Language of document : ECLI:EU:C:2019:1024

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

28 november 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/343 – Versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn – Artikel 6 – Bewijslast – Voortzetting van de voorlopige hechtenis van een beklaagde”

In zaak C-653/19 PPU,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) bij beslissing van 4 september 2019, ingekomen bij het Hof op 4 september 2019, in de strafprocedure tegen

DK,

in tegenwoordigheid van:

Spetsializirana prokuratura,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot, kamerpresident, M. Safjan, L. Bay Larsen (rapporteur), C. Toader en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 november 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        DK, vertegenwoordigd door D. Gochev, I. Angelov en I. Yotov, advokati,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Troosters en Y. Marinova als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 november 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), en van de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een tegen DK ingestelde strafprocedure en betreft de voortzetting van zijn voorlopige hechtenis.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        In de overwegingen 16 en 22 van richtlijn 2016/343 staat te lezen:

„(16)      Het vermoeden van onschuld zou worden geschonden wanneer in openbare verklaringen van overheidsinstanties of in andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld een verdachte of beklaagde als schuldig wordt aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan. [...] Dit mag [geen] afbreuk doen aan voorlopige beslissingen van procedurele aard, die worden genomen door rechterlijke of andere bevoegde instanties en die zijn gebaseerd op een verdenking of op belastende bewijzen, zoals beslissingen inzake voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat in dergelijke beslissingen de verdachte of de beklaagde niet als schuldig wordt aangeduid. [...]

[...]

(22)      De bewijslast voor het aantonen van de schuld van de verdachte of beklaagde rust op de vervolgende instantie, en enige twijfel moet ten gunste van de beklaagde komen. Het vermoeden van onschuld zou worden geschonden indien de bewijslast zou worden verschoven van de vervolgende instantie naar de verdediging; dit doet echter geen afbreuk aan bevoegdheden van rechters om ambtshalve feitenonderzoek te doen, noch aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de beoordeling van de schuld van de verdachte of beklaagde. Evenmin doet het afbreuk aan het gebruik van wettelijke of feitelijke vermoedens inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte of beklaagde. [...]”

4        Artikel 2 van deze richtlijn, met het opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt:

„Deze richtlijn is van toepassing op natuurlijke personen die verdachten of beklaagden zijn in strafprocedures. Zij is van toepassing op elk stadium van de strafprocedure, vanaf het tijdstip waarop iemand ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit of een vermeend strafbaar feit te hebben gepleegd, tot de eindbeslissing die vaststelt of de betrokkene het strafbaar feit heeft begaan, definitief is geworden.”

5        Artikel 3 van die richtlijn, met het opschrift „Vermoeden van onschuld”, luidt als volgt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden voor onschuldig worden gehouden totdat hun schuld in rechte is komen vast te staan.”

6        Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, met het opschrift „Publieke verwijzingen naar schuld”, luidt:

„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een verdachte of beklaagde in openbare verklaringen van overheidsinstanties en in andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld, niet als schuldig wordt aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan. Dit doet geen afbreuk aan handelingen van de vervolgende instanties die erop zijn gericht te bewijzen dat de verdachte of beklaagde schuldig is, noch aan voorlopige beslissingen van procedurele aard, die zijn genomen door rechterlijke of andere bevoegde instanties, en die zijn gebaseerd op verdenkingen of belastend bewijsmateriaal.”

7        Artikel 6 van richtlijn 2016/343, met het opschrift „Bewijslast”, is als volgt verwoord:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust. Dit doet geen afbreuk aan enige verplichting voor de rechter of de bevoegde rechtbank om zowel belastende en ontlastende bewijzen te zoeken, noch aan het recht van de verdediging om overeenkomstig het nationale recht bewijsmateriaal aan te brengen.

2.      De lidstaten waarborgen dat iedere twijfel over de schuldvraag in het voordeel van de verdachte of de beklaagde werkt, ook wanneer de rechter beoordeelt of de betrokkene moet worden vrijgesproken.”

 Bulgaars recht

8        Artikel 270 van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering) bepaalt:

„(1)      Op elk moment van het geding kan worden verzocht om omzetting van de dwangmaatregel. Indien sprake is van gewijzigde omstandigheden kan bij de bevoegde rechter een nieuw verzoek betreffende de dwangmaatregel worden ingediend.

(2)      De rechtbank doet uitspraak bij een ter openbare terechtzitting gegeven beschikking.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9        DK wordt beschuldigd van lidmaatschap van een criminele organisatie en van moord.

10      In het kader van de strafrechtelijke procedure die op grond van deze beschuldigingen tegen DK is ingesteld, is hij op 11 juni 2016 in voorlopige hechtenis geplaatst.

11      Op 9 november 2017 is de zaak van de betrokkene ter berechting verwezen naar de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije).

12      DK heeft sinds 5 februari 2018 zeven verzoeken om invrijheidstelling ingediend, die alle in eerste aanleg of in hoger beroep zijn afgewezen op grond dat de argumenten die hij had aangevoerd ten aanzien van de vereisten van nationaal recht onvoldoende overtuigend waren.

13      Tijdens de terechtzitting voor de Spetsializiran nakazatelen sad op 4 september 2019 heeft DK een nieuw verzoek om invrijheidstelling ingediend.

14      De verwijzende rechter merkt op dat uit de Bulgaarse wetgeving volgt dat nadat de zaak tegen een persoon die in voorlopige hechtenis is genomen ter berechting naar een rechtbank is verwezen, die rechtbank vooraf moet onderzoeken of die hechtenis gegrond is. Indien die rechtbank van oordeel is dat de hechtenis rechtmatig is, wordt de hechtenis voor onbepaalde tijd voortgezet en daarna niet ambtshalve opnieuw getoetst. De invrijheidstelling van de in hechtenis genomen persoon kan slechts worden toegestaan indien deze daarom verzoekt en hij aantoont dat er sprake is van nieuwe omstandigheden die zijn vrijlating rechtvaardigen.

15      De Spetsializiran nakazatelen sad meent dat het in het licht van de vereisten van de Bulgaarse wetgeving zoals die door de nationale rechtspraak is uitgelegd, onwaarschijnlijk is dat DK erin slaagt dergelijk bewijs te leveren en aldus aan te tonen dat er sprake is van veranderde omstandigheden die zijn invrijheidstelling rechtvaardigen.

16      Deze rechter betwijfelt echter of de Bulgaarse wetgeving verenigbaar is met artikel 6 en overweging 22 van richtlijn 2016/343, aangezien deze bepalingen aldus zouden kunnen worden uitgelegd dat zij de bewijslast voor de gegrondheid van de voortzetting van de voorlopige hechtenis van de betrokkene bij de vervolgende instantie leggen, en slechts toestaan dat vermoedens van deze gegrondheid worden aanvaard indien deze in een redelijke verhouding staan tot het nagestreefde doel en rekening houden met de rechten van de verdediging.

17      Verder moet rekening worden gehouden met de in de artikelen 6 en 47 van het Handvest gewaarborgde rechten. Meer in het bijzonder wat betreft dat artikel 6, dat overeenkomt met artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, vloeit voort uit het arrest van het EHRM van 27 augustus 2019, Magnitskiy e.a./Rusland (CE:ECHR:2019:0827JUD003263109), dat invoering van een vermoeden dat de voortzetting van de hechtenis van een beklaagde rechtmatig is, strijdig is met artikel 5, lid 3, van dat verdrag.

18      In deze omstandigheden heeft de Spetsializiran nakazatelen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is een nationale wettelijke regeling volgens welke een verzoek van de verdediging om opheffing van de hechtenis van de beklaagde in de gerechtelijke fase van de strafprocedure slechts kan worden ingewilligd onder de voorwaarde dat zich een verandering in de omstandigheden heeft voorgedaan, verenigbaar met de artikelen 6 en overweging 22 van richtlijn 2016/343 en met de artikelen 6 en 47 van het [Handvest]?”

 Spoedprocedure

19      De verwijzende rechter heeft verzocht om deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

20      Ter ondersteuning van dit verzoek merkt deze rechter op dat DK sinds 11 juni 2016 in voorlopige hechtenis zit en dat de beoordeling van het verzoek om zijn invrijheidstelling afhangt van het antwoord op de vraag of het Unierecht zich verzet tegen de verdeling van de bewijslast zoals bepaald in de Bulgaarse wetgeving die op dit gebied van toepassing is.

21      In dit verband moet in de eerste plaats worden benadrukt dat de onderhavige prejudiciële verwijzing de uitlegging betreft van richtlijn 2016/343, die valt onder titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Deze verwijzing kan dus worden behandeld volgens de prejudiciële spoedprocedure.

22      Wat in de tweede plaats het criterium inzake spoedeisendheid betreft, moet volgens de rechtspraak van het Hof rekening worden gehouden met de omstandigheid dat aan de persoon die betrokken is in het hoofdgeding thans zijn vrijheid is ontnomen, en dat het van de beslechting van het hoofdgeding afhangt of zijn hechtenis wordt voortgezet (arresten van 28 juli 2016, JZ, C-294/16 PPU, EU:C:2016:610, punt 29, en 19 september 2018, Milev, C-310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 35).

23      In het onderhavige geval blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing en het antwoord van de verwijzende rechter van 13 september 2019 op een verzoek om inlichtingen van het Hof, alsmede uit de aanvullende informatie die deze rechter op 25 en 27 september 2019 aan het Hof heeft verstrekt, dat DK momenteel van zijn vrijheid is beroofd, dat de verwijzende rechter zich op basis van de beslissing van het Hof zal moeten uitspreken over de voortzetting van zijn hechtenis en dat het antwoord van het Hof op de vraag van de verwijzende rechter onmiddellijk van invloed zou kunnen zijn op de beoordeling van het door DK ingediende verzoek om invrijheidstelling.

24      In die omstandigheden heeft de Eerste kamer van het Hof op 1 oktober 2019, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten het verzoek van de verwijzende rechter om de prejudiciële verwijzing volgens de prejudiciële spoedprocedure te behandelen, in te willigen.

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

25      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6 van richtlijn 2016/343, gelezen in het licht van overweging 22 van die richtlijn, alsmede de artikelen 6 en 47 van het Handvest zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die aan de invrijheidstelling van een persoon die in voorlopige hechtenis is geplaatst de voorwaarde stelt dat deze persoon aantoont dat er sprake is van nieuwe omstandigheden die deze invrijheidstelling rechtvaardigen.

26      Artikel 2 van richtlijn 2016/343 bepaalt dat deze richtlijn van toepassing is op natuurlijke personen die verdachten of beklaagden zijn in strafprocedures, en in elk stadium van strafprocedures, vanaf het moment waarop iemand ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit of een vermeend strafbaar feit te hebben begaan, totdat de beslissing inzake de uiteindelijke vaststelling of de betrokkene het strafbare feit heeft begaan, onherroepelijk is geworden.

27      Deze richtlijn is dus van toepassing in een situatie als in het hoofdgeding, waarin een nationale rechter zich moet uitspreken over de rechtmatigheid van de voortzetting van de voorlopige hechtenis van een persoon die wordt vervolgd wegens het plegen van een strafbaar feit (zie in die zin arrest van 19 september 2018, Milev, C-310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 40).

28      Er moet echter aan worden herinnerd dat deze richtlijn, gelet op de minimale harmonisering die daarmee wordt nagestreefd, niet kan worden uitgelegd als een volledig en uitputtend instrument dat erop gericht is alle voorwaarden voor het nemen van een beslissing tot voorlopige hechtenis vast te stellen (arrest van 19 september 2018, Milev, C-310/18, C-310/18, EU:C:2018:732, punt 47, en beschikking van 12 februari 2019, RH, C-8/19 PPU, EU:C:2019:110, punt 59).

29      De artikelen 3 en 4 van deze richtlijn vereisen inderdaad dat in een door een rechterlijke autoriteit genomen beslissing om de voorlopige hechtenis van een persoon voort te zetten, deze persoon niet als schuldig wordt aangeduid (zie in die zin arrest van 19 september 2018, Milev, C-310/18 PPU, EU:C:2018:732, punten 43 en 44, en beschikking van 12 februari 2019, RH, C-8/19 PPU, EU:C:2019:110, punt 51).

30      Uit de rechtspraak van het Hof komt daarentegen naar voren dat de mate van overtuiging die de tot een dergelijke beslissing geroepen rechter moet hebben met betrekking tot de pleger van het strafbare feit, de wijzen waarop hij de verschillende bewijzen moet onderzoeken en de omvang van de motivering die hij in antwoord op de voor hem aangevoerde argumenten moet verstrekken, niet worden beheerst door richtlijn 2016/343 en uitsluitend vallen onder het nationale recht (zie in die zin arrest van 19 september 2018, Milev, C-310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 48).

31      Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn regelt de verdeling van „de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden”. Krachtens artikel 6, lid 2 van die richtlijn moet „iedere twijfel over de schuldvraag in het voordeel van de verdachte of de beklaagde [werken]”.

32      In dit verband volgt uit artikel 4 van richtlijn 2016/343 dat deze richtlijn een onderscheid maakt tussen rechterlijke beslissingen over de vaststelling van schuld, die noodzakelijkerwijs aan het einde van de strafprocedure worden genomen, en andere procedurele handelingen, zoals handelingen van vervolgende instanties en voorlopige beslissingen van procedurele aard.

33      De verwijzing naar de vaststelling van de „schuld” in artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2016/343 moet dan ook aldus worden opgevat dat deze bepaling slechts tot doel heeft de verdeling van de bewijslast te regelen bij de vaststelling van rechterlijke beslissingen over schuld.

34      Zoals de advocaat-generaal in punt 31 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt deze uitlegging gestaafd door de vergelijking tussen de overwegingen 16 en 22 van richtlijn 2016/343. Enerzijds heeft overweging 16 betrekking op het behoud van het vermoeden van onschuld door de handelingen die worden beheerst door artikel 4 van deze richtlijn, namelijk de openbare verklaringen van instanties en de procedurele handelingen die zijn vastgesteld voordat de schuld van de verdachte in rechte is komen vast te staan. Deze overweging verwijst specifiek naar de regeling die van toepassing is op voorlopige procedurele beslissingen. Anderzijds verwijst overweging 22, die betrekking heeft op de door artikel 6 van de richtlijn beheerste verdeling van de bewijslast, niet naar dergelijke beslissingen, maar doelt uitsluitend op het proces waarmee de schuld van de verdachte kan worden aangetoond.

35      Een rechterlijke beslissing die alleen de eventuele voortzetting van de voorlopige hechtenis van een beklaagde betreft, moet echter uitsluitend uitmaken of deze persoon al dan niet in vrijheid moet worden gesteld in het licht van alle relevante omstandigheden, zonder vast te stellen of deze persoon schuldig is aan het hem ten laste gelegde feit.

36      Bovendien blijkt duidelijk uit de in punt 29 van dit arrest aangehaalde rechtspraak dat de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2016/343 zich ertegen verzetten dat een dergelijke beslissing de beklaagde als schuldig aanduidt.

37      Deze beslissing kan derhalve niet worden aangemerkt als een rechterlijke beslissing over de schuld van de beklaagde, in de zin van die richtlijn.

38      Derhalve moet worden aangenomen dat artikel 6 van die richtlijn niet van toepassing is op de procedure die tot de vaststelling van een dergelijk beslissing heeft geleid, zodat de verdeling van de bewijslast in die procedure uitsluitend onder het nationale recht valt.

39      Punt 56 van de beschikking van 12 februari 2019, RH (C-8/19 PPU, EU:C:2019:110), kan niet aan deze conclusie afdoen. Ofschoon het Hof in dit punt 56 artikel 6 van richtlijn 2016/343 heeft genoemd, volgt uit punt 57 van die beschikking namelijk dat het Hof daarmee enkel gewag wilde maken van de context van artikel 4 van die richtlijn, om vast te stellen dat het type motivering dat verplicht was krachtens het nationale recht in de zaak die tot die beschikking heeft geleid, er niet op kon neerkomen dat de verdachte of de beklaagde als schuldig werd aangeduid in de zin van dat artikel 4, evenwel zonder vast te stellen dat artikel 6 van die richtlijn van toepassing was in een procedure die leidt tot de vaststelling van een besluit tot voorlopige hechtenis.

40      Wat voorts de artikelen 6 en 47 van het Handvest betreft, zij eraan herinnerd dat de bepalingen van het Handvest overeenkomstig artikel 51, lid 1, ervan uitsluitend tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen.

41      Aangezien de verdeling van de bewijslast in het kader van een procedure als die in het hoofdgeding niet wordt beheerst door het Unierecht, zijn de bepalingen van het Handvest, waaronder de artikelen 6 en 47, dus niet van toepassing op de nationale regels op grond waarvan deze verdeling wordt verricht (zie naar analogie arrest van 7 maart 2017, X en X, C-638/16 PPU, EU:C:2017:173, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      Gelet op het bovenstaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 6 van richtlijn 2016/343 en de artikelen 6 en 47 van het Handvest niet van toepassing zijn op een nationale wettelijke regeling die aan de invrijheidstelling van een persoon die in voorlopige hechtenis is geplaatst de voorwaarde stelt dat deze persoon aantoont dat er sprake is van nieuwe omstandigheden die deze invrijheidstelling rechtvaardigen.

 Kosten

43      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, alsmede de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn niet van toepassing op een nationale wettelijke regeling die aan de invrijheidstelling van een persoon die in voorlopige hechtenis is geplaatst de voorwaarde stelt dat deze persoon aantoont dat er sprake is van nieuwe omstandigheden die deze invrijheidstelling rechtvaardigen.

ondertekeningen


*      Procestaal: Bulgaars.