Language of document : ECLI:EU:C:2019:822

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

3 oktober 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Belastingwetgeving – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Zesde richtlijn (77/388/EEG) – Vrijstellingen – Artikel 13, B, onder d), punt 3 – Handelingen betreffende betalingen – Diensten die door een vennootschap aan een bank worden verstrekt in verband met de exploitatie van geldautomaten”

In zaak C‑42/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) bij beslissing van 28 september 2017, ingekomen bij het Hof op 24 januari 2018, in de procedure

Finanzamt Trier

tegen

Cardpoint GmbH, rechtsopvolgster van Moneybox Deutschland GmbH,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, F. Biltgen, J. Malenovský, C. G. Fernlund en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Cardpoint GmbH, vertegenwoordigd door M. Robisch, Steuerberater, en J. Habla, Rechtsanwältin,

–        de Duitse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze en R. Kanitz, vervolgens door R. Kanitz als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Jokubauskaitė en B.‑R. Killmann als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 mei 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Finanzamt Trier (belastingdienst Trier, Duitsland) en Cardpoint GmbH, rechtsopvolgster van Moneybox Deutschland GmbH, over de weigering van die belastingdienst om haar vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde (btw) toe te kennen voor diensten die zij aan een bank had verstrekt in verband met de exploitatie van geldautomaten.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Zesde richtlijn

3        Artikel 13, B, onder d), van de Zesde richtlijn luidt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

[...]

d)      de volgende handelingen:

[...]

3.      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen;

[...]”

 Btw-richtlijn

4        Met ingang van 1 januari 2007 is de Zesde richtlijn ingetrokken en vervangen door richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

5        Artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn bepaalt:

„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

[...]

d)      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen”.

 Duits recht

6        Overeenkomstig § 4, punt 8, onder d), van het Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting) zijn vrijgesteld van btw:

„Handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekeningen-courant, betalingen, overmakingen en de inning van handelspapieren.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

7        Cardpoint verstrekte aan haar cliënt, een bank, diensten in verband met de exploitatie van geldautomaten. Deze vennootschap was verantwoordelijk voor het gebruiksklaar maken en houden van die automaten. Daartoe installeerde zij in die automaten hardware en bepaalde software die nodig was voor het naar behoren functioneren ervan. Daarnaast was zij belast met het vervoer van de door de bank ter beschikking gestelde bankbiljetten en de bevoorrading van de geldautomaten. Tot slot verstrekte zij advies over de dagelijkse exploitatie van de geldautomaten.

8        Volgens de verwijzende rechter verliep de opname van contanten als volgt. Zodra een rekeninghouder zijn bankkaart in een geldautomaat invoerde, las speciale software de gegevens van die kaart. Cardpoint controleerde die en verzocht Bank-Verlag GmbH om de gewenste geldopname goed te keuren. Bank-Verlag richtte dit verzoek aan het interbancaire netwerk, dat het op zijn beurt aan de bank stuurde die de betrokken bankkaart had uitgegeven. Deze bank controleerde het beschikbare tegoed van de rekeninghouder en stuurde via dezelfde keten een goedkeuring of afwijzing van de gewenste geldopname. In geval van goedkeuring voerde Cardpoint deze geldopname aan de automaat uit en creëerde zij een dataset over de geldopname. Zij stuurde deze dataset als boekingsinstructie door aan haar cliënt, dat wil zeggen, de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde. Deze bank voerde de datasets ongewijzigd in het systeem van de Deutsche Bundesbank (Duitse federale bank; hierna: „BBK”) in. Cardpoint stelde eveneens dagelijks een niet-wijzigbare lijst op van alle transacties van de betrokken dag, die ook aan de BBK werd gezonden. Door deze boekingen kon het vorderingsrecht van de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde jegens de bank van de rekeninghouder die het geld had opgenomen, evenals de kosten daarvan, worden vastgesteld.

9        Op 7 februari 2007 diende Cardpoint een gewijzigde btw-aangifte in voor het jaar 2005 en verzocht zij om wijziging van de opgelegde belastingaanslag, met het argument dat haar diensten in verband met de exploitatie van geldautomaten waren vrijgesteld.

10      Na de afwijzing van dit verzoek door de belastingdienst Trier heeft het Finanzgericht Rheinland-Pfalz (belastingrechter in eerste aanleg, Rijnland-Palts, Duitsland) het beroep van Cardpoint gegrond verklaard op grond dat de diensten van deze vennootschap als „handelingen betreffende betalingen” in de zin van de Zesde richtlijn moesten worden beschouwd en derhalve van btw waren vrijgesteld.

11      De belastingdienst Trier heeft beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter. Deze rechter heeft de behandeling van de zaak geschorst tot de uitspraak van het arrest van 26 mei 2016, Bookit (C‑607/14, EU:C:2016:355; hierna: „arrest Bookit”).

12      De verwijzende rechter vraagt zich af of de door Cardpoint verrichte diensten moeten worden gekwalificeerd als „technische en administratieve prestaties” in de zin van het arrest Bookit, die niet onder het begrip „handelingen betreffende betalingen” in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn vallen. Volgens deze rechter gaat het hier om soortgelijke ondersteunende diensten als die welke aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot het arrest Bookit, aangezien de prestaties van Cardpoint beperkt zijn tot de technische uitvoering van de instructies van de bank.

13      De in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie vertoont nog andere gelijkenissen met de situatie waarop dat arrest betrekking heeft. Zo verkrijgt Cardpoint de gegevens betreffende de bankkaart van de betrokken rekeninghouder en geeft zij deze gegevens door aan de bank die de kaart heeft uitgegeven. Cardpoint voert de gewenste geldopname pas uit na ontvangst van de goedkeuring van die bank. Deze vennootschap is dan ook niet verantwoordelijk voor de controle en goedkeuring van de individuele opdrachten.

14      Hoewel het hoofdgeding, anders dan de situatie in het arrest Bookit, geen betrekking heeft op de aan‑ en verkoop van bioscoopkaartjes, maar op prestaties inzake betalingen in contanten via geldautomaten, rechtvaardigt dit verschil daarom nog geen andere btw-behandeling, aangezien de prestatie in beide gevallen in wezen bestaat in het uitwisselen van informatie en het verlenen van technische en administratieve bijstand.

15      Tegen deze achtergrond vraagt de rechter zich af of in aanmerking dient te worden genomen dat er in het hoofdgeding, anders dan in de situatie van de zaak die heeft geleid tot het arrest Bookit, naast de betalingshandeling geen sprake is van een afzonderlijke verkoopovereenkomst. Hij is evenwel van oordeel dat uit het arrest Bookit niet volgt dat de diensten van technische bijstand verschillend moeten worden behandeld naargelang van de transactie die wordt beoogd.

16      Bovendien is in beide situaties de tegenprestatie voor de dienst gemakkelijk vast te stellen, terwijl de vrijstelling voor financiële handelingen met name tot doel heeft eventuele moeilijkheden te verhelpen in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw.

17      In deze omstandigheden heeft het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Zijn de technische en administratieve prestaties die een dienstverrichter in verband met betalingen in contanten via een geldautomaat verricht voor de bank die de geldautomaat exploiteert, op grond van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de [Zesde richtlijn] vrijgesteld van belasting over de toegevoegde waarde, hoewel volgens het arrest [Bookit] soortgelijke technische en administratieve diensten die een dienstverrichter verleent in verband met kaartbetalingen voor de verkoop van bioscoopkaartjes, dat op grond van deze bepaling niet zijn?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

18      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat diensten verleend aan een bank die geldautomaten exploiteert, die bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van die geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard‑ en software om de gegevens van de bankkaarten te lezen, het verzenden van een goedkeuringsverzoek voor de opname van contanten aan de bank die de voor deze opname gebruikte bankkaart heeft uitgegeven, het verstrekken van de gevraagde contanten en het registreren van de opnamehandelingen, vallen onder de van btw vrijgestelde handelingen betreffende betalingen als bedoeld in die bepaling.

19      Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat de vrijstellingen die voordien waren vastgesteld in artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn, dat in dit geval ratione temporis van toepassing is, in dezelfde bewoordingen zijn opgenomen in artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn. De rechtspraak van het Hof met betrekking tot deze laatste bepaling is dus relevant voor de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van de Zesde richtlijn.

20      Eveneens dient erop te worden gewezen dat, zoals de advocaat-generaal in punt 24 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de opname bij een geldautomaat een „betalingsdienst” in de zin van het Unierecht is. Het Hof heeft met betrekking tot „handelingen betreffende betalingen” in de zin van de Zesde richtlijn bovendien reeds geoordeeld dat de overwegingen inzake de in die richtlijn bedoelde handelingen betreffende overmakingen eveneens voor die handelingen gelden (zie in die zin arrest van 5 juni 1997, SDC, C‑2/95, EU:C:1997:278, punt 50).

21      In het licht van deze overwegingen kan uit vaste rechtspraak worden afgeleid dat de betrokken diensten enkel als „handelingen betreffende betalingen” in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn kunnen worden gekwalificeerd wanneer zij over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen dat de kenmerkende en essentiële functies van een betaling vervult en derhalve tot een overmaking van geld leidt en juridische en financiële wijzigingen meebrengt. In dat verband moet de vrijgestelde dienst in de zin van de Zesde richtlijn worden onderscheiden van het verrichten van een eenvoudige materiële of technische dienst (zie in die zin arrest Bookit, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22      De functionele aspecten zijn derhalve doorslaggevend om te bepalen of een handeling betalingen betreft in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn. De feitelijke of potentiële eigendomsoverdracht van de betrokken middelen als gevolg van de handeling in kwestie of het feit dat die handeling de kenmerkende en essentiële functies van een dergelijke overdracht vervult, is het criterium aan de hand waarvan een handeling die leidt tot een overmaking van geld en juridische en financiële wijzigingen meebrengt en die onder de vrijstelling van die bepaling valt, kan worden onderscheiden van een handeling zonder deze gevolgen, die derhalve niet onder die vrijstelling valt (zie in die zin arrest Bookit, punt 41, en arrest van 25 juli 2018, DPAS, C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Hoewel uit het feit dat de betrokken dienstverrichter zelf rechtstreeks een rekening kan debiteren en/of crediteren, of bedragen tussen de rekeningen van een en dezelfde rekeninghouder kan transfereren, in beginsel kan worden afgeleid dat aan deze voorwaarde is voldaan en dat de betrokken dienst is vrijgesteld, valt omgekeerd op basis van het enkele feit dat deze dienst een dergelijke taak niet rechtstreeks omvat, niet bij voorbaat uit te sluiten dat hij niettemin onder die vrijstelling valt, aangezien de in punt 21 van dit arrest in herinnering gebrachte uitlegging nog geen oordeel inhoudt over de wijze waarop betalingen worden uitgevoerd (zie naar analogie arrest Bookit, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24      De gestelde vraag moet in het licht van deze overwegingen worden beantwoord.

25      In het onderhavige geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Cardpoint niet zelf de betrokken bankrekeningen debiteerde, maar de geldbedragen die aan de door haar onderhouden geldautomaten werden opgenomen, fysiek uitbetaalde. Bovendien keurde zij zelf geen transacties goed. Cardpoint had immers geen beslissingsbevoegdheid met betrekking tot de transacties in kwestie, maar gaf via een keten van tussenpersonen gegevens door aan de bank die de voor de betrokken opname gebruikte bankkaart had uitgegeven en volgde de instructies van die bank op door de gevraagde contanten te verstrekken. Vervolgens creëerde zij een dataset over de betrokken geldopname die zij als boekingsinstructie doorstuurde aan haar cliënt, de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde.

26      Hieruit volgt dat de diensten van Cardpoint kennelijk niet van dien aard zijn dat zij een geldoverdracht tot stand brengen noch de juridische en financiële wijzigingen meebrengen die kenmerkend zijn voor een „handeling betreffende betalingen” in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn. In tegenstelling tot de situatie in de zaak die heeft geleid tot het arrest Bookit, waren de diensten van Cardpoint weliswaar niet beperkt tot de uitwisseling van gegevens tussen de bank die de bankkaart had uitgegeven en de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde, en hielden zij eveneens de fysieke verstrekking van contanten in. De levering van bankbiljetten bij een opname uit een geldautomaat vormt evenwel geen eigendomsoverdracht van Cardpoint aan de gebruiker van die geldautomaat. Het was de bank die de bankkaart had uitgegeven, die de opname van contanten goedkeurde, het overeenkomstige bedrag van de bankrekening van de gebruiker van de betrokken geldautomaat debiteerde en de eigendom van het geld rechtstreeks aan deze gebruiker overdroeg.

27      Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie opmerkt, voerde bovendien uitsluitend de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde, de datasets in het systeem van de BBK in. Het gegevensbestand per dag, dat niet kon worden gewijzigd en alle handelingen van die dag omvatte, werd door Cardpoint gegenereerd en aan de BBK gezonden met het doel de BBK op de hoogte te brengen van de uitgevoerde goedgekeurde handelingen. Het kan dan ook niet worden geacht de kenmerkende en essentiële functies van een betaling te vervullen.

28      Aan de uitlegging volgens welke de diensten van Cardpoint kennelijk niet van dien aard zijn dat zij een geldoverdracht tot stand brengen die de juridische en financiële wijzigingen met zich meebrengt die kenmerkend zijn voor een handeling betreffende betalingen, wordt niet afgedaan door het feit dat de diensten van Cardpoint, met name wat het lezen en doorgeven van de gegevens en het leveren van de contanten betreft, onontbeerlijk waren voor de uitvoering van een vrijgestelde handeling betreffende betalingen. In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat btw-vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, zodat op grond van dat enkele feit niet tot de slotsom kan worden gekomen dat die diensten van btw zijn vrijgesteld indien niet is voldaan aan de andere criteria die in de punten 21 en 22 van het onderhavige arrest zijn genoemd (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, DPAS, C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 43).

29      Een dergelijke uitlegging van het begrip „handelingen betreffende betalingen” als bedoeld in artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn, vindt overigens steun in de doelstelling van die bepaling die, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, met name bestaat in het verhelpen van eventuele moeilijkheden bij de vaststelling van de tegenprestatie en derhalve van de maatstaf van heffing (zie in die zin arrest Bookit, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt immers dat zonder bijzondere moeilijkheden kan worden bepaald welke tegenprestatie Cardpoint voor haar diensten heeft ontvangen.

30      In het licht van de voorgaande overwegingen dient op de voorgelegde vraag te worden geantwoord dat artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat diensten verleend aan een bank die geldautomaten exploiteert, die bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van die geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard‑ en software om de gegevens van de bankkaarten te lezen, het verzenden van een goedkeuringsverzoek voor de opname van contanten aan de bank die de voor deze opname gebruikte bankkaart heeft uitgegeven, het verstrekken van de gevraagde contanten en het registreren van de opnamehandelingen, niet vallen onder de van btw vrijgestelde handelingen betreffende betalingen als bedoeld in die bepaling.

 Kosten

31      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag moet aldus worden uitgelegd dat diensten verleend aan een bank die geldautomaten exploiteert, die bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van die geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard en software om de gegevens van de bankkaarten te lezen, het verzenden van een goedkeuringsverzoek voor de opname van contanten aan de bank die de voor deze opname gebruikte bankkaart heeft uitgegeven, het verstrekken van de gevraagde contanten en het registreren van de opnamehandelingen, niet vallen onder de van belasting over de toegevoegde waarde vrijgestelde handelingen betreffende betalingen als bedoeld in die bepaling.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.