Language of document : ECLI:EU:C:2019:821

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

3 oktober 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Informatiemaatschappij – Vrij verkeer van diensten – Richtlijn 2000/31/EG – Aansprakelijkheid van dienstverleners die als tussenpersoon optreden – Artikel 14, leden 1 en 3 – Verlener van ,host’-diensten – Mogelijkheid om van de dienstverlener te eisen dat hij een inbreuk beëindigt of voorkomt – Artikel 18, lid 1 – Persoonlijke, materiële en territoriale beperkingen van de reikwijdte van een rechterlijk bevel – Artikel 15, lid 1 – Geen algemene toezichtverplichting”

In zaak C‑18/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 25 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 10 januari 2018, in de procedure

Eva Glawischnig-Piesczek

tegen

Facebook Ireland Limited,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, F. Biltgen, J. Malenovský (rapporteur), C. G. Fernlund en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 februari 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        Eva Glawischnig-Piesczek, vertegenwoordigd door M. Windhager en W. Niklfeld, Rechtsanwälte,

–        Facebook Ireland Limited, vertegenwoordigd door G. Kresbach, K. Struckmann en A. Tauchen, Rechtsanwälte,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Hesse, G. Kunnert en A. Jurgutyte-Ruez als gemachtigden,

–        de Letse regering, vertegenwoordigd door I. Kucina, E. Petrocka-Petrovska en V. Soņeca als gemachtigden,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes en M. Figueiredo als gemachtigden, bijgestaan door T. Rendas, juridisch adviseur,

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door J. Heliskoski als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun, F. Wilman, S. L. Kalėda en P. Costa de Oliveira als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juni 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Eva Glawischnig-Piesczek en Facebook Ireland Limited, waarvan het hoofdkantoor in Ierland is gevestigd, over het feit dat op de pagina van een gebruiker die gehost wordt op de website van het sociaal netwerk Facebook, een bericht is gepubliceerd dat verklaringen bevat die de eer van Glawischnig-Piesczek aantasten.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 6, 7, 9, 10, 40, 41, 45 tot en met 48, 52, 58 en 60 van richtlijn 2000/31 luiden:

„(6)      [...] Door slechts bepaalde specifieke vraagstukken rond de interne markt te behandelen, is deze richtlijn volledig coherent met de noodzaak het in artikel 5 van het Verdrag vervatte subsidiariteitsbeginsel te eerbiedigen.

(7)      Ter wille van de rechtszekerheid en het vertrouwen van de consumenten, moet deze richtlijn een duidelijk en algemeen kader betreffende bepaalde juridische aspecten van de elektronische handel in de interne markt vaststellen.

[...]

(9)      Het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij kan in veel gevallen een specifieke afspiegeling in het gemeenschapsrecht zijn van een algemener beginsel, te weten de vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in artikel 10, lid 1, van het [Europees] Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat [op 4 november 1950 te Rome ondertekend is en dat] door alle lidstaten bekrachtigd is. Richtlijnen betreffende de levering van diensten van de informatiemaatschappij moeten er derhalve voor zorgen dat deze activiteiten in het licht van dat artikel vrijelijk uitgeoefend mogen worden, onder voorbehoud van uitsluitend de in lid 2 van dat artikel en artikel 46, lid 1, van het Verdrag genoemde beperkingen. Deze richtlijn is niet bedoeld om afbreuk te doen aan fundamentele nationale regels en beginselen in verband met de vrijheid van meningsuiting.

(10)      Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaan de in de onderhavige richtlijn beoogde maatregelen niet verder dan hetgeen nodig is om de doelstelling van de goede werking van de interne markt te verwezenlijken. Daar waar optreden op communautair niveau noodzakelijk is en om te verzekeren dat wat de elektronische handel aangaat effectief een ruimte zonder binnengrenzen voorbehouden is, dient de richtlijn een hoog beschermingsniveau te garanderen voor doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder voor de bescherming van minderjarigen, menselijke waardigheid, consumenten en volksgezondheid. [...]

[...]

(40)      Het uiteenlopen van de bestaande of nieuwe wetgeving en rechtspraak in de lidstaten op het gebied van de privaatrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van als tussenpersoon optredende dienstverleners staat de goede werking van de interne markt in de weg, met name omdat daarmee de ontwikkeling van de grensoverschrijdende dienstverlening wordt belemmerd en zulks tot concurrentieverstoringen leidt. Om onwettige activiteiten te vermijden of deze te doen ophouden, zijn de dienstverleners in bepaalde gevallen verplicht op te treden. De bepalingen van deze richtlijn vormen het passende uitgangspunt voor de uitwerking van snelle, betrouwbare mechanismen om onwettige informatie te verwijderen en ontoegankelijk te maken. [...]

(41)      De onderhavige richtlijn brengt een evenwicht tot stand tussen de verschillende betrokken belangen en legt beginselen vast waarop sectorale overeenkomsten en normen kunnen worden gebaseerd.

[...]

(45)      De beperking van de in de richtlijn vastgestelde aansprakelijkheid van dienstverleners die als tussenpersoon optreden, doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om verschillende soorten verbodsmaatregelen te treffen. Die maatregelen bestaan in het bijzonder in rechterlijke of administratieve uitspraken waarin de beëindiging of voorkoming van een inbreuk wordt bevolen, met inbegrip van de verwijdering of het ontoegankelijk maken van onwettige informatie.

(46)      Wil de verlener van een dienst van de informatiemaatschappij die uit de opslag van informatie bestaat, in aanmerking komen voor een beperkte aansprakelijkheid, dan moet hij, zodra hij daadwerkelijk kennis heeft van onwettige activiteiten of dergelijke activiteiten gewaarwordt, prompt handelen om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. De verwijdering of het ontoegankelijk maken dient te geschieden met inachtneming van het beginsel van de vrijheid van meningsuiting en van daarvoor vastgestelde procedures op nationaal niveau. Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor de lidstaten om specifieke eisen te stellen waaraan onverwijld dient te worden voldaan eer er informatie wordt verwijderd of ontoegankelijk wordt gemaakt.

(47)      De lidstaten mogen dienstverleners geen toezichtverplichtingen van algemene aard opleggen. Dit geldt niet voor toezichtverplichtingen in speciale gevallen en doet met name geen afbreuk aan maatregelen van nationale autoriteiten in overeenstemming met de nationale wetgeving.

(48)      Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor de lidstaten om van dienstverleners die door afnemers van hun dienst verstrekte informatie toegankelijk maken, te verlangen dat zij zich aan zorgvuldigheidsverplichtingen houden die redelijkerwijs van hen verwacht mogen worden en die bij nationale wet zijn vastgesteld, zulks om bepaalde soorten onwettige activiteiten op te sporen en te voorkomen.

[...]

(52)      Het daadwerkelijke gebruik van de vrijheden van de interne markt vereist dat de slachtoffers effectief toegang wordt gewaarborgd tot de geschillenregelingen. De schade die in het kader van de diensten van de informatiemaatschappij kan ontstaan, loopt snel op en bestrijkt een groot geografisch gebied. In de onderhavige richtlijn wordt met het oog op deze specifieke kenmerken en om ervoor te zorgen dat de nationale autoriteiten het wederzijdse vertrouwen dat zij elkaar moeten schenken, niet in gevaar brengen, aan de lidstaten gevraagd ervoor te zorgen dat passende gerechtelijke stappen mogelijk zijn. De lidstaten moeten onderzoeken of het nodig is door middel van geschikte elektronische middelen toegang tot gerechtelijke procedures te bieden.

[...]

(58)      Deze richtlijn is niet van toepassing op diensten van dienstverleners die in een derde land zijn gevestigd. Gezien de mondiale dimensie van de elektronische handel, is het evenwel nodig ervoor te zorgen dat het communautaire kader coherent is met het internationale kader. Deze richtlijn laat de uitkomsten van de binnen de internationale organisaties (onder andere WTO, OESO, Uncitral) gevoerde discussies over de juridische aspecten onverlet.

[...]

(60)      Voor de ongehinderde ontwikkeling van de elektronische handel moet het desbetreffende juridische kader duidelijk, eenvoudig en voorzienbaar zijn en moet het verenigbaar zijn met de regels die op internationaal niveau van kracht zijn, zodat het concurrentievermogen van de Europese industrie niet te lijden heeft en het ondernemen van innoverende acties in deze sector niet belemmerd wordt.”

4        Artikel 14 van richtlijn 2000/31, met als opschrift „,Hosting’ (,host’-diensten)”, bepaalt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de dienstverlener niet aansprakelijk is voor de op verzoek van de afnemer van de dienst opgeslagen informatie, op voorwaarde dat:

a)      de dienstverlener niet daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie en, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, geen kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt, of

b)      de dienstverlener, zodra hij van het bovenbedoelde daadwerkelijk kennis heeft of besef krijgt, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

[...]

3.      Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor een rechtbank of een administratieve autoriteit om in overeenstemming met het rechtsstelsel van de lidstaat te eisen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt of voorkomt. Het doet evenmin afbreuk aan de mogelijkheid voor lidstaten om procedures vast te stellen om informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.”

5        Artikel 15, lid 1, van die richtlijn luidt:

„Met betrekking tot de levering van de in de artikelen 12, 13 en 14 bedoelde diensten leggen de lidstaten de dienstverleners geen algemene verplichting op om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.”

6        Artikel 18, lid 1, van dezelfde richtlijn is als volgt verwoord:

„De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale wetgeving op het gebied van diensten van de informatiemaatschappij voorziet in rechtsgedingen waarbij snel maatregelen kunnen worden getroffen – met inbegrip van voorlopige maatregelen – om de vermeende inbreuk te doen eindigen en om te verhinderen dat de betrokken belangen verder worden geschaad.”

 Oostenrijks recht

7        Volgens § 1330, lid 1, van het Allgemeine bürgerliche Gesetzbuch (Oostenrijks burgerlijk wetboek) kan een persoon een vordering instellen om vergoeding te verkrijgen van daadwerkelijke schade of winstderving die hij door aantasting van zijn eer heeft geleden. Krachtens lid 2 van die paragraaf geldt dit ook wanneer iemand informatie verspreidt die andermans reputatie, broodwinning of loopbaan in gevaar kan brengen en waarvan hij wist of had moeten weten dat zij onjuist is. In dat geval kunnen ook de herroeping en de publicatie van de herroeping worden geëist.

8        Op grond van § 78, lid 1, van het Urheberrechtsgesetz (Oostenrijkse wet betreffende het auteursrecht) mogen afbeeldingen van personen niet openbaar worden gemaakt noch op een andere wijze worden verspreid waardoor zij voor het publiek toegankelijk worden, indien daardoor gerechtvaardigde belangen van de afgebeelde persoon of – indien deze is overleden zonder met publicatie te hebben ingestemd of daartoe opdracht te hebben gegeven – van een van zijn naaste bloedverwanten worden aangetast.

9        Volgens § 18, lid 1, van het E-Commerce-Gesetz (Oostenrijkse wet betreffende internethandel) rust op hostingproviders geen algemene verplichting om toe te zien op de informatie die zij opslaan, doorgeven of toegankelijk maken, noch om uit eigen beweging te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10      Glawischnig-Piesczek was lid van de Nationalrat (lagerhuis van het parlement van Oostenrijk), fractievoorzitter voor de partij „die Grünen” (de Groenen, Oostenrijkse ecologische partij) in het parlement en federaal woordvoerder van deze politieke partij.

11      Facebook Ireland exploiteert een wereldwijd sociale-mediaplatform (hierna: „Facebook Service”) voor gebruikers buiten de Verenigde Staten en Canada.

12      Op 3 april 2016 heeft een gebruiker van Facebook Service op zijn persoonlijke pagina een artikel gedeeld uit het Oostenrijkse onlinemagazine oe24.at, getiteld „Grüne: Mindestsicherung für Flüchtlinge soll bleiben” („Groenen: vóór het behoud van een minimuminkomen voor vluchtelingen”). Daardoor verscheen op die pagina een thumbnail van de oorspronkelijke website, met de titel en een korte samenvatting van het artikel, samen met een foto van Glawischnig-Piesczek. Die gebruiker heeft dat artikel bovendien voorzien van een commentaar waarvan de verwijzende rechter heeft vastgesteld dat het de eer van verzoekster in het hoofdgeding kon aantasten, haar kon beledigen en haar in opspraak kon brengen. Die bijdrage kon door elke gebruiker van Facebook Service worden geraadpleegd.

13      Bij brief van 7 juli 2016 heeft Glawischnig-Piesczek Facebook Ireland onder meer verzocht die commentaar te verwijderen.

14      Aangezien Facebook Ireland de betreffende commentaar niet had verwijderd, heeft Glawischnig-Piesczek beroep ingesteld bij het Handelsgericht Wien (handelsrechter Wenen, Oostenrijk), dat bij beschikking in kort geding van 7 december 2016 Facebook Ireland heeft gelast om met onmiddellijke ingang en totdat de procedure inzake de stakingsvordering definitief afgesloten zou zijn, geen foto’s van verzoekster in het hoofdgeding meer te publiceren en/of te verspreiden waarbij via de begeleidende tekst uitlatingen werden verspreid die identiek waren of inhoudelijk overeenstemden met de in punt 12 van het onderhavige arrest vermelde commentaar.

15      Facebook Ireland heeft het onmogelijk gemaakt om in Oostenrijk toegang te krijgen tot de oorspronkelijk gepubliceerde inhoud.

16      Het Oberlandesgericht Wien (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Wenen, Wenen, Oostenrijk) heeft in hoger beroep de beschikking van de rechter in eerste aanleg betreffende de identieke uitlatingen bevestigd. Daarentegen heeft het Oberlandesgericht Wien geoordeeld dat de verspreiding van inhoudelijk overeenstemmende uitlatingen enkel moest worden gestaakt wat betreft de uitlatingen waarvan Facebook Ireland door verzoekster in het hoofdgeding of derden in kennis was gesteld of waarvan Facebook Ireland anderszins kennis had gekregen.

17      Het Handelsgericht Wien en het Oberlandesgericht Wien hebben hun beslissingen gebaseerd op § 78 van de wet betreffende het auteursrecht en § 1330 van het burgerlijk wetboek, en waren onder meer van oordeel dat de gepubliceerde commentaar uitlatingen bevatte die de eer van Glawischnig-Piesczek excessief aantastten en insinueerden dat zij strafbaar gedrag had vertoond, zonder dat daarvoor ook maar enig bewijs werd geleverd.

18      Beide partijen in het hoofdgeding hebben beroep in Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk).

19      Het Oberste Gerichtshof, dat uitspraak dient te doen over de vraag of het rechterlijke stakingsbevel dat is uitgevaardigd tegen een hostingprovider die een sociaal netwerk met een groot aantal gebruikers exploiteert, zich ook kan uitstrekken tot identieke en/of inhoudelijk overeenstemmende uitlatingen waarvan hij geen kennis heeft, zet uiteen dat een dergelijke verplichting volgens zijn eigen rechtspraak evenredig moet worden geacht wanneer de hostingprovider reeds op de hoogte is geraakt van ten minste één aantasting van de belangen van de betrokkene door de bijdrage van een gebruiker, zodat gebleken is dat het risico bestaat dat verdere inbreuken zullen worden gepleegd.

20      Het Oberste Gerichtshof is evenwel van oordeel dat het voor deze rechterlijke instantie aanhangige geding vragen over de uitlegging van het Unierecht doet rijzen. Daarom heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Staat artikel 15, lid 1, van [richtlijn 2000/31] er algemeen gesproken aan in de weg dat één van de hieronder vermelde verplichtingen wordt opgelegd aan een hostingprovider die niet prompt heeft gehandeld om bepaalde onwettige informatie te verwijderen, welke verplichting erin bestaat dat hij niet alleen die onwettige informatie in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), van [die] richtlijn verwijdert, maar ook andere identieke informatie

–        wereldwijd,

–        in de betrokken lidstaat,

–        van de desbetreffende gebruiker wereldwijd, of

–        van de desbetreffende gebruiker in de betrokken lidstaat?

2)      Voor zover de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: geldt dit telkens ook voor inhoudelijk overeenstemmende informatie?

3)      Geldt dit ook voor inhoudelijk overeenstemmende informatie, zodra de exploitant kennis heeft gekregen van deze omstandigheid?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede prejudiciële vraag

21      Met zijn eerste en zijn tweede prejudiciële vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2000/31, in het bijzonder artikel 15, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat een rechterlijke instantie van een lidstaat:

–        een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, ongeacht wie om opslag van die informatie heeft verzocht;

–        een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk overeenstemt met informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, en

–        aan een dergelijk bevel wereldwijde werking verleent.

22      Om te beginnen staat vast dat Facebook Ireland „host”-diensten verricht in de zin van artikel 14 van richtlijn 2000/31.

23      In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 14, lid 1, van deze richtlijn tot doel heeft de hostingprovider van zijn aansprakelijkheid te bevrijden wanneer hij voldoet aan een van de twee in die bepaling genoemde voorwaarden, te weten dat hij geen kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie, dan wel dat hij, zodra hij daarvan kennis heeft, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

24      Tevens blijkt uit artikel 14, lid 3, van richtlijn 2000/31, gelezen in het licht van overweging 45 ervan, dat die bevrijding van aansprakelijkheid geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor nationale rechterlijke instanties of autoriteiten om van de hostingprovider in kwestie te eisen dat hij een inbreuk beëindigt of voorkomt, onder meer door de onwettige informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

25      Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 32 van zijn conclusie heeft opgemerkt, tegen een hostingprovider een op grond van het nationale recht van een lidstaat gegeven rechterlijk bevel kan worden uitgevaardigd, zelfs indien hij voldoet aan een van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 geformuleerde alternatieve voorwaarden, en dus zelfs indien hij niet aansprakelijk wordt geacht.

26      Voorts is in lid 1 van artikel 18 van richtlijn 2000/31, dat deel uitmaakt van hoofdstuk III („Tenuitvoerlegging”) van deze richtlijn, bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat hun nationale wetgeving op het gebied van diensten van de informatiemaatschappij voorziet in rechtsgedingen waarbij snel maatregelen kunnen worden getroffen – met inbegrip van voorlopige maatregelen – om de vermeende inbreuk te doen eindigen en om te verhinderen dat de betrokken belangen verder worden geschaad.

27      In casu had Facebook Ireland, zoals blijkt uit punt 13 van dit arrest en uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen, allereerst kennis van de onwettige informatie in kwestie. Vervolgens heeft deze onderneming niet prompt gehandeld om deze informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, zoals artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 voorschrijft. Ten slotte heeft verzoekster in het hoofdgeding een nationale rechterlijke instantie aangezocht om een bevel uit te vaardigen als bedoeld in artikel 18 van deze richtlijn.

28      In overweging 52 van die richtlijn is gepreciseerd dat de bijzonderheid die voortvloeit uit het feit dat de schade die in het kader van de diensten van de informatiemaatschappij kan ontstaan, snel oploopt en een groot geografisch gebied bestrijkt, alsmede de noodzaak ervoor te waken dat de nationale autoriteiten het wederzijdse vertrouwen dat zij elkaar moeten schenken in gevaar brengen, de Uniewetgever ertoe hebben gebracht de lidstaten te verzoeken ervoor te zorgen dat passende gerechtelijke stappen mogelijk zijn.

29      In verband met de uitvoering van artikel 18, lid 1, van richtlijn 2000/31 beschikken de lidstaten dan ook over een bijzonder ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de rechtsmiddelen en procedures die ertoe kunnen leiden dat de nodige maatregelen worden getroffen.

30      Overigens hebben deze maatregelen volgens meerdere taalversies van artikel 18, lid 1, van richtlijn 2000/31 – waaronder met name de Spaanse, de Engelse en de Franse versie – uitdrukkelijk tot doel „elke” vermeende inbreuk te doen eindigen of „elke” verdere aantasting van de betrokken belangen te verhinderen, zodat in beginsel niet kan worden aangenomen dat de reikwijdte van die maatregelen bij de tenuitvoerlegging ervan beperkt is. Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het feit dat die maatregelen volgens andere taalversies van die bepaling – waaronder de Duitse versie – tot doel hebben „een vermeende inbreuk” te doen eindigen en „nieuwe aantastingen van de betrokken belangen” te verhinderen.

31      In artikel 15, lid 1, van die richtlijn is dan weer bepaald dat de lidstaten met betrekking tot de levering van de in de artikelen 12, 13 en 14 bedoelde diensten de dienstverleners geen algemene verplichting mogen opleggen om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

32      Bij de beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter moet met al die bepalingen rekening worden gehouden.

33      In de eerste plaats wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 eraan in de weg staat dat een rechterlijke instantie van een lidstaat een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

34      In dit verband staat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 er weliswaar aan in de weg dat de lidstaten hostingproviders een algemene verplichting opleggen om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, dan wel om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden, maar dit verbod geldt niet voor toezichtverplichtingen „in speciale gevallen”, zoals blijkt uit overweging 47 van die richtlijn.

35      Een dergelijk speciaal geval kan onder meer – zoals in het hoofdgeding – zijn oorsprong vinden in specifieke informatie die door de betrokken hostingprovider is opgeslagen op verzoek van een bepaalde gebruiker van zijn sociaal netwerk en waarvan de inhoud is onderzocht en beoordeeld door een bevoegde rechterlijke instantie van de lidstaat, die deze informatie na afloop van haar beoordeling onwettig heeft verklaard.

36      Aangezien een sociaal netwerk de snelle doorgifte van de door de hostingprovider opgeslagen informatie tussen de verschillende gebruikers van dat netwerk vergemakkelijkt, bestaat er een reëel risico dat als onwettig gekwalificeerde informatie vervolgens door een andere gebruiker van dat netwerk wordt weergegeven en gedeeld.

37      Opdat de hostingprovider in kwestie verhindert dat de betrokken belangen verder worden geschaad, is het dan ook gerechtvaardigd dat de bevoegde rechterlijke instantie van deze hostingprovider kan eisen dat hij de opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan informatie die eerder onwettig is verklaard, verwijdert of de toegang daartoe onmogelijk maakt, ongeacht wie om opslag van die informatie heeft verzocht. Met name gelet op die inhoudelijke identiciteit van de informatie in kwestie kan het daartoe uitgevaardigde rechterlijke bevel echter niet worden geacht voor de hostingprovider een verplichting in het leven te roepen om in het algemeen toe te zien op de door hem opgeslagen informatie, noch voor hem een algemene verplichting te scheppen om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden, in de zin van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31.

38      In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 eraan in de weg staat dat een rechterlijke instantie van een lidstaat een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk overeenstemt met informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

39      Uit de in de verwijzingsbeslissing vervatte gegevens blijkt dat de verwijzende rechter met het begrip „inhoudelijk overeenstemmende informatie” doelt op informatie die een boodschap bevat waarvan de inhoud in wezen ongewijzigd blijft en dus zeer weinig verschilt van de onwettig verklaarde inhoud.

40      In dit verband moet worden benadrukt dat wanneer – zoals in casu – sprake is van lasterlijke uitlatingen over een specifieke persoon, de onwettigheid van de inhoud van informatie op zich niet voortvloeit uit het gebruik van bepaalde begrippen die op een bepaalde wijze worden gecombineerd, maar uit het feit dat de met die inhoud overgebrachte boodschap als onwettig wordt aangemerkt.

41      Met een rechterlijk bevel dat tot doel heeft een onwettige handeling te doen eindigen en herhaling ervan te voorkomen alsook te verhinderen dat de betrokken belangen verder worden geschaad, kunnen deze doelstellingen dan ook enkel daadwerkelijk worden bereikt indien dat bevel zich kan uitstrekken tot informatie waarvan de inhoud in wezen dezelfde boodschap bevat, maar die door de gebruikte woorden of de combinatie daarvan iets anders is geformuleerd dan de informatie waarvan de inhoud onwettig is verklaard. Anders zouden namelijk de gevolgen van een dergelijk bevel – zoals de verwijzende rechter opmerkt – gemakkelijk kunnen worden omzeild doordat berichten worden opgeslagen die nauwelijks verschillen van berichten die eerder onwettig zijn verklaard, wat zou kunnen leiden tot een verveelvoudiging van de procedures die de betrokkene moet instellen om de praktijken waarvan hij het slachtoffer is, te doen eindigen.

42      In dit verband moet evenwel eveneens in herinnering worden gebracht dat een rechterlijke instantie van een lidstaat – zoals volgt uit artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 en zoals in herinnering is gebracht in punt 34 van dit arrest – tegen een hostingprovider geen rechterlijk bevel kan uitvaardigen waarbij deze hostingprovider de verplichting wordt opgelegd om in het algemeen toe te zien op de door hem opgeslagen informatie, en hem ook niet kan dwingen om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die aan de onwettige inhoud ten grondslag liggen.

43      Wat dit betreft zij er met name op gewezen dat, zoals blijkt uit overweging 41 van richtlijn 2000/31, de Uniewetgever met de vaststelling van deze richtlijn een evenwicht tot stand heeft willen brengen tussen de verschillende betrokken belangen.

44      Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 impliceert dan ook dat de doelstelling die wordt beoogd met een rechterlijk bevel als bedoeld in artikel 18, lid 1, van deze richtlijn, gelezen in het licht van overweging 41 ervan, en die met name bestaat in de doeltreffende bescherming van de reputatie en de eer van een persoon, niet mag worden nagestreefd door de hostingprovider een excessieve verplichting op te leggen.

45      Gelet op het bovenstaande dient de in punt 41 van dit arrest bedoelde overeenstemmende informatie specifieke gegevens te bevatten die naar behoren zijn aangewezen door degene die het rechterlijke bevel heeft uitgevaardigd, zoals de naam van de persoon op wie de eerder vastgestelde inbreuk betrekking had, de omstandigheden waarin deze inbreuk is vastgesteld en een inhoud die overeenstemt met de eerder onwettig verklaarde inhoud. Verschillen tussen de formulering van die overeenstemmende inhoud en de formulering van de onwettig verklaarde inhoud mogen hoe dan ook niet van dien aard zijn dat de betrokken hostingprovider verplicht is die inhoud autonoom te beoordelen.

46      Derhalve lijkt een verplichting als die welke is beschreven in de punten 41 en 45 van dit arrest voldoende doeltreffend te zijn om de persoon te beschermen op wie de lasterlijke uitlatingen betrekking hebben, aangezien zij zich ook uitstrekt tot inhoudelijk overeenstemmende informatie. Daarbij komt dat deze bescherming niet wordt geboden doordat de hostingprovider een excessieve verplichting wordt opgelegd, aangezien het vereiste toezicht en onderzoek beperkt zijn tot informatie die de specifiek in het rechterlijke bevel genoemde gegevens bevat, en aangezien het feit dat het gaat om overeenstemmende lasterlijke inhoud met zich meebrengt dat de hostingprovider niet verplicht is een autonome beoordeling te verrichten, zodat hij geautomatiseerde technieken en onderzoeksmethoden kan aanwenden.

47      Bij een dergelijk rechterlijk bevel wordt de hostingprovider dus met name geen verplichting opgelegd om in het algemeen toe te zien op de door hem opgeslagen informatie, noch een algemene verplichting om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden, in de zin van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31.

48      In de derde plaats blijkt uit de formulering van de vragen die aan het Hof zijn voorgelegd door de verwijzende rechter, dat deze eveneens twijfelt of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 eraan in de weg staat dat rechterlijke bevelen als bedoeld in de punten 37 en 46 van het onderhavige arrest wereldwijd gevolgen kunnen sorteren, ook al heeft de verwijzende rechter dienaangaande geen toelichting verstrekt in de motivering van de verwijzingsbeslissing.

49      Met het oog op de beantwoording van deze vraag zij eraan herinnerd dat richtlijn 2000/31, zoals met name blijkt uit artikel 18, lid 1, ervan, niet voorziet in enige – met name territoriale – beperking van de reikwijdte van de maatregelen die de lidstaten overeenkomstig die richtlijn mogen treffen.

50      Mede gelet op de punten 29 en 30 van dit arrest staat richtlijn 2000/31 er dan ook niet aan in de weg dat die rechterlijke bevelen wereldwijd gevolgen sorteren.

51      Uit de overwegingen 58 en 60 van die richtlijn blijkt echter dat de Uniewetgever het wegens de mondiale dimensie van de elektronische handel noodzakelijk achtte ervoor te zorgen dat de Unievoorschriften op dit gebied coherent zijn met de op internationaal niveau toepasselijke voorschriften.

52      De lidstaten moeten erop toezien dat de maatregelen die zij treffen en die wereldwijd gevolgen sorteren, naar behoren rekening houden met laatstgenoemde voorschriften.

53      Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2000/31, in het bijzonder artikel 15, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staat dat een rechterlijke instantie van een lidstaat:

–        een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, ongeacht wie om opslag van die informatie heeft verzocht;

–        een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk overeenstemt met informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, op voorwaarde dat het toezicht op en het onderzoek van de informatie waarop een dergelijk bevel betrekking heeft, beperkt is tot informatie waarmee een boodschap wordt overgebracht waarvan de inhoud in wezen ongewijzigd blijft ten opzichte van de onwettig verklaarde inhoud, en die de specifiek in dat bevel genoemde gegevens bevat, en dat de verschillen tussen de formulering van die overeenstemmende inhoud en de formulering van de eerder onwettig verklaarde inhoud niet van dien aard zijn dat de betrokken hostingprovider verplicht is die inhoud autonoom te beoordelen, en

–        wereldwijd de in het bevel bedoelde informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, binnen de grenzen van het relevante internationale recht waarmee de lidstaten rekening moeten houden.

 Derde prejudiciële vraag

54      Het antwoord op de eerste en de tweede vraag maakt onderzoek van de derde vraag overbodig.

 Kosten

55      Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”), in het bijzonder artikel 15, lid 1, ervan, moet aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staat dat een rechterlijke instantie van een lidstaat:

–        een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, ongeacht wie om opslag van die informatie heeft verzocht;

–        een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk overeenstemt met informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, op voorwaarde dat het toezicht op en het onderzoek van de informatie waarop een dergelijk bevel betrekking heeft, beperkt is tot informatie waarmee een boodschap wordt overgebracht waarvan de inhoud in wezen ongewijzigd blijft ten opzichte van de onwettig verklaarde inhoud, en die de specifiek in dat bevel genoemde gegevens bevat, en dat de verschillen tussen de formulering van die overeenstemmende inhoud en de formulering van de eerder onwettig verklaarde inhoud niet van dien aard zijn dat de betrokken hostingprovider verplicht is die inhoud autonoom te beoordelen, en

–        wereldwijd de in het bevel bedoelde informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken binnen de grenzen van het relevante internationale recht waarmee de lidstaten rekening moeten houden.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.