Language of document : ECLI:EU:C:2019:927

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

7 november 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 7, punt 1, onder a) – Bevoegde rechter voor verbintenissen uit overeenkomst – Gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikelen 5, 7, 9 en 12 – Verdrag van Montreal – Bevoegdheid – Artikelen 19 en 33 – Vordering tot compensatie en vergoeding van de schade als gevolg van de annulering en vertraging van vluchten”

In zaak C‑213/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale ordinario di Roma (rechter in eerste aanleg Rome, Italië) bij beslissing van 26 februari 2018, ingekomen bij het Hof op 26 maart 2018, in de procedure

Adriano Guaitoli,

Concepción Casan Rodriguez,

Alessandro Celano Tomassoni,

Antonia Cirilli,

Lucia Cortini,

Mario Giuli,

Patrizia Padroni

tegen

easyJet Airline Co. Ltd,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, M. Safjan (rapporteur) en L. Bay Larsen, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Adriano Guaitoli, Concepción Casan Rodriguez, Alessandro Celano Tomassoni, Antonia Cirilli, Lucia Cortini, Mario Giuli en Patrizia Padroni, vertegenwoordigd door A. Guaitoli en G. Guaitoli, avvocati,

–        easyJet Airline Co. Ltd, vertegenwoordigd door G. d’Andria, avvocato,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. De Luca, avvocato dello Stato,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller, N. Yerrell en L. Malferrari als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 juni 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 33 van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001 (PB 2001, L 194, blz. 38; hierna: „Verdrag van Montreal”), van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1), en van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Adriano Guaitoli, Concepción Casan Rodriguez, Alessandro Celano Tomassoni, Antonia Cirilli, Lucia Cortini, Mario Giuli en Patrizia Padroni enerzijds en easyJet Airline Co. Ltd anderzijds over een vordering tot compensatie van schade als gevolg van de annulering van een vlucht en de vertraging van een andere vlucht.

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

3        Het Verdrag van Montreal is, wat de Europese Unie betreft, op 28 juni 2004 in werking getreden.

4        Artikel 19 („Vertraging”) van dat verdrag luidt als volgt:

„De vervoerder is aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen. De vervoerder is echter niet aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit vertraging indien hij bewijst dat hij en zijn hulppersonen alle maatregelen hebben genomen die redelijkerwijs gevergd konden worden om de schade te vermijden, of dat het hun onmogelijk was dergelijke maatregelen te nemen.”

5        In artikel 33 van dat verdrag, met als opschrift „Rechterlijke bevoegdheid”, staat te lezen:

„1.      De rechtsvordering tot schadevergoeding moet ter keuze van de eiser worden ingesteld binnen het gebied van een der staten die partij zijn bij dit verdrag, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de vervoerder, of van de hoofdzetel van diens onderneming of van de plaats waar hij een vestiging heeft, door de zorg waarvan de overeenkomst is gesloten, hetzij voor de rechter van de plaats van bestemming.

[...]

4.      De rechtspleging wordt beheerst door de wet van de rechter voor wie de zaak is aanhangig gemaakt.”

 Unierecht

 Verordening nr. 261/2004

6        Artikel 1 van verordening nr. 261/2004, met als opschrift „Onderwerp”, bepaalt in lid 1 het volgende:

„Deze verordening stelt onder de erin genoemde voorwaarden de minimumrechten vast die luchtreizigers hebben bij:

a)      instapweigering tegen hun wil,

b)      annulering van hun vlucht,

c)      vertraging van hun vlucht.”

7        Artikel 5 van die verordening, met als opschrift „Annulering”, is als volgt verwoord:

„1.      In geval van annulering van een vlucht:

a)      wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 8;

b)      wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), en artikel 9, lid 2, en – in het geval van een andere vlucht die naar redelijke verwachting ten vroegste daags na de geplande vertrektijd van de geannuleerde vlucht zal vertrekken – als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), en artikel 9, lid 1, onder c);

c)      hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij

i)      de annulering hun ten minste twee weken voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld, of

ii)      de annulering hun tussen twee weken en zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan twee uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan vier uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt, of

iii)      de annulering hun minder dan zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan één uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan twee uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt.

2.      Wanneer de passagiers wordt meegedeeld dat de vlucht is geannuleerd, wordt uitgelegd welk alternatief vervoer er voorhanden is.

3.      Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, is niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.      De bewijslast inzake het al of niet melden van de annulering van de vlucht aan de passagier en het tijdstip waarop dat geschiedt, ligt bij de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.”

8        Artikel 7 van die verordening, met als opschrift „Recht op compensatie”, bepaalt het volgende:

„1.      Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van:

a)      250 EUR voor alle vluchten tot en met 1 500 km;

b)      400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1 500 km, en voor alle andere vluchten tussen 1 500 en 3 500 km;

c)      600 EUR voor alle niet onder a) of b) vallende vluchten.

Bij de bepaling van de afstand wordt gekeken naar de laatste bestemming waar de passagier als gevolg van de instapweigering of annulering na de geplande tijd zal aankomen.

2.      Indien de passagiers een andere vlucht naar hun eindbestemming wordt aangeboden overeenkomstig artikel 8, en de aankomsttijd niet meer dan hieronder vermeld afwijkt van de geplande aankomsttijd van de oorspronkelijk geboekte vlucht:

a)      twee uur voor alle vluchten van 1 500 km of minder, of

b)      drie uur voor alle vluchten binnen de Gemeenschap van meer dan 1 500 km en voor alle andere vluchten tussen 1 500 en 3 500 km, of

c)      vier uur voor alle vluchten die niet onder a) of b) vallen,

kan de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert de compensatiebedragen vermeld in lid 1 met 50 % verlagen.

3.      De in lid 1 bedoelde compensatie wordt in contant geld uitbetaald, middels een elektronische overmaking aan de bank, per bankoverschrijving, bankcheque of, met de schriftelijke toestemming van de passagier, in de vorm van reisbonnen en/of andere diensten.

4.      De in de leden 1 en 2 vermelde afstanden worden gemeten volgens de groot-cirkelmethode (orthodromische lijn).”

9        In artikel 9 van verordening nr. 261/2004, met als opschrift „Recht op verzorging”, staat het volgende te lezen:

„1.      Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers gratis:

a)      maaltijden en verfrissingen, in redelijke verhouding tot de wachttijd;

b)      hotelaccommodatie in gevallen

–        waarin een verblijf van één of meer nachten noodzakelijk wordt, of

–        waarin een langer verblijf noodzakelijk wordt dan het door de passagier geplande verblijf;

c)      vervoer tussen de luchthaven en de plaats van de accommodatie (hotel of andere accommodatie).

2.      Bovendien kunnen de passagiers twee gratis telefoongesprekken of telex-, fax- of e-mailberichten verzenden.

3.      Bij het toepassen van dit artikel schenkt de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijzondere aandacht aan de behoeften van personen met beperkte mobiliteit en hun eventuele begeleiders, alsook aan de behoeften van alleenreizende kinderen.”

10      Artikel 12 van die verordening, met als opschrift „Verdere compensatie”, bepaalt in lid 1 ervan het volgende:

„Deze verordening is van toepassing onverminderd de rechten van een passagier op verdere compensatie. De uit hoofde van deze verordening toegekende compensatie kan op eventuele verdere compensatie in mindering worden gebracht.”

 Verordening nr. 1215/2012

11      Hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift „Bevoegdheid”, is onderverdeeld in tien afdelingen, waarvan de eerste, de tweede en de vierde respectievelijk als opschrift hebben „Algemene bepalingen”, „Bijzondere bevoegdheid” en „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”.

12      Artikel 4, lid 1, van die verordening, dat is opgenomen in afdeling 1 van hoofdstuk II, bepaalt het volgende:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

13      In artikel 7 van die verordening, dat is opgenomen in afdeling 2 van dat hoofdstuk II, staat het volgende te lezen:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

l.      a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling is, en tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

[...]

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

[...]”

14      Artikel 17 van die verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 4 van hoofdstuk II, voorziet in bevoegdheidsregels voor door consumenten gesloten overeenkomsten, die overeenkomstig lid 3 van dat artikel evenwel niet van toepassing zijn op vervoersovereenkomsten, behoudens overeenkomsten waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf wordt aangeboden.

15      Hoofdstuk VI van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift „Overgangsbepalingen”, bevat artikel 66, lid 1, dat luidt als volgt:

„Deze verordening is slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen op of na 10 januari 2015.”

16      In artikel 67 van die verordening, dat staat in hoofdstuk VII, „Verhouding tot andere regelgeving”, wordt bepaald:

„Deze verordening laat onverlet de toepassing van de bepalingen die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen en die opgenomen zijn of zullen worden in de besluiten van de Unie of in de nationale wetgevingen die ter uitvoering van deze besluiten geharmoniseerd zijn.”

17      Artikel 71, lid 1, van die verordening, dat deel uitmaakt van datzelfde hoofdstuk VII, bepaalt het volgende:

„Deze verordening laat onverlet de verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.”

 Verordening nr. 44/2001

18      Artikel 5 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), dat deel uitmaakt van afdeling 2, „Bijzondere bevoegdheid”, van hoofdstuk II, dat zelf als opschrift „Bevoegdheid” heeft, is als volgt verwoord:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

–        voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)      punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19      Verzoekers in het hoofdgeding hebben met easyJet Airline, een luchtvaartmaatschappij waarvan de maatschappelijke zetel in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, een luchtvervoersovereenkomst gesloten voor een heenvlucht Rome Fiumicino (Italië) – Korfoe (Griekenland) op 4 augustus 2015 om 20.20 uur en een terugvlucht Korfoe – Rome Fiumicino op 14 augustus 2015 om 23.25 uur.

20      De heenvlucht werd aangekondigd als een vlucht met vertraging, maar werd uiteindelijk geannuleerd en opnieuw ingepland de volgende dag. Verzoekers in het hoofdgeding zouden geen aanbod hebben ontvangen voor een andere vlucht van een andere maatschappij, noch de mogelijkheid om een maaltijd of een snack te nuttigen, noch enige andere vorm van bijstand, compensatie of terugbetaling, ofschoon zij easyJet Airline formeel daarom hadden verzocht.

21      Ook de terugvlucht had een vertraging opgelopen, van meer dan twee uur en minder dan drie uur.

22      Op 28 juni 2016 hebben verzoekers in het hoofdgeding, die te Rome (Italië) woonachtig zijn, bij de Tribunale ordinario di Roma (rechter in eerste aanleg Rome, Italië) een vordering ingesteld met het oog op de veroordeling van easyJet Airline tot betaling van de in de artikelen 5, 7 en 9 van verordening nr. 261/2004 bedoelde compensaties en tot vergoeding van de bijkomende materiële schade en de immateriële schade als gevolg van de niet-nakoming door easyJet Airline van haar contractuele verplichtingen.

23      EasyJet Airline heeft twee excepties van onbevoegdheid van de aangezochte rechter opgeworpen, waarvan de eerste de waarde van het geding betreft en de tweede de regels inzake relatieve bevoegdheid.

24      De Tribunale ordinario di Roma heeft de eerste exceptie van onbevoegdheid verworpen, maar met betrekking tot de tweede exceptie verklaard dat zijn bevoegdheid afhankelijk was van het toepasselijke recht – nationaal recht of Unierecht – en van de uitlegging die eraan moest worden gegeven.

25      In dit verband wenst de verwijzende rechter allereerst te vernemen of het Verdrag van Montreal van toepassing is op het hoofdgeding, althans op een deel ervan, dan wel of dit geding uitsluitend binnen de werkingssfeer van verordening nr. 261/2004 valt.

26      Vervolgens vraagt de verwijzende rechter zich af of in geval van exclusieve of gedeeltelijke toepassing van het Verdrag van Montreal de regel van artikel 33 van dat verdrag beperkt blijft tot de aanwijzing van de bevoegde staat, zoals de Corte di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) heeft geoordeeld, dan wel of die regel, zoals volgens de verwijzende rechter eerder het geval is, tevens van toepassing is op de aanwijzing van de bevoegde rechter binnen deze staat.

27      De verwijzende rechter benadrukt dat hij volgens de nationale voorschriften van burgerlijke rechtsvordering slechts bevoegd zou zijn om kennis te nemen van het hoofdgeding indien zou worden geoordeeld dat uitsluitend het Verdrag van Montreal op dat geding van toepassing is en dat artikel 33 van dat verdrag aldus moet worden uitgelegd dat het alleen de bevoegde staat aanwijst. Indien dat niet het geval is, zou dat geding onder de bevoegdheid vallen van de Tribunale di Civitavecchia (rechter in eerste aanleg Civitavecchia, Italië), in wiens rechtsgebied de luchthaven van vertrek van de heenvlucht en van aankomst van de terugvlucht zich bevindt.

28      In die omstandigheden heeft de Tribunale ordinario di Roma de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Ingeval een partij waarvan de vlucht is vertraagd of geannuleerd, niet alleen de forfaitaire en uniforme compensatie bedoeld in de artikelen 5, 7 en 9 van verordening nr. 261/2004 maar tegelijkertijd ook de verdere compensatie bedoeld in artikel 12 van diezelfde verordening vordert, moet artikel 33 van het Verdrag van Montreal dan worden toegepast of wordt de ‚rechterlijke bevoegdheid’ (zowel internationaal als nationaal) in elk geval geregeld door artikel 5 van verordening nr. 44/2001?

2)      Moet artikel 33 van het Verdrag van Montreal, indien de in de eerste vraag bedoelde eerste veronderstelling juist is, aldus worden uitgelegd dat dit artikel alleen de verdeling van de rechtsmacht tussen de staten regelt dan wel eveneens de nationale relatieve bevoegdheid binnen de afzonderlijke staat?

3)      Is toepassing van artikel 33 van het Verdrag van Montreal, indien de in de tweede vraag bedoelde eerste veronderstelling juist is, ‚exclusief’, waardoor toepassing van artikel 5 van verordening nr. 44/2001 is uitgesloten, of kunnen de twee bepalingen gezamenlijk toepassing vinden zodat zowel de rechtsmacht van de staat als de nationale relatieve bevoegdheid van de gerechten van die staat rechtstreeks kan worden bepaald?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Opmerkingen vooraf

29      Gepreciseerd moet worden dat de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vragen weliswaar formeel heeft verwezen naar verordening nr. 44/2001, maar dat overeenkomstig artikel 66, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 de bepalingen van die laatste verordening ratione temporis van toepassing zijn op het hoofdgeding. Het beroep bij de verwijzende rechter is immers ingesteld na 10 januari 2015.

30      Bovendien staat de omstandigheid dat die rechter bij de formulering van zijn prejudiciële vraag formeel naar een aantal bepalingen van verordening nr. 44/2001 heeft verwezen, er volgens vaste rechtspraak niet aan in de weg dat het Hof hem alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding, ongeacht of de uitgelegde bepalingen in zijn vragen worden genoemd (zie naar analogie arrest van 6 juni 2019, Weil, C‑361/18, EU:C:2019:473, punt 26).

31      Voorts zij in herinnering gebracht dat, aangezien verordening nr. 1215/2012 verordening nr. 44/2001 intrekt en daarvoor in de plaats komt – die op haar beurt in de plaats was gekomen van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32) –, de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot de bepalingen van laatstgenoemd rechtsinstrument ook geldt voor verordening nr. 1215/2012, voor zover die bepalingen als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Tibor-Trans, C‑451/18, EU:C:2019:635, punt 23).

32      Ten slotte vorderen verzoekers in het hoofdgeding, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, zowel de forfaitaire compensatie en de vergoeding van de kosten als bedoeld in de artikelen 7 en 9 van verordening nr. 261/2004 als de verdere compensatie als bedoeld in artikel 12 van die verordening, te weten vergoeding van de bijkomende materiële schade en de immateriële schade die zij stellen te hebben geleden. Aangezien de verdere compensatie is geregeld in het Verdrag van Montreal (zie in die zin arrest van 13 oktober 2011, Sousa Rodríguez e.a., C‑83/10, EU:C:2011:652, punt 38), volgt hieruit dat er in een geding als het hoofdgeding sprake is van twee regelingen voor de aansprakelijkheid van de luchtvaartmaatschappij ten aanzien van de passagiers, de ene op basis van verordening nr. 261/2004 en de andere op basis van het Verdrag van Montreal.

 Eerste vraag

33      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, punt 1, artikel 67 en artikel 71, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 en artikel 33 van het Verdrag van Montreal aldus moeten worden uitgelegd dat de rechter van een lidstaat bij wie een vordering is ingesteld teneinde zowel de in verordening nr. 261/2004 vastgelegde forfaitaire en gestandaardiseerde rechten te doen eerbiedigen als de binnen de werkingssfeer van het Verdrag van Montreal vallende verdere compensatie te verkrijgen, zijn bevoegdheid wat het eerste onderdeel van de vordering betreft, moet beoordelen in het licht van artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 en zijn bevoegdheid wat het tweede onderdeel ervan betreft, in het licht van artikel 33 van dat verdrag.

34      Aangaande de bevoegdheid om kennis te nemen van vorderingen zoals die in het hoofdgeding, heeft het Hof reeds gepreciseerd dat aangezien de rechten die op verordening nr. 261/2004 gebaseerd zijn, onder een ander regelingskader vallen dan de rechten die op de bepalingen van het Verdrag van Montreal berusten, de in dat verdrag neergelegde regels inzake de internationale bevoegdheid niet van toepassing zijn op vorderingen die louter op verordening nr. 261/2004 zijn gestoeld. Laatstbedoelde vorderingen moeten in het licht van verordening nr. 44/2001 worden onderzocht (zie in die zin arrest van 10 maart 2016, Flight Refund, C‑94/14, EU:C:2016:148, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Hetzelfde geldt voor een geding als het hoofdgeding, waarin verzoekers’ vorderingen zowel op de bepalingen van verordening nr. 261/2004 als op het Verdrag van Montreal zijn gebaseerd.

36      Daarnaast staan artikel 67 en artikel 71, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 de toepassing toe van regels inzake rechterlijke bevoegdheid voor bijzondere onderwerpen die opgenomen zijn in respectievelijk besluiten van de Unie of verdragen waarbij de lidstaten partij zijn. Aangezien het luchtvervoer een dergelijk bijzonder onderwerp is, moeten de bevoegdheidsregels van het Verdrag van Montreal toepassing kunnen vinden binnen het door het Verdrag van Montreal vastgestelde regelingskader.

37      In die omstandigheden dient de verwijzende rechter aangaande ten eerste de vorderingen op grond van de artikelen 5, 7 en 9 van verordening nr. 261/2004 zijn eigen bevoegdheid overeenkomstig verordening nr. 1215/2012 te verifiëren teneinde kennis te nemen van het bij hem aanhangige geding.

38      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/2012, met het oog op het vergroten van de rechtsbescherming van de in de Unie gevestigde personen, door ervoor te zorgen dat de eiser gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen, de in artikel 4 van die verordening neergelegde regel als uitgangspunt hebben dat het gerecht van de woonplaats van de verweerder in beginsel bevoegd is, waarop de bijzondere bevoegdheid een aanvulling vormt (zie naar analogie arrest van 3 mei 2007, Color Drack, C‑386/05, EU:C:2007:262, punten 20 en 21).

39      Zo wordt de regel dat het gerecht van de woonplaats van de verweerder bevoegd is, in artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aangevuld door een bijzonderebevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst, die is ingegeven door de wenselijkheid dat er een nauwe band bestaat tussen de overeenkomst en het gerecht dat daarvan kennis moet nemen (zie naar analogie arrest van 3 mei 2007, Color Drack, C‑386/05, EU:C:2007:262, punt 22).

40      Volgens deze regel kan de verweerder tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, omdat dat gerecht wordt verondersteld een nauwe band met de overeenkomst te hebben (zie naar analogie arrest van 3 mei 2007, Color Drack, C‑386/05, EU:C:2007:262, punt 23)

41      Hoewel de bepalingen van afdeling 4 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, inzake de „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, daarnaast een bijzonderebevoegdheidsregel bevatten voor consumenten, moet voorts worden opgemerkt dat artikel 17, lid 3, van die verordening bepaalt dat de genoemde afdeling „niet van toepassing [is] op vervoersovereenkomsten, behoudens overeenkomsten waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf [wordt] aangeboden” (arrest van 11 april 2019, Ryanair, C‑464/18, EU:C:2019:311, punt 28).

42      Op het gebied van het luchtvervoer blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat volgens de bijzonderebevoegdheidsregel voor de verstrekking van diensten in artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 de bevoegde rechter om kennis te nemen van een vordering tot compensatie die op een overeenkomst voor het luchtvervoer van personen is gebaseerd, naar keuze van de eiser de rechter is in wiens rechtsgebied zich de plaats van vertrek of de plaats van aankomst van het vliegtuig bevindt, zoals deze plaatsen in die vervoersovereenkomst zijn overeengekomen (zie naar analogie arresten van 9 juli 2009, Rehder, C‑204/08, EU:C:2009:439, punten 43 en 47, en 11 juli 2018, Zurich Insurance en Metso Minerals, C‑88/17, EU:C:2018:558, punt 18).

43      Wat ten tweede de vorderingen op grond van de bepalingen van het Verdrag van Montreal, met name artikel 19, betreft, die zien op de vergoeding van schade als gevolg van de vertraging van vluchten, dient de verwijzende rechter zijn bevoegdheid om uitspraak te doen over dat deel van de vordering, vast te stellen in het licht van artikel 33 van dat verdrag.

44      Uit het voorgaande volgt dat artikel 7, punt 1, artikel 67 en artikel 71, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 en artikel 33 van het Verdrag van Montreal aldus dienen te worden uitgelegd dat de rechter van een lidstaat bij wie een vordering is ingesteld teneinde zowel de in verordening nr. 261/2004 vastgelegde forfaitaire en gestandaardiseerde rechten te doen eerbiedigen als de binnen de werkingssfeer van het Verdrag van Montreal vallende verdere compensatie te verkrijgen, zijn bevoegdheid wat het eerste onderdeel van de vordering betreft, moet beoordelen in het licht van artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 en zijn bevoegdheid wat het tweede onderdeel ervan betreft, in het licht van artikel 33 van dat verdrag.

 Tweede vraag

45      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 33, lid 1, van het Verdrag van Montreal aldus moet worden uitgelegd dat het voor vorderingen tot vergoeding van schade die binnen de werkingssfeer van dat verdrag vallen, niet alleen de verdeling van de rechterlijke bevoegdheid tussen de staten die partij zijn bij dat verdrag regelt, maar ook de verdeling van de relatieve bevoegdheid tussen de gerechten van elk van die staten.

46      Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat de bepalingen van het Verdrag van Montreal een integrerend bestanddeel van de rechtsorde van de Unie vormen, zodat het Hof bevoegd is om ze uit te leggen met inachtneming van de regels van het volkenrecht, die bindend zijn voor de Unie (zie in die zin arrest van 6 mei 2010, Walz, C‑63/09, EU:C:2010:251, punt 20).

47      Het Hof heeft reeds verklaard dat de in het Verdrag van Montreal opgenomen begrippen autonoom en op uniforme wijze dienen te worden uitgelegd zodat het bij de uitlegging van dat verdrag in het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing geen rekening moet houden met de mogelijke uiteenlopende betekenissen die in de nationale rechtsorden van de lidstaten van de Unie aan die begrippen zijn gegeven, maar wel met de voor de Unie geldende uitleggingsregels van het algemene volkenrecht (zie in die zin arrest van 6 mei 2010, Walz, C‑63/09, EU:C:2010:251, punten 21 en 22).

48      In dit verband preciseert artikel 31 van het Verdrag inzake het verdragenrecht, ondertekend te Wenen op 23 mei 1969, waarbij regels van algemeen volkenrecht zijn gecodificeerd, dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van dat verdrag (arrest van 6 mei 2010, Walz, C‑63/09, EU:C:2010:251, punt 23)

49      Uit de bewoordingen van artikel 33 van het Verdrag van Montreal blijkt dat die bepaling de verzoeker de mogelijkheid biedt om ervoor te kiezen om de betrokken luchtvaartmaatschappij te dagvaarden binnen het gebied van een der staten die partij zijn bij dat verdrag, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de vervoerder, of van de hoofdzetel van diens onderneming of van de plaats waar hij een vestiging heeft, die voor het sluiten van de overeenkomst heeft gezorgd, hetzij voor de rechter van de plaats van bestemming van de betrokken vlucht.

50      Zoals de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt in die bepaling eerst verwezen naar het „gebied van een der staten die partij zijn bij dit verdrag” en wordt erin aangegeven, aan de hand van nauwkeurige aanknopingscriteria, welke van de rechters op dit grondgebied zich ratione loci bevoegd kan verklaren.

51      Hieruit volgt dat artikel 33, lid 1, van het Verdrag van Montreal volgens een letterlijke lezing moet worden geacht tevens de verdeling te regelen van de relatieve bevoegdheid tussen de rechters van elk van de staten die partij zijn bij dat verdrag.

52      Die uitlegging kan tevens worden afgeleid uit het onderzoek naar het doel van het Verdrag van Montreal. Uit de preambule van dat verdrag blijkt immers duidelijk dat de staten die partij zijn bij dat verdrag niet alleen „het waarborgen van bescherming van de belangen van consumenten in het internationale luchtvervoer” hebben beoogd, maar ook „verdere harmonisatie en codificatie van enige bepalingen tot regeling [van dat vervoer, teneinde] een billijk evenwicht van de [betrokken] belangen te bereiken”.

53      De uitlegging volgens welke artikel 33, lid 1, van het Verdrag van Montreal niet alleen tot doel heeft aan te wijzen welke verdragsluitende staat bevoegd is om kennis te nemen van de betrokken aansprakelijkheidsvordering, maar eveneens bij welke van de rechters van die staat de vordering dient te worden ingesteld, draagt bij tot de verwezenlijking van de in de preambule van dat instrument geformuleerde doelstelling van het brengen van meer eenheid en tot de bescherming van de belangen van consumenten, waarbij tegelijkertijd een billijk evenwicht tot stand wordt gebracht met de belangen van de luchtvaartmaatschappijen.

54      De rechtstreekse aanwijzing van de territoriaal bevoegde rechter kan immers, in het belang van beide partijen bij het geding, een grotere voorzienbaarheid en meer rechtszekerheid garanderen.

55      In het licht van het voorgaande dient artikel 33, lid 1, van het Verdrag van Montreal aldus te worden uitgelegd dat het voor rechtsvorderingen tot schadevergoeding die binnen de werkingssfeer van dat verdrag vallen, niet alleen de verdeling van de rechterlijke bevoegdheid tussen de staten die partij zijn bij dat verdrag regelt maar ook de verdeling van de relatieve bevoegdheid tussen de rechters van elk van die staten.

 Derde vraag

56      Gelet op het antwoord op de tweede vraag behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

57      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 7, punt 1, artikel 67 en artikel 71, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, en artikel 33 van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001, dienen aldus te worden uitgelegd dat de rechter van een lidstaat bij wie een vordering is ingesteld teneinde zowel de forfaitaire en gestandaardiseerde rechten te doen eerbiedigen die zijn vastgelegd in verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, als de verdere compensatie te verkrijgen die valt binnen de werkingssfeer van dat verdrag, zijn bevoegdheid wat het eerste onderdeel van de vordering betreft, moet beoordelen in het licht van artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 en zijn bevoegdheid wat het tweede onderdeel ervan betreft, in het licht van artikel 33 van dat verdrag.

2)      Artikel 33, lid 1, van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer dient aldus te worden uitgelegd dat het voor rechtsvorderingen tot schadevergoeding die binnen de werkingssfeer van dat verdrag vallen, niet alleen de verdeling van de rechterlijke bevoegdheid tussen de staten die partij zijn bij dat verdrag regelt maar ook de verdeling van de relatieve bevoegdheid tussen de rechters van elk van die staten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Italiaans.