Language of document : ECLI:EU:C:2019:779

Voorlopige editie

BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)

24 september 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Juridisch precedent – Scheidsgerecht – Kennelijke niet-ontvankelijkheid en kennelijke onbevoegdheid van het Hof – Artikel 53, lid 2, en artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof”

In zaak C‑185/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Arbitral de pe lângă Asociaţia de arbitraj de pe lângă Baroul Cluj (scheidsgerecht bij de arbitragevereniging bij de balie Cluj, Roemenië), bij beslissing van 12 februari 2019, ingekomen bij het Hof op 25 februari 2019, in de procedure

KE

tegen

LF,

geeft

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: C. Toader, kamerpresident, A. Rosas en M. Safjan (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen,

de navolgende

Beschikking

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, VEU en de artikelen 20 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen KE en LF, twee in Roemenië werkzame advocaten, over de rechtmatigheid van commentaren op een artikel van KE, die LF op zijn Facebookpagina heeft geplaatst.

 Roemeens recht

3        Artikel 30, lid 6, van de Roemeense grondwet bepaalt het volgende:

„De vrijheid van meningsuiting mag geen afbreuk doen aan de waardigheid, de eer, de persoonlijke levenssfeer of het recht van afbeelding.”

4        Artikel 58 van het burgerlijk wetboek heeft als opschrift „Persoonlijkheidsrechten” en bepaalt:

„(1)      Eenieder heeft recht op leven, gezondheid, fysieke en psychische integriteit, waardigheid, afbeelding, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en andere dergelijke rechten die door de wet worden erkend.

(2)      Die rechten zijn niet overdraagbaar.”

5        Artikel 72 van het burgerlijk wetboek heeft als opschrift „Recht op waardigheid” en luidt:

„(1)      Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn waardigheid.

(2)      Elke inbreuk op de eer en de reputatie van een persoon zonder zijn toestemming of in strijd met de in artikel 75 vastgestelde grenzen is verboden.”

6        Artikel 252 van het burgerlijk wetboek, met als opschrift „Bescherming van de mens”, bepaalt:

„Iedere natuurlijke persoon heeft recht op bescherming van de waarden die inherent zijn aan de mens, zoals leven, gezondheid, fysieke en psychische integriteit, waardigheid, privacy, vrijheid van geweten en vrijheid van wetenschappelijke, artistieke, literaire of technologische creatie.”

7        Artikel 253 van het burgerlijk wetboek, met het opschrift „Verweermiddelen”, luidt:

„(1)      De natuurlijke persoon wiens niet-vermogensrechtelijke rechten zijn geschonden of worden bedreigd, kan te allen tijde in rechte verzoeken om:

a)      het verbod van het plegen van onrechtmatige daden, indien deze dreigen te worden gepleegd;

b)      de staking van de schending en het verbod ervan voor de toekomst, indien de schending voortdurend is;

c)      de vaststelling van de onrechtmatigheid van de feiten die zich hebben voorgedaan, indien de verstoring die zij hebben veroorzaakt, voortdurend is.

(2)      In afwijking van lid 1 kan de rechter in geval van inbreuk op niet-vermogensrechtelijke rechten door uitoefening van het recht op vrije meningsuiting alleen de in lid 1, onder b) en c), bedoelde maatregelen nemen.

(3)      Voorts kan het slachtoffer van een inbreuk op dergelijke rechten de rechter vragen de persoon die deze inbreuk heeft begaan, te verplichten zich te houden aan alle maatregelen die de rechter noodzakelijk acht om het geschonden recht te herstellen, zoals:

a)      de verplichting voor de persoon die de inbreuk heeft begaan om de veroordeling op eigen kosten te publiceren;

b)      elke andere maatregel die noodzakelijk is om een einde te maken aan de onrechtmatige daad of om de veroorzaakte schade te vergoeden.

(4)      Evenzo kan het slachtoffer schadevergoeding of, in voorkomend geval, vermogensherstel eisen voor de door hem geleden schade, zelfs wanneer deze van niet-vermogensrechtelijke aard is, indien deze schade kan worden toegeschreven aan de persoon die de inbreuk heeft begaan. In deze gevallen is het recht op verhaal onderworpen aan een bevrijdende verjaring.”

8        Artikel 6 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, met als opschrift „Recht op een eerlijk proces binnen een zo kort en voorspelbaar mogelijk tijdsbestek:

„(1)      Eenieder heeft recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak binnen een zo kort en voorspelbaar mogelijk tijdsbestek door een bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Daartoe is de rechter verplicht alle wettelijk toegestane maatregelen te nemen en te zorgen voor een spoedig verloop van de procedure.

(2)      Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de procedure van gedwongen tenuitvoerlegging.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9        KE en LF zijn advocaten bij de balie te Cluj (Roemenië). KE verklaart dat het Jurnalul Baroului Cluj, het tijdschrift van de beroepsorganisatie van de advocaten van de balie te Cluj, op 22 februari 2018 een artikel heeft gepubliceerd waarvan hij de auteur is, met als titel „Exercitarea dreptului la apărare prin declarații conținând necorespunzătoare adevărului în fața organelor judiciare” („Uitoefening van het recht van verdediging voor de rechter door middel van verklaringen die niet met de waarheid strokende beweringen bevatten”).

10      KE merkt op dat LF, de hoofdredacteur van dit tijdschrift, aanvankelijk geen bezwaar maakte tegen de publicatie van dit wetenschappelijke artikel. Na de publicatie ervan heeft hij echter kritiek geuit, die volgens KE ongerechtvaardigd was en die culmineerde in de publicatie van een bericht op zijn Facebookpagina, waarvan de inhoud niet in de verwijzingsbeslissing is opgenomen.

11      Volgens KE vallen dergelijke uitspraken op geen enkele wijze onder de categorie van door het recht op vrije meningsuiting beschermde kritiek.

12      Op 28 januari 2019 heeft KE bij de Tribunal Arbitral lângă Asociația de arbitraj de pe lângă Baroul Cluj (scheidsgerecht bij de arbitragevereniging bij de balie Cluj, Roemenië) een zaak aangespannen tegen LF. KE verzoekt het scheidsgerecht:

–        vast te stellen dat de publicatie die LF op 7 januari 2019 op zijn Facebookpagina heeft geplaatst onrechtmatig is en

–        LF overeenkomstig artikel 253, lid 3, onder a) en b), van het burgerlijk wetboek te veroordelen tot het publiceren van de uitspraak op zijn Facebookpagina gedurende een periode die ten minste gelijk is aan de periode waarin de onrechtmatige publicatie op die pagina heeft gestaan.

13      LF verzoekt de Tribunal Arbitral de pe lângă Asociația de arbitraj de pe lângă Baroul Cluj om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof.

14      Dit scheidsgerecht ziet zich enerzijds geconfronteerd met de verplichting van de Roemeense rechtbanken om te antwoorden op alle verzoeken en verweermiddelen van de partijen, en bijgevolg op een verzoek om de zaak bij het Hof aanhangig te maken, en anderzijds met de kwestie van het bindende karakter van het gerechtelijk precedent, voor zover dit scheidsgerecht van oordeel is dat het niet kan kiezen voor een oplossing die afwijkt van het relevante gerechtelijk precedent wanneer het geen toepassing kan vinden die meer in overeenstemming is met de betrokken wetgeving.

15      Daarop heeft de Tribunal Arbitral de pe lângă Asociația de arbitraj de pe lângă Baroul Cluj beslist de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten de bepalingen van het [VEU], en met name artikel 6, lid 1, daarvan, op grond waarvan de [Europese] Unie de rechten, vrijheden en beginselen erkent die zijn vastgesteld in het Handvest [...], dat dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen, en de bepalingen van het Handvest, in het bijzonder artikel 20 daarvan, dat bepaalt dat eenieder gelijk is voor de wet, en artikel 47, dat bepaalt dat eenieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak, aldus worden uitgelegd dat een Roemeense nationale rechterlijke instantie verplicht is:

–        op alle verzoeken en verweermiddelen van de partijen te antwoorden en deze daadwerkelijk te onderzoeken, waarbij de partijen mogen verwachten dat zij een specifiek en uitdrukkelijk antwoord krijgen op de middelen die beslissend zijn voor de beslechting van de betrokken zaak, en

–        het bindende karakter van een gerechtelijk precedent te eerbiedigen, wanneer het gerechtelijk precedent een definitieve rechterlijke beslissing is van dezelfde rechterlijke instantie of van een andere Roemeense nationale rechterlijke instantie, in een zaak waarin de aangezochte nationale rechterlijke instantie aantoont dat het relevant is om naar dit precedent te verwijzen en de ‚juridische gelijkenis’ van de zaken vaststelt, waarbij dit bindende karakter impliceert dat de rechterlijke instantie die een dergelijke ‚juridische gelijkenis’ vaststelt, slechts voor een andere beslechting kan kiezen indien zij haar verschillende benadering motiveert met een toepassing die meer in overeenstemming is met de bewoordingen van de wet?”

 Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing en bevoegdheid van het Hof

16      Krachtens artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan het Hof, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een zaak of wanneer een verzoek of een verzoekschrift kennelijk niet-ontvankelijk is, te allen tijde, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om zonder de behandeling voort te zetten bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.

17      Deze bepaling dient in de onderhavige zaak te worden toegepast.

18      In dit verband moet erop worden gewezen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing kennelijk niet-ontvankelijk is vanuit het oogpunt van artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering, aangezien op grond van de in dat verzoek vermelde gegevens niet kan worden vastgesteld of het verzoek ontvankelijk is in het licht van de voorwaarde dat het verzoek moet worden ingediend door een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU. De Tribunal Arbitral de pe lângă Asociaţia de arbitraj de pe lângă Baroul Cluj heeft immers niets aangevoerd waaruit blijkt dat hij deze hoedanigheid bezit.

19      Aangezien niet blijkt dat de nationale wet bepaalt dat een beroep op dit scheidsgerecht het enige middel is om het geschil in het hoofdgeding te beslechten en dat de partijen zich niet tot de gewone rechter kunnen wenden, had het scheidsgerecht moeten aantonen waarom de rechtszoekenden zich in de onderhavige zaak verplicht tot dit gerecht moesten wenden. Bovendien wordt in de verwijzingsbeslissing niet verwezen naar de bepalingen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering inzake de geïnstitutionaliseerde arbitrage. Bijgevolg moet worden aangenomen dat dit verzoek om een prejudiciële beslissing kennelijk niet-ontvankelijk is.

20      Wat bovendien de bevoegdheid van het Hof betreft om sommige bepalingen van het Handvest uit te leggen, moet hieraan worden toegevoegd dat de verwijzingsbeslissing, zelfs indien zij ontvankelijk zou zijn, geen enkel concreet element bevat op grond waarvan kan worden aangenomen dat het voorwerp van het hoofdgeding betrekking heeft op de uitlegging of de toepassing van een andere Unierechtelijke regel dan die welke in het Handvest zijn opgenomen.

21      De prejudiciële vraag maakt immers deel uit van een geschil tussen twee particulieren over een verzoek om de onrechtmatigheid van een publicatie op een Facebookpagina vast te stellen. In dit verband wenst de Tribunal Arbitral de pe lângă Asociația de arbitraj de pe lângă Baroul Cluj artikel 6, lid 1, VEU en de artikelen 20 en 47 van het Handvest toe te passen om bepaalde procedurele verplichtingen te beoordelen.

22      In het licht van artikel 51, lid 1, van het Handvest zijn de bepalingen ervan echter uitsluitend tot de lidstaten gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten immers toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, en niet daarbuiten (arrest van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 19, en beschikking van 11 januari 2017, Boudjellal, C‑508/16, niet gepubliceerd, EU:C:2017:6, punt 17).

23      Derhalve moet op grond van artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof worden vastgesteld dat het door de Tribunal Arbitral de pe lângă Asociația de arbitraj de pe lângă Baroul Cluj bij beslissing van 12 februari 2019 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing kennelijk niet-ontvankelijk is, en dat het Hof in elk geval kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek.

 Kosten

24      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof (Zesde kamer) beschikt:

Het verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Arbitral de pe lângă Asociația de arbitraj de pe lângă Baroul Cluj (scheidsgerecht bij de arbitragevereniging bij de balie Cluj, Roemenië) bij beslissing van 12 februari 2019 is kennelijk niet-ontvankelijk, en het Hof van Justitie van de Europese Unie is in elk geval kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek.

ondertekeningen


*      Procestaal: Roemeens.