Language of document : ECLI:EU:C:2019:923

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

5 november 2019 (*)

„Hogere voorziening – Ontvankelijkheid – Vertegenwoordiging van een partij voor het Hof – Aan de advocaat verleende volmacht – Herroeping van de volmacht door de vereffenaar van de verzoekende vennootschap – Voortzetting van de procedure door het bestuur van de verzoekende vennootschap – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 47 – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Verordening (EU) nr. 1024/2013 – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Besluit tot intrekking van de vergunning van een kredietinstelling – Beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht van de Europese Unie – Ontvankelijkheid – Rechtstreekse geraaktheid van de aandeelhouders van de vennootschap waarvan de vergunning is ingetrokken”

In de gevoegde zaken C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P,

betreffende drie hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 24 november 2017 (C‑663/17 P), 27 november 2017 (C‑665/17 P) en 28 november 2017 (C‑669/17 P),

Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door E. Koupepidou en C. Hernández Saseta als gemachtigden, bijgestaan door B. Schneider, Rechtsanwalt, en M. Petite, avocat,

rekwirante,

ondersteund door:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Steiblytė, V. Di Bucci en K.‑Ph. Wojcik als gemachtigden,

interveniënte in hogere voorziening,

andere partijen in de procedure:

Trasta Komercbanka AS, gevestigd te Riga (Letland),

Ivan Fursin, wonende te Kiev (Oekraïne),

Igors Buimisters, wonende te Jurmala (Letland),

C & R Invest SIA, gevestigd te Riga,

Figon Co. Ltd, gevestigd te Nicosia (Cyprus),

GCK Holding Netherlands BV, gevestigd te Amsterdam (Nederland),

Rikam Holding SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),

vertegenwoordigd door M. Kirchner, L. Feddern en O. H. Behrends, Rechtsanwälte,

verzoekende partijen in eerste aanleg (C‑663/17 P),

en

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Steiblytė, V. Di Bucci en K.‑Ph. Wojcik als gemachtigden,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Trasta Komercbanka AS, gevestigd te Riga,

Ivan Fursin, wonende te Kiev,

Igors Buimisters, wonende te Jurmala,

C & R Invest SIA, gevestigd te Riga,

Figon Co. Ltd, gevestigd te Nicosia,

GCK Holding Netherlands BV, gevestigd te Amsterdam,

Rikam Holding SA, gevestigd te Luxemburg,

vertegenwoordigd door M. Kirchner, L. Feddern en O. H. Behrends, Rechtsanwälte,

verzoekende partijen in eerste aanleg,

Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door E. Koupepidou en C. Hernández Saseta als gemachtigden, bijgestaan door B. Schneider, Rechtsanwalt, en M. Petite, avocat,

verweerster in eerste aanleg (C‑665/17 P),

en

Trasta Komercbanka AS, gevestigd te Riga,

Ivan Fursin, wonende te Kiev,

Igors Buimisters, wonende te Jurmala,

C & R Invest SIA, gevestigd te Riga,

Figon Co. Ltd, gevestigd te Nicosia,

GCK Holding Netherlands BV, gevestigd te Amsterdam,

Rikam Holding SA, gevestigd te Luxemburg,

vertegenwoordigd door M. Kirchner, L. Feddern en O. H. Behrends, Rechtsanwälte,

rekwiranten,

andere partijen in de procedure:

Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door E. Koupepidou en C. Hernández Saseta als gemachtigden, bijgestaan door B. Schneider, Rechtsanwalt, en M. Petite, avocat,

verweerster in eerste aanleg,

ondersteund door:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Steiblytė, V. Di Bucci en K.‑Ph. Wojcik als gemachtigden,

interveniënte in hogere voorziening (C‑669/17 P),

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, A. Prechal, M. Vilaras (rapporteur), M. Safjan en S. Rodin, kamerpresidenten, L. Bay Larsen, T. von Danwitz, C. Toader, C. Vajda, F. Biltgen, K. Jürimäe en C. Lycourgos, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: R. Șereș, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 februari 2019,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 2019,

het navolgende

Arrest

1        Met hun hogere voorzieningen verzoeken de Europese Centrale Bank (ECB), de Europese Commissie en Trasta Komercbanka AS, Ivan Fursin, Igors Buimisters, C & R Invest SIA, Figon Co. Ltd, GCK Holding Netherlands BV en Rikam Holding SA om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 12 september 2017, Fursin e.a./ECB (T‑247/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:623; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht heeft geoordeeld dat er geen uitspraak behoefde te worden gedaan op het beroep van Trasta Komercbanka tot nietigverklaring van besluit ECB/SSM/2016 – 529900WIP0INFDAWTJ81/1 WOANCA-2016‑0005 van de Europese Centrale Bank (ECB) van 3 maart 2016 tot intrekking van de vergunning van Trasta Komercbanka (hierna: „litigieus besluit”), en waarbij het de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB heeft verworpen voor zover die betrekking had op het door meerdere aandeelhouders van Trasta Komercbanka, te weten Fursin en Buimisters, C & R Invest, Figon Co., GCK Holding Netherlands en Rikam Holding, ingestelde beroep tot nietigverklaring van dat besluit.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

2        Overeenkomstig artikel 2, punt 1, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63) is een „deelnemende lidstaat” voor de toepassing van deze verordening „een lidstaat die de euro als munt heeft of een lidstaat die niet de euro als munt heeft en die een nauwe samenwerking overeenkomstig artikel 7 is aangegaan”. Volgens artikel 2, punt 9, van die verordening wordt onder het „gemeenschappelijk toezichtsmechanisme” (GTM) verstaan „het systeem voor financieel toezicht dat bestaat uit de ECB en nationale bevoegde autoriteiten van deelnemende lidstaten als omschreven in artikel 6” van de verordening.

3        Artikel 4 van verordening nr. 1024/2013, met als opschrift „Aan de ECB opgedragen taken”, bepaalt in lid 1:

„Binnen het kader van artikel 6 heeft de ECB overeenkomstig lid 3 van dit artikel de exclusieve bevoegdheid om met het oog op het prudentieel toezicht ten aanzien van alle in de deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen de volgende taken uit te voeren:

a)      vergunningen aan kredietinstellingen verlenen en die vergunningen intrekken, volgens artikel 14;

[...]”

4        Artikel 6 van de verordening, met als opschrift „Samenwerking binnen het GTM”, bepaalt in lid 1:

„De ECB vervult haar taken binnen één gemeenschappelijk toezichtsmechanisme dat bestaat uit de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten. De ECB is verantwoordelijk voor het doeltreffend en samenhangend functioneren van het GTM.”

5        Artikel 14, lid 5, van deze verordening luidt als volgt:

„Onder voorbehoud van lid 6 kan de ECB in de gevallen die in de toepasselijke Uniewetgeving zijn vastgesteld, op eigen initiatief, na overleg met de nationale bevoegde autoriteit van de deelnemende lidstaat waar de kredietinstelling gevestigd is, dan wel op voorstel van zo’n nationale bevoegde autoriteit, de vergunning intrekken. Bij dat overleg geeft de ECB, alvorens een besluit tot intrekking te nemen, de nationale autoriteiten voldoende tijd om te besluiten tot de vereiste herstelmaatregelen, waaronder eventuele afwikkelingsmaatregelen, en neemt zij die maatregelen in aanmerking.

Indien de nationale bevoegde autoriteit die [...] de vergunning heeft voorgesteld, van oordeel is dat die vergunning overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving moet worden ingetrokken, dient zij daartoe bij de ECB een voorstel in. In dat geval neemt de ECB een besluit over het voorstel tot intrekking, terdege rekening houdend met de door de nationale bevoegde autoriteit aangevoerde motivering voor de intrekking.”

6        Artikel 24 van verordening nr. 1024/2013, met als opschrift „Administratieve raad voor toetsing”, bepaalt:

„1.      De ECB richt een administratieve raad voor toetsing op die, op verzoek overeenkomstig [lid 5], een interne administratieve toetsing verricht van de besluiten die de ECB krachtens de haar bij deze verordening verleende bevoegdheden heeft genomen. De interne administratieve toetsing behelst toetsing van de procedurele en materiële conformiteit van die besluiten met deze verordening.

[...]

5.      Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan in de in lid 1 vermelde gevallen een verzoek om toetsing indienen met betrekking tot een besluit van de ECB uit hoofde van deze verordening dat tot deze persoon is gericht of dat deze persoon rechtstreeks en individueel raakt. Een verzoek om toetsing met betrekking tot een besluit van de raad van bestuur als bedoeld in lid 7 is niet ontvankelijk.

[...]

7.      Na het nemen van een besluit over de ontvankelijkheid van het verzoek om toetsing, brengt de administratieve raad voor toetsing advies uit binnen een termijn die gelet op de urgentie van de zaak als passend wordt aangemerkt, doch uiterlijk binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het verzoek om toetsing, en verwijst hij de zaak terug naar de raad van toezicht met het oog op de opstelling van een nieuw ontwerpbesluit. De raad van toezicht houdt rekening met het advies van de administratieve raad voor toetsing en legt de raad van bestuur onverwijld een nieuw ontwerpbesluit voor. Het nieuwe ontwerpbesluit kan het oorspronkelijke besluit opheffen, vervangen door een besluit waarvan de inhoud identiek is aan die van het oorspronkelijke besluit, of vervangen door een besluit waarvan de inhoud gewijzigd is ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. Het nieuwe ontwerpbesluit wordt geacht te zijn aangenomen tenzij de raad van bestuur binnen een termijn van ten hoogste tien werkdagen bezwaar aantekent.

[...]”

 Lets recht

 Wet op de kredietinstellingen

7        Artikel 129 van de Kredītiestāžu likums (wet op de kredietinstellingen) (Latvijas Vēstnesis, 1995, nr. 163) bepaalt:

„(1)      Als de Finanšu un kapitāla tirgus komisija [(financiële en kapitaalmarktcommissie, Letland)] [...] een voor het uitoefenen van een kredietinstelling afgegeven licentie (toestemming) opheft, benoemt de financiële en kapitaalmarktcommissie een trustee en verzoekt zij bij de rechter om vereffening van deze kredietinstelling alsmede om benoeming van een vereffenaar, waarbij zij tevens een kandidaat voordraagt voor het ambt van vereffenaar.

(2)      Na opheffing van de licentie is de vergadering van aandeelhouders van de kredietinstelling niet meer bevoegd om over de vrijwillige afwikkeling en over de benoeming van een vereffenaar te besluiten.

[...]”

8        Artikel 133, lid 4, van deze wet luidt:

„Het bepaalde in hoofdstuk XI van deze wet, met uitzondering van de artikelen 160 en 166, alsmede de aan de curator in de artikelen 172 en 1721 van deze wet overgedragen rechten, plichten en bevoegdheden zijn van toepassing op de door de rechter benoemde vereffenaar van de kredietinstelling.”

9        In hoofdstuk XI van deze wet bepaalt artikel 161, lid 1:

„Nadat een kredietinstelling insolvent is verklaard, gaan alle plichten, rechten en bevoegdheden van de krachtens de wet en volgens de statuten van de kredietinstelling ingestelde bestuursorganen en voorzitters van deze organen over op de curator.”

 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

10      Artikel 377, lid 2, van de Civilprocesa likums (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) bepaalt:

„Bij het vonnis inzake de vereffening van een kredietinstelling benoemt de rechter een vereffenaar voor de kredietinstelling. De rechter benoemt tot vereffenaar van de kredietinstelling een door de financiële en kapitaalmarktcommissie voorgedragen persoon.”

11      Artikel 387, lid 2, van dit wetboek luidt:

„Een curator of vereffenaar kan op verzoek van de financiële en kapitaalmarktcommissie door de rechter worden ontslagen. Bij het verzoek dient het besluit van de financiële en kapitaalmarktcommissie te worden gevoegd waarbij het vertrouwen in de curator of vereffenaar is opgezegd op grond van één van de volgende omstandigheden:

[...]”

 Wetboek van koophandel

12      Artikel 322 van de Komerclikums (wetboek van koophandel) luidt:

„(1)      De vereffenaar heeft alle rechten en plichten van het bestuur en de raad van commissarissen die niet in strijd zijn met het doel van de vereffening.

(2)      De vereffenaar int vorderingen, inclusief de aan de vennootschap toekomende bedragen wegens niet volgestorte aandelen in het kapitaal, verkoopt het vermogen van de vennootschap en voldoet de vorderingen van de schuldeisers.

(3)      De vereffenaar mag alleen de voor de vereffening van de vennootschap vereiste handelingen verrichten.

[...]”

 Voorgeschiedenis van het geding

13      De voorgeschiedenis van het geding wordt beschreven in de punten 1 tot en met 7 van de bestreden beschikking en kan als volgt worden samengevat.

14      Trasta Komercbanka is een Letse kredietinstelling die financiële diensten verleent krachtens een vergunning die haar in september 1991 door de financiële en kapitaalmarktcommissie (hierna: „FKMC”) is verleend.

15      Buimisters en de vennootschappen C & R Invest, Figon Co., GCK Holding Netherlands en Rikam Holding zijn rechtstreekse aandeelhouders van Trasta Komercbanka. Fursin, die houder is van het kapitaal van deze vennootschappen, is een indirecte aandeelhouder van Trasta Komercbanka.

16      Na op 5 februari 2016 een voorstel van de FKMC tot intrekking van de vergunning van Trasta Komercbanka te hebben ontvangen en na deze laatste om haar mening te hebben gevraagd, heeft de ECB op grond van artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 14, lid 5, van verordening nr. 1024/2013 het litigieuze besluit vastgesteld, waarbij zij die vergunning heeft ingetrokken.

17      Op 14 maart 2016 nam de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa (districtsrechtbank Vidzeme van de stad Riga, Letland) op verzoek van de FKMC de beslissing om met betrekking tot Trasta Komercbanka een liquidatieprocedure te openen, en werd er een vereffenaar benoemd. Deze rechterlijke instantie heeft ook het verzoek van deze kredietinstelling afgewezen om de vertegenwoordigingsbevoegdheid van haar bestuur in stand te houden, hetgeen gevraagd werd om bij de ECB een verzoek om toetsing in te dienen en bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep in te stellen tegen het litigieuze besluit. Tegen deze beslissing kan niet in hoger beroep worden gegaan.

18      Op 17 maart 2016 werden in de Latvijas Vēstnesis de opening van de op Trasta Komercbanka betrekking hebbende liquidatieprocedure en de vervanging van het bestuur van deze kredietinstelling door de vereffenaar openbaar gemaakt. Diezelfde dag heeft de vereffenaar besloten om alle door Trasta Komercbanka verleende volmachten te herroepen. Op 21 maart 2016 heeft een notaris in de Latvijas Vēstnesis de herroeping van alle vóór 17 maart 2016 verleende volmachten bekendgemaakt.

19      Blijkens punt 7 van de bestreden beschikking heeft Trasta Komercbanka op 3 april 2016 de bij artikel 24 van verordening nr. 1024/2013 ingestelde administratieve raad voor toetsing verzocht om toetsing van het litigieuze besluit. Deze administratieve raad heeft dat verzoek op 30 mei 2016 afgewezen op grond dat de in het verzoek tot toetsing van de Trasta Komercbanka aangevoerde formele en materiële grieven tegen het litigieuze besluit ongegrond waren en dat dit besluit toereikend gemotiveerd en evenredig was. De administratieve raad voor toetsing heeft het bestuur van de ECB wel aanbevolen om bepaalde punten te verduidelijken.

 Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking

20      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 mei 2016, hebben Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders als bedoeld in punt 15 van het onderhavige arrest (hierna: „aandeelhouders van Trasta Komercbanka”) beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.

21      Naar aanleiding van het in punt 19 van het onderhavige arrest bedoelde besluit van de administratieve raad voor toetsing heeft de ECB bij besluit ECB/SSM/2016 – 5299WIP0INFDAWTJ81/2 WOANCA-2016‑0005 van 11 juli 2016 het litigieuze besluit met ingang van die datum ingetrokken en dit besluit vervangen, met de bevestiging dat de vergunning van Trasta Komercbanka werd ingetrokken. Ook ten aanzien van het besluit van 11 juli 2016 hebben Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht. Deze zaak, die nummer T‑698/16 heeft, is nog aanhangig bij het Gerecht.

22      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 september 2016, heeft de ECB een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het tegen het litigieuze besluit ingestelde beroep opgeworpen.

23      In punt 1 van het dictum van de bestreden beschikking heeft het Gerecht geoordeeld dat geen uitspraak behoefde te worden gedaan op het beroep van Trasta Komercbanka. In punt 2 van dat dictum heeft het de door de ECB opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen voor zover deze betrekking had op het beroep van de overige verzoekende partijen.

24      In de eerste plaats heeft het Gerecht, na in de punten 17 tot en met 22 van die beschikking te hebben onderzocht of Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders ondanks de intrekking van het litigieuze besluit een belang hadden om daar in rechte tegen op te komen, in punt 23 van de beschikking geoordeeld dat zij „rechtens genoegzaam hebben aangetoond dat zij nog steeds een belang hadden om op te komen tegen het [litigieuze] besluit, ondanks [de] intrekking”.

25      In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 24 tot en met 51 van de bestreden beschikking de volmacht van de advocaat die het beroep namens Trasta Komercbanka had ingesteld, gecontroleerd.

26      Het Gerecht heeft aangegeven dat het, gelet op het besluit van de vereffenaar van 17 maart 2016 om alle door Trasta Komercbanka vóór 17 maart 2016 verleende volmachten te herroepen, diende te beoordelen of de vereffenaar krachtens het toepasselijke Letse recht bevoegd was om de aan die advocaat verleende volmacht te herroepen en of hij deze volmacht daadwerkelijk had herroepen.

27      Na in punt 32 van de bestreden beschikking te hebben opgemerkt dat de volmacht was verleend voordat de liquidatieprocedure werd geopend, en dat niet werd betwist dat „er op dat moment sprake was van een volmacht die was afgegeven door een daartoe bevoegde persoon in de zin van het Reglement voor de procesvoering”, heeft het Gerecht geoordeeld dat de vereffenaar naar Lets recht de bevoegdheid had om deze volmacht te herroepen en verwierp het de in de punten 35 en 36 van de bestreden beschikking geformuleerde argumenten van Trasta Komercbanka die gebaseerd waren op een belangenconflict van de vereffenaar en diens onbevoegdheid om namens haar beroep in te stellen, alsmede op schending van het Unierecht en in het bijzonder het recht op effectieve rechterlijke bescherming.

28      In punt 46 van die beschikking heeft het Gerecht erop gewezen dat de advocaat die het beroep namens Trasta Komercbanka heeft ingesteld, een door de vereffenaar ondertekende en op 31 maart 2016 gedateerde herroeping van zijn volmacht heeft overgelegd, die deze advocaat stelt op 28 oktober 2016 per e-mail te hebben ontvangen. In het licht hiervan heeft het Gerecht in de punten 47 en 48 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de advocaat niet kon betogen dat de herroeping van zijn volmacht niet van kracht was met ingang van laatstgenoemde datum, en dat hieruit volgde dat hij niet meer beschikte over een rechtsgeldige volmacht van Trasta Komercbanka.

29      In punt 49 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht geoordeeld dat de nakoming van de op rechtspersonen rustende vertegenwoordigingsverplichting, op straffe van afdoening zonder beslissing, als ontvankelijkheidsvoorwaarde moet blijven bestaan tot aan de uitspraak van de rechterlijke beslissing. Na te hebben vastgesteld dat Trasta Komercbanka niet meer werd vertegenwoordigd voor het Gerecht door een daartoe rechtsgeldig gemachtigde advocaat, heeft het in punt 50 van die beschikking geoordeeld dat het niet nodig was om uitspraak te doen op het door deze vennootschap ingestelde beroep.

30      In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 52 tot en met 72 van de bestreden beschikking onderzocht of de aandeelhouders van Trasta Komercbanka een belang hadden om op te komen tegen het litigieuze besluit en procesbevoegd waren.

31      Nadat het Gerecht eerst had vastgesteld dat deze aandeelhouders vanwege de overdracht van de bevoegdheden van de bestuursorganen van Trasta Komercbanka aan de vereffenaar niet de concrete mogelijkheid hadden om gebruik te maken van hun rechten als vennoten om de belangen van deze vennootschap te verdedigen, heeft het in punt 58 van die beschikking geoordeeld dat zij rechtens genoegzaam hun procesbelang hadden aangetoond.

32      Vervolgens heeft het Gerecht, na te hebben vastgesteld dat de aandeelhouders van Trasta Komercbanka geen adressaten van het litigieuze besluit waren, niettemin geoordeeld dat die aandeelhouders een groep personen vormden die op de datum van vaststelling van het litigieuze besluit waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd, en dat dit besluit hen raakte in hun bijzondere hoedanigheid van aandeelhouders van Trasta Komercbanka, waarvan de vergunning was ingetrokken. In punt 63 van de bestreden beschikking heeft het dan ook geoordeeld dat de rechtstreekse aandeelhouders van Trasta Komercbanka individueel werden geraakt door het litigieuze besluit.

33      Ten slotte heeft het Gerecht in punt 69 van de bestreden beschikking voorts geoordeeld dat deze aandeelhouders ook rechtstreeks werden geraakt door het litigieuze besluit, aangezien de intensiteit van de gevolgen van dat besluit van invloed is op de inhoud en omvang van hun rechten. In de punten 66 en 67 van die beschikking heeft het Gerecht aldus benadrukt dat dit besluit tot gevolg had dat Trasta Komercbanka haar statutaire doel niet kon realiseren en geen economische activiteiten kon verrichten, waardoor haar aandeelhouders geen gebruik konden maken van het recht om dividenden uitgekeerd te krijgen, hun stemrechten of het recht om deel te nemen aan het bestuur van die vennootschap.

34      Verder heeft het Gerecht in punt 70 van de bestreden beschikking geoordeeld dat, aangezien de ontvankelijkheid van het beroep was vastgesteld wat de rechtstreekse aandeelhouders van Trasta Komercbanka betreft, niet hoefde te worden onderzocht of Fursin als indirect aandeelhouder van Trasta Komercbanka procesbevoegdheid had.

35      Bijgevolg heeft het Gerecht de door de ECB opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen voor zover zij de aandeelhouders van Trasta Komercbanka betrof.

 Conclusies van partijen en procedure bij het Hof

36      Met haar hogere voorziening in zaak C‑663/17 P verzoekt de ECB het Hof:

–        de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin wordt geoordeeld dat de aandeelhouders van Trasta Komercbanka als verzoekende partijen in eerste aanleg procesbelang hadden en bevoegd waren om beroep in te stellen bij het Gerecht;

–        de zaak zelf af te doen en het beroep van deze aandeelhouders niet-ontvankelijk te verklaren, en

–        Trasta Komercbanka en de aandeelhouders te verwijzen in de kosten.

37      Met haar hogere voorziening in zaak C‑665/17 P verzoekt de Commissie het Hof:

–        de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het door de aandeelhouders van Trasta Komercbanka ingestelde beroep wordt afgewezen;

–        het door deze aandeelhouders ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, en

–        Trasta Komercbanka en de aandeelhouders te verwijzen in de kosten.

38      Met hun hogere voorziening in zaak C‑669/17 P verzoeken Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders het Hof:

–        de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin wordt geoordeeld dat geen uitspraak behoefde te worden gedaan op het door Trasta Komercbanka ingestelde beroep tot nietigverklaring;

–        vast te stellen dat het beroep tot nietigverklaring van Trasta Komercbanka niet zonder voorwerp is;

–        het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk te verklaren;

–        de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak op het beroep tot nietigverklaring, en

–        de ECB te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die welke betrekking hebben op de procedure in hogere voorziening.

39      In hun memories van antwoord in de zaken C‑663/17 P en C‑665/17 P verzoeken Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders het Hof:

–        de hogere voorzieningen in deze zaken af te wijzen;

–        het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk te verklaren en vast te stellen dat het niet zonder voorwerp is geraakt, en

–        de ECB respectievelijk de Commissie te verwijzen in de kosten.

40      In haar memorie van antwoord in zaak C‑665/17 P herhaalt de ECB de in haar hogere voorziening geformuleerde conclusies die in punt 36 van het onderhavige arrest zijn vermeld.

41      In haar memorie van antwoord in zaak C‑669/17 P verzoekt de ECB het Hof de hogere voorziening af te wijzen en Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders te verwijzen in de kosten.

42      Bij beslissing van de president van het Hof van 13 maart 2018 zijn de zaken C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.

43      Bij beslissing van de president van het Hof van 25 april 2018 is de Commissie, teneinde tijdens de mondelinge behandeling opmerkingen te maken, op haar verzoek toegelaten tot interventie aan de zijde van de ECB in de zaken C‑663/17 P en C‑669/17 P.

 Hogere voorzieningen

 Opmerkingen vooraf

44      Opgemerkt zij dat zowel de hogere voorziening in zaak C‑669/17 P als de overige memories die namens Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders zijn ingediend in de zaken C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, door O. H. Behrends zijn ondertekend. Deze persoon, die Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders ook ter terechtzitting van het Hof heeft vertegenwoordigd, baseerde zich, om zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van Trasta Komercbanka te bewijzen, op de volmacht die hem op 10 februari 2016 door de voorzitter van het bestuur van die vennootschap was verleend.

45      Het Gerecht heeft in de punten 46 en 47 van de bestreden beschikking overwogen dat deze volmacht was herroepen bij een brief van de vereffenaar van 31 maart 2016, die op 28 oktober 2016 per e-mail aan de betrokken advocaat werd gezonden. Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders voeren aan dat deze herroeping geen gevolgen heeft gehad en dat Behrends nog steeds bevoegd is om Trasta Komercbanka voor het Gerecht en het Hof te vertegenwoordigen.

46      Hieruit volgt dat de vragen betreffende de ontvankelijkheid van de hogere voorziening in zaak C‑669/17 P, voor zover deze is ingesteld door Trasta Komercbanka, en de rechtsgeldigheid van haar vertegenwoordiging in de zaken C‑663/17 P en C‑665/17 P onlosmakelijk verbonden zijn met het voorwerp van de hogere voorziening in zaak C‑669/17 P, dat bijgevolg in de eerste plaats moet worden onderzocht.

 Hogere voorziening in zaak C669/17 P 

 Argumenten van partijen

47      Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders betwisten zowel de in de punten 46 tot en met 48 van de bestreden beschikking opgenomen overwegingen dat de door het bestuur van Trasta Komercbanka aan hun advocaat verleende volmacht rechtsgeldig werd herroepen door de vereffenaar van die vennootschap, als het gevolg dat het Gerecht er in punt 50 van die beschikking aan heeft verbonden, namelijk dat er geen uitspraak behoefde te worden gedaan op het door Trasta Komercbanka ingestelde beroep.

48      Wat de rechtsgeldigheid van de herroeping van de volmacht betreft, stellen zij dat het onverenigbaar is met het recht op effectieve rechterlijke bescherming om de behartiging van de belangen van Trasta Komercbanka in procedures waarmee wordt opgekomen tegen het litigieuze besluit, te beschouwen als een taak die alleen aan de vereffenaar toekomt, dus een persoon die belast is met de afwikkeling van de vereffening van die vennootschap en die wordt voorgedragen door een autoriteit die ten grondslag ligt aan de vaststelling van het litigieuze besluit door de ECB. Bijgevolg heeft het Gerecht niet alleen artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), maar ook het Letse recht geschonden. De vereffenaar heeft immers een belangenconflict, aangezien de voortzetting van de vereffening van Trasta Komercbanka per definitie haaks staat op het behoud van de vergunning van die vennootschap dat met het beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit wordt beoogd. Het Gerecht heeft geen rekening gehouden met het algemene beginsel dat rechtshandelingen nietig zijn indien er sprake is van een kennelijk belangenconflict.

49      De ECB, bij welke instelling de Commissie zich in haar ter terechtzitting gemaakte opmerkingen in wezen heeft aangesloten, stelt dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de belangen van Trasta Komercbanka door de vereffenaar werden waargenomen. Volgens de ECB bepaalt het Letse recht welke personen bevoegd zijn om namens Trasta Komercbanka op te treden.

50      Bovendien erkent de ECB weliswaar dat de door het bestuur van Trasta Komercbanka verleende volmacht aan de advocaat die namens die vennootschap beroep heeft ingesteld, rechtsgeldig was op de datum waarop deze is opgesteld, maar benadrukt zij dat de bevoegde Letse rechter na de ondertekening van die volmacht de vereffening van Trasta Komercbanka heeft bevolen en een vereffenaar heeft benoemd, die naar Lets recht de bevoegdheid had die noodzakelijk was om deze volmacht te herroepen.

51      De ECB betoogt dat het aan schending van artikel 47 van het Handvest ontleende argument van Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders moet worden afgewezen, aangezien Trasta Komercbanka niet het recht is ontnomen om tegen het litigieuze besluit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen, daar de vereffenaar, indien hij dat opportuun achtte, het recht had om namens Trasta Komercbanka een dergelijk beroep in te stellen. Het argument dat de vereffenaar door de FKMC is benoemd, kan evenmin slagen omdat hij door de bevoegde Letse rechter en niet door deze commissie of door de ECB is benoemd. Volgens de ECB heeft de vereffenaar er belang bij om en is hij verplicht om beroep in te stellen tegen het litigieuze besluit, aangezien de waarde van de activa van Trasta Komercbanka kan stijgen indien hij in het gelijk wordt gesteld.

 Beoordeling door het Hof

52      Om te beginnen moet erop worden gewezen dat de hogere voorziening in zaak C‑669/17 P, voor zover deze is ingesteld door de indirecte aandeelhouder en de rechtstreekse aandeelhouders van Trasta Komercbanka, te weten Fursin en Buimisters, C & R Invest, Figon Co., GCK Holding Netherlands en Rikam Holding, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

53      Zoals in punt 35 van het onderhavige arrest is opgemerkt, heeft het Gerecht in de bestreden beschikking immers geoordeeld dat het door deze partijen ingestelde beroep ontvankelijk was en de door de ECB tegen hen opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen. Hieruit volgt dat deze partijen niet geheel of gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld in de zin van artikel 56, tweede alinea, eerste zin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en derhalve geen hogere voorziening tegen de bestreden beschikking kunnen instellen.

54      Wat de door Trasta Komercbanka ingestelde hogere voorziening betreft, zij eraan herinnerd dat de Europese Unie een Unie is die wordt beheerst door het recht in die zin dat haar instellingen niet ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met inzonderheid het VWEU en de algemene rechtsbeginselen, daar dit Verdrag een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven heeft geroepen waarbij het toezicht op de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen van de Unie aan het Hof is opgedragen (zie in die zin arresten van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, EU:C:1986:166, punt 23; 29 juni 2010, E en F, C‑550/09, EU:C:2010:382, punt 44, en 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad, C‑45/1 P, EU:C:2017:402, punt 35). Particulieren moeten zich bijgevolg daadwerkelijk voor de rechter kunnen beroepen op door hen aan de rechtsorde van de Unie ontleende rechten (arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55      Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat het beginsel van daadwerkelijke bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen en waarnaar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst, een algemeen beginsel van Unierecht is dat uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeit. Dit beginsel is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat op 4 november 1950 te Rome werd ondertekend. Het is meer recentelijk neergelegd in artikel 47 van het Handvest [arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 35, en 24 juni 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van het hooggerechtshof), C‑619/18, EU:C:2019:531, punt 49].

56      De effectieve rechtsbescherming van een rechtspersoon als Trasta Komercbanka, waarvan de vergunning is ingetrokken bij een besluit van een instelling van de Unie zoals de ECB, dat is vastgesteld op grond van een Uniehandeling zoals verordening nr. 1024/2013, wordt gewaarborgd door het recht waarover die persoon krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU beschikt om bij de Unierechter beroep tot nietigverklaring van dat besluit in te stellen.

57      Wil een dergelijk beroep ontvankelijk zijn, moet worden aangetoond dat de betrokken persoon werkelijk heeft beslist om het beroep in te stellen en dat de advocaten die stellen hem te vertegenwoordigen daadwerkelijk volmacht daartoe hebben gekregen (zie in die zin arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Juist om zich ervan te vergewissen dat dit het geval is, is in artikel 51, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht vereist dat de advocaten, wanneer de partij die zij vertegenwoordigen een privaatrechtelijke rechtspersoon is, ter griffie van het Gerecht een door die partij verleende machtiging neerleggen, en kan overeenkomstig lid 4 van dat artikel het ontbreken van de overlegging van deze volmacht tot de formele niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift leiden.

58      Wat een kredietinstelling in de vorm van een onder het recht van een lidstaat vallende rechtspersoon zoals Trasta Komercbanka betreft, dient bij gebreke van een Unieregeling ter zake volgens dat recht te worden bepaald welke organen van deze rechtspersoon bevoegd zijn om de in het vorige punt bedoelde besluiten te nemen.

59      Zoals het Hof reeds heeft aangegeven, wordt de autonomie waarover de lidstaten dienaangaande beschikken, echter beperkt door hun verplichting om in het bijzonder te waarborgen dat het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op toegang tot een onpartijdig gerecht wordt geëerbiedigd (arrest van 8 november 2016, Lesoochranárske zoskupenie VLK, C‑243/15, EU:C:2016:838, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60      Het recht van een rechtspersoon, zoals Trasta Komercbanka, op een doeltreffende voorziening in rechte bij de rechterlijke instanties van de Unie zou worden belemmerd indien op grond van het recht van de betrokken lidstaat een voor het nemen van dergelijke besluiten bevoegde vereffenaar zou worden benoemd op voordracht van een nationale autoriteit die heeft deelgenomen aan de vaststelling van de voor de betrokken rechtspersoon bezwarende handeling die tot haar vereffening heeft geleid. Gelet op de vertrouwensrelatie die een dergelijke benoemingsprocedure tussen die autoriteit en de benoemde vereffenaar impliceert, en gelet op het feit dat een vereffenaar de definitieve vereffening van de rechtspersoon als taak heeft, bestaat immers het risico dat de vereffenaar verhindert dat in een gerechtelijke procedure wordt opgekomen tegen een door die autoriteit zelf of met zijn hulp vastgestelde handeling die heeft geleid tot de vereffening van de betrokken rechtspersoon.

61      Dit geldt des te meer wanneer de vereffenaar van de betrokken rechtspersoon door die autoriteit of op voorstel van deze autoriteit uit zijn functie kan worden ontheven indien, naar aanleiding van een beroep waarvan de inleiding of handhaving afhangt van zijn eigen beslissing, een handeling van de Unie die is vastgesteld met de hulp van die autoriteit en die tot de vereffening van die rechtspersoon heeft geleid, nietig wordt verklaard.

62      Zoals de advocaat-generaal in de punten 75 tot en met 77 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, kunnen situaties als die welke in de punten 60 en 61 van het onderhavige arrest zijn beschreven, voor zover er daarbij sprake is van een belangenconflict, afbreuk doen aan het recht van de betrokken rechtspersoon op een doeltreffende voorziening in rechte (zie in die zin Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 24 november 2005, Capital Bank AD tegen Bulgarije, CE:ECHR:2005:1124JUD004942999, §§ 117 en 118).

63      In casu blijkt uit punt 32 van de bestreden beschikking dat de volmacht van de advocaat die namens Trasta Komercbanka beroep heeft ingesteld bij het Gerecht, is verleend door een persoon die daartoe op de datum van verlening ervan bevoegd was.

64      Zoals in de punten 5 en 34 van die beschikking is opgemerkt, heeft de bevoegde Letse rechter, nadat de volmacht was verleend, evenwel op 14 maart 2016 op verzoek van de FKMC de vereffening van Trasta Komercbanka bevolen overeenkomstig de bepalingen van het Letse recht die voorzien in de vereffening van een kredietinstelling waarvan de vergunning is ingetrokken. Overeenkomstig die bepalingen heeft deze rechter de door de FKMC voorgedragen vereffenaar benoemd. Hij heeft bovendien het verzoek van Trasta Komercbanka afgewezen om de vertegenwoordigingsbevoegdheid van haar voormalige bestuur in stand te laten, met name voor het bij de Unierechter instellen van beroep tegen het litigieuze besluit.

65      Voorts blijkt uit de punten 6 en 46 van de beschikking dat de vereffenaar van Trasta Komercbanka na zijn benoeming alle door deze vennootschap verleende volmachten, waaronder die van de advocaat die namens Trasta Komercbanka het beroep bij het Gerecht had ingesteld, heeft herroepen, en dat die vennootschap daar kennis van heeft gekregen uiterlijk op 28 oktober 2016, de datum waarop de herroeping moet worden geacht te zijn ingegaan.

66      Het Gerecht heeft derhalve in de punten 48 tot en met 50 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de advocaat niet meer beschikte over een rechtsgeldige, door deze vennootschap verleende machtiging in de zin van artikel 51, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, en dat er bijgevolg geen uitspraak behoefde te worden gedaan op het beroep van de vennootschap.

67      Het Gerecht heeft in punt 35 van die beschikking het argument van Trasta Komercbanka inzake een belangenconflict van de vereffenaar afgewezen op grond dat, aangezien de bevoegde Letse rechter afwijzend had beslist op het verzoek van Trasta Komercbanka om de vertegenwoordigingsbevoegdheid van haar bestuur in stand te laten, dit argument niet kon afdoen aan het feit dat de vereffenaar van Trasta Komercbanka op grond van het Letse recht de eerder aan haar advocaat verleende volmacht kon herroepen.

68      In punt 36 van die beschikking heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat „de toepassing van het Letse recht [...] hoe dan ook geen schending van het Unierecht en in het bijzonder van het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming [opleverde]”, aangezien die toepassing er niet toe leidde dat banken waarvan de vergunning was ingetrokken, geen beroep kunnen instellen, maar wel dat de verantwoordelijkheid voor dat beroep wordt opgedragen aan een vereffenaar.

69      De door het Gerecht in de punten 35 en 36 van de bestreden beschikking geformuleerde overwegingen geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

70      Zoals blijkt uit punt 60 van het onderhavige arrest, is het in punt 35 van de bestreden beschikking genoemde feit dat de vereffenaar krachtens het Letse recht bevoegd was om de volmacht te herroepen die aan de advocaat van Trasta Komercbanka was verleend om bij de Unierechter beroep in te stellen tegen het litigieuze besluit, immers niet voldoende om de erkenning van die herroeping door de Unierechter te rechtvaardigen indien die herroeping, met name om de in de punten 61 en 62 van het onderhavige arrest aangegeven redenen, inbreuk maakt op het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht van Trasta Komercbanka op een doeltreffende voorziening in rechte.

71      Aangezien de vereffening van Trasta Komercbanka overeenkomstig de toepasselijke Letse bepalingen een gevolg is van de intrekking van haar vergunning door het litigieuze besluit, kan de nietigverklaring van dat besluit die mogelijkerwijs voortvloeit uit het beroep van Trasta Komercbanka, leiden tot de intrekking van de beslissing waarbij de vereffening van die vennootschap werd gelast, en dus van de beslissing tot benoeming van de vereffenaar.

72      Opgemerkt moet worden dat, zoals blijkt uit artikel 322 van het wetboek van koophandel, de taak die aan de vereffenaar van een rechtspersoon als Trasta Komercbanka is opgedragen, niet dezelfde is als die welke gewoonlijk aan de bestuurder van een dergelijke rechtspersoon is toevertrouwd, aangezien de vereffenaar enkel als doel heeft de schulden te innen, de activa te verkopen en de schuldeisers af te lossen om de volledige stopzetting van de activiteiten van die rechtspersoon te bewerkstelligen.

73      Bovendien heeft het Gerecht geen rekening gehouden met de door Trasta Komercbanka aangevoerde omstandigheid dat de vereffenaar overeenkomstig artikel 377, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering op voordracht van de FKMC was benoemd en dat de FKMC krachtens artikel 387, lid 2, van dat wetboek kon verzoeken om de vereffenaar te ontheffen van zijn taak indien hij haar vertrouwen niet meer had.

74      Hoewel niet de FKMC maar de ECB de auteur van het litigieuze besluit en de verwerende partij voor het Gerecht is, neemt dit niet weg dat de FKMC heeft deelgenomen aan de vaststelling van het litigieuze besluit, dat op haar voorstel is vastgesteld. Gelet op de taak die hem naar Lets recht is opgedragen, heeft de vereffenaar een belangenconflict omdat, wanneer bij de rechterlijke instanties van de Unie wordt opgekomen tegen de intrekking van de vergunning van de door hem vertegenwoordigde rechtspersoon, hij in strijd met die taak aan de vereffening van die rechtspersoon mogelijkerwijs haar rechtsgrondslag dient te ontnemen.

75      Zoals in de punten 60 tot en met 62 van het onderhavige arrest is opgemerkt, volgt uit het bestaan van dergelijke banden tussen de FKMC en de vereffenaar en uit de rol die de FKMC bij de vaststelling van het litigieuze besluit heeft gespeeld, dat de verantwoordelijkheid voor een eventuele herroeping van de aan de advocaat van Trasta Komercbanka verleende volmacht om bij de rechter van de Unie beroep in te stellen tegen dat besluit, niet aan die vereffenaar kan worden opgedragen zonder afbreuk te doen aan het recht van Trasta Komercbanka op een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het Handvest.

76      Deze vaststelling wordt ook bevestigd door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat Hof heeft immers in zijn uitspraak van 9 september 2004, Capital Bank AD tegen Bulgarije (CE:ECHR:2004:0909DEC004942999), betreffende een door vereffenaars vertegenwoordigde bankinstelling geoordeeld dat het recht van de voormalige directie van die bankinstelling om bij dat Hof een individueel verzoekschrift in te dienen in de zin van artikel 34 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden diende te worden erkend wanneer die vereffenaars een belangenconflict hebben dat de uitoefening van dat recht door de instelling die zij moeten vertegenwoordigen theoretisch en illusoir maakt.

77      Aan dit oordeel wordt niet afgedaan door de overweging van het Gerecht in punt 36 van de bestreden beschikking. De omstandigheid dat naar Lets recht de verantwoordelijkheid om beroep in te stellen of te handhaven tegen een besluit tot intrekking van een vergunning zoals het litigieuze besluit, wordt overgedragen aan een vereffenaar, impliceert weliswaar in beginsel niet dat het recht op effectieve rechtsbescherming wordt geschonden, maar dit geldt niet indien de persoon aan wie die verantwoordelijkheid wordt overgedragen, een belangenconflict heeft wat betreft het besluit tot het instellen of handhaven van een dergelijk beroep.

78      Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 35 en 36 van de bestreden beschikking te oordelen dat de toepassing van het Letse recht, ondanks de argumenten die Trasta Komercbanka ter rechtvaardiging van het behoud van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van haar voormalige bestuur had aangevoerd, niet leidde tot schending van het recht van die vennootschap op effectieve rechtsbescherming, alsmede door in de punten 47 en 48 van die beschikking hieruit af te leiden dat de advocaat die namens Trasta Komercbanka beroep had ingesteld, niet meer beschikte over een rechtsgeldige, door een daartoe bevoegde persoon verleende volmacht om namens die vennootschap op te treden, aangezien de hem aanvankelijk verleende volmacht was herroepen door de vereffenaar van de vennootschap. Gelet op de in de punten 70 tot en met 77 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen mocht het Gerecht immers met deze herroeping geen rekening houden aangezien die het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte van Trasta Komercbanka schond.

79      Bijgevolg moet de hogere voorziening van Trasta Komercbanka in zaak C‑669/17 P ontvankelijk en gegrond worden verklaard en dient de bestreden beschikking te worden vernietigd voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat geen uitspraak behoefde te worden gedaan op het door Trasta Komercbanka ingestelde beroep.

 Bij het Gerecht ingestelde beroep van Trasta Komercbanka

80      Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening. Het Hof kan de zaak dan zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

81      In casu beschikt het Hof over alle noodzakelijke gegevens om definitief uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep van Trasta Komercbanka.

82      Om de in de punten 54 tot en met 61 en 70 tot en met 77 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen moet de door de ECB opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, voor zover deze betrekking heeft op het beroep van Trasta Komercbanka, ongegrond worden verklaard.

83      Het Hof is daarentegen van oordeel dat het niet in staat is zelf inhoudelijk uitspraak te doen op het door Trasta Komercbanka ingestelde beroep. Bijgevolg dient de onderhavige zaak hiertoe te worden terugverwezen naar het Gerecht.

 Hogere voorzieningen in de zaken C663/17 P en C- 665/17 P 

 Ontvankelijkheid van de hogere voorziening in zaak C663/17 P

84      Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders voeren aan dat de conclusies van de hogere voorziening van de ECB in zaak C‑663/17 P, anders dan is voorgeschreven in artikel 169 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, niet strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht zoals deze in het dictum van de bestreden beschikking voorkomt, maar tot vernietiging van bepaalde punten van de motivering van die beschikking. Volgens Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders kunnen dergelijke conclusies niet worden aanvaard, net zo min als conclusies die ertoe strekken dat het Hof definitief inhoudelijk uitspraak doet over de zaak, aangezien het Gerecht tot op heden slechts uitspraak heeft gedaan over de ontvankelijkheid van het bij het Gerecht ingestelde beroep.

85      Dit betoog kan niet slagen.

86      Ten eerste ziet de eerste vordering van de hogere voorziening van de ECB uitdrukkelijk op de vernietiging van punt 2 van het dictum van de bestreden beschikking. Ten tweede verzoekt de ECB het Hof met de tweede vordering in hogere voorziening in wezen, overeenkomstig artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, het door haar in eerste aanleg gevorderde toe te wijzen, namelijk de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de aandeelhouders van Trasta Komercbanka.

87      Bijgevolg is de hogere voorziening van de ECB in zaak C‑663/17 P ontvankelijk.

 Gegrondheid van de hogere voorzieningen in de zaken C663/17 P en C- 665/17 P

88      Ter ondersteuning van haar hogere voorziening in zaak C‑663/17 P voert de ECB in wezen drie middelen aan. Volgens het eerste middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de aandeelhouders van Trasta Komercbanka een procesbelang hadden om op te komen tegen het litigieuze besluit. Met het tweede middel betoogt de ECB dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat deze aandeelhouders door het litigieuze besluit individueel werden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Het derde middel heeft betrekking op de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven door te oordelen dat die aandeelhouders door dit besluit rechtstreeks werden geraakt in de zin van deze bepaling.

89      Ter ondersteuning van haar hogere voorziening in zaak C‑665/17 P voert de Commissie twee middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 263 VWEU doordat het Gerecht ten onrechte het bestaan heeft erkend van een procesbelang van de aandeelhouders van Trasta Komercbanka. Het tweede middel heeft betrekking op de schending van artikel 263, vierde alinea, VWEU en omvat twee onderdelen die betrekking hebben op de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door te oordelen dat de aandeelhouders zowel individueel als rechtstreeks door dit besluit werden geraakt.

90      Eerst moeten het derde middel van de hogere voorziening in zaak C‑663/17 P en het tweede onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening in zaak C‑665/17 P worden onderzocht.

–       Argumenten van partijen

91      De ECB en de Commissie voeren aan dat de aandeelhouders van Trasta Komercbanka niet rechtstreeks worden geraakt door het litigieuze besluit, aangezien dit het wezen van hun rechten niet aantast. Alleen Trasta Komercbanka, waarvan de vergunning als kredietinstelling is ingetrokken, kan worden beschouwd als rechtstreeks geraakt door dit besluit. Dat besluit heeft dus alleen voor Trasta Komercbanka rechtstreekse rechtsgevolgen. De aandeelhouders van die vennootschap zijn zelf niet in het bezit van een bankvergunning en kunnen dus niet stellen dat zij persoonlijk door de intrekking van een dergelijke vergunning zijn benadeeld. Door in de bestreden beschikking te oordelen dat de aandeelhouders van Trasta Komercbanka door dit besluit rechtstreeks werden geraakt wegens de intensiteit van de gevolgen van dat besluit voor hun situatie, heeft het Gerecht zijn eigen rechtspraak onjuist toegepast.

92      De ECB en de Commissie betogen dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het economische belang van de vennootschap en het belang van haar aandeelhouders, aangezien deze laatsten niet beschikken over rechten op de activa van de onderneming. De intrekking van de vergunning van Trasta Komercbanka heeft inderdaad economische gevolgen voor haar aandeelhouders, maar tast hun rechtspositie niet aan. Om te bepalen of deze aandeelhouders door het besluit tot intrekking rechtstreeks zijn geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, mag geen rekening worden gehouden met deze economische gevolgen, ongeacht de omvang daarvan. Een criterium dat is gebaseerd op de kwalitatieve beoordeling van de gevolgen van een handeling zou in strijd zijn met de bewoordingen en de doelstellingen van artikel 263, vierde alinea, VWEU.

93      Bovendien heeft het litigieuze besluit geen rechtsgevolgen gehad voor het recht van de aandeelhouders van Trasta Komercbanka om dividenden uitgekeerd te krijgen.

94      Voorts is het onjuist te stellen dat de intrekking van de bankvergunning van Trasta Komercbanka haar belet om haar statutaire doel te bereiken en economische activiteiten te hebben. Deze intrekking staat niet in de weg aan de uitoefening van andere economische activiteiten door Trasta Komercbanka, in voorkomend geval na wijziging van haar statuten.

95      De ECB en de Commissie betogen dat het litigieuze besluit ook geen impact heeft gehad op de structuur van Trasta Komercbanka of op haar interne beheer. De beslissing om de vereffening van Trasta Komercbanka te bevelen, heeft wellicht een invloed gehad op die structuur en dat beheer, maar die beslissing is genomen op basis van het Letse recht en niet op basis van het Unierecht, dat niet vereist dat een kredietinstelling waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt vereffend. Het Gerecht heeft in dit verband geen onderscheid gemaakt tussen het litigieuze besluit en de beslissing waarbij de vereffening van Trasta Komercbanka is gelast.

96      Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders zijn op hun beurt van mening dat de situatie van deze aandeelhouders niet vergelijkbaar is met die van de minderheidsaandeelhouders van een commerciële onderneming. De aandeelhouders van Trasta Komercbanka zijn houders van het merendeel van de aandelen van deze vennootschap. Bovendien heeft het Gerecht reeds erkend dat een meerderheidsaandeelhouder het recht heeft om op te komen tegen een besluit dat is gericht tot de vennootschap waarvan hij aandelen bezit, uitsluitend op basis van de economische gevolgen die dit besluit voor deze aandeelhouder heeft.

97      De uitlegging volgens welke enkel de rechtsgevolgen en niet de economische gevolgen van een handeling in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen of een persoon door die handeling rechtstreeks en individueel wordt geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, vindt geen steun in de rechtspraak. Integendeel, op het gebied van staatssteun en op het gebied van concentraties hebben de rechterlijke instanties van de Unie de procesbevoegdheid erkend van personen die concurrenten zijn van de adressaat van een handeling, uitsluitend op grond van de economische gevolgen van die handeling voor die personen.

98      Bovendien raakt het litigieuze besluit de aandeelhouders van Trasta Komercbanka rechtstreeks en individueel, aangezien het hun de mogelijkheid ontneemt om op basis van de Letse bankvergunning van Trasta Komercbanka in een andere lidstaat een filiaal van deze vennootschap te vestigen. Tevens ontneemt het hun overeenkomstig het Letse recht ook de mogelijkheid om over te gaan tot vrijwillige vereffening van hun vennootschap en zelf de vereffenaar te benoemen. Voorts worden de aandeelhouders van Trasta Komercbanka met naam geïdentificeerd in het litigieuze besluit en zijn zij als gesprekspartner aanvaard in de procedure die tot dit besluit heeft geleid, op dezelfde wijze als de personen die bevoegd zijn om Trasta Komercbanka in rechte te vertegenwoordigen.

99      Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders voegen daaraan toe dat bij de beoordeling van de vraag of een verzoeker procesbevoegdheid heeft op grond van artikel 263 VWEU, de gevolgen van de toepassing van het nationale recht in aanmerking moeten worden genomen. Zij benadrukken in dit verband dat de vereffening van Trasta Komercbanka naar Lets recht een automatisch gevolg is van de intrekking van haar vergunning, en dat noch de FKMC noch de Letse rechter die deze vereffening heeft gelast ter zake over een beoordelingsmarge beschikte.

100    Hoe dan ook is het vereiste dat de aandeelhouders van een vennootschap een afzonderlijk belang dienen aan te tonen bij de nietigverklaring van een handeling die is gericht tot de vennootschap waarvan zij aandelen bezitten, niet van toepassing in een geval als het onderhavige waarin de aandeelhouders van de betrokken vennootschap, hoewel zij de meerderheid van de aandelen bezitten, hun rechten niet kunnen uitoefenen om de vennootschap te dwingen om beroep in te stellen.

101    Ten slotte stellen Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders dat de procesbevoegdheid van de aandeelhouders van Trasta Komercbanka losstaat van de uitkomst van de hogere voorziening in zaak C‑669/17 P.

–       Beoordeling door het Hof

102    Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU een natuurlijke of rechtspersoon enkel beroep kan instellen tegen een tot een andere persoon gericht besluit indien dat besluit hem rechtstreeks en individueel raakt.

103    Volgens vaste rechtspraak van het Hof, zoals tevens door het Gerecht in punt 64 van de bestreden beschikking in herinnering is gebracht, moet ter vervulling van de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarde dat een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks wordt geraakt door het besluit waartegen beroep is ingesteld, aan twee cumulatieve criteria zijn voldaan, namelijk ten eerste dat de bestreden maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van de particulier en ten tweede dat aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid is gelaten, omdat de uitvoering zuiver automatisch geschiedt en reeds uit de regelgeving van de Unie voortvloeit zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie onder meer arresten van 22 maart 2007, Regione Siciliana/Commissie, C‑15/06 P, EU:C:2007:183, punt 31; 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 66, en 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 42).

104    In dit verband moet worden opgemerkt dat het litigieuze besluit de vergunning van Trasta Komercbanka als kredietinstelling heeft ingetrokken en bijgevolg rechtstreekse gevolgen heeft gehad voor de rechtspositie van die vennootschap, die na de vaststelling van het besluit haar activiteiten als kredietinstelling niet meer mocht voortzetten. Deze vergunning was afgegeven aan Trasta Komercbanka zelf en niet aan haar aandeelhouders persoonlijk.

105    Het Gerecht heeft op basis van de in de punten 66 tot en met 68 van de bestreden beschikking uiteengezette overwegingen niettemin geoordeeld dat het litigieuze besluit ook rechtstreeks de aandeelhouders van Trasta Komercbanka raakte.

106    Zoals uit punt 67 van die beschikking blijkt, heeft het Gerecht deze beoordeling in wezen gebaseerd op de „intensiteit” van de gevolgen van het litigieuze besluit, dat „noodzakelijkerwijs de inhoud en omvang” van de rechten van de aandeelhouders van Trasta Komercbanka zou beïnvloeden. Het recht van de aandeelhouders om dividenden te ontvangen van een vennootschap „die niet meer bevoegd is om haar activiteiten uit te oefenen” zou „noodzakelijkerwijze illusoir” worden. Voorts zou, voor zover het litigieuze besluit tot gevolg heeft dat „Trasta Komercbanka haar statutaire doel niet kan realiseren”, de uitoefening door de aandeelhouders van hun stemrechten of van het recht om deel te nemen aan het bestuur van deze vennootschap „in wezen formeel” worden.

107    Deze overwegingen geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

108    Door de voorkeur te geven aan een onjuist criterium inzake de „intensiteit” van de gevolgen van het litigieuze besluit, is het Gerecht niet, zoals het had moeten doen, nagegaan of dit besluit rechtstreekse gevolgen had voor de rechtspositie van de aandeelhouders van Trasta Komercbanka.

109    Zoals de ECB en de Commissie terecht opmerken, heeft het Gerecht voorts ten onrechte niet gekeken naar de rechtsgevolgen, maar wel naar de economische gevolgen van het litigieuze besluit voor de situatie van de aandeelhouders van Trasta Komercbanka (zie in die zin arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association, C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

110    Het recht van aandeelhouders om dividenden uitgekeerd te krijgen en om deel te nemen aan het bestuur van de naar Lets recht opgerichte vennootschap Trasta Komercbanka werd door het litigieuze besluit niet aangetast.

111    Na de intrekking van haar vergunning is Trasta Komercbanka inderdaad niet meer in staat om haar activiteiten als kredietinstelling voort te zetten, zodat haar vermogen om dividenden uit te keren aan haar aandeelhouders twijfelachtig is. Het negatieve effect van deze intrekking is evenwel economisch van aard, aangezien het recht van de aandeelhouders om dividenden te ontvangen en hun recht om deel te nemen aan het bestuur van deze vennootschap, indien nodig door haar statutaire doel te wijzigen, geenszins door het litigieuze besluit zijn aangetast.

112    Aan de voorgaande overwegingen wordt niet afgedaan door de in punt 97 van het onderhavige arrest samengevatte argumentatie van Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders, die is gebaseerd op de rechtspraak van de Unierechter op het gebied van staatssteun en op het gebied van concentraties. Zo hangt de vaststelling dat bepaalde concurrenten van de adressaten van een op die gebieden betrekking hebbende Uniehandeling rechtstreeks geraakt kunnen zijn door die handeling, niet samen met de zuiver economische gevolgen van de betreffende handeling voor hun situatie maar met het feit dat die handeling gevolgen heeft voor de rechtspositie van die concurrenten, in het bijzonder voor hun uit de bepalingen van het VWEU voortvloeiende recht om geen vervalsing van de mededinging te moeten ondergaan (zie in die zin arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 43).

113    Wat de vereffening van Trasta Komercbanka na de vaststelling van het litigieuze besluit betreft, klopt het dat een dergelijke omstandigheid rechtstreeks het recht van de aandeelhouders van Trasta Komercbanka heeft aangetast om deel te nemen aan het bestuur van die vennootschap, aangezien dat bestuur door de beslissing waarbij de vereffening wordt bevolen aan een vereffenaar is opgedragen.

114    De vereffening van Trasta Komercbanka vormt echter geen uitvoering van het litigieuze besluit die „zuiver automatisch geschiedt en reeds uit de regelgeving van de Unie voortvloeit” in de zin van de in punt 103 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. De Unieregeling voorziet immers niet in de vereffening van een kredietinstelling waarvan de vergunning is ingetrokken. De beslissing tot vereffening werd door een Letse rechter genomen op basis van het Letse recht, zodat er sprake is van „nadere regels” in de zin van diezelfde rechtspraak.

115    Hieruit volgt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de aandeelhouders van Trasta Komercbanka door het litigieuze besluit rechtstreeks werden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.

116    Gelet op het voorgaande slaagt het derde middel van de hogere voorziening in zaak C‑663/17 P en het tweede onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening in zaak C‑665/17 P en dient de bestreden beschikking, zonder dat de overige middelen hoeven te worden onderzocht, te worden vernietigd voor zover daarbij de door de ECB opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid inzake het door de aandeelhouders van Trasta Komercbanka ingestelde beroep wordt afgewezen.

 Bij het Gerecht ingesteld beroep van de aandeelhouders van Trasta Komercbanka

117    Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening. Het kan dan de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

118    In casu beschikt het Hof over alle noodzakelijke gegevens om definitief uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep van de aandeelhouders van Trasta Komercbanka.

119    Om de in de punten 108 tot en met 114 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen moet worden geoordeeld dat de aandeelhouders van Trasta Komercbanka niet rechtstreeks door het litigieuze besluit worden geraakt. Bijgevolg moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB, voor zover deze betrekking heeft op het beroep van deze aandeelhouders, worden toegewezen, zodat dit beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

 Kosten

120    Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer het Hof, bij gegrondheid ervan, de zaak zelf afdoet.

121    Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.

122    Aangezien Trasta Komercbanka en haar aandeelhouders in het ongelijk zijn gesteld in de zaken C‑663/17 P en C‑665/17 P, moeten zij overeenkomstig de vordering van de ECB en de Commissie worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de ECB en de Commissie in het kader van deze hogere voorzieningen. Aangezien de aandeelhouders van Trasta Komercbanka in het beroep bij het Gerecht in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij voorts overeenkomstig de vordering van de ECB worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de ECB uit hoofde van de procedure in eerste aanleg betreffende dat beroep, zoals dat door deze aandeelhouders is ingesteld.

123    Bovendien dragen volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de instellingen van de Unie die in het geding hebben geïntervenieerd hun eigen kosten.

124    De Commissie, interveniënte in zaak C‑663/17 P, zal haar eigen kosten in deze zaak dragen.

125    Ten slotte moet de beslissing omtrent de kosten in zaak C‑669/17 P worden aangehouden aangezien de zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht.

Het Hof (Grote kamer) verklaart:

1)      De hogere voorziening in zaak C669/17 P wordt niet-ontvankelijk verklaard voor zover die is ingesteld door Ivan Fursin, Igors Buimisters, C & R Invest SIA, Figon Co. Ltd, GCK Holding Netherlands BV en Rikam Holding SA.

2)      De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 12 september 2017, Fursin e.a./ECB (T247/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:623), wordt vernietigd.

3)      De exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Europese Centrale Bank wordt afgewezen voor zover zij het beroep betreft van Trasta Komercbanka AS tot nietigverklaring van besluit ECB/SSM/2016 – 529900WIP0INFDAWTJ81/1 WOANCA-20160005 van de Europese Centrale Bank van 3 maart 2016, waarbij de aan Trasta Komercbanka verleende vergunning is ingetrokken.

4)      Het door Ivan Fursin, Igors Buimisters, C & R Invest SIA, Figon Co. Ltd, GCK Holding Netherlands BV en Rikam Holding SA ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Europese Centrale Bank van 3 maart 2016 wordt verworpen.

5)      De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie, zodat het uitspraak kan doen op het beroep van Trasta Komercbanka AS tot nietigverklaring van het besluit van de Europese Centrale Bank van 3 maart 2016.

6)      Trasta Komercbanka AS, Ivan Fursin, Igors Buimisters, C & R Invest SIA, Figon Co. Ltd, GCK Holding Netherlands BV en Rikam Holding SA worden verwezen in hun eigen kosten alsmede in die van de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie in verband met de hogere voorzieningen in de zaken C663/17 P en C665/17 P.

7)      De Europese Commissie draagt haar eigen kosten in zaak C663/17 P.

8)      Ivan Fursin, Igors Buimisters, C & R Invest SIA, Figon Co. Ltd, GCK Holding Netherlands BV en Rikam Holding SA worden verwezen in hun eigen kosten alsmede in die van de Europese Centrale Bank in verband met de procedure in eerste aanleg betreffende het door deze aandeelhouders ingestelde beroep.

9)      De beslissing omtrent de kosten in zaak C669/17 P wordt aangehouden.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.