Language of document : ECLI:EU:T:2019:780

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)

7 november 2019 (*)

„Institutioneel recht – Europees Parlement – Besluit volgens hetwelk bepaalde uitgaven van een politieke partij voor het jaar 2015 niet voor subsidie in aanmerking komen – Besluit tot toekenning van een subsidie voor het jaar 2017 dat voorziet in een voorfinanciering van 33 % van het maximale bedrag van de subsidie en de verplichting om een bankgarantie te stellen – Verplichting tot onpartijdigheid – Rechten van de verdediging – Financieel Reglement – Uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement – Verordening (EG) nr. 2004/2003 – Evenredigheid – Gelijke behandeling”

In zaak T‑48/17,

Alliance for Direct Democracy in Europe ASBL (ADDE), gevestigd te Brussel (België), aanvankelijk vertegenwoordigd door L. Defalque en L. Ruessmann, vervolgens door M. Modrikanen, en ten slotte door Y. Rimokh, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door C. Burgos en S. Alves als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van ten eerste het besluit van het Parlement van 21 november 2016 volgens hetwelk bepaalde uitgaven voor het jaar 2015 niet voor subsidie in aanmerking komen en ten tweede besluit FINS-2017‑13 van het Parlement van 12 december 2016 betreffende de toekenning aan verzoekster van een subsidie voor het jaar 2017, voor zover de voorfinanciering bij dit besluit tot 33 % van het maximale bedrag van de subsidie wordt beperkt, gekoppeld aan de voorwaarde dat er een bankgarantie wordt gesteld,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: A. M. Collins (rapporteur), president, M. Kancheva, R. Barents, J. Passer en G. De Baere, rechters,

griffier: F. Oller, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 mei 2019,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, Alliance for Direct Democracy in Europe ASBL (ADDE), is een politieke partij op Europees niveau in de zin van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (PB 2003, L 297, blz. 1).

2        Op 30 september 2014 heeft verzoekster voor het financiële jaar 2015 overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 2004/2003 een verzoek tot financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie ingediend.

3        Tijdens zijn vergadering van 15 december 2014 heeft het Bureau van het Europees Parlement besluit FINS-2015‑14 vastgesteld, waarbij voor het financiële jaar 2015 een maximale subsidie van 1 241 725 EUR aan verzoekster is toegekend.

4        Op 18 april 2016 heeft de externe auditor zijn controleverslag uitgebracht, waarbij werd vastgesteld dat een bedrag van 157 935,05 EUR aan uitgaven voor het financiële jaar 2015 niet voor subsidie in aanmerking kwam.

5        Vanaf mei 2016 hebben de diensten van het Parlement aanvullende controles verricht. Naar aanleiding daarvan heeft het Parlement verzoekster op 23 mei 2016 een brief gestuurd waarbij zij in kennis werd gesteld van een besluit van het Bureau van 9 mei 2016, waarin de criteria voor uitlegging van het verbod op financiering van referendumcampagnes nader werden uiteengezet.

6        Op 26 en 27 september 2016 hebben de diensten van het Parlement een controlebezoek in de lokalen van verzoekster verricht.

7        Op 30 september 2016 heeft verzoekster een verzoek tot financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie voor het financiële jaar 2017 ingediend.

8        Bij brief van 14 oktober 2016 heeft de directeur-generaal Financiën van het Parlement verzoekster naar aanleiding van het externe controleverslag en de aanvullende controles door de diensten van het Parlement meegedeeld dat een aantal uitgaven voor het financiële jaar 2015 niet subsidiabel waren bevonden. Verzoekster werd verzocht uiterlijk op 4 november 2016 opmerkingen in te dienen.

9        Op 2 november 2016 heeft verzoekster opmerkingen ingediend over de brief van de directeur-generaal Financiën van het Parlement van 14 oktober 2016. Voorts heeft zij verzocht te worden gehoord tijdens de vergadering van het Bureau van het Parlement waarin het zijn besluit over het door haar ingediende eindverslag voor het financiële jaar 2015 zou goedkeuren.

10      Op 10 november 2016 heeft de secretaris-generaal van het Parlement het Bureau van het Parlement verzocht het besluit over het eindverslag dat verzoekster voor het financiële jaar 2015 had ingediend, goed te keuren en te verklaren dat bepaalde uitgaven niet voor financiering in aanmerking kwamen.

11      Het Bureau van het Parlement heeft tijdens zijn vergadering van 21 november 2016 het eindverslag onderzocht dat verzoekster voor het financiële jaar 2015 na afsluiting van haar rekeningen voor dat jaar had ingediend. Het Bureau heeft verklaard dat een bedrag van 500 615,55 EUR niet voor financiering in aanmerking kwam en heeft het definitieve bedrag van de aan verzoekster toegekende subsidie op 820 725,08 EUR vastgesteld. Verzoekster is derhalve om terugbetaling van 172 654,92 EUR verzocht (hierna: „bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015”).

12      Op 5 december 2016 heeft de secretaris-generaal van het Parlement het Bureau verzocht zijn besluit goed te keuren over de verzoeken tot financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie voor het financiële jaar 2017, die door een aantal politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau, waaronder verzoekster, waren ingediend.

13      Tijdens zijn vergadering van 12 december 2016 heeft het Bureau van het Europees Parlement besluit FINS-2017‑13 vastgesteld, waarbij voor het financiële jaar 2017 een maximale subsidie van 1 102 642,71 EUR aan verzoekster werd toegekend en de voorfinanciering werd beperkt tot 33 % van het maximale bedrag van de subsidie, gekoppeld aan de voorwaarde dat op eerste verzoek een bankgarantie werd gesteld (hierna: „bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017”). Dit besluit is op 15 december 2016 ondertekend en aan verzoekster meegedeeld.

 Procedure en conclusies van partijen

14      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 januari 2017, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

15      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op dezelfde dag, heeft verzoekster een verzoek in kort geding ingediend. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van 14 maart 2017, ADDE/Europees Parlement (T‑48/17 R, niet gepubliceerd, EU:T:2017:170). De beslissing omtrent de kosten van deze procedure is aangehouden.

16      Na de afsluiting van de schriftelijke behandeling is verzoekster opgeroepen voor een hoorzitting die aanvankelijk op 6 juni 2018 was gepland, maar is uitgesteld omdat haar vertegenwoordiger op die datum niet beschikbaar was.

17      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 juli 2018, heeft verzoekster krachtens artikel 147 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht rechtsbijstand aangevraagd. In het licht van de opmerkingen van het Parlement en na verzoekster in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering een aantal vragen te hebben gesteld en te hebben verzocht bepaalde stukken over te leggen, heeft het Gerecht de aanvraag voor rechtsbijstand afgewezen bij beschikking van 5 februari 2019, ADDE/Europees Parlement (T‑48/17 AJ, niet gepubliceerd).

18      Nadat verzoekster een nieuwe vertegenwoordiger had aangesteld, zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen die het Gerecht ter terechtzitting van 8 mei 2019 heeft gesteld.

19      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 nietig te verklaren;

–        het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 nietig te verklaren voor zover de voorfinanciering daarbij tot 33 % van het maximale bedrag van de subsidie wordt beperkt, gekoppeld aan de voorwaarde dat een bankgarantie wordt gesteld;

–        het Parlement te verwijzen in de kosten.

20      Het Parlement verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.

 In rechte

 Verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015

21      Ter ondersteuning van haar verzoek tot nietigverklaring van het besluit waarbij is vastgesteld dat bepaalde uitgaven voor het financiële jaar 2015 niet voor financiering in aanmerking komen, voert verzoekster drie middelen aan, waarvan het eerste betrekking heeft op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de rechten van de verdediging, het tweede op schending van de artikelen 7 tot en met 9 van verordening nr. 2004/2003 en het derde op schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.

22      Aangezien het derde middel in het verzoekschrift niet met argumenten wordt onderbouwd en dus abstract is geformuleerd, is het niet-ontvankelijk. De enkele inroeping van het beginsel van Unierecht waarvan wordt beweerd dat het is geschonden, zonder dat de elementen feitelijk en rechtens worden aangegeven waarop deze bewering steunt, voldoet immers niet aan de vereisten van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering (arrest van 3 mei 2007, Spanje/Commissie, T‑219/04, EU:T:2007:121, punt 89).

 Vermeende schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de rechten van de verdediging

23      Het eerste middel dat tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 is aangevoerd, bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel van dit middel voert verzoekster aan dat het Parlement het beginsel van behoorlijk bestuur en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) heeft geschonden doordat het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 niet billijk en evenmin onpartijdig is wegens de samenstelling van het Bureau van het Parlement. Zij merkt met name op dat dit Bureau, dat bestaat uit de voorzitter en de 14 ondervoorzitters van het Parlement, geen enkele vertegenwoordiger van de zogenoemde „eurosceptische” partijen heeft. Gelet op deze samenstelling kan dit Bureau dus geen onpartijdig en objectief toezicht waarborgen op de middelen die aan Europese politieke partijen en daaraan verbonden politieke stichtingen worden toegewezen. Dit wordt overigens bevestigd door de oprichting van een onafhankelijke autoriteit voor die doeleinden krachtens artikel 6 van verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB 2014, L 317, blz. 1).

24      Voorts stelt verzoekster dat Ulrike Lunacek, ondervoorzitter van het Parlement, die lid is van de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie en van het Bureau van het Parlement, zich vóór de vergadering die tot de goedkeuring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 heeft geleid, in het openbaar vijandig en onvoldoende onpartijdig jegens haar heeft uitgelaten.

25      Met het tweede onderdeel van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 voert verzoekster schending aan van de rechten van de verdediging, met name het recht om te worden gehoord, zoals gewaarborgd door artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest en artikel 224 van het destijds toepasselijke reglement van orde van het Parlement. Zij stelt dat haar schriftelijke opmerkingen van 2 november 2016 niet aan het Bureau van het Parlement zijn meegedeeld. Volgens haar bleef de nota van de secretaris-generaal van het Parlement aan het Bureau beperkt tot de mededeling dat de opmerkingen in kwestie op verzoek beschikbaar waren. Zij stelt ook dat zij ondanks een verzoek daartoe niet is uitgenodigd om tijdens de vergadering waarop het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 is vastgesteld, door dit Bureau te worden gehoord. Ten slotte merkt zij op dat het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 reeds vóór de vergadering van het Bureau van het Parlement van 21 november 2016 was vastgesteld en ondertekend, aangezien het haar vóór het geplande einde van die vergadering per e-mail is toegezonden.

26      In repliek voegt verzoekster daaraan toe dat haar schriftelijke opmerkingen van 2 november 2016 noch door de directeur-generaal Financiën van het Parlement, noch door de secretaris-generaal van het Parlement in zijn nota aan het Bureau van het Parlement, in aanmerking zijn genomen, becommentarieerd of weerlegd. Volgens haar zijn de aan haar gerichte brief van de directeur-generaal Financiën van 14 oktober 2016 en de aan het Bureau gerichte nota van de secretaris-generaal van 10 november 2016 identiek. Gelet op een en ander is haar recht geschonden om te worden gehoord door de bevoegde autoriteit, te weten dit Bureau.

27      Het Parlement betwist verzoeksters argumenten.

28      Wat de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur betreft, stelt het Parlement dat verzoekster geen enkel bewijs aandraagt voor de gestelde partijdigheid van het Bureau. Verder vloeit de bevoegdheid van dit Bureau om besluiten te nemen over de financiering van politieke partijen op Europees niveau, voort uit artikel 224 van het destijds toepasselijke reglement van orde van het Parlement en uit artikel 4 van het besluit van het Bureau van het Parlement van 29 maart 2004 houdende de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 2004/2003, zoals gewijzigd (PB 2014, C 63, blz. 1; hierna: „besluit van het Bureau van 29 maart 2004”), en heeft verzoekster geen exceptie van onwettigheid van deze bepalingen opgeworpen. Voorts wijst het Parlement erop dat verordening nr. 1141/2014 in casu niet van toepassing is en dat het hoe dan ook nog altijd het Parlement is – en niet de bij die verordening ingestelde onafhankelijke autoriteit – dat bevoegd is om over verzoeken tot financiering te beslissen.

29      Het Parlement betoogt in dupliek dat verzoeksters beweringen dat een lid van zijn Bureau niet onpartijdig was, slechts betrekking hadden op één lid van dit orgaan. Bovendien blijkt uit de betrokken verklaringen volgens het Parlement niet dat het lid partijdig was, maar duiden zij er enkel op dat het de kwestie reeds had onderzocht en had besloten welke stem het tijdens de vergadering van het Bureau zou uitbrengen.

30      Met betrekking tot de vermeende schending van de rechten van de verdediging en het recht om te worden gehoord stelt het Parlement dat verzoekster is verzocht om opmerkingen in te dienen over het feit dat een aantal uitgaven voor het financiële jaar 2015 niet voor financiering in aanmerking dreigden te komen, wat zij op 2 november 2016 heeft gedaan. Volgens het Parlement zijn deze opmerkingen onderzocht door de directeur-generaal Financiën, die van mening was dat de betrokken uitgaven op grond van de opmerkingen niet alsnog voor financiering in aanmerking kwamen. Voorts merkt het op dat in de nota van zijn secretaris-generaal van 10 november 2016, waarin het Bureau werd verzocht het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 goed te keuren, uitdrukkelijk naar deze opmerkingen werd verwezen. Bovendien was in die nota ook vermeld dat de opmerkingen in kwestie bij het secretariaat konden worden opgevraagd. Ten slotte stelt het Parlement met betrekking tot de bewering dat dit besluit vóór de vergadering van het Bureau was goedgekeurd en ondertekend, dat het besluit weliswaar vóór die vergadering was voorbereid, maar pas aan verzoekster is toegezonden nadat het Bureau het had onderzocht en goedgekeurd.

31      Het Gerecht is van mening dat eerst het tweede onderdeel van het eerste middel ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 moet worden onderzocht.

32      Volgens artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest behelst het recht op behoorlijk bestuur met name het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.

33      Volgens artikel 224, lid 3, van het destijds toepasselijke reglement van orde van het Parlement keurt het Bureau van het Parlement na afloop van het begrotingsjaar het definitieve activiteitenverslag en de financiële eindafrekening van elke begunstigde politieke partij goed. Overeenkomstig lid 5 van dat artikel handelt het Bureau op voorstel van de secretaris-generaal. Behalve in de in de leden 1 en 4 van dat artikel genoemde gevallen hoort het Bureau, alvorens een besluit te nemen, de vertegenwoordigers van de betrokken politieke partij.

34      Bovendien vormt de eerbiediging van de rechten van de verdediging een algemeen beginsel van het Unierecht dat van toepassing is wanneer het bestuur voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop het bestuur zijn besluit wil baseren. Zij dienen daartoe over een toereikende termijn te beschikken (arrest van 18 december 2008, Sopropé, C‑349/07, EU:C:2008:746, punten 36 en 37).

35      In de eerste plaats kan, met betrekking tot verzoeksters grief dat zij niet specifiek is gehoord in het kader van een hoorzitting tijdens de vergadering van het Bureau van het Parlement die tot de goedkeuring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 heeft geleid, worden volstaan met de vaststelling dat zij noch krachtens de betrokken regeling, noch krachtens het algemene beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging recht heeft op een formele hoorzitting, aangezien de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen in te dienen volstaat om de eerbiediging van het recht om te worden gehoord, te waarborgen (zie naar analogie arresten van 27 september 2005, Common Market Fertilizers/Commissie, T‑134/03 en T‑135/03, EU:T:2005:339, punt 108, en 6 september 2013, Bank Melli Iran/Raad, T‑35/10 en T‑7/11, EU:T:2013:397, punt 105). Ook staat vast dat verzoekster op 2 november 2016 haar schriftelijke opmerkingen heeft kunnen maken.

36      In de tweede plaats zij er, met betrekking tot verzoeksters grief dat haar schriftelijke opmerkingen van 2 november 2016 niet aan het Bureau van het Parlement zijn meegedeeld, op gewezen dat in de punten 5 en 6 van de nota van de secretaris-generaal van het Parlement van 10 november 2016, waarin het Bureau van het Parlement wordt verzocht om het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 goed te keuren, naar deze opmerkingen wordt verwezen en wordt aangegeven dat zij in aanmerking zijn genomen en dat de oorspronkelijke documenten bij het secretariaat van het Parlement kunnen worden opgevraagd. Deze grief kan derhalve niet worden aanvaard.

37      In de derde plaats moet verzoeksters bewering worden afgewezen dat het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 vóór de vergadering van het Bureau van het Parlement was goedgekeurd en ondertekend, aangezien dat besluit haar op 21 november 2016 om 19.16 uur, dat wil zeggen vóór het einde van die vergadering, per e-mail was toegezonden. Zoals het Parlement terecht stelt, stond niets eraan in de weg dat vóór die vergadering een ontwerpbesluit werd opgesteld, zoals in dit geval. Bovendien wijst het Parlement erop dat dit besluit pas aan verzoekster is toegezonden nadat het Bureau de zaak had onderzocht en het betrokken besluit had goedgekeurd. Vastgesteld moet worden dat verzoekster geen enkel bewijs heeft aangedragen op grond waarvan kan worden aangenomen dat deze laatste verklaring onjuist is. Deze grief moet dus worden afgewezen.

38      In de vierde plaats moet, met betrekking tot verzoeksters argument dat haar schriftelijke opmerkingen van 2 november 2016 noch door de directeur-generaal Financiën van het Parlement noch in de nota van de secretaris-generaal van het Parlement van 10 november 2016 in aanmerking zijn genomen, becommentarieerd of weerlegd, worden vastgesteld dat in die nota uitdrukkelijk naar die opmerkingen wordt verwezen en dat daarin wordt aangegeven dat zij met het oog op het betrokken voorstel in aanmerking zijn genomen. Bijgevolg kan het Parlement in dit verband niet aansprakelijk worden gesteld voor schending van verzoeksters rechten van verdediging. Voor zover verzoekster van mening is dat de argumenten in haar opmerkingen niet op passende wijze in het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 in aanmerking zijn genomen, staat het aan haar om de inhoud van dat besluit te betwisten, zoals zij overigens heeft gedaan met het tweede middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015.

39      Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 ongegrond worden verklaard.

40      Met betrekking tot het eerste onderdeel van het eerste middel dat ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 is aangevoerd, zij erop gewezen dat eenieder er krachtens lid 1 van artikel 41 van het Handvest, getiteld „Recht op behoorlijk bestuur”, recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld.

41      In dit verband zij eraan herinnerd dat het recht van eenieder dat zijn zaken onpartijdig door de instellingen van de Unie worden behandeld, dat door artikel 41, lid 1, van het Handvest wordt gewaarborgd, een afspiegeling vormt van een algemeen beginsel van het Unierecht (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Spanje/Raad, C‑521/15, EU:C:2017:982, punten 88 en 89).

42      Volgens de rechtspraak vloeit uit het beginsel van behoorlijk bestuur onder meer voort dat de bevoegde instelling alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig moet onderzoeken (zie in die zin arrest van 8 juni 2017, Schniga/CPVO, C‑625/15 P, EU:C:2017:435, punt 47).

43      Bovendien omvat het vereiste van onpartijdigheid enerzijds de subjectieve onpartijdigheid, namelijk het feit dat geen enkel lid van de betrokken instelling dat belast is met de zaak, blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en, anderzijds, de objectieve onpartijdigheid, namelijk het feit dat de instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel daarover uit te sluiten (arresten van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 155; 20 december 2017, Spanje/Raad, C‑521/15, EU:C:2017:982, punt 91, en 27 maart 2019, August Wolff en Remedia/Commissie, C‑680/16 P, EU:C:2019:257, punt 27).

44      Wat meer in het bijzonder verklaringen betreft waarmee afbreuk aan de vereisten van onpartijdigheid kan worden gedaan, dient eraan te worden herinnerd dat niet de letterlijke vorm, maar de werkelijke betekenis ervan van belang is. Voorts moet de vraag of de verklaringen een schending kunnen vormen van het recht op behoorlijk bestuur, en met name van het recht op onpartijdige behandeling van zaken, worden beantwoord in het kader van de bijzondere omstandigheden waarin de litigieuze verklaring is afgelegd. In het bijzonder moet worden onderzocht of in de verklaringen enkel op het bestaan van een risico van schending van de toepasselijke regels wordt gewezen dan wel op een definitieve beslissing desbetreffend wordt vooruitgelopen (zie in die zin arrest van 30 september 2003, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T‑191/98 en T‑212/98–T‑214/98, EU:T:2003:245, punten 445 en 448).

45      Wanneer het Parlement over een ruime beoordelingsmarge beschikt, blijft de rechterlijke toetsing van de uitoefening van die beoordelingsmarge bovendien ertoe beperkt of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arresten van 20 mei 2009, VIP Car Solutions/Parlement, T‑89/07, EU:T:2009:163, punt 56, en 10 november 2015, GSA en SGI/Parlement, T‑321/15, niet gepubliceerd, EU:T:2015:834, punt 33). Wanneer de instellingen van de Unie over een dergelijke beoordelingsbevoegdheid beschikken, is de naleving van de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen, zoals de beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder de verplichting tot onpartijdigheid, van des te groter fundamenteel belang (zie in die zin arrest van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, EU:C:1991:438, punt 14). Aangezien de administratieve procedure in het onderhavige geval complexe juridische en boekhoudkundige beoordelingen betreft, moet worden vastgesteld dat het Parlement overeenkomstig met name de artikelen 7 en 8 van verordening nr. 2004/2003 over een zekere beoordelingsmarge beschikt om te beslissen of verzoeksters uitgaven voor het financiële jaar 2015 voor financiering in aanmerking komen.

46      De onderhavige zaak moet tegen de achtergrond van die overwegingen worden onderzocht.

47      Ten eerste kan de onpartijdigheid van het Bureau van het Parlement volgens verzoekster alleen al vanwege de samenstelling van dit orgaan in twijfel worden getrokken. Dit argument kan om drie redenen niet worden aanvaard.

48      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het Bureau van het Parlement een collegiaal orgaan is, dat bestaat uit de voorzitter en de 14 ondervoorzitters van het Parlement, die allen door de leden van het Parlement zijn verkozen overeenkomstig de destijds geldende artikelen 16 en 17 van het reglement van orde van het Parlement. De samenstelling van dit orgaan beoogt dan ook een afspiegeling te vormen van de verscheidenheid binnen het Parlement zelf.

49      Voorts is het irrelevant dat bij verordening nr. 1141/2014 een onafhankelijke autoriteit is opgericht om bepaalde functies met betrekking tot politieke stichtingen op Europees niveau uit te oefenen, aangezien die verordening niet op de feiten van dit geding van toepassing is. Die verordening is overeenkomstig artikel 41 ervan namelijk pas op 1 januari 2017 van toepassing geworden. Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van die verordening, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 12 juni 2017 houdende de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1141/2014 (PB 2017, C 205, blz. 2), is het Bureau hoe dan ook nog altijd bevoegd om besluiten over verzoeken tot financiering te nemen.

50      Ten slotte moet, zoals het Parlement terecht opmerkt, worden vastgesteld dat verzoekster geen exceptie van onwettigheid uit hoofde van artikel 277 VWEU heeft opgeworpen tegen de bepalingen betreffende de samenstelling van het Bureau van het Parlement en zijn bevoegdheid om besluiten te nemen over de financiering van politieke partijen en stichtingen op Europees niveau, in het bijzonder de artikelen 24 en 25 van het destijds toepasselijke reglement van orde van het Parlement en artikel 4 van het besluit van het Bureau van 29 maart 2004.

51      Ten tweede betoogt verzoekster met betrekking tot het gedrag van een van de leden van het Bureau van het Parlement dat dit lid zich vóór de vergadering van het Bureau van 21 november 2016 in het openbaar onvoldoende onpartijdig over haar heeft uitgelaten.

52      Om de gegrondheid van verzoeksters grief inzake verklaringen van een lid van het Bureau van het Parlement te beoordelen, moet een aantal elementen in aanmerking worden genomen, zoals de strekking van de litigieuze verklaringen, de functies van de persoon die de verklaringen heeft afgelegd en de rol die deze persoon daadwerkelijk in de besluitvormingsprocedure heeft gespeeld.

53      Wat de litigieuze verklaringen betreft, moet in casu worden opgemerkt dat de fractie waarvan het desbetreffende lid van het Bureau van het Parlement deel uitmaakte, op 17 november 2016 een persmededeling heeft gepubliceerd waarin de verklaring van dat lid was opgenomen dat „[w]ij verwachten dat het controleverslag aanstaande maandag tijdens de vergadering van het Bureau van het Europees Parlement wordt bevestigd en dat de autoriteiten van het Parlement een krachtig en ondubbelzinnig antwoord geven” en dat „de middelen moeten worden terugbetaald en UKIP aansprakelijk moet worden gesteld voor de frauduleuze manipulatie van Britse kiezers”. In deze persmededeling werd tevens vermeld dat verzoekster een politieke partij op Europees niveau was waarin UKIP, dat wil zeggen de UK Independence Party, de boventoon voerde.

54      Voorts heeft dat lid van het Bureau van het Parlement op 18 november 2016 op sociale media gesteld dat „[j]e wel ontzettend veel lef moet hebben als je de [Unie] telkens weer denigreert, maar tegelijkertijd onrechtmatig geld van de [Unie] aanpakt”. In reactie op een opmerking van een derde persoon op sociale media heeft het lid van het Bureau daaraan het volgende toegevoegd: „Ik heb het hier over frauduleus gebruik van financiële middelen!”

55      In de notulen van de vergadering van het Bureau van het Parlement van 21 november 2016, die online te raadplegen zijn op de website van het Parlement en waarover het Gerecht het Parlement tijdens de hoorzitting vragen heeft gesteld, wordt vermeld dat het lid van het Bureau de vergadering heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan de discussies die tot de goedkeuring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 hebben geleid. Volgens deze notulen heeft dat lid van het Bureau tijdens de behandeling van dit agendapunt als enige het woord genomen, waaruit kan worden afgeleid dat deze persoon tijdens de debatten een actieve rol heeft gespeeld, ook al is het besluit op voorstel van de secretaris-generaal van het Parlement genomen.

56      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het lid van het Bureau van het Parlement zich op dusdanige wijze heeft uitgelaten dat vanuit het oogpunt van een externe waarnemer kon worden aangenomen dat dit lid al vóór de goedkeuring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 op de kwestie was vooruitgelopen. In de betrokken opmerkingen werd namelijk niet alleen een risico van schending van de toepasselijke regels vastgesteld, maar werd ook gesteld dat de middelen „onrechtmatig” en „op frauduleuze wijze” waren ontvangen. Bovendien heeft het Parlement tijdens de hoorzitting toegegeven dat het betrokken lid – ook al had het niet de functie van rapporteur of voorzitter – samen met een ander lid binnen het Bureau verantwoordelijk was voor de follow-up van dossiers die betrekking hadden op de financiering van politieke partijen op Europees niveau.

57      Daarenboven zijn de argumenten die het Parlement in dupliek heeft aangevoerd, namelijk dat deze opmerkingen van één enkel lid van zijn Bureau afkomstig waren en daaruit louter bleek dat het betrokken lid de kwestie had onderzocht en reeds had besloten welke stem het zou uitbrengen, niet overtuigend.

58      Ten eerste is het feit dat de twijfels over de schijn van onpartijdigheid slechts betrekking hebben op één persoon binnen een collegiaal orgaan van 15 leden, niet noodzakelijkerwijs doorslaggevend, aangezien deze persoon tijdens de beraadslagingen een beslissende invloed zou hebben kunnen uitoefenen (zie in die zin, naar analogie, EHRM, 23 april 2015, Morice tegen Frankrijk, CE:ECHR:2015:0423JUD002936910, punt 89). In dit verband zij herinnerd aan de actieve rol die het betrokken lid tijdens de vergadering van het Bureau heeft gespeeld, zoals blijkt uit de notulen (zie punt 55 hierboven).

59      Ten tweede moet met betrekking tot het argument van het Parlement dat in de litigieuze verklaringen enkel werd aangegeven welke stem het betrokken lid van het Bureau zou uitbrengen, worden opgemerkt dat het niet alleen van belang is dat het Bureau zijn besluiten onpartijdig vaststelt, maar ook dat het overeenkomstig de in punt 43 hierboven aangehaalde rechtspraak voldoende waarborgen biedt om elke gerechtvaardigde twijfel dienaangaande uit te sluiten. Gelet op de categorische en ondubbelzinnige inhoud van deze verklaringen, die vóór de goedkeuring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 zijn afgelegd, moet worden vastgesteld dat de schijn van onpartijdigheid in het onderhavige geval ernstig in het gedrang is gekomen.

60      In dit verband kan het Parlement niet op goede gronden tegenwerpen dat het lid van zijn Bureau dat de litigieuze verklaringen heeft afgelegd, zijn persoonlijke mening mocht uiten, aangezien leden van een collegiaal besluitvormingsorgaan hun persoonlijke mening over een lopende zaak in beginsel niet in het openbaar mogen uitdragen, omdat dit het vereiste van onpartijdigheid tot een dode letter zou kunnen maken.

61      Het Parlement moet namelijk voldoende waarborgen bieden om elke twijfel over de onpartijdigheid van zijn leden bij het nemen van administratieve besluiten uit te sluiten, wat inhoudt dat de leden zich tijdens de behandeling van dossiers moeten onthouden van openbare uitlatingen over goed of slecht beheer van toegekende middelen door politieke partijen op Europees niveau.

62      Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 worden aanvaard.

 Vermeende schending van de artikelen 7 tot en met 9 van verordening nr. 2004/2003

63      Met het tweede middel dat ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 is aangevoerd, stelt verzoekster dat het Parlement de artikelen 7 tot en met 9 van verordening nr. 2004/2003 heeft geschonden door het standpunt in te nemen dat bepaalde uitgaven niet voor financiering in aanmerking kwamen omdat daarmee nationale politieke partijen en een referendumcampagne waren gefinancierd. In het bijzonder betwist zij de conclusies dat ten eerste de financiering van bepaalde peilingen in het Verenigd Koninkrijk, ten tweede betalingen aan drie consultants in het Verenigd Koninkrijk en ten derde bepaalde betalingen in verband met de Belgische Volkspartij niet voor financiering in aanmerking kwamen. Ten vierde betwist zij de gegrondheid van dat besluit voor zover daarin wordt gesteld dat betalingen aan een leverancier niet voor financiering in aanmerking kwamen wegens een vermeend belangenconflict.

64      Gelet op de conclusie van het onderzoek van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 acht het Gerecht het in dit geval in het kader van het tweede middel passend om alleen uitspraak te doen over de grief inzake het besluit dat de uitgaven in verband met een peiling die in december 2015 in zeven lidstaten is gehouden, niet voor financiering in aanmerking kwamen.

65      Verzoekster is het oneens met de uitlegging van het Parlement dat de financiering van de peiling in zeven lidstaten in strijd is met artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2004/2003 betreffende het verbod op zijdelingse financiering van een nationale politieke partij. Bovendien betwist zij het feit dat de uitgaven voor deze peiling op grond van het in artikel 8, vierde alinea, van deze verordening neergelegde verbod op financiering van campagnes voor referenda van financiering kunnen worden uitgesloten.

66      Het Parlement betwist verzoeksters argumenten.

67      Het Parlement wijst erop dat de peilingen die na de parlementsverkiezingen in het Verenigd Koninkrijk tussen juni en december 2015 zijn gehouden, gedeeltelijk betrekking hadden op nationale politieke kwesties, maar vooral op het referendum over de brexit. In dupliek suggereert het Parlement dat de peiling die in zeven lidstaten is gehouden, vragen bevatte over het EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk en over het standpunt van de respondenten ten aanzien van het brexitreferendum.

68      In antwoord op de vragen van het Gerecht ter terechtzitting heeft het Parlement betoogd dat de peiling die in zeven lidstaten werd gehouden, gericht was op het Verenigd Koninkrijk en hoofdzakelijk betrekking had op het brexitreferendum, ten gunste van UKIP.

69      Met betrekking tot de peilingen die na de parlementsverkiezingen in het Verenigd Koninkrijk tussen juni en december 2015 zijn gehouden, volgt uit het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 dat de desbetreffende uitgaven om twee redenen van financiering zijn uitgesloten, namelijk vanwege het verbod op zijdelingse financiering van een nationale politieke partij als bedoeld in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2004/2003, en vanwege het verbod op financiering van campagnes voor referenda als bedoeld in artikel 8, vierde alinea, van die verordening. Volgens dat besluit waren die peilingen namelijk vooral gericht op het brexitreferendum en hadden sommige ervan ook gedeeltelijk betrekking op nationale politieke kwesties.

70      Volgens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2004/2003 mogen financieringen van politieke partijen op Europees niveau uit de algemene begroting van de Europese Unie of uit enige andere bron, niet worden gebruikt voor rechtstreekse of zijdelingse financiering van andere politieke partijen, met name nationale politieke partijen of kandidaten.

71      Er zij aan herinnerd dat er sprake is van indirecte financiering van een nationale partij wanneer zij een financieel voordeel verkrijgt, ook indien geen rechtstreekse overdracht van middelen plaatsvindt, bijvoorbeeld doordat zij uitgaven vermijdt die zij anders wel had moeten doen (arrest van 27 november 2018, Mouvement pour une Europe des nations et des libertés/Parlement, T‑829/16, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2018:840, punt 72). Ter beoordeling hiervan moet worden afgegaan op een bundel van aanwijzingen inzake de inhoud van de gefinancierde handeling alsmede geografische en tijdselementen (zie in die zin arrest van 27 november 2018, Mouvement pour une Europe des nations et des libertés/Parlement, T‑829/16, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2018:840, punt 83).

72      Wat het verbod op financiering van campagnes voor referenda betreft, zij erop gewezen dat in artikel 8, vierde alinea, van verordening nr. 2004/2003 is bepaald dat uitgaven die voor financiering in aanmerking komen, niet mogen worden aangewend voor de financiering van campagnes voor referenda.

73      Voorts heeft het Bureau van het Parlement in zijn besluit van 9 mei 2016 verduidelijkt dat de vraag of een activiteit van een politieke partij op Europees niveau een referendumcampagne vormt, in het bijzonder van bepaalde voorwaarden afhangt, namelijk ten eerste of het publiek al op de hoogte is gesteld dat een dergelijk referendum mogelijk zal plaatsvinden, ook al is het nog niet officieel aangekondigd, ten tweede of er een rechtstreeks en duidelijk verband bestaat tussen de betrokken activiteit van de politieke partij en de in het referendum gestelde vraag, en ten derde of er sprake is van nabijheid in de tijd tussen de betrokken activiteit van de politieke partij en de, ook officieuze, datum waarop het referendum is gepland. In dit verband zij erop gewezen dat het Parlement niet betwist dat in het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 de criteria zijn toegepast die het Bureau in zijn besluit van 9 mei 2016 heeft verduidelijkt.

74      In het licht van deze overwegingen moet de gegrondheid van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 worden onderzocht, voor zover daarin het standpunt is ingenomen dat de uitgaven in verband met de peiling in zeven lidstaten niet voor financiering in aanmerking komen.

75      Uit het onderzoek van het document met de resultaten van de peiling in zeven lidstaten blijkt dat de peiling is gehouden in België, Frankrijk, Hongarije, Nederland, Polen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk onder telkens circa 1 000 respondenten. In alle zeven lidstaten werden dezelfde vragen gesteld, die betrekking hadden op het EU-lidmaatschap van deze lidstaten, de stemming van de deelnemers tijdens een eventueel referendum over het lidmaatschap van de Unie, de hervorming van de voorwaarden voor het lidmaatschap van de Unie, het beheer van de vluchtelingencrisis door de Bondsrepubliek Duitsland, de toelating van vluchtelingen door elk van de zeven lidstaten, de bedreigingen voor de veiligheid van de zeven lidstaten, de deelname van de zeven lidstaten aan een Europese krijgsmacht en het Schengengebied.

76      Ten eerste moet worden vastgesteld dat het deel van de in zeven lidstaten gehouden peiling dat betrekking had op het Verenigd Koninkrijk, onder het in artikel 8, vierde alinea, van verordening nr. 2004/2003 neergelegde verbod op financiering van campagnes voor referenda valt, aangezien de wetgeving inzake de organisatie van het referendum in het Verenigd Koninkrijk in december 2015 definitief is goedgekeurd, dat wil zeggen op het moment van de peiling, en de inhoud van dat deel in hoge mate met dat referendum verband hield.

77      Deze overwegingen gaan echter niet op voor dat deel van de peiling in de andere zes lidstaten, waar destijds geen referendum was gepland. Bovendien heeft het Parlement niet betoogd, laat staan aangetoond, dat dit gedeelte van enig nut kon zijn voor de referendumcampagne over de brexit in het Verenigd Koninkrijk. Vanuit dit oogpunt kan dit deel van de peiling dus niet worden geacht te zijn gericht op financiering van een referendumcampagne.

78      Ten tweede moet wat betreft het verbod op indirecte financiering van een nationale politieke partij het argument van het Parlement worden verworpen dat het deel van de peiling dat betrekking heeft op de andere zes lidstaten van enig nut is voor UKIP. Er is immers niet aangetoond dat de inhoud van dat deel van enig nut kan zijn voor UKIP. Voorts moet worden benadrukt dat dit deel is gepeild in zes andere lidstaten dan het Verenigd Koninkrijk, waar UKIP niet bestaat.

79      In het licht van het voorgaande moet de onderhavige grief worden aanvaard.

80      Gelet op de conclusies in de punten 62 en 79 hierboven moet het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 nietig worden verklaard.

 Verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017

81      Ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 voert verzoekster drie middelen aan, waarvan het eerste betrekking heeft op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de rechten van de verdediging, het tweede op schending van artikel 134 van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB 2012, L 298, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement”) en van artikel 206 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening nr. 966/2012 (PB 2012, L 362, blz. 1; hierna: „uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement”), en het derde op schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van gelijke behandeling.

 Vermeende schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de rechten van de verdediging

82      Het eerste middel dat tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 is aangevoerd, bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel betoogt verzoekster dat het Parlement het beginsel van behoorlijk bestuur en artikel 41 van het Handvest heeft geschonden. Zij verwijst in dit verband naar de argumenten die zijn aangevoerd in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het besluit betreffende het financiële jaar 2015, en die in punt 23 hierboven zijn uiteengezet.

83      Met het tweede onderdeel van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 voert verzoekster schending aan van de rechten van de verdediging, met name het recht om te worden gehoord, zoals gewaarborgd door artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest en artikel 224 van het destijds toepasselijke reglement van orde van het Parlement. Ter ondersteuning van dit onderdeel verwijst verzoekster in de eerste plaats naar de argumenten die zij heeft aangevoerd in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het besluit betreffende het financiële jaar 2015, zoals die in punt 25 hierboven zijn weergegeven. In de tweede plaats stelt zij dat het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 is gebaseerd op een „aanvullend advies” van de externe auditors over haar financiële levensvatbaarheid, dat haar niet is meegedeeld en waarover zij geen standpunt heeft kunnen innemen. In de derde plaats voert zij aan dat zij door dit bestreden besluit is benadeeld doordat zij de gevraagde bankgarantie niet heeft kunnen verkrijgen, wat op 26 april 2017 uiteindelijk tot haar liquidatie heeft geleid.

84      Het Parlement betwist verzoeksters argumenten.

85      Met betrekking tot het eerste onderdeel van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het besluit betreffende het financiële jaar 2017 verwijst verzoekster naar de argumenten die zij heeft aangevoerd in het kader van het verzoek tot nietigverklaring van het besluit betreffende het financiële jaar 2015, zonder evenwel een gebrek aan onpartijdigheid op te werpen dat zou voortvloeien uit opmerkingen die een lid van het Bureau van het Parlement vóór de goedkeuring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 heeft gemaakt.

86      Voor zover verzoekster aanvoert dat het Bureau van het Parlement wegens zijn samenstelling een gebrek aan onpartijdigheid vertoont, moet het eerste onderdeel van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het besluit betreffende het financiële jaar 2017 ongegrond worden verklaard om dezelfde redenen als die welke in de punten 40 tot en met 50 hierboven zijn uiteengezet.

87      Met betrekking tot het tweede onderdeel van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017, inzake de schending van het recht om te worden gehoord, moet om te beginnen worden opgemerkt dat het Bureau van het Parlement overeenkomstig artikel 224, lid 1, van het destijds toepasselijke reglement van orde van het Parlement een besluit neemt over financieringsaanvragen van politieke partijen op Europees niveau. Voorts hoort het Bureau overeenkomstig lid 5 van dat artikel, alvorens een besluit te nemen, de vertegenwoordigers van de betrokken politieke partij, behalve in de in de leden 1 en 4 genoemde gevallen.

88      Vastgesteld moet dus worden dat politieke partijen aan artikel 224 van het destijds toepasselijke reglement van orde van het Parlement geen specifiek recht kunnen ontlenen om te worden gehoord voordat het Bureau van het Parlement een besluit over hun verzoeken tot financiering neemt.

89      Ondanks deze vaststelling met betrekking tot artikel 224 van het destijds toepasselijke reglement van orde van het Parlement moet echter worden onderzocht of verzoekster zich in de omstandigheden van de zaak op goede gronden kan beroepen op een recht om te worden gehoord dat rechtstreeks aan artikel 41, lid 2, van het Handvest is ontleend. Uit de rechtspraak blijkt immers dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging een algemeen beginsel van het Unierecht vormt dat zelfs bij ontbreken van enige regeling, of wanneer de toepasselijke regeling niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit voorziet, moet worden gewaarborgd (zie in die zin arresten van 22 november 2012, M., C‑277/11, EU:C:2012:744, punt 86, en 9 juli 1999, New Europe Consulting en Brown/Commissie, T‑231/97, EU:T:1999:146, punt 42).

90      Wanneer een persoon een verzoek indient bij een instelling van de Unie, met name een verzoek tot financiering, moet het recht om te worden gehoord in beginsel worden geacht te zijn geëerbiedigd wanneer de instelling na afloop van de procedure haar besluit vaststelt op basis van de door de aanvrager ingediende elementen, waarbij hem geen extra gelegenheid wordt geboden om te worden gehoord, naast de argumenten die hij bij de indiening van zijn verzoek heeft kunnen aanvoeren (zie in die zin arresten van 13 december 1995, Windpark Groothusen/Commissie, T‑109/94, EU:T:1995:211, punt 48, en 15 september 2016, AEDEC/Commissie, T‑91/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:477, punt 24; zie ook, in die zin en naar analogie, arrest van 30 april 2014, Euris Consult/Parlement, T‑637/11, EU:T:2014:237, punt 119).

91      Bij wijze van uitzondering kan echter worden gesteld dat het recht om te worden gehoord is geschonden wanneer de instelling van de Unie zich baseert op feitelijke of juridische overwegingen waarvan de verzoeker niet op de hoogte was of op andere bewijzen dan die welke door hem zijn verstrekt (zie in die zin arresten van 13 december 1995, Windpark Groothusen/Commissie, T‑109/94, EU:T:1995:211, punt 48; 30 april 2014, Euris Consult/Parlement, T‑637/11, EU:T:2014:237, punt 119, en 15 september 2016, AEDEC/Commissie, T‑91/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:477, punt 24), of wanneer zij de verzoeker een bepaalde handelwijze verwijt zonder hem in de gelegenheid te stellen zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken (zie in die zin arrest van 9 juli 1999, New Europe Consulting en Brown/Commissie, T‑231/97, EU:T:1999:146, punt 5 en punten 42‑44). Voorts moet worden opgemerkt dat in procedures betreffende de betaling van douanerechten is geoordeeld dat de rechten van de verdediging waren geschonden wanneer de verzoeker zijn standpunt over de relevantie van de feiten of de documenten die in de bestreden handeling in aanmerking waren genomen, niet kenbaar had kunnen maken (zie in die zin arresten van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, EU:C:1991:438, punt 25; 19 februari 1998, Eyckeler & Malt/Commissie, T‑42/96, EU:T:1998:40, punten 86‑88, en 17 september 1998, Primex Produkte Import-Export e.a./Commissie, T‑50/96, EU:T:1998:223, punten 63‑71).

92      De door verzoekster aangevoerde grief moet in het licht van deze overwegingen worden onderzocht.

93      Ten eerste vormt het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 in de onderhavige zaak ontegenzeggelijk een individuele maatregel jegens verzoekster in de zin van artikel 41, lid 2, van het Handvest.

94      Ten tweede gaat het, anders dan het Parlement stelt, om een jegens haar nadelige maatregel, omdat de toekenning van financiering aan voorwaarden is gebonden die aanzienlijke lasten met zich meebrengen, namelijk de verplichting om een bankgarantie te stellen en beperking van de voorfinanciering tot 33 % van het maximale bedrag van de subsidie (zie in die zin, naar analogie, arrest van 23 oktober 1974, Transocean Marine Paint Association/Commissie, 17/74, EU:C:1974:106, punten 15‑17, betreffende de schending van het recht om te worden gehoord in het kader van de toekenning van een vrijstelling met voorwaarden op grond van de bepaling die artikel 101, lid 3, VWEU is geworden).

95      Ten derde stelt verzoekster dat het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 is gebaseerd op een „aanvullend advies” van de externe auditors over haar financiële levensvatbaarheid, dat haar niet is meegedeeld en waarover zij geen standpunt heeft kunnen innemen.

96      Ook al erkent het Parlement dat het betrokken „aanvullende advies” niet als zodanig vóór de goedkeuring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 aan verzoekster is meegedeeld, dan nog moet in dit verband worden opgemerkt dat de twijfels van de externe auditors over de financiële levensvatbaarheid van verzoekster naar voren komen in de door haar zelf overgelegde nota’s van de secretaris-generaal van het Parlement van 10 november en 5 december 2016, waarin het Bureau werd verzocht de bestreden besluiten goed te keuren. Toen haar daar ter terechtzitting vragen over werden gesteld, heeft verzoekster aangegeven dat zij een kopie van de nota van de secretaris-generaal van 10 november 2016 nog in dezelfde maand had ontvangen. Die twijfels over verzoeksters financiële levensvatbaarheid kwamen eveneens voor in het controleverslag van de externe auditors van 18 april 2016, waarvan verzoekster in een brief van 10 mei 2016 aan de externe auditors erkent kennis te hebben genomen.

97      Aangezien verzoekster reeds op de hoogte was van de twijfels over haar financiële levensvatbaarheid, die doorslaggevend zijn geweest voor het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017, kan zij zich niet met succes beroepen op schending van het recht om te worden gehoord over feitelijke omstandigheden waarvan zij reeds vóór de goedkeuring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 op de hoogte was.

98      Gelet op het voorgaande moet het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 ongegrond worden verklaard.

 Vermeende schending van artikel 134 van het Financieel Reglement en van artikel 206 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement

99      Met het tweede middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 betoogt verzoekster dat de beperking van de voorfinanciering tot 33 % van het maximale subsidiebedrag, gekoppeld aan de voorwaarde dat een bankgarantie wordt gesteld, in strijd is met artikel 134 van het Financieel Reglement en met artikel 206 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement.

100    In dit verband betoogt verzoekster dat artikel 134 van het Financieel Reglement en artikel 206 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement moeten worden uitgelegd in het licht van artikel 204 undecies van het Financieel Reglement, dat is ingevoegd bij verordening (EU, Euratom) nr. 1142/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wat betreft de financiering van Europese politieke partijen (PB 2014, L 317, blz. 28). Zij is van mening dat zij zich in geen van de in deze bepaling genoemde situaties heeft bevonden op grond waarvan een bankgarantie kon worden verlangd.

101    Verzoekster voegt daaraan toe dat de beperking van de voorfinanciering tot 33 % van het maximale subsidiebedrag, gekoppeld aan de voorwaarde dat een bankgarantie wordt gesteld, kennelijk onjuist is, aangezien het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 is genomen in het licht van haar financiële situatie aan het einde van 2015, en niet op het moment waarop deze maatregelen zijn vastgesteld, namelijk in december 2016. Dit is volgens haar door de externe auditor bevestigd. Volgens verzoekster was haar financiële situatie in december 2016 gezond. Zij stelt in het bijzonder dat zij toezeggingen heeft gekregen van potentiële donateurs en dat verscheidene nationale delegaties ermee hebben ingestemd hun bijdragen met 30 000 à 100 000 EUR te verhogen.

102    Ten slotte betoogt verzoekster nogmaals dat de rechten van de verdediging zijn geschonden doordat het Parlement een externe controle van haar financiële levensvatbaarheid in aanmerking heeft genomen die niet aan haar is meegedeeld.

103    Het Parlement betwist verzoeksters argumenten.

104    Krachtens artikel 134, lid 1, van het Financieel Reglement, met als opschrift „Zekerheid voor voorfinancieringen”, kan de bevoegde ordonnateur, wanneer zulks per geval en na een risicoanalyse passend en evenredig wordt geoordeeld, van de begunstigde een voorafgaande zekerheidstelling verlangen om de aan de voorfinanciering verbonden financiële risico’s te beperken.

105    Krachtens artikel 206, lid 1, van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement mag de bevoegde ordonnateur, om de aan de betaling van een voorfinanciering verbonden financiële risico’s te beperken, op basis van een risicoanalyse hetzij van de begunstigde een voorafgaande zekerheidstelling verlangen voor hetzelfde bedrag als de voorfinanciering, behalve voor subsidies van geringe bedragen, hetzij de betaling in verschillende tranches splitsen.

106    Voorts blijkt uit artikel 6 van het besluit van het Bureau van 29 maart 2004 dat de subsidie, behoudens een andersluidende beslissing van het Bureau van het Parlement, als voorfinanciering aan de begunstigden in één tranche ten belope van 80 % van het maximumbedrag van de subsidie wordt uitbetaald, en wel binnen 15 dagen na de datum van het besluit tot toekenning van de subsidie. Een voorfinanciering van 100 % van het maximale bedrag van de subsidie is mogelijk indien de begunstigde overeenkomstig artikel 206 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement een garantie voor voorfinanciering ter hoogte van 40 % van de subsidie stelt.

107    Uit de in de punten 104 tot en met 106 hierboven vermelde bepalingen, gelezen in hun onderlinge samenhang, blijkt dat het Parlement bevoegd is om een bankgarantie te verlangen, en om het bedrag van de voorfinanciering te beperken teneinde het financiële risico voor de Unie in verband met de betaling van voorfinancieringen te beperken.

108    Uit het onderzoek van de in de punten 104 tot en met 106 hierboven vermelde bepalingen volgt dat het Parlement over een beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of er een financieel risico voor de Unie bestaat en om de passende en noodzakelijke maatregelen te treffen om de Unie tegen dat risico te beschermen. Het Parlement beschikt met name over een beoordelingsmarge om te beslissen of de twee soorten maatregelen die in punt 107 hierboven zijn genoemd, moeten worden gecombineerd, en om het bedrag van de voorfinanciering in voorkomend geval te bepalen.

109    De argumenten die verzoekster heeft aangevoerd in het kader van het tweede middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017, dienen tegen de achtergrond van deze beginselen te worden onderzocht.

110    In de eerste plaats moet worden geconstateerd dat het bij verordening nr. 1142/2014 ingevoegde artikel 204 undecies van het Financieel Reglement niet van toepassing is op de feiten van het onderhavige geding, zoals het Parlement terecht stelt. Die verordening is overeenkomstig artikel 2 pas op 1 januari 2017 van toepassing geworden. De door verzoekster aangevoerde uitlegging van deze bepaling is hoe dan ook onjuist, aangezien uit de bewoordingen ervan blijkt dat het Parlement een voorafgaande zekerheidstelling kan verlangen wanneer er een dreigend risico bestaat dat de betrokken politieke partij failliet gaat of wordt geliquideerd, en niet alleen wanneer zij zich al in een dergelijke situatie bevindt.

111    In de tweede plaats heeft het Parlement bij de goedkeuring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 op 12 december 2016 geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door rekening te houden met het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015, dat slechts enkele dagen eerder, namelijk op 21 november 2016, was goedgekeurd, en vast te stellen dat een bedrag van 500 615,55 EUR niet voor financiering in aanmerking kwam en een bedrag van 172 654,92 EUR diende te worden terugbetaald. Bovendien heeft het Parlement geen vergissing gemaakt door het „aanvullende advies” van de externe auditor, op basis van de beschikbare informatie, in aanmerking te nemen, waarin verzoeksters financiële levensvatbaarheid zonder aanvullende eigen middelen in twijfel werd getrokken.

112    Tijdens de vergadering van verzoeksters raad van bestuur op 6 december 2016 en tijdens de algemene vergadering op dezelfde dag mag dan wel zijn besproken dat er aanvullende middelen ten bedrage van 100 000 EUR nodig waren, uit de notulen van deze vergaderingen komt niets naar voren op grond waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit bedrag zou worden verkregen.

113    In het licht van deze elementen moet worden geconcludeerd dat het Parlement, zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken, heeft kunnen vaststellen dat er een financieel risico voor de Unie kon ontstaan indien er voor het financiële jaar 2017 een subsidie aan verzoekster werd toegekend.

114    Verzoeksters argument inzake de schending van de rechten van de verdediging met betrekking tot het „aanvullende advies”, dat een herhaling is van het tweede onderdeel van het eerste middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017, moet worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke in de punten 87 tot en met 95 hierboven zijn uiteengezet.

115    Gelet op het voorgaande moet het tweede middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 ongegrond worden verklaard.

 Vermeende schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van gelijke behandeling

116    Met het derde middel dat ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 is aangevoerd, beroept verzoekster zich op schending van het evenredigheidsbeginsel en op schending van het beginsel van gelijke behandeling.

117    In de eerste plaats betoogt verzoekster dat het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, aangezien het Parlement alternatieve maatregelen had kunnen overwegen, bijvoorbeeld stopzetting van de subsidie wanneer de begunstigde failliet werd verklaard of een liquidatieprocedure tegen hem werd ingesteld, of louter beperking van de voorfinanciering tot 33 % van het bedrag van de subsidie zonder een bankgarantie te verlangen.

118    In de tweede plaats beroept verzoekster zich op schending van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien het Parlement andere begunstigden, bij de financiële levensvatbaarheid waarvan eveneens vraagtekens werden gezet, om maatregelen ter verbetering van hun financiële situatie heeft verzocht. Hoewel het Parlement dit wel heeft overwogen, heeft het haar die gelegenheid niet geboden en heeft het rechtstreeks besloten het bedrag van haar voorfinanciering te beperken, gekoppeld aan de voorwaarde dat een bankgarantie werd gesteld.

119    Het Parlement betwist verzoeksters argumenten.

120    Ten eerste zij eraan herinnerd dat handelingen van de instellingen van de Unie volgens het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, niet buiten de grenzen mogen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt (arrest van 11 juni 2009, Agrana Zucker, C‑33/08, EU:C:2009:367, punt 31).

121    Zoals in de punten 107 en 108 hierboven is aangegeven, volgt uit de in casu toepasselijke bepalingen dat het Parlement over een beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of de Unie een financieel risico loopt, en vervolgens om de passende en noodzakelijke maatregelen te treffen om de Unie tegen dat risico te beschermen.

122    Met het onderhavige middel betwist verzoekster de noodzaak van de door het Parlement vastgestelde maatregelen, namelijk de beperking van de voorfinanciering tot 33 % van het bedrag van de totale subsidie en de voorwaarde dat een bankgarantie werd gesteld.

123    Vastgesteld dient echter te worden dat de financiële belangen van de Unie met de door verzoekster genoemde alternatieve maatregelen niet op dezelfde wijze hadden kunnen worden beschermd als met de door het Parlement vastgestelde maatregelen. Wanneer een begunstigde failliet wordt verklaard of wanneer een liquidatieprocedure tegen hem wordt ingesteld, is immers niet gegarandeerd dat het Parlement de uitgekeerde middelen kan terugvorderen door de subsidie stop te zetten. Hetzelfde geldt voor een loutere beperking van de voorfinanciering tot 33 % van het bedrag van de subsidie zonder een bankgarantie te verlangen, aangezien daarmee geen garantie wordt geboden dat het Parlement de uitgekeerde middelen kan terugvorderen.

124    Gelet op de beoordelingsmarge van het Parlement bij de vaststelling van passende en noodzakelijke maatregelen om de Unie tegen een financieel risico te beschermen, moet verzoeksters grief inzake schending van het evenredigheidsbeginsel worden afgewezen.

125    Ten tweede zij eraan herinnerd dat het beginsel van gelijke behandeling een algemeen beginsel van het Unierecht is, waarvan het non-discriminatiebeginsel een bijzondere uitdrukking vormt. Dit beginsel vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punten 29 en 30).

126    In dit verband moet worden opgemerkt dat blijkens de notulen van de vergadering van het Bureau van het Parlement van 12 december 2016, tijdens welke het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 is vastgesteld, het Bureau voor zeven begunstigden, waaronder verzoekster, soortgelijke maatregelen heeft getroffen om het financiële risico te beperken.

127    Voorts heeft het Parlement volgens de nota’s van de secretaris-generaal aan het Bureau van het Parlement van 5 september 2016 betreffende andere begunstigden en van 10 november 2016 betreffende verzoekster inderdaad overwogen bepaalde begunstigden om maatregelen ter verbetering van hun financiële situatie te verzoeken, maar is deze mogelijkheid in het kader van de subsidieaanvragen voor het financiële jaar 2017 voor alle begunstigden overwogen. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat het Parlement deze mogelijkheid wel aan bepaalde begunstigden, maar niet aan verzoekster heeft aangeboden.

128    Gelet op het voorgaande moet verzoeksters grief inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling worden afgewezen en moet het derde middel tot staving van het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 derhalve in zijn geheel ongegrond worden verklaard.

129    Bijgevolg moet het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 ongegrond worden verklaard.

 Kosten

130    Ingevolge artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering draagt elke partij haar eigen kosten, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. In de onderhavige zaak moet, voor zover het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2015 is ingewilligd maar het verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit betreffende het financiële jaar 2017 is afgewezen, worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, met inbegrip van de kosten van het kort geding.

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit van het Parlement van 21 november 2016 volgens hetwelk bepaalde uitgaven voor het financiële jaar 2015 niet voor subsidie in aanmerking komen, wordt nietig verklaard.

2)      Het verzoek tot nietigverklaring van besluit FINS-201713 van het Parlement van 12 december 2016 betreffende de toekenning van een subsidie aan verzoekster voor het financiële jaar 2017 wordt afgewezen.

3)      Alliance for Direct Democracy in Europe ASBL en het Europees Parlement zullen hun eigen kosten dragen, daaronder begrepen de kosten van het kort geding.

Collins

Kancheva

Barents

Passer

 

      De Baere

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 7 november 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.