Language of document : ECLI:EU:C:2019:1131

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

19 december 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Communautair kwekersrecht – Verordening (EG) nr. 2100/94 – Artikel 13, leden 2 en 3 – Rechtsgevolgen van het kwekersrecht – Cascadebeschermingsregeling – Aanplanting van componenten en oogst van de vruchten ervan – Onderscheid tussen handelingen met betrekking tot componenten en handelingen met betrekking tot oogstmateriaal – Begrip ,ongeoorloofd gebruik van componenten’ – Artikel 95 – Voorlopige bescherming”

In zaak C‑176/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 6 maart 2018, ingekomen bij het Hof op 7 maart 2018, in de procedure

Club de Variedades Vegetales Protegidas

tegen

Adolfo Juan Martínez Sanchís,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: P. G. Xuereb, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur) en A. Kumin, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 mei 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        Club de Variedades Vegetales Protegidas, vertegenwoordigd door P. Tent Alonso, abogado, V. Gigante Pérez, G. Navarro Pérez en I. Pérez-Cabrero Ferrández, abogadas,

–        Adolfo Juan Martínez Sanchís, vertegenwoordigd door C. Kraus Frutos, abogada, en M. L. Maestre Gómez, procuradora,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Kanellopoulos, E. Leftheriotou en A. Vasilopoulou als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Eggers, I. Galindo Martín, G. Koleva, F. Castilla Contreras en F. Castillo de la Torre als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 september 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13 van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PB 1994, L 227, blz. 1, met rectificatie in PB 2001, L 111, blz. 31).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Club de Variedades Vegetales Protegidas (hierna: „CVVP”), die de belangen vertegenwoordigt van de houder van het communautaire kwekersrecht voor mandarijnenbomen van het ras „Nadorcott”, en Adolfo Juan Martínez Sanchís over de exploitatie door laatstgenoemde van bomen van dit ras.

 Toepasselijke bepalingen

 UPOV-verdrag

3        Het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten van 2 december 1961, in de herziene versie van 19 maart 1991 (hierna: „UPOV-verdrag”), is door de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit van de Raad van 30 mei 2005 (PB 2005, L 192, blz. 63).

4        Artikel 14 van dit verdrag luidt:

„1.       [Handelingen met betrekking tot het teeltmateriaal] 

a)       Behoudens de artikelen 15 en 16 is voor de volgende handelingen met betrekking tot het teeltmateriaal van het beschermde ras de toestemming van de kweker vereist:

i)       de voortbrenging of reproductie (vermeerdering),

ii)       het conditioneren ten behoeve van de vermeerdering,

iii)       het te koop aanbieden,

iv)       het verkopen of op andere wijze in de handel brengen,

v)       de uitvoer,

vi)       de invoer,

vii)       de opslag voor de in de punten i) tot en met vi) hierboven genoemde doeleinden.

b)       De kweker kan aan zijn toestemming voorwaarden en beperkingen verbinden.

2.       [Handelingen met betrekking tot geoogst materiaal] Behoudens de artikelen 15 en 16 is de toestemming van de kweker vereist voor de onder i) tot en met vii) van letter a) van het eerste lid) genoemde handelingen met betrekking tot geoogst materiaal, met inbegrip van hele planten en delen van planten, verkregen door middel van gebruik van teeltmateriaal van het beschermde ras waarvoor geen toestemming is verleend, tenzij de kweker met betrekking tot bedoeld teeltmateriaal een redelijke mogelijkheid tot uitoefening van zijn recht heeft gehad.

[...]”

 Verordening nr. 2100/94

5        De veertiende, de zeventiende, de achttiende, de twintigste en de negenentwintigste overweging van verordening nr. 2100/94 luiden als volgt:

„Overwegende dat, aangezien een communautair kwekersrecht in de gehele Gemeenschap dezelfde rechtsgevolgen dient te hebben, nauwkeurig moet worden bepaald voor welke commerciële handelingen goedkeuring van de houder is vereist; dat de werkingssfeer van de bescherming, in vergelijking met de meeste nationale regelingen, moet worden verruimd tot bepaald materiaal van het ras, teneinde rekening te houden met het handelsverkeer via landen buiten de Gemeenschap waar geen bescherming geldt; dat evenwel door de invoering van het beginsel van de uitputting van rechten moet worden bereikt dat de bescherming niet onevenredig groot is;

[...]

Overwegende dat voor de uitoefening van het communautaire kwekersrecht beperkingen dienen te gelden die in bepalingen van algemeen belang zijn vastgelegd;

Overwegende dat de vrijwaring van de landbouwproductie daaronder begrepen dient te zijn; dat het daartoe nodig is dat het de landbouwers is toegestaan om de oogstproducten onder bepaalde voorwaarden te mogen gebruiken voor de voortplanting;

[...]

Overwegende dat moet worden voorzien in het verlenen van dwanglicenties onder bepaalde omstandigheden van openbaar belang, hetgeen kan inhouden de noodzaak om materiaal met specifieke kenmerken op de markt te brengen of om de stimulans om door te gaan met het kweken van verbeterde rassen in stand te houden;

[...]

Overwegende dat deze verordening rekening houdt met de bestaande internationale verdragen zoals het [UPOV-verdrag] [...]”.

6        Artikel 5 van deze verordening, „Voorwerp van de communautaire bescherming voor kweekproducten”, bepaalt in lid 3:

„Een plantengroep bestaat uit volledige planten of plantendelen voor zover die delen volledige planten kunnen voortbrengen. Volledige planten en plantendelen worden hierna ,componenten’ genoemd.”

7        Artikel 13 van deze verordening, „Bevoegdheden van de houder van een recht op communautaire bescherming voor kweekproducten en verboden handelingen”, bepaalt:

„1.      Een communautair kwekersrecht heeft als rechtsgevolg dat de houder of houders ervan, hierna ,de houder’ genoemd, bevoegd is, respectievelijk zijn, om de in lid 2 genoemde handelingen te verrichten.

2.      Onverminderd het bepaalde in de artikelen 15 en 16, is de toestemming van de houder vereist voor de volgende handelingen met betrekking tot componenten, of oogstmateriaal van het beschermde ras, welke componenten of oogstmateriaal hierna alle ,materiaal’ worden genoemd:

a)      voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerdering);

b)      het conditioneren ten behoeve van de vermeerdering;

c)      te koop aanbieden;

d)      verkopen of op andere wijze in de handel brengen;

e)      uitvoeren uit de Gemeenschap;

f)      invoeren in de Gemeenschap;

g)      opslaan voor een van de hierboven onder a) tot en met f) genoemde doeleinden.

De houder kan aan zijn toestemming voorwaarden en beperkingen verbinden.

3.      Lid 2 is voor oogstmateriaal slechts van toepassing indien dit werd verkregen door het ongeoorloofde gebruik van componenten van het beschermde ras, tenzij de houder een redelijke mogelijkheid gehad heeft om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen.

[...]”

8        Artikel 16 van deze verordening, met als opschrift „Uitputting van de rechtsgevolgen van de communautaire bescherming voor kweekproducten”, bepaalt:

„Het communautaire kwekersrecht strekt zich niet uit tot handelingen met betrekking tot materiaal van het beschermde ras of van een ras dat onder de bepalingen van artikel 13, lid 5, valt, dat ergens in de Gemeenschap door de houder of met diens toestemming aan anderen is afgestaan, of met betrekking tot materiaal dat uit genoemd materiaal is verkregen, tenzij die handelingen:

a)       verdere vermeerdering van het betrokken ras meebrengen tenzij het materiaal juist met het oog op die vermeerdering is afgestaan, of

b)       uitvoer van componenten naar een derde land dat geen bescherming kent van rassen van het plantengeslacht of -soort waartoe het ras behoort, meebrengen, tenzij het uitgevoerde materiaal bestemd is voor verbruiksdoeleinden.”

9        Artikel 94 van verordening nr. 2100/94, „Inbreuk”, luidt:

„1.       Eenieder die:

a)       zonder daartoe gerechtigd te zijn, met betrekking tot een ras waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend, een van de in artikel 13, lid 2, genoemde handelingen verricht, of

b)       verzuimt de in artikel 17, lid 1, bedoelde rasbenaming correct te gebruiken, dan wel nalaat de in artikel 17, lid 2, bedoelde relevante informatie te verstrekken, of

c)       in strijd met artikel 18, lid 3, gebruikmaakt van de rasbenaming van een ras waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend of van een benaming die met die rasbenaming kan worden verward,

kan door de houder in rechte worden aangesproken met het oog op beëindiging van de inbreuk en/of betaling van een passende vergoeding.

2.       Wie opzettelijk of uit onachtzaamheid handelt, is bovendien ten aanzien van de houder tot vergoeding van alle andere door de inbreuk veroorzaakte schade gehouden. In geval van lichte onachtzaamheid mag de vordering tot schadevergoeding in evenredige mate verminderd worden, doch niet tot een lager bedrag dan overeenkomt met het voordeel dat voor de overtreder uit de inbreuk is ontstaan.”

10      Artikel 95 van deze verordening luidt als volgt:

„De houder kan van eenieder die in de tijd tussen de bekendmaking van de aanvraag tot het communautaire kwekersrecht en de verlening daarvan een handeling verricht die hem na die tijd uit hoofde van het communautaire kwekersrecht verboden zou zijn, een passende vergoeding eisen.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Nadat Nadorcott Protection SARL op 22 augustus 1995 bij het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) een aanvraag had ingediend, heeft het CPVO deze aanvrager op 4 oktober 2004 een communautair kwekersrecht voor het ras mandarijnenbomen „Nadorcott” verleend. Tegen deze beslissing is beroep met schorsende werking ingesteld, dat op 8 november 2005 is verworpen bij een beslissing die is bekendgemaakt in het officiële Mededelingenblad van het CPVO van 15 februari 2006.

12      Tussen 22 augustus 1995 en 15 februari 2006 heeft Martínez Sanchís bij een voor het publiek toegankelijke kwekerij bomen van het Nadorcott-ras gekocht, waarvan een aantal in het voorjaar van 2005 en een aantal in het voorjaar van 2006 werden geplant. Na 15 februari 2006 heeft hij een aantal bomen van dit plantenras vervangen. De nieuwe bomen waren blijkens de verwijzingsbeslissing bij dezelfde kwekerij gekocht.

13      CVVP, die was gelast om rechtsvorderingen met betrekking tot het Nadorcott-ras in te stellen, heeft Martínez Sanchís in rechte aangesproken omdat hij de rechten van de houder van het communautaire kwekersrecht voor dit plantenras zou hebben geschonden. Aldus heeft CVVP ten eerste een op de „voorlopige bescherming” gerichte rechtsvordering ingesteld met betrekking tot de handelingen die Martínez Sanchís vóór de verlening van dit kwekersrecht, te weten op 15 februari 2006, had verricht, en ten tweede een rechtsvordering wegens inbreuk met betrekking tot latere handelingen. CVVP vorderde bovendien beëindiging van deze handelingen, waaronder het in de handel brengen van de vruchten van de bomen van dit plantenras, alsook vergoeding van de schade die hij stelde te hebben geleden als gevolg van de zowel in de periode van de voorlopige bescherming als daarna door Martínez Sanchís verrichte handelingen.

14      De rechter in eerste aanleg heeft het beroep verworpen omdat hij van oordeel was dat de vordering wegens inbreuk van CVVP krachtens artikel 96 van verordening nr. 2100/94 was verjaard.

15      In hoger beroep tegen die uitspraak oordeelde de Audiencia Provincial (rechter in tweede aanleg, Spanje) dat de vordering niet was verjaard maar verklaarde hij deze ongegrond. Deze rechter heeft vastgesteld dat Martínez Sanchís de bomen van het Nadorcott-ras te goeder trouw had gekocht bij een voor het publiek toegankelijke kwekerij, voordat voor dat ras een communautair kwekersrecht was verleend, te weten op 15 februari 2006. In deze omstandigheden was deze rechter van oordeel dat de stellingen van CVVP ongegrond waren.

16      CVVP heeft tegen dit vonnis cassatieberoep ingesteld bij de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje).

17      Deze rechter vraagt zich af of het aanplanten van componenten van een beschermd plantenras en het oogsten van de vruchten ervan moet worden beschouwd als een handeling met betrekking tot „componenten” waarvoor overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 2100/94 de voorafgaande toestemming van de houder van het communautaire kwekersrecht voor het plantenras vereist is, omdat het anders een inbreukmakende handeling is, dan wel als een handeling met betrekking tot „oogstmateriaal” waarvoor die voorafgaande toestemming volgens die rechter uitsluitend in de in artikel 13, lid 3, van die verordening bedoelde omstandigheden vereist is.

18      Ingeval artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2100/94 op de bij hem aanhangige zaak van toepassing is, vraagt de verwijzende rechter zich voorts af of kan zijn voldaan aan de voorwaarde inzake een „ongeoorloofd gebruik van componenten van het beschermde ras” in de zin van deze bepaling wanneer het betrokken ras, waarvan de bomen in de tijd tussen de bekendmaking van de aanvraag van het kwekersrecht en de daadwerkelijke verlening ervan zijn gekocht, overeenkomstig artikel 95 van die verordening slechts „voorlopige bescherming” geniet.

19      In deze omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Indien een landbouwer jonge bomen van een plantenras heeft gekocht bij een kwekerij (vestiging van een derde) en deze heeft geplant voordat de verlening van het kwekersrecht voor dat ras effect sorteerde, moet dan voor de toepassing van het ,ius prohibendi’ van artikel 13, lid 2, van verordening [nr. 2100/94] op de latere activiteit van de landbouwer – die bestaat in het binnenhalen van de opeenvolgende oogsten van de bomen – worden voldaan aan de vereisten van lid 3 van dat artikel, aangezien het ,oogstmateriaal’ betreft? Of moet deze oogstactiviteit worden beschouwd als het voortbrengen of vermenigvuldigen van het ras – dat leidt tot het ,oogstmateriaal’ – dat door de houder van het kwekersrecht voor het plantenras kan worden verboden zonder dat moet zijn voldaan aan de vereisten van lid 3?

2)      Is een uitlegging volgens welke de cascadebeschermingsregeling betrekking heeft op alle in lid 2 vermelde handelingen die het ,oogstmateriaal’ betreffen, met inbegrip van het oogsten zelf, dan wel alleen op handelingen die zijn verricht nadat dat oogstmateriaal is voortgebracht, zoals het opslaan of het in de handel brengen ervan, verenigbaar met artikel 13, lid 3, van verordening [nr. 2100/94]?

3)      Wanneer de regeling tot uitbreiding van de cascadebescherming op grond van artikel 13, lid 3, van verordening [nr. 2100/94] wordt toegepast op ,oogstmateriaal’, is dan voor de vervulling van de eerste voorwaarde vereist dat de jonge bomen zijn gekocht nadat het communautaire kwekersrecht voor het plantenras aan de houder is verleend of volstaat het dat het plantenras op dat ogenblik voorlopige bescherming genoot, aangezien de jonge bomen werden gekocht in de tijd tussen de bekendmaking van de aanvraag en het ogenblik waarop de verlening van het kwekersrecht voor het plantenras effect begon te sorteren?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

20      Vooraf zij opgemerkt dat CVVP voor de verwijzende rechter weliswaar heeft gesteld dat Martínez Sanchís het in het hoofdgeding aan de orde zijnde plantenras heeft geplant, geënt en commercieel heeft geëxploiteerd, maar dat deze rechter in zijn beschrijving van het hoofdgeding uitsluitend vermeldt dat Martínez Sanchís de door hem bij een kwekerij aangekochte bomen heeft geplant. Het lijkt er dus op dat hij de componenten van het beschermde ras niet heeft vermeerderd, wat de aan verwijzende rechter staat om na te gaan. Daarnaast zij erop gewezen dat, zoals eenduidig uit de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen volgt, de van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde mandarijnenbomen van het Nadorcott-ras geoogste vruchten niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal van planten van dit plantenras.

21      In deze omstandigheden dienen de eerste en de tweede vraag, die samen dienen te worden behandeld, aldus te worden begrepen dat de verwijzende rechter daarmee in wezen wenst te vernemen of artikel 13, lid 2, onder a), en lid 3, van verordening nr. 2100/94 aldus moet worden uitgelegd dat voor het aanplanten van een beschermd ras en het oogsten van de vruchten ervan, die niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, de toestemming van de houder van het kwekersrecht voor dat plantenras vereist is wanneer de in lid 3 van dat artikel bedoelde voorwaarden zijn vervuld.

22      In dit verband zij eraan herinnerd dat ingevolge artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 2100/94 de toestemming van de houder van het kwekersrecht voor een plantenras vereist is voor het „voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerdering)” met betrekking tot „componenten” of „oogstmateriaal” van een beschermd ras.

23      Hoewel deze bepaling zowel naar componenten als naar oogstmateriaal van het beschermde ras verwijst, die alle „materiaal” worden genoemd, verschilt de bescherming voor deze twee categorieën. Artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2100/94 bepaalt namelijk dat die toestemming voor de in lid 2 van dit artikel bedoelde handelingen die betrekking hebben op oogstmateriaal slechts vereist is indien dit materiaal werd verkregen door het ongeoorloofde gebruik van componenten van het beschermde ras, en op voorwaarde dat de houder van dat ras geen redelijke mogelijkheid gehad heeft om zijn recht met betrekking tot de componenten van het beschermde ras uit te oefenen. Derhalve is de in artikel 13, lid 2, onder a), van deze verordening bedoelde toestemming van de houder van een communautair kwekersrecht voor handelingen die betrekking hebben op oogstmateriaal uitsluitend vereist wanneer de in lid 3 van dit artikel genoemde voorwaarden zijn vervuld.

24      Bijgevolg moet worden geoordeeld dat verordening nr. 2100/94 voorziet in een „primaire” bescherming die overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder a), van deze verordening betrekking heeft op het voortbrengen of vermenigvuldigen van componenten. Voor het oogstmateriaal geldt een „secundaire” bescherming, die weliswaar eveneens in deze bepaling wordt genoemd, maar aanzienlijk wordt beperkt door de aanvullende voorwaarden van lid 3 van dat artikel (zie in die zin arrest van 20 oktober 2011, Greenstar-Kanzi Europe, C‑140/10, EU:C:2011:677, punt 26).

25      Om vast te stellen of en onder welke voorwaarden artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 2100/94 van toepassing is op het aanplanten van een beschermd plantenras en het oogsten van de vruchten ervan die niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, moet dus worden onderzocht of deze handeling kan leiden tot het voortbrengen of vermenigvuldigen van componenten of oogstmateriaal van het beschermde ras.

26      Dienaangaande moet worden vastgesteld dat gelet op de gebruikelijke betekenis van de in deze bepaling gebruikte begrippen „voortbrengen” en „vermenigvuldigen”, deze bepaling van toepassing is op handelingen waarbij nieuwe componenten of oogstmateriaal worden gegeneerd.

27      Voorts zij eraan herinnerd dat het begrip „componenten” in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 2100/94 is gedefinieerd als volledige planten en plantendelen voor zover die delen volledige planten kunnen voortbrengen.

28      In het onderhavige geval kunnen de vruchten die zijn geoogst van de bomen van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde ras, blijkens punt 20 van dit arrest niet worden gebruikt als teeltmateriaal van planten van dit ras.

29      Derhalve kunnen het aanplanten van een dergelijk beschermd ras en het oogsten van de vruchten ervan niet worden aangemerkt als het „voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerdering)” van componenten in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 2100/94, maar moeten die handelingen worden beschouwd als het voortbrengen van oogstmateriaal waarvoor de toestemming van de houder van het communautaire kwekersrecht overeenkomstig deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 3, van deze verordening, slechts vereist is indien dit oogstmateriaal werd verkregen door het ongeoorloofde gebruik van componenten van het beschermde ras, tenzij die houder een redelijke mogelijkheid heeft gehad om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen.

30      Het feit dat het vermogen tot vermeerdering van belang is voor de toepassing van artikel 13, lid 2, onder a), van deze verordening op het voortbrengen of vermenigvuldigen, wanneer de voorwaarden van lid 3 van dit artikel met betrekking tot oogstmateriaal niet zijn vervuld, wordt gesteund door de context van dit artikel 13.

31      In het bijzonder volgt uit artikel 16 van verordening nr. 2100/94, dat betrekking heeft op de uitputting van de rechtsgevolgen van de communautaire bescherming voor kweekproducten, dat deze bescherming zich slechts uitstrekt tot handelingen met betrekking tot materiaal van het beschermde ras dat door de houder of met diens toestemming aan anderen is afgestaan, indien die handelingen, onder meer, verdere vermeerdering, waarvoor de houder geen toestemming heeft gegeven, van het betrokken ras meebrengen.

32      Wat de doelstellingen van verordening nr. 2100/94 betreft, volgt onder meer uit de vijfde, de veertiende en de twintigste overweging ervan dat de door de Unie ingevoerde regeling weliswaar ten doel heeft kwekers die nieuwe rassen ontwikkelen bescherming te bieden om in het algemeen belang het kweken en ontwikkelen van nieuwe rassen te stimuleren, maar dat deze bescherming niet verder moet gaan dan noodzakelijk is om deze activiteiten te stimuleren, zodat de bescherming van algemene belangen als de vrijwaring van de landbouwproductie, het op de markt brengen van materiaal met specifieke kenmerken, of de eigenlijke doelstelling om de stimulans om door te gaan met het kweken van verbeterde rassen in stand te houden, niet wordt belemmerd. In het bijzonder volgt uit de zeventiende juncto de achttiende overweging van deze verordening dat de landbouwproductie een algemeen belang vormt dat rechtvaardigt dat voor de uitoefening van het communautair kwekersrecht beperkingen gelden. Met het oog op deze doelstelling bepaalt artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2100/94 dat de door lid 2 van dit artikel aan de houder van een kwekersrecht geboden bescherming slechts onder bepaalde voorwaarden van toepassing is op „oogstmateriaal”.

33      De uitlegging volgens welke artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2100/94 los van de in lid 3 van dit artikel bedoelde voorwaarden tevens van toepassing is op het oogsten van de vruchten van een beschermd ras, zonder dat deze vruchten kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal van dit ras, zou daarentegen indruisen tegen deze doelstelling, aangezien die uitlegging ertoe zou leiden dat aan lid 3 van dit artikel elk nuttig effect wordt ontnomen en bijgevolg de cascadebeschermingsregeling van artikel 13, leden 2 en 3, van deze verordening wordt ondergraven.

34      Bovendien zou het in de zeventiende en de achttiende overweging van verordening nr. 2100/94 bedoelde algemeen belang dat met de vrijwaring van de landbouwproductie is gediend, in het gedrang kunnen komen indien de rechten die de houder van een communautair kwekersrecht aan artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 2100/94 ontleent, zich los van de in lid 3 van dit artikel bedoelde voorwaarden zouden uitstrekken tot de producten van de oogst van het beschermde ras die niet voor vermeerdering kunnen worden gebruikt.

35      Voor de uitlegging volgens welke de „primaire” bescherming van artikel 13, lid 2, onder a), van deze verordening in de gevallen waarin de voorwaarden van artikel 3 van dit artikel met betrekking tot oogstmateriaal niet zijn vervuld, beperkt blijft tot componenten in de vorm van teeltmateriaal, is steun te vinden in artikel 14, lid 1, onder a), van het UPOV-verdrag, waarmee overeenkomstig de negenentwintigste overweging van genoemde verordening bij de uitlegging van deze verordening rekening moet worden gehouden.

36      Ingevolge artikel 14, lid 1, onder a), van dit verdrag is namelijk voor de „voortbrenging” of „reproductie (vermenigvuldiging)” van het „teeltmateriaal van het beschermde ras” de toestemming van de kweker vereist.

37      Voorts volgt, zoals de advocaat-generaal in de punten 32 tot en met 35 van zijn conclusie heeft opgemerkt, uit de voorbereidende werkzaamheden voor artikel 14, lid 1, onder a), van het UPOV-verdrag dat het gebruik van teeltmateriaal voor de voortbrenging van een oogst uitdrukkelijk is uitgesloten van de werkingssfeer van deze bepaling, waarin de voorwaarden voor de toepassing van de primaire bescherming worden vermeld, zodat die overeenkomt met de bescherming van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2100/94.

38      Derhalve kan de kweker krachtens artikel 14, lid 1, onder a), van het UPOV-verdrag het gebruik van componenten die louter voor een landbouwoogst worden gebruikt niet verbieden, maar uitsluitend handelingen die leiden tot een vermeerdering of een vermenigvuldiging van het beschermde ras.

39      Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 13, lid 2, onder a), en lid 3, van verordening nr. 2100/94 aldus moet worden uitgelegd dat voor het aanplanten van een beschermd ras en het oogsten van de vruchten ervan die niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, de toestemming van de houder van het communautaire kwekersrecht voor dat plantenras vereist is voor zover de voorwaarden van artikel 13, lid 3, van deze verordening zijn vervuld.

 Derde vraag

40      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2100/94 aldus moet worden uitgelegd dat de vruchten van een plantenras die niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, moeten worden beschouwd als verkregen door een „ongeoorloofd gebruik van componenten” van dat plantenras in de zin van deze bepaling wanneer deze componenten in de tijd tussen de bekendmaking van de aanvraag van het kwekersrecht voor dat plantenras en de verlening daarvan door een kwekerij zijn vermeerderd en aan een landbouwer zijn verkocht.

41      In dit verband zij opgemerkt dat, enerzijds, na de verlening van het communautaire kwekersrecht het zonder toestemming verrichten van de in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2100/94 bedoelde handelingen met betrekking tot het plantenras waarvoor dit kwekersrecht is verleend een „ongeoorloofd gebruik” in de zin van artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2100/94 vormt. Overeenkomstig artikel 94, lid 1, onder a), van deze verordening, kan eenieder die in deze omstandigheden een van deze handelingen verricht, dan ook door deze houder in rechte worden aangesproken met het oog op beëindiging van de inbreuk en/of betaling van een passende vergoeding.

42      Met betrekking tot, anderzijds, de tijd vóór de verlening van dit kwekersrecht kan deze houder overeenkomstig artikel 95 van verordening nr. 2100/94 van eenieder die in de tijd tussen de bekendmaking van de aanvraag van het communautaire kwekersrecht en de verlening daarvan een handeling verricht die hem na die tijd uit hoofde van dat kwekersrecht verboden zou zijn, een passende vergoeding eisen.

43      Vastgesteld moet worden dat, aangezien artikel 95 van deze verordening slechts betrekking heeft op de mogelijkheid voor de houder van het communautaire kwekersrecht voor een plantenras om aanspraak te maken op een passende vergoeding, dit artikel hem geen andere rechten verleent, zoals onder meer het recht om het gebruik van componenten van dit plantenras voor de in dit artikel 95 bedoelde periode toe te staan of te verbieden. Deze beschermingsregeling verschilt dus van de regeling inzake de voorafgaande toestemming, die vereist is wanneer de in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2100/94 bedoelde handelingen na de verlening van het communautaire kwekersrecht worden verricht.

44      Hieruit volgt dat de houder van het communautaire kwekersrecht met betrekking tot de in artikel 95 van verordening nr. 2100/94 bedoelde periode van bescherming het verrichten van een van de in artikel 13, lid 2, van deze verordening bedoelde handelingen niet kan verbieden op grond van het ontbreken van zijn toestemming, zodat het verrichten van die handelingen geen „ongeoorloofd gebruik” in de zin van artikel 13, lid 3, van deze verordening vormt.

45      In het onderhavige geval volgt uit het voorgaande dat, aangezien de vermeerdering en de verkoop aan Martínez Sanchís van planten van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beschermde plantenras in de in artikel 95 van verordening nr. 2100/94 bedoelde periode hebben plaatsgevonden, deze handelingen niet kunnen worden aangemerkt als een dergelijk ongeoorloofd gebruik.

46      De vruchten die van deze planten zijn verkregen moeten dan ook niet worden beschouwd als verkregen door ongeoorloofd gebruik in de zin van artikel 13, lid 3, van deze verordening, zelfs indien die vruchten na de verlening van het communautaire kwekersrecht zijn geoogst. Zoals blijkt uit het antwoord op de eerste en de tweede vraag, is het aanplanten van componenten van een plantenras en het oogsten van de vruchten ervan die niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, immers geen voortbrenging of vermenigvuldiging van componenten in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 2100/94.

47      Met betrekking tot de planten van het beschermde plantenras die na de verlening van het communautaire kwekersrecht zijn vermeerderd en door een kwekerij aan Martínez Sanchís zijn verkocht, moet worden opgemerkt dat zowel de vermeerdering van deze planten als de verkoop ervan een dergelijk ongeoorloofd gebruik kan vormen, aangezien overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder c) en d), van verordening nr. 2100/94 voor het te koop aanbieden en het verkopen of op andere wijze in de handel brengen van de vruchten van een beschermd ras de voorafgaande instemming van de houder van het communautaire kwekersecht vereist is.

48      In deze omstandigheden kunnen de door Martínez Sanchís geoogste vruchten van de in het vorige punt bedoelde planten van het beschermde plantenras worden beschouwd als verkregen door een ongeoorloofd gebruik van componenten van een beschermde soort in de zin van artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2100/94.

49      Dat neemt niet weg dat voor de toepassing van deze laatste bepaling tevens vereist is dat de houder geen redelijke mogelijkheid heeft gehad om zijn recht met betrekking tot het in het hoofdgeding aan de orde zijnde plantenras uit te oefenen jegens de kwekerij die de componenten heeft vermeerderd en verkocht.

50      Aangezien de verwijzingsbeslissing geen concrete aanwijzing bevat met betrekking tot deze laatste voorwaarde van artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2100/94, staat het hoe dan ook aan de verwijzende rechter om dienaangaande het noodzakelijke onderzoek te verrichten.

51      Gelet op een en ander dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2100/94 aldus moet worden uitgelegd dat de vruchten van een plantenras die niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, niet kunnen worden beschouwd als te zijn verkregen door een „ongeoorloofd gebruik van componenten” van dit plantenras in de zin van deze bepaling wanneer deze componenten in de tijd tussen de bekendmaking van de aanvraag van het communautaire kwekersrecht voor dit plantenras en de verlening ervan door een kwekerij zijn vermeerderd en aan een landbouwer zijn verkocht. Wanneer deze componenten na de verlening van dit kwekersrecht zonder toestemming van de houder van dit kwekersrecht zijn vermeerderd en verkocht, kan deze laatste het hem door artikel 13, lid 2, onder a), en lid 3, van deze verordening verleende recht met betrekking tot die vruchten doen gelden, tenzij hij een redelijke mogelijkheid heeft gehad om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen.

 Kosten

52      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen.       De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 13, lid 2, onder a), en lid 3, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht moet aldus worden uitgelegd dat voor het aanplanten van een beschermd ras en het oogsten van de vruchten ervan die niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, de toestemming van de houder van het communautaire kwekersrecht voor dat plantenras vereist is voor zover de voorwaarden van artikel 13, lid 3, van deze verordening zijn vervuld.

2)      Artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2100/94 moet aldus worden uitgelegd dat de vruchten van een plantenras die niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, niet kunnen worden beschouwd als te zijn verkregen door een „ongeoorloofd gebruik van componenten” van dit plantenras in de zin van deze bepaling wanneer deze componenten in de tijd tussen de bekendmaking van de aanvraag van het communautaire kwekersrecht voor dit plantenras en de verlening ervan door een kwekerij zijn vermeerderd en aan een landbouwer zijn verkocht. Wanneer deze componenten na de verlening van dit kwekersrecht zonder toestemming van de houder van dit kwekersrecht zijn vermeerderd en verkocht, kan deze laatste het hem door artikel 13, lid 2, onder a), en lid 3, van deze verordening verleende recht met betrekking tot die vruchten doen gelden, tenzij hij een redelijke mogelijkheid heeft gehad om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen.

ondertekeningen


*      Procestaal: Spaans.