Language of document : ECLI:EU:C:2019:1115

Zaak C502/19

Strafzaak

tegen

Oriol Junqueras Vies

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Tribunal Supremo)

 Arrest (Grote kamer) van 19 december 2019

„Prejudiciële verwijzing – Versnelde procedure – Institutioneel recht – Burger van de Europese Unie die in het Europees Parlement is gekozen terwijl hij in het kader van een strafzaak in voorlopige hechtenis is geplaatst – Artikel 14 VEU – Begrip ‚lid van het Europees Parlement’ – Artikel 343 VWEU – Immuniteiten die nodig zijn ter vervulling van de taak van de Unie – Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie – Artikel 9 – Immuniteiten die de leden van het Europees Parlement toekomen – Immuniteit onderweg – Immuniteit tijdens de zitting – Personele, temporele en materiële werkingssfeer van deze immuniteiten – Opheffing van de immuniteit door het Europees Parlement – Verzoek om opheffing van de immuniteit door een nationale rechterlijke instantie – Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen – Artikel 5 – Mandaat – Artikel 8 – Verkiezingsprocedure – Artikel 12 – Onderzoek van de geloofsbrieven van de leden van het Europees Parlement na de officiële bekendmaking van de verkiezingsuitslagen – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 39, lid 2 – Verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen – Passief kiesrecht”

1.        Prejudiciële vragen – Versnelde prejudiciële procedure – Voorwaarden – Omstandigheden die een snelle behandeling rechtvaardigen – Uitleggingsverzoek in het kader van een beroep over de gegrondheid van een beslissing waarbij is geweigerd een maatregel van voorlopige hechtenis op te heffen – Toelaatbaarheid van het gebruik van deze procedure

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 23 bis; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 105, lid 1)

(zie punten 43‑45)

2.        Prejudiciële vragen – Ontvankelijkheid – Grenzen – Kennelijk irrelevante vragen en hypothetische vragen gesteld in een context waarin een nuttig antwoord is uitgesloten – Hoofdgeding betreffende een maatregel van voorlopige hechtenis – Na de prejudiciële verwijzing gewezen arrest tot veroordeling van de betrokkene – Geen invloed

(Art. 267 VWEU)

(zie punten 51‑59)

3.        Voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie – Leden van het Europees Parlement – Begrip – Hoedanigheid die wordt verkregen wegens en op het moment van de officiële bekendmaking van de uitslagen

(Art. 343 VWEU; akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, art. 6; Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, art. 9)

(zie punten 62, 71, 75‑77)

4.        Europees Parlement – Verkiezingen – Bevoegdheid van de lidstaten – Verkiezingsprocedure en officiële bekendmaking van de verkiezingsuitslagen – Grenzen

(Art. 2, 10, lid 1, en 14, lid 3, VEU; art. 223, lid 1, VWEU; akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, art. 8 en 12)

(zie punten 63‑69)

5.        Voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie – Leden van het Europees Parlement – Immuniteit tijdens de zitting – Aan de hoedanigheid van lid verbonden immuniteit – Temporele werkingssfeer – Immuniteit die van toepassing is tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement en tijdens het mandaat van de leden van de zittingsperiode

(Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, art. 6; Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, art. 9, eerste alinea)

(zie punten 74, 77, 78)

6.        Voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie – Leden van het Europees Parlement –Immuniteit onderweg – Aan de hoedanigheid van lid verbonden immuniteit – Temporele werkingssfeer – Immuniteit die van toepassing is vanaf het moment van bekendmaking van de verkiezingsuitslagen

(Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, art. 6; Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, art. 9, tweede alinea)

(zie punten 79‑81, 85‑87)

7.        Voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie – Leden van het Europees Parlement –Immuniteit onderweg – Materiële werkingssfeer – Deelname aan de constituerende zitting van het Europees Parlement – Daaronder begrepen – Plaatsing in voorlopige hechtenis vóór de officiële bekendmaking van de verkiezingsuitslagen – Handhaving die alleen mogelijk is na een verzoek tot opheffing van de immuniteit

(Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, art. 6; Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, art. 9, tweede en derde alinea)

(zie punten 87‑92)

Samenvatting

Een in het Europees Parlement gekozen persoon verkrijgt de hoedanigheid van lid van deze instelling bij de officiële bekendmaking van de uitslagen en geniet vanaf dat moment de aan deze hoedanigheid verbonden immuniteiten

In het op 19 december 2019 gewezen prejudiciële arrest Junqueras Vies (C‑502/19) heeft de Grote kamer van het Hof de personele, temporele en materiële werkingssfeer verduidelijkt van de immuniteiten die worden toegekend aan leden van het Europees Parlement.(1)

In deze zaak heeft de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) verschillende prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd over de uitlegging van artikel 9 van het Protocol. Deze vragen werden gesteld in het kader van een beroep dat een politicus die bij de verkiezingen van 26 mei 2019 in het Europees Parlement werd gekozen, had ingediend tegen een beschikking waarbij werd geweigerd om hem buitengewoon gevangenisverlof toe te kennen. Vóór deze verkiezingen was hij in voorlopige hechtenis geplaatst in een strafrechtelijke procedure die tegen hem was ingesteld omdat hij had deelgenomen aan de organisatie van het op 1 oktober 2017 in de autonome regio Catalonië gehouden referendum over zelfbeschikking. Hij had om het voornoemde gevangenisverlof verzocht om te kunnen voldoen aan een formaliteit waartoe het Spaanse recht hem na de bekendmaking van de uitslagen verplichtte, namelijk voor een centrale verkiezingscommissie de eed of gelofte van trouw aan de Spaanse grondwet afleggen, en om zich vervolgens naar het Europees Parlement te kunnen begeven om deel te nemen aan de constituerende zitting van de nieuwe zittingsperiode. Nadat deze zaak aan het Hof was voorgelegd, heeft de Tribunal Supremo de betrokkene op 14 oktober 2019 veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf. Tevens werd hij als straf voor dezelfde periode volstrekt onbekwaam verklaard om ambten en openbare functies uit te oefenen.

Het Hof heeft in de eerste plaats geoordeeld dat iemand die in het Europees Parlement is gekozen, de hoedanigheid van parlementslid verkrijgt als gevolg van, en op het tijdstip van, de bekendmaking van de verkiezingsuitslagen, zodat hij de door artikel 9 van het Protocol gewaarborgde immuniteiten geniet.

In dit verband heeft het Hof erop gewezen dat de verkiezingsprocedure en de bekendmaking van de uitslagen weliswaar in beginsel worden geregeld door de wetgeving van de lidstaten, zoals bepaald in de artikelen 8 en 12 van de verkiezingsakte van 1976(2), maar dat de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen(3) de uiting is van het grondwettelijke beginsel van de representatieve democratie, waarvan de draagwijdte door het Unierecht zelf wordt gedefinieerd. Uit de Verdragen en de verkiezingsakte van 1976 volgt dat de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement voortvloeit uit de verkiezing van de betrokkene als zodanig en hem toekomt als gevolg van de officiële bekendmaking van de verkiezingsuitslagen door de lidstaten. Bovendien volgt uit artikel 343 VWEU dat de Unie, en dus haar instellingen en hun leden, de voor hun taken benodigde voorrechten en immuniteiten moeten genieten.

In de tweede plaats heeft het Hof geoordeeld dat personen die, zoals Junqueras Vies, gekozen zijn tot lid van het Europees Parlement, vanaf de bekendmaking van de uitslagen onderweg naar en van de zitting beschikken over immuniteit die verband houdt met hun hoedanigheid van lid en die is vastgelegd in artikel 9, tweede alinea, van het Protocol. Deze immuniteit heeft met name tot doel hen in staat te stellen om zich naar de constituerende vergadering van de nieuwe zittingsperiode van het Europees Parlement te begeven en daaraan deel te nemen. In tegenstelling tot de in de eerste alinea bedoelde zittingsimmuniteit, die de leden pas genieten vanaf de opening van de constituerende vergadering en die geldt voor de gehele duur van de zittingen van het Europees Parlement, is de onderweg genoten immuniteit namelijk van toepassing tijdens hun reizen naar de plaats waar de vergaderingen van het Europees Parlement worden gehouden, met inbegrip van de eerste vergadering.

Het Hof heeft er dienaangaande aan herinnerd dat de doelstellingen die met de in het Protocol bedoelde immuniteiten worden nagestreefd erin bestaan de goede werking en de onafhankelijkheid van de instellingen te waarborgen. In dit kader geeft de immuniteit die de Parlementsleden volgens artikel 9, tweede alinea, van dit Protocol onderweg genieten, uitvoering aan het – door artikel 39, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde – passief kiesrecht, door ieder lid vanaf het moment dat zijn verkiezing bekend is gemaakt en ongeacht of hij eventuele in het nationale recht gestelde formaliteiten al of niet heeft vervuld, in staat te stellen om deel te nemen aan de constituerende zitting van het Europees Parlement zonder dat hij wordt belemmerd bij zijn reis daarnaartoe.

Het Hof heeft in de derde en laatste plaats vastgesteld dat, als gevolg van de immuniteit die ieder lid van het Europees Parlement onderweg naar en van de zitting geniet, elke voorlopige hechtenis die vóór de bekendmaking van de verkiezing van een lid is opgelegd, moet worden opgeheven teneinde hem in staat te stellen zich naar de constituerende zitting van het Europees Parlement te begeven en daaraan deel te nemen. Indien het volgens de bevoegde nationale rechterlijke instantie nodig is deze voorlopige hechtenis te handhaven, moet zij het Europees Parlement bijgevolg zo spoedig mogelijk verzoeken om deze immuniteit op te heffen volgens artikel 9, derde alinea, van het Protocol.


1      Deze immuniteiten zijn vastgelegd in artikel 343 VWEU en artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (PB 2012, C 326, blz. 266; hierna: „Protocol”).


2      Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, als bijlage gevoegd bij besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976 (PB 1976, L 278, blz. 1), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad van 25 juni 2002 en 23 september 2002 (PB 2002, L 283, blz. 1).


3      Artikel 14, lid 3, VEU.