Language of document : ECLI:EU:T:2019:894

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

19 december 2019 (*)

„Uniemerk – Procedure inzake vervallenverklaring – Uniewoordmerk Vita – Beslissing genomen na vernietiging door het Gerecht van een eerdere beslissing – Artikel 65, lid 6, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 72, lid 6, van verordening (EU) 2017/1001] – Gezag van gewijsde”

In zaak T‑690/18,

Sony Interactive Entertainment Europe Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door S. Malynicz, QC,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door J. Crespo Carrillo en H. O’Neill als gemachtigden,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO:

Vieta Audio, SA, gevestigd te Barcelona (Spanje),

betreffende een beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 10 september 2018 (zaak R 695/2018‑4) met betrekking tot een procedure inzake vervallenverklaring tussen Vieta Audio en Sony Interactive Entertainment Europe,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: A. M. Collins (rapporteur), president, M. Kancheva en G. De Baere, rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien het op 22 november 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 12 april 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,

na de terechtzitting op 10 oktober 2019,  

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 6 juli 2001 heeft Vitakraft-Werke Wührmann & Sohn GmbH & Co. KG bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een Uniemerkaanvraag ingediend op grond van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd, die op haar beurt is vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].

2        Het merk waarvan de inschrijving is aangevraagd, betreft het woordteken Vita.

3        De waren waarvoor de inschrijving is aangevraagd, behoren met name tot klasse 9 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Deze waren zijn omschreven als volgt: „met programma’s beschreven gegevensdragers; computersoftware; audio‑ en/of beelddragers (niet van papier); magneetbandcassettes; audiobanden; audio compactdiscs; dat‑cassettes (digitale audiobanden); videodiscs; videobanden; belichte films; lithografieën”.

4        De merkaanvraag is gepubliceerd in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 56/2002 van 15 juli 2002.

5        Het aangevraagde merk is op 27 september 2005 ingeschreven onder het nummer 2290385.

6        Bij fax van 28 maart 2011 heeft Forrester Ketley Ltd het EUIPO ervan in kennis gesteld dat Vitakraft-Werke Wührmann & Sohn op 16 maart 2011 haar rechten op het Uniewoordmerk Vita aan Forrester Ketley had overgedragen voor zover dat merk betrekking had op de in punt 3 hierboven vermelde waren. Forrester Ketley is een dienstverlenende vennootschap die onder meer Sony Computer Entertainment Europe Ltd – de officiële voorganger van verzoekster, Sony Interactive Entertainment Europe Ltd – voor het EUIPO vertegenwoordigde wat betreft kwesties die verband houden met het merkenrecht.

7        Het Uniewoordmerk Vita, zoals dat gedeeltelijk is overgedragen, is ingeschreven onder het nummer 9993361.

8        Bij fax van 28 september 2011 heeft Forrester Ketley het EUIPO ervan in kennis gesteld dat zij het litigieuze merk op 15 september 2011 had overgedragen aan Sony Computer Entertainment Europe.

9        Op 14 oktober 2011 heeft de andere partij in de procedure voor het EUIPO, Vieta Audio, SA, op grond van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001] een vordering tot vervallenverklaring van het litigieuze merk ingesteld voor alle waren waarop dat merk betrekking heeft. In deze vordering voerde zij aan dat tijdens het relevante tijdvak van vijf jaar – dat zich uitstrekte van 14 oktober 2006 tot en met 13 oktober 2011 – binnen de Unie geen normaal gebruik was gemaakt van het litigieuze merk en dat er geen geldige redenen waren voor het niet-gebruik.

10      In antwoord op de vordering tot vervallenverklaring van het litigieuze merk heeft Sony Computer Entertainment Europe op 4 mei 2012 verklaard dat er tijdens het relevante tijdvak binnen de Unie voor de waren in kwestie wel normaal gebruik was gemaakt van het litigieuze merk. Zij heeft uiteengezet dat zij dit merk had gebruikt voor haar draagbare videospelconsole met de benaming PlayStation Vita, alsmede voor de bijbehorende spellen en accessoires. Tevens heeft zij gepreciseerd dat de naam van deze nieuwe console officieel was aangekondigd in juni 2011 en dat er daarna een – tot in oktober 2011 lopende – uitgebreide promotiecampagne rond was gevoerd. De console PlayStation Vita is door haar officieel in Europa gelanceerd tijdens de Gamescom-beurs die plaatsvond in augustus 2011 in Keulen (Duitsland), en is op 22 februari 2012 in de Unie op de markt gebracht.

11      Ter ondersteuning van haar beweringen heeft Sony Computer Entertainment Europe een schriftelijke verklaring overgelegd die is gedateerd op 4 mei 2012 en is opgesteld door een van haar directeuren. Aan deze verklaring waren de volgende stukken toegevoegd:

–        een perscommuniqué van 7 juni 2011 waarin de naam van haar nieuwe draagbare videospelconsole, te weten PlayStation Vita, werd aangekondigd;

–        een screenshot van 7 juni 2011 van de internetsite „www.pcmag.com” waarop deze aankondiging werd vermeld;

–        een afschrift van een promotiebrochure die aan bezoekers en journalisten zou zijn uitgedeeld tijdens de Gamescom-beurs en die met name informatie bevatte over de console PlayStation Vita alsook over de voor die console bestemde videospellen;

–        een afschrift van de cover van deze brochure waarop de PlayStation Vita-console te zien is;

–        een diskette met promotievideo’s voor de PlayStation Vita-console die zouden zijn vertoond tijdens de Gamescom-beurs;

–        verschillende persberichten over de PlayStation Vita-console en over de voor die console bestemde spellen. Deze op de officiële PlayStation-internetsite in het Verenigd Koninkrijk gepubliceerde persberichten dateren uit het tijdvak van 7 juni tot en met 22 september 2011;

–        een screenshot van een video die op de videohostingsite YouTube is geplaatst;

–        een perscommuniqué van 28 februari 2012 over de wereldwijde verkoop van de PlayStation Vita-console;

–        screenshots van 2012 van de officiële Playstation-internetsite in het Verenigd Koninkrijk die betrekking hebben op accessoires – waaronder geheugenkaarten – en op randapparatuur voor de PlayStation Vita-console.

12      Op 2 januari 2013 heeft Sony Computer Entertainment Europe geantwoord op de opmerkingen die op 31 juli 2012 waren ingediend door de andere partij in de procedure voor het EUIPO en heeft zij de volgende aanvullende bewijsstukken overgelegd om aan te tonen dat voor alle waren in kwestie normaal gebruik was gemaakt van het litigieuze merk:

–        screenshots van 12 december 2012 van de officiële PlayStation-internetsite in het Verenigd Koninkrijk waarop de technische kenmerken en specificaties van de PlayStation Vita-console worden toegelicht;

–        screenshots van 12 december 2012 van de officiële PlayStation-internetsite in het Verenigd Koninkrijk, met daarop informatie over een update van de systeemsoftware van de PlayStation Vita-console;

–        screenshots van 2 januari 2013 van de Wikipedia-internetsite die betrekking hebben op de moedermaatschappij van Sony Computer Entertainment Europe en op Naughty Dog, Inc., een vennootschap uit de Verenigde Staten die zich bezighoudt met de ontwikkeling van videospellen en die volledig onder zeggenschap staat van die moedermaatschappij;

–        screenshots van 12 december 2012 van de officiële PlayStation-internetsite in het Verenigd Koninkrijk waarop voorbeelden worden gegeven van gebundelde aanbiedingen die bestaan uit PlayStation Vita-consoles, spellen, accessoires en andere waren.

13      In aanvullende opmerkingen van 24 april 2013 heeft Sony Computer Entertainment Europe hieraan toegevoegd dat zij op 25 oktober 2007 in de Unie een interactief videospel onder de naam Aqua Vita op de markt had gebracht dat bestond in een virtueel aquarium. Zij heeft gepreciseerd dat dit videospel sindsdien beschikbaar was in haar webshops op de Uniemarkt en heeft voor elk jaar sinds de lancering van dat videospel tot en met 2013 de omzet vermeld die met de verkoop ervan is gerealiseerd. Bij haar opmerkingen heeft zij screenshots van 24 april 2013 van de officiële PlayStation-internetsites in Spanje, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk gevoegd waaruit blijkt dat het betreffende spel beschikbaar was in haar webshops, alsook afschriften van verschillende artikelen over het videospel in kwestie.

14      Bij beslissing van 30 juni 2014 heeft de nietigheidsafdeling het litigieuze merk met ingang van de datum waarop de vordering tot vervallenverklaring was ingesteld, vervallen verklaard voor alle waren waarvoor het was ingeschreven.

15      Op 28 augustus 2014 heeft Sony Computer Entertainment Europe overeenkomstig de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 (thans artikelen 66 tot en met 71 van verordening 2017/1001) bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

16      Op 29 oktober 2014 heeft Sony Computer Entertainment Europe de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep ingediend. Aan deze uiteenzetting heeft zij aanvullende bewijsstukken toegevoegd, waaronder foto’s van videospeldozen waarop naast de naam van het betreffende videospel het teken PSVita (een afgekorte versie van PlayStation Vita) te zien is.

17      Bij beslissing van 12 november 2015 (zaak R 2232/2014‑5) (hierna: „eerdere beslissing”) heeft de vijfde kamer van beroep van het EUIPO de beslissing van de nietigheidsafdeling bevestigd en het beroep verworpen.

18      In de eerste plaats heeft de vijfde kamer van beroep, nadat zij de toepasselijke beginselen in herinnering had gebracht (punten 19 tot en met 24 van de eerdere beslissing), de kwestie van het tijdvak waarin normaal gebruik is gemaakt van het litigieuze merk onderzocht (punten 25 tot en met 38 van de eerdere beslissing). Allereerst heeft zij erop gewezen dat het relevante tijdvak zich uitstrekte van 14 oktober 2006 tot en met 13 oktober 2011. Vervolgens heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het litigieuze merk in de Unie voor het eerst concreet is gebruikt tijdens de Gamescom-beurs die tussen 17 en 21 augustus 2011 plaatsvond in Keulen en waarop promotiemateriaal (in de vorm van onder meer brochures en cd‑roms) zou zijn uitgedeeld, maar dat de PlayStation Vita-console pas op 22 februari 2012 – dat wil zeggen buiten het relevante tijdvak – in de handel is gebracht op onder meer de markt van de Unie. Zij was van oordeel dat een gebruik gedurende een tijdspanne van vier maanden in de loop van de relevante periode (te weten van 7 juni tot en met 13 oktober 2011) qua duur als gebruik kan worden beschouwd mits aan alle andere voorwaarden is voldaan. Ten slotte heeft zij opgemerkt dat er echter geen concreet bewijs is dat er op de Gamescom-beurs promotiemateriaal is uitgedeeld aan de deelnemers.

19      In de tweede plaats heeft de vijfde kamer van beroep de kwestie van de plaats van gebruik onderzocht (punten 39 tot en met 42 van de eerdere beslissing). Meer bepaald heeft zij zich op het standpunt gesteld dat indien kwam vast te staan dat er promotiemateriaal was uitgedeeld op de Gamescom-beurs te Keulen, de term „vita” duidelijk zou zijn gebruikt in de Unie. Zij is tot de slotsom gekomen dat de term „vita” tijdens het relevante tijdvak was gebruikt in de Unie.

20      In de derde plaats heeft de vijfde kamer van beroep de kwestie van de aard en de omvang van het gebruik onderzocht (punten 43 tot en met 52 van de eerdere beslissing). Nadat zij erop had gewezen dat het merendeel van de bewijsstukken die Sony Computer Entertainment Europe had overgelegd en die betrekking hadden op het relevante tijdvak, bestond uit promotie‑ en reclamemateriaal, heeft zij beoordeeld in hoeverre het gebruik van een merk in reclameboodschappen kan worden beschouwd als normaal gebruik. In dit verband heeft de vijfde kamer van beroep onder meer gepreciseerd dat de reclame die wordt gemaakt voordat de waren en diensten daadwerkelijk in de handel worden gebracht, in het algemeen wordt gelijkgesteld met een normaal gebruik, omdat die reclame bedoeld is om afzetmogelijkheden voor die waren en diensten te creëren. Zij heeft geconstateerd dat in casu „de verwachtingen die in de hele wereld waren gewekt met betrekking tot de lancering van de nieuwe PlayStation-console, een echte commerciële impuls [hadden] gegenereerd bij de aankondiging van de naam van [die] nieuwe videospelconsole” (punt 49 van de eerdere beslissing), en is vervolgens tot de slotsom gekomen dat „aan de voorwaarden voor normaal gebruik [was] voldaan aangezien de door [Sony Computer Entertainment Europe] overgelegde bewijzen voor het gebruik [wezen] op reclameboodschappen en voorbereidingen voor het op de markt brengen van de nieuwe console” (punt 50 van de eerdere beslissing). Ten slotte heeft de vijfde kamer van beroep in punt 52 van de eerdere beslissing geconstateerd dat uit de door Sony Computer Entertainment Europe overgelegde bewijsstukken bleek dat de lancering van de PlayStation Vita-console goed was voorbereid en zorgvuldig was gepland, alsook dat die console was aangekondigd als nieuwe draagbare spelconsole waarvoor specifieke nieuwe spellen waren ontwikkeld.

21      In de vierde plaats heeft de vijfde kamer van beroep onderzocht of voor de waren in kwestie normaal gebruik was gemaakt van het litigieuze merk (punten 53 tot en met 69 van de eerdere beslissing).

22      In dit verband heeft de vijfde kamer van beroep er om te beginnen op gewezen dat toen in 2001 de oorspronkelijke merkaanvraag werd ingediend, de zevende versie van de classificatie van Nice van kracht was en dat bijgevolg die versie in aanmerking moest worden genomen. Volgens haar waren „spelconsoles” toentertijd reeds ingedeeld in de categorie van de „automatische spellen uitgezonderd die met muntinworp en die welke uitsluitend in samenhang met een tv‑apparaat worden gebruikt” of in die van de „spellen”, die allebei deel uitmaakten van klasse 28 en dus niet waren ingedeeld bij de „gegevensdragers” die waren vervat in klasse 9 of bij de „computersoftware” (punt 53 van de eerdere beslissing). Zij heeft daaraan toegevoegd dat „toestellen voor ontspanning, uitsluitend in samenhang met een tv‑apparaat te gebruiken” weliswaar behoorden tot klasse 9, maar dat die waren verschilden van de waren waarvoor het litigieuze merk was ingeschreven (punt 54 van de eerdere beslissing).

23      Vervolgens heeft de vijfde kamer van beroep geconstateerd dat Sony Computer Entertainment Europe bewijsstukken had overgelegd waaruit bleek dat de reclamecampagnes die vóór de lancering van de PlayStation Vita-console waren gevoerd, tot doel hadden bekendheid te geven aan deze console en de daarvoor bestemde nieuwe spellen, maar dat daarbij geenszins werd verwezen naar „gegevensdragers” of „computersoftware” (punten 55 en 56 van de eerdere beslissing). Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het van belang was te bepalen of „de gebruikte waren [moesten] worden opgevat in de letterlijke betekenis van de opgesomde waren (in het bijzonder de gegevensdragers en de computersoftware)” (punt 58 van de eerdere beslissing), en heeft vervolgens opgemerkt dat „met programma’s beschreven gegevensdragers” apparaten waren die dienden om gegevens op te slaan, zoals „geheugenkaarten, USB‑sticks, cd‑roms, harde schijven, etc.”, alsmede dat op spelconsoles weliswaar gegevens konden worden opgeslagen, maar dat dit niet de hoofdfunctie was van deze consoles (punt 59 van de eerdere beslissing).

24      Uit het voorgaande heeft de vijfde kamer van beroep afgeleid dat de nietigheidsafdeling terecht tot de slotsom was gekomen dat alle door Sony Computer Entertainment Europe overgelegde bewijsstukken en de van 4 mei 2012 daterende verklaring van een van haar directeuren wezen op een gebruik voor waren van klasse 28 en niet voor de met het litigieuze merk aangeduide waren (punt 60 van de eerdere beslissing).

25      Wat het videospel Aqua Vita betreft, heeft de vijfde kamer van beroep onder meer opgemerkt dat de door Sony Computer Entertainment Europe overgelegde verkoopcijfers niet werden gestaafd door enige factuur of enig ander gegeven, dat deze cijfers bovendien niet wezen op een grootschalig gebruik van dat spel wanneer in aanmerking wordt genomen dat de relevante markt werd gevormd door de gehele Unie, en dat het feit dat het betreffende spel beschikbaar was in webshops op de Uniemarkt, niet volstond om het gebruik van het litigieuze merk vast te stellen (punten 66 en 68 van de eerdere beslissing).

26      Op 21 januari 2016 heeft Sony Computer Entertainment Europe tegen de eerdere beslissing bij het Gerecht beroep ingesteld dat is ingeschreven onder zaaknummer T‑35/16. Daarbij voerde zij één middel aan dat betrekking had op schending van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009.

27      Bij arrest van 12 december 2017, Sony Computer Entertainment Europe/EUIPO – Vieta Audio (Vita) (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886), heeft het Gerecht de eerdere beslissing in haar geheel vernietigd op grond van een ambtshalve opgeworpen middel van openbare orde, te weten ontoereikende motivering. Met name heeft het Gerecht in punt 43 van dat arrest geoordeeld dat op basis van de eerdere beslissing niet met voldoende duidelijkheid kon worden vastgesteld op welke gronden de vijfde kamer van beroep zich op het standpunt had gesteld dat Sony Computer Entertainment Europe niet had aangetoond dat voor bepaalde categorieën van de waren in kwestie normaal gebruik was gemaakt van het litigieuze merk.

28      Na het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886), heeft het presidium van de kamers van beroep het beroep verwezen naar de vierde kamer van beroep met als referentie R 695/2018‑4.

29      Bij beslissing van 10 september 2018 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de vierde kamer van beroep het beroep verworpen. Zij heeft onderzocht en opnieuw beoordeeld of de door Sony Computer Entertainment Europe overgelegde bewijsstukken konden wijzen op normaal gebruik van het litigieuze merk. Zij heeft echter herhaaldelijk opgemerkt dat het Gerecht in het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886), bepaalde vaststellingen van de vijfde kamer van beroep had bevestigd.

30      In de eerste plaats heeft de vierde kamer van beroep zich in punt 25 van de bestreden beslissing op het standpunt gesteld dat het Gerecht in het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886), de eerdere beslissing heeft bevestigd met betrekking tot de vaststellingen van de vijfde kamer van beroep die verband hielden met de tijdspanne, de plaats en de aard van het gebruik.

31      Wat in de tweede plaats de „met programma’s beschreven gegevensdragers” betreft, heeft de vierde kamer van beroep zich in punt 41 van de bestreden beslissing op het standpunt gesteld dat de vaststellingen die de vijfde kamer van beroep in de punten 59 en 60 van de eerdere beslissing had gedaan met betrekking tot de redenen waarom met de bewijsstukken betreffende de PlayStation Vita-console niet was aangetoond dat voor die waren normaal gebruik was gemaakt van het litigieuze merk, door het Gerecht waren bevestigd en onherroepelijk waren gemaakt bij arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886).

32      Wat i n de derde plaats de „audio‑ en/of beelddragers (niet van papier)” betreft, heeft de vierde kamer van beroep zich in de punten 55 en 56 van de bestreden beslissing op het standpunt gesteld dat ook de geheugenkaarten onder die omschrijving vallen, maar dat evenmin voor deze waren met de overgelegde bewijsstukken kon worden aangetoond dat er sprake was van normaal gebruik. Voor de volledigheid heeft zij daaraan in punt 57 van de bestreden beslissing toegevoegd dat voor zover verzoekster aanvoerde dat de PlayStation Vita-console eveneens behoorde tot die categorie van waren, de in punt 59 van de eerdere beslissing ontwikkelde redenering met betrekking tot de „met programma’s beschreven gegevensdragers” naar analogie kon worden toegepast, waarbij voor ogen moest worden gehouden dat de hoofdfunctie van die console niet bestaat in het opslaan van audio‑ en beeldbestanden. Volgens de vierde kamer van beroep had het Gerecht die redenering bevestigd in punt 50 van het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886).

33      Wat in de vierde plaats de bewijsstukken inzake het videospel Aqua Vita betreft, heeft de vierde kamer van beroep zich in punt 59 van de bestreden beslissing op het standpunt gesteld dat het Gerecht in punt 54 van het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886), tot de slotsom was gekomen dat de vijfde kamer van beroep in de punten 61 tot en met 69 van de eerdere beslissing rechtens genoegzaam had uiteengezet waarom zij van oordeel was dat met de bewijsstukken betreffende het videospel Aqua Vita niet kon worden aangetoond dat er sprake was van een normaal gebruik van het litigieuze merk.

 Conclusies van partijen

34      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de bestreden beslissing te vernietigen;

–        het EUIPO te verwijzen in de kosten.

35      Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

36      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan. Het eerste middel betreft schending van artikel 65, lid 6, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 72, lid 6, van verordening 2017/1001) en niet-nakoming van de motiveringsplicht. Het tweede middel betreft schending van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009.

37      Volgens verzoekster heeft de vierde kamer van beroep artikel 65, lid 6, van verordening nr. 207/2009 geschonden omdat zij niet de nodige maatregelen heeft getroffen om zich te voegen naar het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886). Daardoor is de vierde kamer van beroep haar motiveringsplicht niet nagekomen.

38      Verzoekster stelt dat de vierde kamer van beroep in de punten 41, 57 en 59 van de bestreden beslissing ten onrechte heeft overwogen dat het Gerecht bepaalde vaststellingen van de vijfde kamer van beroep had bevestigd. Zij voert aan dat het Gerecht in het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886), enkel tot de slotsom is gekomen dat de eerdere beslissing ontoereikend was gemotiveerd en derhalve in haar geheel moest worden vernietigd. De middelen die Sony Computer Entertainment Europe voor het Gerecht heeft aangevoerd, heeft het Gerecht daarentegen niet onderzocht, zodat het de gegrondheid van de motivering van welk argument ook van partijen niet heeft bevestigd.

39      Derhalve heeft de vierde kamer van beroep volgens verzoekster ten onrechte nagelaten haar argumenten te onderzoeken die betrekking hadden op de vraag of met de bewijsstukken die zij had overgelegd in verband met de PlayStation Vita-console, kon worden aangetoond dat voor de categorie „met programma’s beschreven gegevensdragers” en de categorie „audio‑ en/of beelddragers (niet van papier)” normaal gebruik was gemaakt van het litigieuze merk.

40      Wat de categorie „audio‑ en/of beelddragers (niet van papier)” betreft, voert verzoekster aan dat de vierde kamer van beroep ten onrechte heeft overwogen dat het Gerecht de vaststelling had bevestigd volgens welke de PlayStation Vita-console enkel tot die categorie behoorde indien haar hoofdfunctie bestond in het opslaan van audio‑ en beeldbestanden. Volgens verzoekster heeft het Gerecht in dit verband enkel verklaard dat in de eerdere beslissing rechtens genoegzaam gronden waren uiteengezet die het mogelijk maakten die beslissing te begrijpen.

41      Wat „computersoftware” betreft, merkt verzoekster op dat de vierde kamer van beroep zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het Gerecht de eerdere beslissing had bevestigd met betrekking tot de beoordeling van de bewijsstukken betreffende het videospel Aqua Vita. Volgens verzoekster heeft het Gerecht enkel in herinnering gebracht dat de redenering van de vijfde kamer van beroep in dit verband voldoende duidelijk was.

42      Het EUIPO stelt dat het Gerecht de eerdere beslissing heeft vernietigd op grond dat de vijfde kamer van beroep haar motiveringsplicht niet was nagekomen wat betreft elementen van de redenering die essentieel waren om de eindconclusie van de eerdere beslissing te schragen. Tot de elementen van de redenering die volgens het Gerecht ontoereikend waren gemotiveerd, behoorden niet de elementen die verband hielden met het gebruik van de PlayStation Vita-consoles als „met programma’s beschreven gegevensdragers” en als „audio‑ en/of beelddragers”. Zoals de vierde kamer van beroep in de punten 41 en 59 van de bestreden beslissing heeft geconstateerd (zie punt 31 hierboven), zijn de vaststellingen van de vijfde kamer van beroep in zoverre dus onherroepelijk geworden. Wat betreft de vaststelling in punt 57 van de bestreden beslissing (zie punt 32 hierboven), voegt het EUIPO daaraan toe dat het gaat om een redenering „voor de volledigheid”, die door het EUIPO wordt onderschreven.

43      Subsidiair voert het EUIPO aan dat de bestreden beslissing nog steeds niet ontoereikend is gemotiveerd ingeval het Gerecht zou oordelen dat de vaststellingen van de vijfde kamer van beroep niet onherroepelijk geworden zijn, omdat het duidelijk is dat het standpunt dat de vierde kamer van beroep over de punten in kwestie heeft ingenomen, hetzelfde is als het standpunt dat de vijfde kamer van beroep over diezelfde punten heeft ingenomen in de eerdere beslissing.

44      Allereerst zij eraan herinnerd dat het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886), onherroepelijk is geworden aangezien er geen hogere voorziening tegen is ingesteld.

45      Daarnaast zij eraan herinnerd dat een vernietigingsarrest volgens de rechtspraak ex tunc werkt en dus met terugwerkende kracht aan de vernietigde handeling haar gelding ontneemt [zie arrest van 25 maart 2009, Kaul/BHIM – Bayer (ARCOL), T‑402/07, EU:T:2009:85, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Uit diezelfde rechtspraak blijkt dat de instelling die de vernietigde handeling heeft vastgesteld, teneinde zich te voegen naar een vernietigingsarrest en hieraan volledig uitvoering te geven, niet alleen het dictum van dat arrest moet naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden in die zin dat zij onontbeerlijk zijn om de juiste betekenis van het dictum te bepalen. Het zijn immers deze rechtsoverwegingen die ten eerste aangeven welke bepaling precies als onwettig wordt beschouwd en ten tweede wat precies de redenen zijn van de in het dictum geconstateerde onwettigheid, en waarmee de betrokken instelling bij de vervanging van de vernietigde handeling rekening moet houden [arresten van 25 maart 2009, ARCOL, T‑402/07, EU:T:2009:85, punt 22, en 13 april 2011, Safariland/BHIM – DEF‑TEC Defense Technology (FIRST DEFENSE AEROSOL PEPPER PROJECTOR), T‑262/09, EU:T:2011:171, punt 41].

46      Tevens zij opgemerkt dat het Gerecht bij arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886, punten 43‑59 en aldaar aangehaalde rechtspraak), de eerdere beslissing heeft vernietigd op grond van een ambtshalve opgeworpen middel van openbare orde, te weten ontoereikende motivering.

47      In dit verband dient ten eerste in herinnering te worden gebracht dat de beslissingen van het EUIPO krachtens artikel 75, eerste volzin, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 94, lid 1, eerste volzin, van verordening 2017/1001) met redenen moeten worden omkleed. De aldus vastgestelde motiveringsplicht heeft dezelfde draagwijdte als die welke is neergelegd in artikel 296 VWEU. Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering de redenering van degene die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is niet noodzakelijk dat in de motivering alle relevante feitelijke en juridische gegevens worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling voldoet aan de vereisten van artikel 296 VWEU, niet alleen moet worden gelet op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die op de betreffende materie van toepassing zijn (zie in die zin arrest van 21 oktober 2004, KWS Saat/BHIM, C‑447/02 P, EU:C:2004:649, punten 63‑65).

48      Ten tweede zij eraan herinnerd dat de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is, dat moet worden onderscheiden van de vraag of de motivering gegrond is, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de litigieuze handeling betreft. De motivering van een beslissing houdt immers in dat de gronden waarop deze beslissing berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien deze gronden berusten op vergissingen, tasten zij de inhoudelijke rechtmatigheid van de beslissing aan, maar niet de motivering ervan, die niettegenstaande de onjuistheid van de uiteengezette gronden toereikend kan zijn (zie arrest van 22 september 2016, Pensa Pharma/EUIPO, C‑442/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:720, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      Het Gerecht heeft in het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886), geconstateerd dat de eerdere beslissing in drie opzichten ontoereikend was gemotiveerd. In de eerste plaats had de vijfde kamer van beroep niet uiteengezet waarom met de weergaven van geheugenkaarten met daarop het teken PSVita niet kon worden aangetoond dat voor de „met programma’s beschreven gegevensdragers” normaal gebruik was gemaakt van het litigieuze merk (arrest van 12 december 2017, Vita, T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886, punt 51). In de tweede plaats had de vijfde kamer van beroep niet voldoende duidelijk en ondubbelzinnig gepreciseerd waarom normaal gebruik van het litigieuze merk volgens haar niet was aangetoond voor de „audio‑ en/of beelddragers (niet van papier); magneetbandcassettes; audiobanden; audio compactdiscs; dat‑cassettes (digitale audiobanden); videodiscs; videobanden; belichte films; lithografieën” (arrest van 12 december 2017, Vita, T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886, punt 53). In de derde plaats had de vijfde kamer van beroep niet uiteengezet waarom zij geen rekening hield met de bewijsstukken die betrekking hadden op het feit dat het teken PSVita op de videospellen staat die bestemd zijn voor de PlayStation Vita-console (arrest van 12 december 2017, Vita, T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886, punt 55).

50      Tevens heeft het Gerecht in verband met zijn onderzoek van het betreffende middel van openbare orde opgemerkt dat de vijfde kamer van beroep rechtens genoegzaam had uiteengezet waarom zij van mening was dat met de bewijsstukken betreffende de PlayStation Vita-console niet kon worden aangetoond dat voor de „met programma’s beschreven gegevensdragers” normaal gebruik was gemaakt van het litigieuze merk (arrest van 12 december 2017, Vita, T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886, punt 50). Hetzelfde gold volgens het Gerecht voor de redenen waarom de vijfde kamer van beroep zich op het standpunt had gesteld dat met de bewijsstukken betreffende het videospel Aqua Vita niet kon worden aangetoond dat voor „computersoftware” normaal gebruik was gemaakt van het litigieuze merk (arrest van 12 december 2017, Vita, T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886, punt 54).

51      Opgemerkt dient te worden dat het Gerecht in de punten 50 en 54 van het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886), enkel heeft geconstateerd dat de vijfde kamer van beroep rechtens genoegzaam had uiteengezet op welke gronden de eerdere beslissing berustte. Daarentegen komt uit dat arrest duidelijk naar voren dat het Gerecht de door Sony Computer Entertainment Europe in haar enige middel aangevoerde argumenten niet heeft onderzocht, zodat het zich niet heeft uitgesproken over de inhoudelijke rechtmatigheid van de eerdere beslissing. In dat middel stelde Sony Computer Entertainment Europe dat de vijfde kamer van beroep artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 heeft geschonden. Bijgevolg betreft het gezag van gewijsde enkel de motivering van de eerdere beslissing – als wezenlijk vormvoorschrift – en niet de inhoudelijke rechtmatigheid ervan.

52      Daarnaast zij opgemerkt dat het gezag van gewijsde zich enkel uitstrekt tot de overwegingen van een arrest die noodzakelijk zijn ter staving van het dictum ervan en dientengevolge onlosmakelijk met dit dictum verbonden zijn (zie arrest van 25 juli 2018, Société des produits Nestlé e.a./Mondelez UK Holdings & Services, C‑84/17 P, C‑85/17 P en C‑95/17 P, EU:C:2018:596, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve kunnen de punten van de eerdere beslissing waarvan het Gerecht had geconstateerd dat zij goed gemotiveerd waren, niet worden geacht formele rechtskracht te hebben verkregen (zie in die zin en naar analogie, arrest van 25 juli 2018, Société des produits Nestlé e.a./Mondelez UK Holdings & Services, C‑84/17 P, C‑85/17 P en C‑95/17 P, EU:C:2018:596, punt 53). In casu kon de vierde kamer van beroep dus niet gebonden zijn door deze punten van de eerdere beslissing, zodat zij die punten niet kon bevestigen in de bestreden beslissing.

53      Derhalve heeft de vierde kamer van beroep zich in de punten 41 en 59 van de bestreden beslissing ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vaststellingen van de vijfde kamer van beroep die betrekking hadden op de PlayStation Vita-console en op het videospel Aqua Vita, onherroepelijk waren geworden ten gevolge van het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886), en heeft zij in punt 57 van de bestreden beslissing ten onrechte overwogen dat het Gerecht de vaststelling van de vijfde kamer van beroep had bevestigd volgens welke de PlayStation Vita-console niet tot de categorie „audio‑ en/of beelddragers (niet van papier)” behoorde omdat de hoofdfunctie van die console niet bestond in het opslaan van audio‑ en beeldbestanden.

54      Nadat de eerdere beslissing was vernietigd wegens ontoereikende motivering, was de vierde kamer van beroep dan ook verplicht om zich opnieuw uit te spreken over alle voor de toepassing van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 relevante punten, teneinde te voldoen aan de krachtens artikel 65, lid 6, van verordening nr. 207/2009 op haar rustende verplichting om de maatregelen te treffen die nodig waren voor de uitvoering van het arrest van 12 december 2017, Vita (T‑35/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:886).

55      Ten slotte kan gelet op het voorgaande evenmin worden ingestemd met het door het EUIPO subsidiair aangevoerde argument dat het door de vierde kamer van beroep over de punten in kwestie ingenomen standpunt kennelijk identiek is aan het standpunt dat de vijfde kamer van beroep over die punten heeft ingenomen in de eerdere beslissing, en dat daarom de bestreden beslissing niet ontoereikend is gemotiveerd. Uit de bestreden beslissing blijkt immers niet (zie punten 29‑33 hierboven) dat het door de vierde kamer van beroep over de punten in kwestie ingenomen standpunt identiek is aan het standpunt dat de vijfde kamer van beroep over die punten heeft ingenomen in de eerdere beslissing. In de bestreden beslissing heeft de vierde kamer van beroep ten onrechte geconstateerd dat het Gerecht bepaalde vaststellingen van de vijfde kamer van beroep had bevestigd. Derhalve achtte zij zich door die vaststellingen gebonden, zonder evenwel de relevante argumenten van partijen te hebben onderzocht en er een standpunt over te hebben ingenomen. Zoals in punt 52 hierboven reeds is opgemerkt, kon de vierde kamer van beroep bovendien niet gebonden zijn door de vaststellingen van de vijfde kamer van beroep en kon zij deze vaststellingen niet bevestigen in de bestreden beslissing.

56      Aangezien de vierde kamer van beroep haar verplichting om zich opnieuw uit te spreken over de relevante punten niet is nagekomen, moet het eerste middel in zoverre worden aanvaard en dient de bestreden beslissing in haar geheel te worden vernietigd, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de andere grieven en het andere middel.

 Kosten

57      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dat is gevorderd. Aangezien het EUIPO in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig verzoeksters vordering te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 10 september 2018 (zaak R 695/20184) betreffende een procedure inzake vervallenverklaring tussen Vieta Audio, SA en Sony Interactive Entertainment Europe Ltd wordt vernietigd.

2)      Het EUIPO zal behalve zijn eigen kosten ook de kosten van Sony Interactive Entertainment Europe dragen.

Collins

Kancheva

De Baere

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 december 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.