Language of document : ECLI:EU:C:2019:970

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

14 november 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Uitsluitende rechten van uitvoerend kunstenaars – Artikel 2, onder b) – Reproductierecht – Artikel 3, lid 2, onder a) – Beschikbaarstelling voor het publiek – Toestemming – Vermoeden – Nationale regeling die een overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor het bewaren en het bevorderen van het nationale audiovisuele erfgoed, vrijstelt van de verplichting om schriftelijke toestemming van de uitvoerend kunstenaar te verkrijgen voor de exploitatie van archieven die vastleggingen van uitvoeringen van die uitvoerend kunstenaar bevatten”

In zaak C‑484/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 11 juli 2018, ingekomen bij het Hof op 20 juli 2018, in de procedure

Société de perception et de distribution des droits des artistes-interprètes de la musique et de la danse (Spedidam),

PG,

GF

tegen

Institut national de l’audiovisuel,

in tegenwoordigheid van:

Syndicat indépendant des artistes-interprètes (SIAUNSA),

Syndicat français des artistes-interprètes (CGT),

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, I. Jarukaitis, E. Juhász, M. Ilešič (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,

advocaat-generaal: G. Hogan,

griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 maart 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        Société de perception et de distribution des droits des artistes-interprètes de la musique et de la danse (Spedidam), PG en GF, vertegenwoordigd door C. Waquet en H. Hazan, avocats,

–        Institut national de l’audiovisuel, Syndicat indépendant des artistes-interprètes (SIA‑UNSA) en Syndicat français des artistes-interprètes (CGT), vertegenwoordigd door C. Caron, avocat,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, B. Fodda, D. Segoin, A.‑L. Desjonquères en A. Daniel als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door É. Gippini Fournier en J. Samnadda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 mei 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder b), artikel 3, lid 2, onder a), en artikel 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Société de perception et de distribution des droits des artistes-interprètes de la musique et de la danse (vereniging voor de inning en distributie van de rechten van uitvoerend kunstenaars van muziek en dans; hierna: „Spedidam”), PG en GF enerzijds en Institut national de l’audiovisuel (nationaal audiovisueel instituut; hierna: „INA”) anderzijds over een vermeende schending door het INA van de rechten van uitvoerend kunstenaar waarvan PG en GF houders zijn.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 9, 10, 21, 24 en 31 van richtlijn 2001/29 luiden:

„(9)      Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. De bescherming van deze rechten draagt bij tot de instandhouding en ontwikkeling van de creativiteit in het belang van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten, consumenten, cultuur, industrie en het publiek in het algemeen. De intellectuele eigendom is dan ook als een geïntegreerd deel van de eigendom erkend.

(10)      Auteurs en uitvoerend kunstenaars moeten, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van hun werk ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. De productie van fonogrammen, films en multimediaproducten, en van diensten, zoals ,diensten‑op‑aanvraag', vereist aanzienlijke investeringen. Een adequate rechtsbescherming van de intellectuele-eigendomsrechten is noodzakelijk om de mogelijkheid tot het verkrijgen van een dergelijke beloning en de mogelijkheid van een behoorlijk rendement van dergelijke investeringen te waarborgen.

[...]

(21)      In deze richtlijn moet worden bepaald welke handelingen ten aanzien van de verschillende rechthebbenden onder het reproductierecht vallen. Dit dient in overeenstemming met het acquis communautaire te geschieden. Een brede omschrijving van deze handelingen is noodzakelijk om voor rechtszekerheid in de interne markt te zorgen.

[...]

(24) Het in artikel 3, lid 2, bedoelde recht van beschikbaarstelling voor het publiek, van in artikel 3, lid 2, bedoeld materiaal wordt geacht alle handelingen te bestrijken waarbij zulk materiaal beschikbaar wordt gesteld voor niet op de plaats van oorsprong van de beschikbaarstelling aanwezige leden van het publiek, en geen andere handelingen te bestrijken.

[...]

(31)      Er moet een rechtvaardig evenwicht van rechten en belangen worden gewaarborgd tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en gebruikers van beschermd materiaal. [...] Met het oog op de goede werking van de interne markt moet meer eenheid in de omschrijving van dergelijke beperkingen en restricties worden gebracht. De mate waarin dergelijke beperkingen en restricties worden geharmoniseerd, moet worden bepaald aan de hand van de gevolgen ervan voor de goede werking van de interne markt.”

4        Artikel 2 van die richtlijn, „Reproductierecht”, luidt als volgt:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van:

[...]

b)      uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen,

[...]

in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”

5        Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”, bepaalt in lid 2, onder a):

„De lidstaten voorzien ten behoeve van:

a)      uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen,

[...]

in het uitsluitende recht, de beschikbaarstelling voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd er toegang toe hebben, toe te staan of te verbieden.”

6        Artikel 5 van richtlijn 2001/29 bevat een reeks beperkingen en restricties op de in de artikelen 2 tot en met 4 van die richtlijn bedoelde rechten, waarin de lidstaten in hun nationale recht kunnen of moeten voorzien.

7        Artikel 10 van deze richtlijn, „Toepassing in de tijd”, bepaalt:

„1.      De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op alle in deze richtlijn bedoelde werken en ander materiaal, welke op 22 december 2002 door de wetgeving van de lidstaten inzake het auteursrecht en de naburige rechten worden beschermd of aan de criteria voor bescherming krachtens deze richtlijn of de in artikel 1, lid 2, bedoelde bepalingen voldoen.

2.      Deze richtlijn laat alle vóór 22 december 2002 verrichte handelingen en verkregen rechten onverlet.”

 Frans recht

8        Artikel L. 212‑3, eerste alinea, van de code de la propriété intellectuelle (wetboek intellectuele eigendom) bepaalt:

„De vastlegging van de uitvoering, de reproductie en de mededeling ervan aan het publiek, evenals het afzonderlijke gebruik van het geluid en het beeld van de uitvoering als deze is vastgelegd met betrekking tot zowel het geluid als het beeld, is onderhevig aan schriftelijke toestemming van de uitvoerend kunstenaar.

Deze toestemming en de bijbehorende vergoedingen zijn geregeld in de artikelen L. 762‑1 en L. 762‑2 van de code du travail (wetboek arbeidsrecht), onder voorbehoud van artikel L. 212‑6 van het onderhavige wetboek.”

9        Artikel L. 212‑4 van dit wetboek bepaalt:

„De ondertekening van de overeenkomst die tussen een uitvoerend kunstenaar en een producent voor de productie van een audiovisueel werk is gesloten, vormt de toestemming om de uitvoering van de uitvoerend kunstenaar vast te leggen, te reproduceren en aan het publiek mee te delen.

In deze overeenkomst wordt een aparte vergoeding voor elke wijze van exploitatie van het werk vastgesteld.”

10      Artikel 49 van loi n° 86‑1067 du 30 septembre 1986 relative à la liberté de communication (wet nr. 86‑1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van mededeling) (JORF van 1 oktober 1986, blz. 11749), zoals gewijzigd bij artikel 44 van wet nr. 2006‑961 van 1 augustus 2006 (JORF van 3 augustus 2006, blz. 11529) (hierna: „gewijzigd artikel 49”), bepaalt:

„Het [INA], een openbare staatsinstelling met een industrieel en commercieel karakter, is verantwoordelijk voor het bewaren en het bevorderen van het nationale audiovisuele erfgoed.

I. – Het [INA] zorgt ervoor dat de audiovisuele archieven van de nationale omroeporganisaties worden bewaard en draagt bij aan de exploitatie ervan. De aard, tarieven en financiële voorwaarden van de documentaire dienstverlening alsook de voorwaarden voor de exploitatie van deze archieven worden geregeld in overeenkomsten tussen het [INA] en elk van de betrokken organisaties. Deze overeenkomsten worden goedgekeurd bij besluit van de minister van Begroting en de minister van Communicatie.

II. – Het [INA] exploiteert uittreksels uit de audiovisuele archieven van nationale omroeporganisaties onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de specificaties. Na het verstrijken van een termijn van één jaar vanaf de eerste uitzending ervan geniet het de exploitatierechten van deze uittreksels.

Het [INA] blijft eigenaar van de dragers en het technische materiaal en houder van de exploitatierechten van de audiovisuele archieven van de nationale omroeporganisaties en de in artikel 58 bedoelde organisatie die vóór de publicatie van wet nr. 2000‑719 van 1 augustus 2000 [tot wijziging van wet nr. 86‑1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van mededeling (JORF van 2 augustus 2000, blz. 11903)] aan het [INA] zijn overgedragen. De nationale omroeporganisaties en de in artikel 58 bedoelde organisatie behouden evenwel, elk voor zich, het recht om die archieven met voorrang te gebruiken.

Het [INA] oefent de in dit lid bedoelde exploitatierechten uit met inachtneming van de morele rechten en vermogensrechten van de houders en andere rechthebbenden van auteursrechten of naburige rechten. In afwijking van de artikelen L. 212‑3 en L. 212‑4 van het wetboek intellectuele eigendom worden de exploitatievoorwaarden voor de uitvoeringen van de uitvoerend kunstenaars uit de in dit artikel bedoelde archieven en de vergoedingen voor die exploitatie geregeld door overeenkomsten tussen de uitvoerend kunstenaars zelf of hun vertegenwoordigende werknemersorganisaties enerzijds en het [INA] anderzijds. In die overeenkomsten worden de tarieflijst van de vergoedingen en de regeling voor de betaling van die vergoedingen gespecificeerd.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11      Het INA is een overheidsinstantie van de Franse Staat met een industrieel en commercieel karakter, die verantwoordelijk is voor het bewaren en het bevorderen van het nationale audiovisuele erfgoed. Het zorgt daartoe onder meer voor de bewaring van de audiovisuele archieven van de nationale omroeporganisaties als zijnde audiovisuele producenten, en draagt bij aan de exploitatie ervan.

12      PG en GF zijn de rechtsopvolgers van ZV, een muzikant die in 1985 is overleden.

13      In 2009 hebben PG en GF geconstateerd dat het INA zonder hun toestemming op zijn webwinkel video-opnamen en fonogrammen met tussen 1959 en 1978 uitgevoerde werken van ZV te koop aanbood. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat deze video-opnamen en fonogrammen zijn geproduceerd en vervolgens uitgezonden door nationale omroeporganisaties.

14      Op 28 december 2009 hebben PG en GF op basis van artikel L. 212‑3 van het wetboek intellectuele eigendom het INA in rechte gedaagd tot vergoeding van de schade als gevolg van de vermeende schending door het INA van de rechten van uitvoerend kunstenaar waarvan zij houder zijn.

15      Bij vonnis van 24 januari 2013 heeft de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) deze vordering toegewezen. Deze rechter heeft met name geoordeeld dat toepassing van het gewijzigde artikel 49 het INA niet vrijstelde van de verplichting om de voorafgaande toestemming van de uitvoerend kunstenaar te verkrijgen voor het gebruik van de vastlegging van zijn uitvoeringen. De in deze bepaling bedoelde collectieve overeenkomsten zijn volgens deze rechter uitsluitend bedoeld om de vergoedingen voor nieuwe exploitaties te bepalen voor zover de betrokken uitvoerend kunstenaars voor een eerste exploitatie toestemming hebben gegeven. In casu is geen bewijs van een dergelijke toestemming door het INA overgelegd. Bij arrest van 11 juni 2014 heeft de door het INA aangezochte cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs) het in eerste aanleg gewezen vonnis in wezen bevestigd.

16      Bij arrest van 14 oktober 2015 heeft de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) het arrest van de cour d’appel de Paris gedeeltelijk vernietigd. Deze rechter heeft geoordeeld dat deze cour d’appel zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de toepassing van de betrokken afwijkende regeling het bewijs was vereist dat de uitvoerend kunstenaar toestemming had gegeven voor de eerste exploitatie van zijn uitvoering, waardoor een voorwaarde aan de wet werd toegevoegd die daarin niet was opgenomen.

17      Bij arrest van 10 maart 2017, dat is gewezen op verwijzing na cassatie, heeft de cour d’appel de Versailles (rechter in tweede aanleg Versailles, Frankrijk) de vorderingen van PG en GF afgewezen. Deze rechter heeft namelijk in wezen geoordeeld dat het gewijzigde artikel 49 slechts voorziet in een weerlegbaar vermoeden dat de uitvoerend kunstenaar het INA voorafgaande toestemming heeft gegeven, en dus niet afdoet aan het uitsluitende recht van de uitvoerend kunstenaar. De in dat artikel bedoelde overeenkomsten met de vertegenwoordigende organisaties geven hun niet het aan de uitvoerend kunstenaar verleende recht om „toe te staan en te verbieden”, maar hebben uitsluitend tot doel de vergoeding van die kunstenaar vast te stellen.

18      PG en GF alsook Spedidam, die in de procedure bij de cour d’appel de Versailles vrijwillig heeft geïntervenieerd, hebben tegen het arrest van deze rechter cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter. Deze geeft aan twijfels te hebben over de verenigbaarheid van de in het gewijzigde artikel 49 neergelegde juridische regeling met de artikelen 2, 3 en 5 van richtlijn 2001/29.

19      In deze omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Dienen artikel 2, onder b), artikel 3, lid 2, onder a), en artikel 5 van [richtlijn 2001/29] aldus te worden uitgelegd dat zij er zich niet tegen verzetten dat bij nationale regelgeving, zoals [het gewijzigde] artikel 49, ten gunste van het [INA], de houder van de exploitatierechten van de nationale omroeporganisaties wat betreft de audiovisuele archieven, een uitzonderingsregeling wordt ingevoerd volgens welke de exploitatievoorwaarden voor de werken van uitvoerend kunstenaars en de vergoedingen voor die exploitatie worden geregeld in overeenkomsten tussen de uitvoerend kunstenaars zelf of hun vertegenwoordigende werknemersorganisaties enerzijds en [het INA] anderzijds, waarbij in die overeenkomsten de tarieflijst van de vergoedingen en de regeling voor de betaling van die vergoedingen worden gespecificeerd?”

 Toepassing in de tijd van richtlijn 2001/29

20      Zoals in punt 13 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, zijn de betrokken opnamen tussen 1959 en 1978 gemaakt.

21      Artikel 10, lid 1, van richtlijn 2001/29 bepaalt dat de bepalingen van deze richtlijn van toepassing zijn op alle in deze richtlijn bedoelde werken en ander materiaal, welke op 22 december 2002 door de wetgeving van de lidstaten inzake het auteursrecht en de naburige rechten worden beschermd of aan de criteria voor bescherming krachtens deze richtlijn of de in artikel 1, lid 2, van deze richtlijn bedoelde bepalingen voldoen. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2001/29 voegt hieraan toe dat richtlijn 2001/29 „alle vóór 22 december 2002 verrichte handelingen en verkregen rechten onverlet [laat]”.

22      Hoewel het INA en de Franse regering ter terechtzitting allebei hebben aangevoerd dat richtlijn 2001/29 ratione temporis niet van toepassing is op het hoofdgeding, heeft de Franse regering gepreciseerd dat het erop lijkt dat het INA ruim vóór 22 december 2002 de rechten op de betrokken opnamen had, terwijl Spedidam heeft aangegeven dat het INA geen rechten had die het vóór die datum had verkregen.

23      Het staat aan de verwijzende rechter om uit maken of en in hoeverre de partijen in het hoofdgeding zich kunnen beroepen op eventuele vóór 22 december 2002 verkregen rechten en verrichte handelingen, die de bepalingen van richtlijn 2001/29 geheel onverlet laten.

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

24      Om te beginnen moet met betrekking tot de juridische context van de onderhavige zaak worden opgemerkt dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat artikel L. 212‑3 van het wetboek intellectuele eigendom bepaalt dat voor de vastlegging van de uitvoering evenals voor de reproductie en de mededeling ervan aan het publiek de schriftelijke toestemming van de uitvoerend kunstenaar is vereist. Artikel L. 212‑4 van dit wetboek bepaalt dat de ondertekening van de overeenkomst die tussen een uitvoerend kunstenaar en een producent voor de productie van een audiovisueel werk is gesloten, de toestemming vormt om de uitvoering van de uitvoerend kunstenaar vast te leggen, te reproduceren en aan het publiek mee te delen.

25      Artikel 49, punt II, van de wet betreffende de vrijheid van mededeling is gewijzigd bij wet nr. 2006/961 van 1 augustus 2006 en bepaalt thans dat „het [INA] [...] uittreksels uit de audiovisuele archieven van nationale omroeporganisaties [exploiteert] onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de specificaties” en dat „[het] na het verstrijken van een termijn van één jaar vanaf de eerste uitzending ervan [...] de exploitatierechten van deze uittreksels [geniet]”, en voorts dat „[i]n afwijking van de artikelen L. 212‑3 en L. 212‑4 van het wetboek intellectuele eigendom [...] de exploitatievoorwaarden voor de werken van de uitvoerend kunstenaars uit de in dit artikel bedoelde archieven en de vergoedingen voor die exploitatie [worden] geregeld door overeenkomsten tussen de uitvoerend kunstenaars zelf of hun vertegenwoordigende werknemersorganisaties enerzijds en het [INA] anderzijds” en dat „[i]n die overeenkomsten [...] de tarieflijst van de vergoedingen en de regeling voor de betaling van die vergoedingen [worden] gespecificeerd”.

26      Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat PG, GF en Spedidam van mening zijn dat het gewijzigde artikel 49 een uitzonderingsregeling invoert die in strijd is met artikel 5 van richtlijn 2001/29 en met de in artikel 2, onder b), en artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn bedoelde uitsluitende rechten van uitvoerend kunstenaars, aangezien die regeling het INA de mogelijkheid biedt om uitvoeringen van die uitvoerend kunstenaars op zijn website via downloading tegen betaling aan te bieden, zonder dat het hoeft te bewijzen dat die kunstenaars voor dat gebruik toestemming hebben gegeven.

27      Het INA is daarentegen van mening dat dit artikel noch een beperking noch een restrictie op de uitsluitende rechten van uitvoerend kunstenaars vormt, aangezien dit artikel enkel de bewijsregeling inzake deze rechten vormgeeft door een weerlegbaar vermoeden van overdracht van de exploitatierechten van uitvoerend kunstenaars aan het INA in te voeren, waardoor het niet het bestaan van de in de artikelen L. 212‑3 en L. 212‑4 van het wetboek intellectuele eigendom bedoelde schriftelijke toestemming of arbeidsovereenkomst hoeft te bewijzen. Het INA voegt hieraan toe dat het op grond van het gewijzigde artikel 49 collectieve overeenkomsten heeft gesloten met de vertegenwoordigende organisaties van de uitvoerend kunstenaars, waarin de exploitatievoorwaarden voor hun werken en de vergoedingen voor die exploitatie worden geregeld.

28      Gelet op deze overwegingen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de taken van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU voorziene procedure duidelijk zijn onderscheiden van de taken van de verwijzende rechter en het uitsluitend aan laatstgenoemde staat om de nationale wettelijke regeling uit te leggen (arrest van 15 januari 2013, Križan e.a., C‑416/10, EU:C:2013:8, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Het staat dus niet aan het Hof om zich in het kader van een prejudiciële verwijzing uit te spreken over de uitlegging van de nationale bepalingen. Het Hof moet in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke instanties van de Unie en die van de lidstaten immers acht slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst (zie in die zin arrest van 21 oktober 2010, Padawan, C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Voorts is het vaste rechtspraak van het Hof dat de nationale rechter bij de toepassing van het interne recht dit zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is immers inherent aan het systeem van het VWEU, aangezien het de nationale rechter in staat stelt binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het recht van de Unie te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige geschillen (arrest van 24 januari 2012, Dominguez, C‑282/10, EU:C:2012:33, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      In de verwijzingsbeslissing geeft de verwijzende rechter aan dat het INA, dat, zoals in punt 11 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, verantwoordelijk is voor het bewaren en het bevorderen van het nationale audiovisuele erfgoed, sommige archieven niet heeft kunnen exploiteren omdat de productiedossiers van de betrokken audiovisuele programma's niet de met de betrokken uitvoerend kunstenaars gesloten arbeidsovereenkomsten bevatten. Omdat het INA niet in het bezit was van de in artikel L. 212‑3 van het wetboek intellectuele eigendom bedoelde schriftelijke toestemming van de uitvoerend kunstenaars of van hun rechtsopvolgers, die vaak moeilijk of onmogelijk te identificeren of op te sporen waren, of van de door hen gesloten arbeidsovereenkomst met de producenten van die programma's, kon het zich niet beroepen op het in artikel L. 212‑4 van het wetboek intellectuele eigendom bedoelde vermoeden van toestemming.

32      De verwijzende rechter voegt hieraan toe dat artikel 49, punt II, van de wet betreffende de vrijheid van mededeling dan ook door wet nr. 2006/961 van 1 augustus 2006 op de in punt 24 van dit arrest bedoelde wijze is gewijzigd om het INA in staat te stellen zijn taak van openbaredienstverlening te vervullen. Voorts geeft deze rechter aan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet valt onder de beperkingen en restricties die de lidstaten krachtens artikel 5 van richtlijn 2001/29 kunnen vaststellen.

33      Zoals in de punten 15 tot en met 17 van het onderhavige arrest is opgemerkt, hebben de tribunal de grande instance de Paris en de cour d’appel de Paris voorts weliswaar geoordeeld dat het gewijzigde artikel 49 het INA niet vrijstelde van de verplichting om de voorafgaande toestemming van de uitvoerend kunstenaar te verkrijgen voor het gebruik van de vastlegging van diens uitvoeringen, maar de Cour de cassation heeft op cassatieberoep in wezen geoordeeld dat voor de toepassing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde „afwijkende” regeling niet het bewijs was vereist dat de uitvoerend kunstenaar toestemming had gegeven voor de eerste exploitatie van zijn uitvoering. Vervolgens heeft de cour d’appel de Versailles, tegen wiens arrest cassatieberoep is ingesteld bij de verwijzende rechter, dit gewijzigde artikel 49 aldus uitgelegd dat het slechts voorziet in een weerlegbaar vermoeden dat de uitvoerend kunstenaar het INA voorafgaande toestemming heeft gegeven voor de commerciële exploitatie van de vastlegging van zijn uitvoeringen in de archieven van het INA.

34      In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 2, onder b), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die met betrekking tot de exploitatie van audiovisuele archieven door een daartoe aangewezen instelling een weerlegbaar vermoeden invoert dat de uitvoerend kunstenaar toestemming heeft gegeven voor de vastlegging en de exploitatie van zijn uitvoering, wanneer die uitvoerend kunstenaar deelneemt aan de opname van een audiovisueel werk met het oog op uitzending daarvan.

35      Artikel 2, onder b), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 bepalen dat de lidstaten ten behoeve van uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen, voorzien in het uitsluitende recht de reproductie en de beschikbaarstelling voor het publiek toe te staan of te verbieden.

36      Allereerst moet worden opgemerkt dat de bij deze bepalingen aan de uitvoerend kunstenaars verleende bescherming een ruime omvang moet toekomen (zie naar analogie arrest van 16 november 2016, Soulier en Doke, C‑301/15, EU:C:2016:878, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals in de overwegingen 21 en 24 van richtlijn 2001/29 staat te lezen, is een brede omschrijving van de handelingen die onder het reproductierecht vallen, namelijk noodzakelijk om voor rechtszekerheid in de interne markt te zorgen. Het in artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn bedoelde recht van beschikbaarstelling voor het publiek van in deze bepaling bedoeld materiaal wordt geacht alle handelingen te bestrijken waarbij zulk materiaal beschikbaar wordt gesteld voor niet op de plaats van oorsprong van de beschikbaarstelling aanwezige leden van het publiek.

37      Bijgevolg moet deze bescherming, net als de auteursrechtelijke bescherming, met name in die zin worden opgevat dat zij zich niet beperkt tot het genot van de door artikel 2, onder b), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 gewaarborgde rechten, maar zich ook uitstrekt tot de uitoefening van deze rechten (zie in die zin arrest van 16 november 2016, Soulier en Doke, C‑301/15, EU:C:2016:878, punt 31).

38      Tevens zij eraan herinnerd dat de door artikel 2, onder b), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 gewaarborgde rechten van uitvoerend kunstenaars preventief van aard zijn, in die zin dat hun voorafgaande toestemming is vereist voor elke reproductie of beschikbaarstelling voor het publiek van vastleggingen van hun uitvoeringen. Hieruit volgt, onder voorbehoud van de beperkingen en restricties die in artikel 5 van deze richtlijn uitputtend zijn bepaald, dat elk gebruik van dergelijk beschermd materiaal door een derde zonder een dergelijke voorafgaande toestemming als een inbreuk op de rechten van de houder moet worden beschouwd (zie in die zin arresten van 16 november 2016, Soulier en Doke, C‑301/15, EU:C:2016:878, punten 33 en 34, en 7 augustus 2018, Renckhoff, C‑161/17, EU:C:2018:634, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      Deze uitlegging strookt met het doel van een hoog beschermingsniveau van de rechten van uitvoerend kunstenaars, waarnaar in overweging 9 van richtlijn 2001/29 wordt verwezen, alsmede met de noodzaak dat, zoals in overweging 10 van deze richtlijn in wezen staat vermeld, uitvoerend kunstenaars een passende beloning voor het gebruik van vastleggingen van hun uitvoeringen ontvangen, zodat zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten.

40      Hierbij zij evenwel aangetekend, zoals het Hof in het arrest van 16 november 2016, Soulier en Doke (C‑301/15, EU:C:2016:878, punt 35), reeds met betrekking tot de uitsluitende rechten van de auteur heeft opgemerkt, dat in artikel 2, onder b), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 niet nader wordt bepaald welke vorm de voorafgaande toestemming van de uitvoerend kunstenaar moet aannemen, zodat deze bepalingen niet aldus kunnen worden opgevat dat een dergelijke toestemming noodzakelijkerwijs schriftelijk of expliciet moet worden geuit. Integendeel, deze bepalingen moeten worden geacht ook een impliciete uiting toe te staan, waarbij, zoals het Hof in punt 37 van datzelfde arrest heeft aangegeven, de voorwaarden waaronder impliciete toestemming kan worden verondersteld te zijn gegeven, strikt moeten worden gedefinieerd om de omvang van het beginsel van voorafgaande toestemming op zich niet in te perken.

41      Zoals in de punten 31 tot en met 33 van het onderhavige arrest is opgemerkt, voert in casu het gewijzigde artikel 49 een weerlegbaar vermoeden in dat de uitvoerend kunstenaar die deelneemt aan de productie van een audiovisueel werk, het INA toestemming heeft gegeven voor de vastlegging en exploitatie van zijn uitvoering, zodat dit vermoeden kan tegemoetkomen aan het in artikel L. 212‑3 van het wetboek intellectuele eigendom opgenomen vereiste van schriftelijke toestemming van die uitvoerend kunstenaar voor dat gebruik van zijn uitvoering.

42      Dienaangaande zij allereerst opgemerkt dat een uitvoerend kunstenaar die zelf deelneemt aan de productie van een audiovisueel werk met het oog op uitzending ervan door nationale omroeporganisaties en daartoe dus aanwezig is op de plaats van opname van dat werk, op de hoogte is van het voorgenomen gebruik van zijn uitvoering (zie naar analogie arrest van 16 november 2016, Soulier en Doke, C‑301/15, EU:C:2016:878, punt 43) en bovendien zijn werk met het oog op dat gebruik uitvoert, zodat kan worden geoordeeld dat hij, tenzij het tegendeel blijkt, door middel van die deelname toestemming heeft gegeven voor de vastlegging en de exploitatie van die uitvoering.

43      Voorts is het in punt 34 van het onderhavige arrest bedoelde vermoeden weerlegbaar omdat blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling de uitvoerend kunstenaar of zijn rechtsopvolgers de mogelijkheid geeft om aan te tonen dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de latere exploitaties van zijn werk. Aangezien deze regeling enkel afwijkt van het in artikel L. 212‑3 van het wetboek intellectuele eigendom neergelegde maar niet in het Unierecht opgenomen vereiste van schriftelijke toestemming van de uitvoerend kunstenaar, betreft die regeling dan ook louter de vormgeving van de bewijsregeling inzake het bestaan van die toestemming.

44      Ten slotte kan het in overweging 31 van richtlijn 2001/29 bedoelde rechtvaardige evenwicht van rechten en belangen tussen de verschillende categorieën rechthebbenden door een dergelijk vermoeden worden gewaarborgd. In het bijzonder moeten uitvoerend kunstenaars, zoals in overweging 10 van deze richtlijn in wezen staat vermeld, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van de vastleggingen van hun werken ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. Omdat het INA in casu in zijn archieven niet in het bezit was van de schriftelijke toestemming van de uitvoerend kunstenaars of van hun rechthebbenden of van de door hen gesloten arbeidsovereenkomsten met de producenten van de betrokken audiovisuele programma's, kon deze instelling sommige archieven niet exploiteren, wat schadelijk bleek te zijn voor de belangen van andere rechthebbenden, zoals de makers van de betrokken audiovisuele programma's, de producenten ervan – namelijk de nationale omroeporganisaties, de rechtsvoorgangers van het INA – of andere uitvoerend kunstenaars die bij de uitvoering van die werken eventueel diensten hebben verricht.

45      In ieder geval kan een dergelijk vermoeden niet afdoen aan het recht van uitvoerend kunstenaars op een passende beloning voor het gebruik van vastleggingen van hun uitvoeringen.

46      Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder b), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die met betrekking tot de exploitatie van audiovisuele archieven door een daartoe aangewezen instelling een weerlegbaar vermoeden invoert dat de uitvoerend kunstenaar toestemming heeft gegeven voor de vastlegging en de exploitatie van zijn uitvoering, wanneer die uitvoerend kunstenaar deelneemt aan de opname van een audiovisueel werk met het oog op uitzending ervan.

 Kosten

47      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen.       De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, onder b), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die met betrekking tot de exploitatie van audiovisuele archieven door een daartoe aangewezen instelling een weerlegbaar vermoeden invoert dat de uitvoerend kunstenaar toestemming heeft gegeven voor de vastlegging en de exploitatie van zijn uitvoering, wanneer die uitvoerend kunstenaar deelneemt aan de opname van een audiovisueel werk met het oog op uitzending ervan.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.