkoper, in voorkomend geval, de daarvoor noodzakelijke aanvullende inlichtingen verstrekt (zie in die zin arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 51).

64      Aangaande het vereiste van transparantie ten aanzien van de economische gevolgen die voor de consument uit een overeenkomst voortvloeien, heeft het Hof geoordeeld dat het, in een situatie waarin bepaalde aspecten van de wijze waarop de met de te verstrekken dienst verbonden kosten worden aangepast, waren gespecificeerd door de dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13, of waarin die bepalingen voorzagen in het recht voor de consument om de overeenkomst te beëindigen, essentieel was dat de verkoper de consument in kennis stelt van die bepalingen (zie in die zin arrest van 26 april 2012, Invitel, C‑472/10, EU:C:2012:242, punt 29).

65      Voorts heeft het Hof in een andere context, waarin het om een beding ging volgens welke het recht van de staat van vestiging van de verkoper van toepassing was, geoordeeld dat de verkoper in beginsel gehouden is om de consument in kennis te stellen van het bestaan van dwingende bepalingen zoals artikel 6, lid 2, van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6), dat bepaalt dat de rechtskeuze er niet toe mag leiden dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het recht dat toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van rechtskeuze (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, Verein für Konsumenteninformation, C‑191/15, EU:C:2016:612, punt 69).

66      Uit de in de punten 64 en 65 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt evenwel niet dat de verkoper ook verplicht is om de consument vóór de sluiting van een overeenkomst in kennis te stellen van de algemene procedurele bepalingen van het interne recht van zijn eigen woonstaat, zoals die met betrekking tot de verdeling van de bewijslast, en van de desbetreffende rechtspraak.

67      In het hoofdgeding is met name geen sprake van een rechtskeuzebeding ten gunste van het recht van de lidstaat waar de verkoper is gevestigd, terwijl de consument in een andere lidstaat woont. Wat een dergelijke situatie betreft, volgt uit richtlijn 93/13 dat de Uniewetgever ervan uitgaat dat de consument niet bekend is met de rechtsregels die in andere dan zijn eigen lidstaat gelden voor overeenkomsten voor de verkoop van goederen of het aanbieden van diensten, zoals in de vijfde overweging ervan wordt bevestigd.

68      Anders dan in de zaken die tot de in de punten 64 en 65 van dit arrest aangehaalde arresten hebben geleid, betreft het hoofdgeding niet de op de verkoper rustende verplichting om de consument in kennis te stellen van het bestaan van dwingende bepalingen van internationaal privaatrecht. Het hoofdgeding heeft evenmin betrekking op de verplichting van de verkoper om de consument in kennis te stellen van dwingende bepalingen volgens welke het door de consument te betalen bedrag kan variëren en die dientengevolge een rechtstreeks effect hebben op de economische gevolgen die voor de consument uit de overeenkomst voortvloeien. In het hoofdgeding is daarentegen sprake van informatie aan de consument die betrekking heeft op het bestaan van algemene procedurele bepalingen betreffende de verdeling van de bewijslast en de uitlegging die daaraan in de rechtspraak werd gegeven op het tijdstip waarop de overeenkomst werd gesloten.

69      In dergelijke omstandigheden zou het opleggen van een verplichting aan de verkoper om de consument in kennis te stellen van het bestaan van algemene procedurele bepalingen en de desbetreffende rechtspraak verder gaan dan wat in het kader van het transparantievereiste redelijkerwijs van de verkoper mag worden verwacht.

70      Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 5 van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat daarbij van de verkoper niet wordt verlangd dat hij aanvullende inlichtingen verstrekt betreffende een beding dat duidelijk is geformuleerd, maar rechtsgevolgen heeft die alleen kunnen worden vastgesteld door middel van uitlegging van nationale regels ten aanzien waarvan geen uniforme rechtspraak bestaat.

 Vierde vraag

71      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder m), van de bijlage bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het ziet op een contractueel beding dat de verkoper toestaat eenzijdig te beoordelen of de prestatie van de consument strookt met hetgeen is vastgelegd in de overeenkomst.

72      Punt 1, onder m), van de bijlage bij richtlijn 93/13 ziet op bedingen die tot doel of tot gevolg hebben de verkoper het recht te geven te bepalen of de geleverde goederen of de dienst aan de bepalingen van de overeenkomst beantwoorden of hem het exclusieve recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren.

73      Gelet op het feit dat in beginsel een beroepsbeoefenaar als verkoper of dienstverrichter optreedt, moet deze bepaling worden geacht betrekking te hebben op bedingen op grond waarvan de beroepsbeoefenaar, in geval van een klacht of betwisting vanwege de consument in verband met de geleverde goederen of de dienst, eenzijdig kan bepalen of zijn eigen prestatie strookt met de overeenkomst.

74      Vast staat namelijk dat punt 1, onder m), van de bijlage bij richtlijn 93/13 niet verwijst naar de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van de consument, maar enkel naar de verplichtingen van de verkoper. Deze bepaling ziet dus niet op bedingen die de verkoper zouden toestaan eenzijdig te beoordelen of de tegenprestatie van de consument, die erin bestaat een schuld af te lossen en de bijhorende kosten te betalen, strookt met hetgeen is vastgelegd in de overeenkomst.

75      Gelet op wat voorafgaat, moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder m), van de bijlage bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het niet ziet op een contractueel beding dat de verkoper toestaat eenzijdig te beoordelen of de prestatie van de consument strookt met hetgeen is vastgelegd in de overeenkomst.

 Kosten

76      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in samenhang met punt 1, onder q), van de bijlage bij deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat volgens deze bepaling een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en dat tot doel of tot gevolg heeft dat de bewijslast wordt omgekeerd ten nadele van de consument, niet in algemene zin en zonder verder onderzoek als oneerlijk wordt aangemerkt.

2)      Artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder q), van de bijlage bij deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling niet ziet op een beding dat tot doel of tot gevolg heeft dat de consument gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij al zijn contractuele verplichtingen moet nakomen, ook als hij van mening is dat bepaalde prestaties niet verschuldigd zijn, voor zover dat beding – gelet op de toepasselijke nationale regelgeving – geen afbreuk doet aan de rechtspositie van de consument, maar wel ziet op een beding dat tot doel of tot gevolg heeft dat het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument wordt belemmerd wanneer het resterende verschuldigde bedrag is vastgelegd bij een bewijskrachtige notariële akte, op grond waarvan de crediteur het geschil eenzijdig en definitief kan beëindigen.

3)      Artikel 5 van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat daarbij van de verkoper niet wordt verlangd dat hij aanvullende inlichtingen verstrekt betreffende een beding dat duidelijk is geformuleerd, maar rechtsgevolgen heeft die alleen kunnen worden vastgesteld door middel van uitlegging van nationale regels ten aanzien waarvan geen uniforme rechtspraak bestaat.

4)      Artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder m), van de bijlage bij deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het niet ziet op een contractueel beding dat de verkoper toestaat eenzijdig te beoordelen of de prestatie van de consument strookt met hetgeen is vastgelegd in de overeenkomst.

ondertekeningen


*      Procestaal: Hongaars.