Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Contencioso-Administrativo n.º 24 de Madrid (Spanje) op 11 februari 2019 – Sindicato Único de Sanidad e Higiene de la Comunidad de Madrid en Sindicato de Sanidad de Madrid de la CGT / Consejería de Sanidad de la Comunidad de Madrid

(Zaak C-103/19)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Contencioso-Administrativo n.º 24 de Madrid

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Sindicato Único de Sanidad e Higiene de la Comunidad de Madrid en Sindicato de Sanidad de Madrid de la CGT

Verwerende partij: Consejería de Sanidad de la Comunidad de Madrid

Prejudiciële vragen

Is litigieus besluit 406/2017 van de minister van volksgezondheid van 8 mei 2017, waarbij – na de verlenging van opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd in de openbare gezondheidszorg overeenkomstig nationale wettelijke bepalingen op grond waarvan verlenging mogelijk is om bepaalde werkzaamheden van tijdelijke, conjuncturele of buitengewone aard te verrichten, terwijl het in werkelijkheid ging om permanente en blijvende behoeften, – de aard van 9.126 arbeidsplaatsen is omgezet van aanstellingen van tijdelijk personeel op oproepbasis in aanstellingen van tijdelijk personeel ad interim teneinde die arbeidsplaatsen op te nemen in overheidsvacatures met als gevolg het ontslag van de tijdelijke werknemer, in overeenstemming met de raamovereenkomst in bijlage bij richtlijn 1999/70/EG1 , meer bepaald clausule 5, de doelstellingen in de punten 6 en 8 ervan en de in het arrest ECLI:EU:C:2016:679 van het Hof van Justitie (Tiende kamer) van 14 september 2016 vastgestelde criteria?

Is de verwijzende rechter terecht van oordeel dat de wijze waarop besluit 406/2017 van de minister van volksgezondheid van 8 mei 2017 artikel 9, lid 3, van het kaderstatuut beschrijft en toepast, niet in overeenstemming is met clausule 5 van de raamovereenkomst, met de doelstellingen in de punten 6 en 8 ervan en met de in het arrest ECL1:EU:C:2016:679 van het Hof van Justitie (Tiende kamer) van 14 september 2016 vastgestelde criteria, gelet op het feit dat dit besluit het na het misbruik bestaande in tijdelijke aanwerving om in permanente behoeften te voorzien en na de erkenning van het structurele tekort mogelijk maakt dat dit misbruik nooit wordt bestraft, waardoor de doelstellingen van de richtlijn worden geschonden en de ongunstige situatie van tijdelijk statutair personeel in stand wordt gehouden?

Is de uitlegging door de verwijzende rechter, zoals uiteengezet in deze verwijzingsbeslissing, van clausule 5 van de raamovereenkomst, van de doelstellingen in de punten 6 en 8 ervan en van de in het arrest ECLI:EU:C:2016:679 van het Hof van Justitie (Tiende kamer) van 14 september 2016 vastgestelde criteria, juist voor zover wordt geoordeeld dat besluit 406/2017 van de minister van volksgezondheid van 8 mei 2017 niet in overeenstemming is met artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 1999/70, daar de Spaanse Staat de in de richtlijn bepaalde resultaten niet garandeert omdat er na het misbruik bestaande in de aanwerving voor bepaalde tijd geen effectieve en gelijkwaardige beschermingsgaranties aan de werknemers worden geboden om een dergelijk misbruik naar behoren te bestraffen en de gevolgen van de schending van het Unierecht ongedaan te maken, het misbruik onbestraft blijft en het dus mogelijk wordt gemaakt dat de EG-richtlijn niet wordt toegepast in de gezondheidssector?

Daar de nationale regeling absoluut verbiedt dat in de overheidssector opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of dat de werknemer die het slachtoffer is van misbruik vast wordt aangesteld en zij evenmin een andere effectieve maatregel bevat waarmee misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kan worden voorkomen en, in voorkomend geval, bestraft, mag worden aangenomen dat besluit 406/2017 van de minister van volksgezondheid van 8 mei 2017 (waarbij artikel 9, lid 3, van het kaderstatuut te laat wordt uitgevoerd) en de daaropvolgende, op mededinging gebaseerde selectieprocedure niet kunnen worden beschouwd als effectieve maatregelen waarmee misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kan worden voorkomen en, in voorkomend geval, bestraft, omdat hierdoor de toepassing en de naleving van de in de EG-richtlijn vastgestelde doelstellingen worden omzeild, zoals de verwijzende rechter reeds heeft uiteengezet?

Besluit 406/2017 van de minister van volksgezondheid van 8 mei 2017 is uitsluitend van toepassing op werknemers op oproepbasis en de overheid onderzoekt wat betreft de overige tijdelijke werknemers die te lang aan de overheid gebonden zijn, de oorzaken hiervan niet binnen de in de nationale regeling vastgestelde termijnen om in voorkomend geval te beoordelen of de personeelsformatie moet worden uitgebreid met een structurele arbeidsplaats, zodat de precaire situatie van deze werknemers in werkelijkheid blijft bestaan, dit misbruik niet wordt bestraft en evenmin enige maatregel wordt toegepast die effectieve of gelijkwaardige beschermingsgaranties biedt om dat misbruik naar behoren te bestraffen en de gevolgen van de schending van het Unierecht ongedaan te maken. Dient dan ook te worden geoordeeld dat de hierboven beschreven situatie niet voldoet aan de vereisten die zijn gesteld in arrest ECLI:EU:C:2016:679 van het Hof van Justitie (Tiende kamer) van 14 september 2016 en het Unierecht schendt?

____________

1 Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43).