Language of document : ECLI:EU:C:2020:120

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

H. SAUGMANDSGAARD ØE

van 27 februari 2020 (1)

Zaak C778/18

Association française des usagers de banques

tegen

Ministre de l’Économie et des Finances

[verzoek van de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen – Betaal- of spaarrekening – Verplichting van de kredietnemer om zijn inkomsten gedurende een bij de leenovereenkomst vastgestelde periode op een bepaalde betaalrekening te laten storten –Geïndividualiseerd voordeel – Richtlijn 2007/64/EG – Artikel 45, lid 2 – Richtlijn (EU) 2015/2366 – Artikel 55, lid 2 – Richtlijn 2014/17/EU – Artikel 4, punten 26 en 27 – Koppelverkoop – Gebundelde verkoop – Artikel 12, lid 1 – Artikel 12, lid 2, onder a) – Artikel 12, lid 3 – Richtlijn 2014/92/EU”






I.      Inleiding

1.        Het verzoek om een prejudiciële beslissing van de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) betreft de uitlegging van artikel 12, lid 2, onder a), en lid 3, van richtlijn 2014/17/EU(2), artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64/EG(3), artikel 55, lid 2, van richtlijn (EU) 2015/2366(4) en artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/92/EU(5). Deze bepalingen beogen in wezen de bankmobiliteit te vergemakkelijken.

2.        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Association française des utilisateurs de banques (Franse vereniging van bankgebruikers; hierna: „AFUB”) en de ministre de l’Économie et des Finances (minister van Economie en Financiën), in het kader waarvan AFUB opkomt tegen een nationale regeling op grond waarvan de kredietgever voor het verstrekken van een hypothecair krediet de voorwaarde kan stellen dat de kredietnemer tien jaar, of gedurende de looptijd van de lening indien die korter is dan tien jaar, al zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten laat storten op een betaalrekening bij de kredietgever, waarbij de kredietnemer als tegenprestatie een geïndividualiseerd voordeel ontvangt.

3.        AFUB is van mening dat deze regeling voorbijgaat aan de door bovengenoemde richtlijnen nagestreefde doelstelling de bankmobiliteit te vergemakkelijken. In deze context wenst de Conseil d’État van het Hof te vernemen of een dergelijke regeling verenigbaar is met de hieronder uiteengezette bepalingen van het Unierecht.

4.        In deze conclusie zal ik uitleggen waarom ik van mening ben dat, gesteld dat een regeling als aan de orde in het hoofdgeding een koppelverkoop in de zin van richtlijn 2014/17 toestaat, hetgeen de verwijzende rechter in het hoofdgeding dient na te gaan, deze richtlijn een dergelijke koppelverkoop niet toestaat, noch op grond van artikel 12, lid 2, onder a), noch op grond van artikel 12, lid 3, ervan. Voor zover de verwijzende rechter van oordeel is dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling betrekking heeft op gebundelde verkoop in de zin van richtlijn 2014/17, verzetten artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64, artikel 55, lid 2, van richtlijn 2015/2366 en artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/92 zich daarentegen niet tegen een dergelijke regeling.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Richtlijn 2007/64

5.        Artikel 45 van richtlijn 2007/64, met als opschrift „Opzegging”, bepaalt in lid 2:

„Een raamcontract dat voor een termijn van meer dan twaalf maanden of voor onbepaalde duur is gesloten, kan door de betalingsdienstgebruiker na het verstrijken van die termijn van twaalf maanden kosteloos worden beëindigd. In alle andere gevallen zijn de voor beëindiging aan te rekenen kosten passend en in overeenstemming met de feitelijke kosten.”

2.      Richtlijn 2015/2366

6.        Richtlijn 2007/64 is met ingang van 13 januari 2018 ingetrokken bij richtlijn 2015/2366, waarvan artikel 55, lid 2, een bepaling bevat die in wezen identiek is aan die van artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64, behalve dat de betrokken periode van twaalf tot zes maanden is verkort.

3.      Richtlijn 2014/17

7.        De overwegingen 24 en 25 van richtlijn 2014/17 luiden als volgt:

„(24)      Gezien de bijzondere kenmerken van kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen is het voor kredietgevers gebruikelijk om consumenten een reeks producten of diensten aan te bieden die samen met de kredietovereenkomst kunnen worden gekocht. Gelet op het belang van dergelijke overeenkomsten voor de consument is het derhalve passend specifieke voorschriften over praktijken aangaande koppelverkoop vast te stellen. Het combineren van een kredietovereenkomst met een of meer andere financiële diensten of producten in pakketten is voor kredietgevers een manier om hun aanbod te diversifiëren en met elkaar te concurreren, mits de onderdelen van het pakket ook apart kunnen worden gekocht. Hoewel een combinatie van kredietovereenkomsten met een of meer andere financiële diensten of producten in pakketten voordelig kan zijn voor de consument, kan het de beweegruimte van de consument en zijn vermogen om geïnformeerde keuzen te maken in het gedrang brengen, tenzij de onderdelen van het pakket apart kunnen worden gekocht. Het is belangrijk om praktijken zoals de koppelverkoop van bepaalde producten die de consumenten aanzetten kredietovereenkomsten te sluiten die niet in hun belang zijn, te voorkomen zonder evenwel gebundelde verkoop van producten die gunstig kan zijn voor de consument aan banden te leggen. De lidstaten dienen evenwel nauwlettend te blijven toezien op de detailhandelsmarkt voor financiële diensten, teneinde te waarborgen dat praktijken aangaande gebundelde verkoop de keuze van de consument niet inperken en de concurrentie op de markt niet verstoren.

(25)      Praktijken aangaande koppelverkoop dienen in het algemeen niet te worden toegestaan tenzij de financiële diensten of producten die samen met de kredietovereenkomst worden aangeboden, niet apart kunnen worden aangeboden omdat zij een wezenlijk onderdeel van het krediet vormen, bijvoorbeeld in het geval van een gedekte kredietlijn. In andere gevallen kan het evenwel gerechtvaardigd zijn dat kredietgevers een kredietovereenkomst aanbieden of verkopen in een pakket, samen met een betaalrekening, een spaarrekening, een beleggingsproduct of een pensioenproduct, bijvoorbeeld in gevallen waarin het tegoed op de rekening gebruikt wordt voor de terugbetaling van het krediet of een essentiële voorwaarde is voor het samenvoegen van alle tegoeden om het krediet te verkrijgen, of in gevallen waarin bijvoorbeeld een beleggingsproduct of een particulier pensioenproduct dient als aanvullende zekerheid ter waarborging van de lening. [...]”

8.        Artikel 4 van die richtlijn bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

26.      ,koppelverkoop’: het aanbieden of verkopen van een kredietovereenkomst als onderdeel van een pakket met andere onderscheiden financiële producten of diensten waarbij de kredietovereenkomst niet afzonderlijk wordt aangeboden aan de consument;

27.      ,gebundelde verkoop’: het aanbieden of verkopen van een kredietovereenkomst als onderdeel van een pakket met andere onderscheiden financiële producten of diensten waarbij de kredietovereenkomst ook afzonderlijk aan de consument beschikbaar wordt gesteld, maar waarbij niet noodzakelijkerwijs dezelfde voorwaarden gelden als wanneer deze in combinatie met de nevendiensten wordt aangeboden;

[...]”

9.        Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      De lidstaten staan gebundelde verkoop toe maar verbieden praktijken aangaande koppelverkoop.

2.      Onverminderd lid 1 mogen de lidstaten bepalen dat kredietgevers de consument, een familielid of een persoon uit de onmiddellijke omgeving kunnen verzoeken:

a)      een betaal- of spaarrekening te openen of aan te houden, waarvan het enige doel erin bestaat kapitaal op te bouwen om het krediet terug te betalen of af te lossen, middelen samen te voegen om het krediet te verkrijgen dan wel bijkomende zekerheid te verschaffen voor de kredietgever in geval van wanbetaling;

[...]

3.      Onverminderd lid 1 kunnen de lidstaten koppelverkoop toestaan indien de kredietgever aan zijn bevoegde autoriteit kan aantonen dat de aangeboden gekoppelde producten of categorieën producten, tegen aan elkaar gelijke voorwaarden, die niet afzonderlijk beschikbaar worden gesteld, een duidelijk voordeel voor de consument bieden, rekening houdend met de beschikbaarheid en de prijzen van dergelijke producten op de markt. Dit lid is uitsluitend van toepassing op producten die na 20 maart 2014 op de markt worden gebracht.

[...]”

4.      Richtlijn 2014/92

10.      Overweging 12 van richtlijn 2014/92 luidt als volgt:

„[...] Alle bepalingen van deze richtlijn dienen betrekking te hebben op betaalrekeningen waarmee consumenten de volgende transacties kunnen uitvoeren: geldmiddelen storten, contanten opnemen en betalingstransacties van derden ontvangen en naar derden uitvoeren, daaronder begrepen de uitvoering van overmakingen. Rekeningen met meer beperkte functies dienen derhalve te worden uitgesloten. Rekeningen zoals spaarrekeningen, kredietkaartrekeningen – waarop geldmiddelen doorgaans alleen worden gestort om een kredietkaartschuld af te lossen –, een ,current account mortgage’ of elektronischgeldrekeningen zijn in beginsel van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten. Worden deze rekeningen echter gebruikt voor alledaagse betalingstransacties en hebben zij alle bovengenoemde functies, dan vallen zij wel onder deze richtlijn. [...]”

11.      Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Onderwerp en toepassingsgebied”, bepaalt in lid 6:

„Deze richtlijn is van toepassing op betaalrekeningen waarmee consumenten ten minste:

a)      geldmiddelen op een betaalrekening kunnen plaatsen;

b)      contanten van een betaalrekening kunnen opnemen;

c)      betalingstransacties, met inbegrip van overmakingen van en naar derden, kunnen ontvangen, respectievelijk uitvoeren.

[...]”

12.      Artikel 12 van deze richtlijn, met als opschrift „Vergoedingen in verband met de overstapdienst”, bepaalt in lid 3:

„De lidstaten zorgen ervoor dat eventuele vergoedingen die de consument door de overdragende betalingsdienstaanbieder in rekening worden gebracht voor het beëindigen van de bij haar aangehouden betaalrekening, worden bepaald in overeenstemming met artikel 45, leden 2, 4 en 6, van richtlijn [2007/64(6)].”

B.      Frans recht

1.      Wet inzake transparantie, bestrijding van corruptie en modernisering van het economisch leven

13.      Artikel 67, punt II, van loi n° 2016‑1691, du 9 décembre 2016, relative à la transparence, à la lutte contre la corruption et à la modernisation de la vie économique (wet nr. 2016‑1691 van 9 december 2016 inzake transparantie, bestrijding van corruptie en modernisering van het economisch leven) bepaalt:

„Onder de voorwaarden van artikel 38 van de grondwet is de regering bevoegd om binnen een termijn van zes maanden na de afkondiging van deze wet bij uitvoeringsbesluit alle maatregelen te nemen die vallen onder deze wet, op grond waarvan, met inachtneming van artikel L. 312‑1‑2 van de code monétaire et financier [(monetair en financieel wetboek)], de voorwaarden kunnen worden vastgesteld waaronder het aangaan van een hypotheekovereenkomst door een consument en de op die overeenkomst van toepassing zijnde rentevoet, kunnen worden gekoppeld aan de eis dat hij gedurende de looptijd van het krediet een betaalrekening opent en zijn inkomsten daarop laat storten, ongeacht de aard of herkomst daarvan.”

2.      Monetair en financieel wetboek

14.      Artikel L. 312‑1‑2 van het monetair en financieel wetboek bepaalt:

„I.-1.      De verkoop of het te koop aanbieden van gebundelde producten of diensten is verboden, behalve wanneer de in de bundeling opgenomen producten of dienstverrichtingen afzonderlijk kunnen worden gekocht of wanneer zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

2.      Het is verboden om goederen of diensten aan de klant te verkopen of te koop aan te bieden, die onmiddellijk of op termijn en kosteloos recht geven op een financiële premie of een premie in natura van producten, goederen of diensten waarvan de waarde hoger is dan een drempel die, afhankelijk van het soort product of dienst dat de klant wordt aangeboden, wordt vastgesteld bij besluit van de minister van Economische Zaken, na advies van de bij artikel L. 614‑1 ingestelde adviescommissie.

Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de in artikel L. 314‑1, punt II, genoemde betalingsdiensten.”

3.      Wetboek consumentenrecht

15.      Artikel L. 313‑25 van de code de la consommation (wetboek consumentenrecht), zoals gewijzigd bij ordonnance n° 2017 1090, du 1er juin 2017, relative aux offres de prêt immobilier conditionnées à la domiciliation des salaires ou revenus assimilés de l’emprunteur sur un compte de paiement (uitvoeringsbesluit nr. 2017‑1090 van 1 juni 2017 betreffende het aanbieden van hypothecaire kredieten met als voorwaarde dat looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten van de kredietnemer op een betaalrekening bij de kredietgever worden gestort), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, bepaalt:

„De in artikel L. 313‑24 genoemde aanbieding:

[...]

10°      geeft aan of als voorwaarde voor de lening geldt dat alle inkomsten op een rekening bij de kredietgever dienen te worden gestort zoals vermeld in artikel L. 313‑25‑1. Indien dat het geval is, worden de duur van die voorwaarde vermeld, in voorkomend geval de kosten voor het openen en aanhouden van de rekening waarop de looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten worden gestort, alsmede de aard van het geïndividualiseerde voordeel dat de kredietgever als tegenprestatie heeft verleend. Het voordeel moet duidelijk blijken uit de aanbieding, door vermelding van de voorwaarden inzake rentetarieven of andere voorwaarden, in het licht waarvan het voordeel is vastgesteld, en die de kredietgever zou toepassen indien de kredietnemer niet langer zijn inkomsten op een rekening bij de kredietgever laat storten.

[...]”

16.      Artikel L. 313‑25‑1 van dit wetboek, ingevoegd bij uitvoeringsbesluit nr. 2017‑1090 van 1 juni 2017, dat hierboven is genoemd, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, bepaalt:

„De kredietgever kan de in artikel L. 313‑24 vermelde leningsaanbieding afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de kredietnemer zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten op een in artikel L. 314‑1 van het monetair en financieel wetboek vermelde betaalrekening laat storten, mits die kredietgever de kredietnemer als tegenprestatie een geïndividualiseerd voordeel verschaft.

Deze voorwaarde kan niet aan de kredietnemer worden opgelegd boven een maximumduur die wordt vastgesteld bij een na advies van de Conseil d’Etat vastgesteld besluit. Na afloop van de in de kredietovereenkomst bepaalde termijn verkrijgt de kredietnemer het geïndividualiseerde voordeel tot aan het aflopen van de lening.

Indien de kredietnemer vóór het verstrijken van deze termijn niet langer voldoet aan bovengenoemde voorwaarde dat zijn inkomsten op een rekening bij de kredietgever worden gestort, kan de kredietgever voor de resterende aflossingen tot het aflopen van de lening het in de eerste alinea genoemde geïndividualiseerde voordeel beëindigen en de in artikel L. 313‑25, onder 10°, vermelde voorwaarden toepassen, inzake rente of anderszins. [...]”

17.      Artikel R. 313‑21‑1, dat in dat wetboek is ingevoegd bij décret no 2017 1099, du 14 juin 2017, fixant la durée pendant laquelle le prêteur peut imposer à l’emprunteur la domiciliation de salaires ou revenus assimilés sur un compte de paiement (besluit nr. 2017‑1099 van 14 juni 2017 tot vaststelling van de termijn waarbinnen de kredietgever van de kredietnemer kan eisen dat deze zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten op een betaalrekening laat storten), bepaalt als volgt:

„De in artikel L. 313‑25‑1 genoemde maximumduur waarbinnen looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten op een rekening bij de kredietgever moeten worden gestort, wordt vastgesteld op tien jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst of, in voorkomend geval, van de aanvullende overeenkomst bij de oorspronkelijke kredietovereenkomst.

Deze duur mag in geen geval langer zijn dan die van de kredietovereenkomst.”

III. Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18.      Bij wet nr. 2016‑1691 heeft het Franse parlement de regering van deze lidstaat gemachtigd om bij uitvoeringsbesluit alle maatregelen te nemen die vallen onder de wet op grond waarvan, met inachtneming van artikel L. 312‑1‑2 van het monetair en financieel wetboek(7), de voorwaarden kunnen worden vastgesteld waaronder het aangaan van een hypothecaire overeenkomst door een consument en de op die overeenkomst van toepassing zijnde rentevoet, kunnen worden gekoppeld aan de eis dat hij een betaalrekening opent en zijn inkomsten daarop laat storten.

19.      De vaststelling van uitvoeringsbesluit nr. 2017‑1090 van 1 juni 2017 betreffende het aanbieden van hypothecaire kredieten met als voorwaarde dat looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten van de kredietnemer op een betaalrekening bij de kredietgever worden gestort, vloeit voort uit deze machtiging.

20.      Bij dit uitvoeringsbesluit is in het wetboek consumentenrecht het nieuwe artikel L. 313‑25‑1 ingevoegd, dat in wezen bepaalt dat de kredietgever de leningsaanbieding afhankelijk kan stellen van de voorwaarde dat de kredietnemer zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten op een betaalrekening laat storten, mits die kredietgever de kredietnemer als tegenprestatie een geïndividualiseerd voordeel verschaft. Bovendien kan de voorwaarde dat de inkomsten op een rekening bij de kredietgever worden gestort slechts worden opgelegd gedurende een maximumtermijn, na afloop waarvan de kredietnemer het geïndividualiseerde voordeel behoudt totdat de lening afloopt.

21.      In antwoord op een verzoek om verduidelijking van het Hof(8) heeft de verwijzende rechter gepreciseerd dat het begrip „betaalrekening” in de zin van artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht niet beperkt is tot betaalrekeningen die uitsluitend bestemd zijn voor de aflossing van een hypothecair krediet, of meer in het algemeen van een krediet voor onroerend goed, maar ook rekeningen omvat die kredietnemers gebruiken om dagelijkse betalingstransacties uit te voeren, zoals storting, overmaking en geldopname.

22.      Bij besluit nr. 2017‑1099 van 14 juni 2017, dat is vastgesteld op basis van het in punt 19 van deze conclusie genoemde uitvoeringsbesluit, is een nieuw artikel R. 313‑21‑1 ingevoegd in het wetboek consumentenrecht, dat van toepassing is op leningsaanbiedingen vanaf 1 januari 2018 en waarin is bepaald dat de voorwaarde dat de inkomsten op een rekening bij de kredietgever worden gestort slechts mag worden opgelegd gedurende een maximumduur van tien jaar, dan wel gedurende de looptijd van de lening als die korter is dan tien jaar.

23.      AFUB verzoekt de Conseil d’État om nietigverklaring van dit besluit wegens bevoegdheidsoverschrijding.

24.      In dat verband betoogt AFUB dat uitvoeringsbesluit nr. 2017‑1090 van 1 juni 2017, ter uitvoering waarvan het bestreden besluit is vastgesteld, voorbijgaat aan de doelstelling van meer bancaire mobiliteit van de richtlijnen 2007/64, 2015/2366, 2014/92 en 2014/17. Dit uitvoeringsbesluit staat kredietinstellingen namelijk toe om voordelen te verbinden aan de eis dat inkomsten op een rekening bij de kredietgever worden gestort, en indien de kredietnemers van die voordelen afzien, moeten zij buitensporig hoge kosten betalen, hetgeen de bancaire mobiliteit belemmert. Daarnaast stelt AFUB dat het bestreden besluit in strijd is met diezelfde doelstelling, aangezien daarin de maximumduur gedurende welke kredietinstellingen deze voordelen afhankelijk kunnen stellen van de voorwaarde dat de looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten van de kredietnemers op een rekening bij de kredietgever worden gestort, wordt vastgesteld op tien jaar.

25.      De minister van Economische Zaken en Financiën acht deze middelen ongegrond.

26.      Bij het onderzoek van het verzoek tot nietigverklaring van het besluit, waarvan uitvoeringsbesluit nr. 2017‑1090 van 1 juni 2017 de rechtsgrondslag vormt, vraagt de Conseil d’État zich af of de bepalingen van deze twee handelingen verenigbaar zijn met voormelde richtlijnen(9).

27.      Meer in het bijzonder is deze rechter van oordeel dat het antwoord op de door AFUB aangevoerde middelen afhangt van, in de eerste plaats, de vraag of de bepalingen van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17, met name gelet op het doel dat zij koppelen aan de betaalrekening of de spaarrekening waarvan zij het openen of aanhouden toestaan, of de bepalingen van artikel 12, lid 3, van deze richtlijn, de kredietgever toestaan om de kredietnemer, als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel, te verplichten om al zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten te laten storten op een betaalrekening zo lang als vastgesteld in de leenovereenkomst, ongeacht het bedrag, de termijnen en de looptijd van de lening, en bovendien toestaan dat de aldus bepaalde looptijd tien jaar kan bedragen of zo lang kan duren als de overeenkomst zelf, als dat korter is.

28.      In de tweede plaats hangt dit antwoord af van de vraag of, ten eerste, artikel 45 van richtlijn 2007/64, dat destijds van toepassing was en thans is overgenomen in artikel 55 van richtlijn 2015/2366, en de artikelen 9 tot en met 14 van richtlijn 2014/92, betreffende het stimuleren van de bancaire mobiliteit en de kosten bij beëindiging van een betaalrekening, eraan in de weg staan dat de beëindiging van een rekening die de kredietnemer bij de kredietgever heeft geopend om daar zijn inkomsten te laten storten, als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel in het kader van een kredietovereenkomst, leidt tot het verlies van dit voordeel indien de beëindiging plaatsvindt voordat de in die overeenkomst bepaalde periode is afgelopen, dus ook langer dan een jaar na het openen van de rekening, en ten tweede, of diezelfde bepalingen eraan in de weg staan dat de betreffende periode tien jaar kan duren of de totale looptijd van de lening kan beslaan indien deze korter is dan tien jaar.

29.      In die omstandigheden heeft de Conseil d’État bij beslissing van 5 december 2018, ingekomen bij het Hof op 11 december 2018, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Staat [artikel 12, lid 2, onder a),] van richtlijn [2014/17], met name gelet op de doelstelling die het koppelt aan de betaal- of spaarrekening die op grond van dit artikel mag worden geopend of aangehouden, of lid 3 van dat artikel, toe dat de kredietgever de kredietnemer verplicht om als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel al zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten te laten storten op een betaalrekening gedurende een in de kredietovereenkomst bepaalde periode, ongeacht het bedrag, de termijnen en de looptijd van de lening, en laat dit artikel het toe dat de aldus bepaalde duur tien jaar kan bedragen of even lang kan zijn als de duur van de overeenkomst, indien die korter is?

2)      Staan artikel 45 van richtlijn [2007/64], dat destijds van toepassing was en thans is overgenomen in artikel 55 van richtlijn [2015/2366], en de artikelen 9 tot en met 14 van richtlijn [2014/92], die betrekking hebben op het stimuleren van de bancaire mobiliteit en op de vergoedingen bij beëindiging van een betaalrekening, eraan in de weg dat het beëindigen van een rekening die de kredietnemer bij de kredietgever heeft geopend om daar zijn inkomsten te laten storten, als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel in het kader van een kredietovereenkomst, leidt tot verlies van dat voordeel indien de rekening wordt beëindigd vóór het verstrijken van de in die overeenkomst bepaalde periode, ook als de beëindiging meer dan een jaar na opening van de rekening plaatsvindt, en staat diezelfde bepaling eraan in de weg dat die periode tien jaar kan bedragen of even lang kan zijn als de volledige looptijd van het krediet?”

30.      De Franse regering, de Tsjechische regering en de Europese Commissie hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend. De Franse regering en de Commissie zijn verschenen op de pleitzitting van 18 december 2019.

IV.    Analyse

A.      Uitlegging van artikel 12, lid 2, onder a), en lid 3, van richtlijn 2014/17 (eerste vraag)

31.      Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17, dan wel artikel 12, lid 3, van deze richtlijn, een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding toestaat, op grond waarvan de kredietgever de kredietnemer, als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel, kan verplichten om al zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten op een betaalrekening te laten storten gedurende een in de kredietovereenkomst bepaalde periode, ongeacht het bedrag, de termijnen en de overeengekomen looptijd van de lening, en op grond waarvan het mogelijk is dat de aldus bepaalde duur tien jaar kan bedragen of even lang kan zijn als de duur van de overeenkomst, als die korter is.

32.      Richtlijn 2014/17 stelt een gemeenschappelijk kader vast voor bepaalde aspecten van de wettelijke bepalingen van de lidstaten inzake kredietovereenkomsten voor consumenten die gewaarborgd worden door een hypotheek, of ander krediet met betrekking tot onroerend goed voor bewoning(10), en beoogt te waarborgen dat consumenten die kredietovereenkomsten voor onroerende goederen sluiten, een hoog niveau van bescherming genieten(11).

33.      In dit verband bepaalt artikel 12, lid 1, van richtlijn 2014/17 dat de lidstaten gebundelde verkoop toestaan, maar koppelverkoop verbieden.(12)

34.      Hoewel koppelverkoop verboden is, staat artikel 12, lid 2, onder a), en lid 3, van richtlijn 2014/17 dit onder bepaalde voorwaarden toch toe. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, onder een van deze twee uitzonderingen kan vallen.

35.      In dit verband merk ik om te beginnen op dat richtlijn 2014/17 van toepassing is op situaties die vallen onder een regeling voor hypothecaire leningen als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling. Krachtens artikel 3, lid 1, onder b), van deze richtlijn is deze immers van toepassing op kredietovereenkomsten voor het verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten betreffende grond of een bestaand of gepland gebouw.

36.      Vervolgens merk ik op dat de prejudiciële vraag is gebaseerd op de premisse dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling koppelverkoop toestaat, aangezien de uitzonderingen van artikel 12, lid 2, onder a), en lid 3, van richtlijn 2014/17 enkel betrekking hebben op koppelverkoop.

37.      De Franse regering betoogt echter dat de litigieuze regeling betrekking heeft op gebundelde verkoop in de zin van richtlijn 2014/17, niet op koppelverkoop, en dat deze nationale regeling derhalve is toegestaan op grond van artikel 12, lid 1, van deze richtlijn. Die regering stelt dat de kredietgever verplicht is aan de consument zowel hypothecaire kredieten met verplichte storting van inkomsten op een bepaalde rekening aan te bieden – als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel dat bijvoorbeeld kan bestaan in een preferentiële rentevoet, lagere administratiekosten van de betaalrekening of lagere kosten van een bankpas – als hypothecaire kredieten zonder die verplichting. Met andere woorden, het hypothecaire krediet en de betaalrekening kunnen afzonderlijk worden verworven.(13)

38.      Op dit punt heeft de Conseil d’État in antwoord op het verzoek om verduidelijking van het Hof(14) opgemerkt, dat de vraag of de in artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht genoemde mogelijkheid om de lening afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de inkomsten op een bij de kredietgever geopende rekening worden gestort, aldus moet worden uitgelegd dat koppelverkoop of gebundelde verkoop in de zin van richtlijn 2014/17 wordt toegestaan, een vraag is „waarop de Conseil d’État moet antwoorden, na het antwoord van het Hof op de prejudiciële vraag”, en dat het „gaat om een ingewikkelde kwestie, omdat die nog niet in de rechtspraak aan de orde is geweest, ook niet in die van het Hof van Justitie met betrekking tot de strekking van de begrippen „koppelverkoop” en „gebundelde verkoop” in het Unierecht, maar ook gezien de in de praktijk waargenomen handelwijzen, waarover de nationale rechter zich dient te buigen”.

39.      De Conseil d’État heeft dus twijfels over de werkingssfeer van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling.(15)

40.      In dit verband wijs ik erop dat de werkingssfeer van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling relevant is voor het antwoord dat op de prejudiciële vraag moet worden gegeven.

41.      Gesteld dat de verwijzende rechter van oordeel is dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling koppelverkoop in de zin van richtlijn 2014/17 toestaat, dan kan die regeling krachtens deze richtlijn immers slechts worden toegestaan indien zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 12, lid 2, onder a), of artikel 12, lid 3, ervan. In een dergelijke situatie moet zeker worden nagegaan of deze twee bepalingen van toepassing zijn op het hoofdgeding. Indien de verwijzende rechter daarentegen van oordeel is dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling gebundelde verkoop in de zin van artikel 4, punt 27, van deze richtlijn betreft, is deze regeling als zodanig toegestaan op grond van artikel 12, lid 1, van deze richtlijn(16), dat, zoals gezegd, gebundelde verkoop toestaat.(17)

42.      Hieronder zal ik onderzoeken of de uitzonderingen van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 (deel 1) en artikel 12, lid 3, van deze richtlijn (deel 2) van toepassing zijn, ervan uitgaande dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling een koppelverkoop in de zin van artikel 4, punt 26, van die richtlijn toestaat.(18)

1.      Toepasselijkheid van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17

43.      Voor zover ik weet is artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 nog niet door het Hof beoordeeld.(19)

44.      Volgens deze bepaling kunnen de lidstaten kredietgevers toestaan consumenten te verzoeken een betaal- of spaarrekening te openen of aan te houden, waarvan het enige doel erin bestaat kapitaal op te bouwen om het krediet terug te betalen of af te lossen, middelen samen te voegen om het krediet te verkrijgen dan wel bijkomende zekerheid te verschaffen voor de kredietgever in geval van wanbetaling.

45.      In casu moet dus worden nagegaan of de in artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht bedoelde betaalrekening ziet op een van deze drie alternatieve doelen en, in voorkomend geval, of dit doel ook het enige doel is in de zin van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17.

46.      Zoals ik hieronder zal uiteenzetten, is dat volgens mij niet het geval. Ten eerste betwijfel ik of het doel van de in artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht bedoelde betaalrekening in overeenstemming is met de door artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 toegestane doelen van de rekening (afdeling a). Ten tweede blijkt hoe dan ook uit het dossier dat de in artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht bedoelde betaalrekening andere functies heeft dan die welke krachtens artikel 12, lid 2, onder a), van deze richtlijn zijn toegestaan, hetgeen mijns inziens in de weg staat aan de toepasselijkheid van deze bepaling (afdeling b).

a)      Doel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde betaalrekening

47.      Wat het doel van de betaalrekening in de zin van artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht betreft, ben ik, gelet op het dossier waarover het Hof beschikt, van mening dat de belanghebbende partijen uiteenlopende standpunten hebben.

48.      Om te beginnen stel ik namelijk vast dat de Franse regering ter terechtzitting subsidiair heeft opgemerkt(20) dat de nationale regeling, door toe te staan dat de consument een beding wordt opgelegd waarbij hij zijn inkomsten op een bij de kredietgever geopende betaalrekening laat storten, de kredietgever slechts toestaat te eisen dat een rekening wordt geopend waarvan het enige doel is om hem aanvullende garanties te bieden in geval van niet-betaling. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling zou met andere woorden betrekking hebben op de laatste van de drie in artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 genoemde doelen.

49.      Vervolgens herinner ik eraan dat de verwijzende rechter heeft gepreciseerd dat het begrip „betaalrekening” in de zin van artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht niet beperkt is tot betaalrekeningen die uitsluitend bestemd zijn voor de terugbetaling van een hypothecair krediet, maar ook de rekeningen omvat die kredietnemers gebruiken om dagelijkse betalingstransacties, zoals storting, overmaking en geldopname, uit te voeren.(21)

50.      Uit deze precisering van de verwijzende rechter kan dus worden opgemaakt dat de betaalrekening in de zin van artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht meerdere doelstellingen nastreeft, waarvan er slechts één is bedoeld in artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17, namelijk het opbouwen van kapitaal om het krediet af te lossen.

51.      Ten slotte merk ik op dat de Commissie heeft benadrukt dat het doel van artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht en van het feit dat de aanbieding afhankelijk wordt gemaakt van de eis dat de inkomsten van de kredietnemer op een betaalrekening bij de kredietgever worden gestort, is om de hypothecaire kredietnemer te beschermen tegen oneerlijke bedingen betreffende voornoemde eis, overeenkomstig de aanbeveling van een nationale commissie voor oneerlijke bedingen, die heeft geoordeeld dat dergelijke bedingen onevenredig kunnen lijken indien deze verplichting niet vergezeld gaat van een geïndividualiseerde tegenprestatie.

52.      Met deze opmerking lijkt de Commissie te suggereren dat de betaalrekening in de zin van artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht een andere doelstelling beoogt dan die welke in artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 worden genoemd.(22)

53.      Hoe dan ook vraag ik mij af hoe de betaalrekening in de zin van artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht een van de doelstellingen van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 kan nastreven en eveneens door kredietnemers kan worden gebruikt voor de uitvoering van betalingstransacties, met inbegrip van geldopname, zoals de verwijzende rechter heeft gepreciseerd. Voor zover de kredietnemers volledig over de betaalrekening beschikken, dat wil zeggen zonder bijzondere beperkingen, biedt de eis dat hun inkomsten op een dergelijke rekening worden gestort immers geen enkele garantie voor de kredietgevers met betrekking tot de terugbetaling van de aan die rekening gekoppelde lening.

54.      Dit brengt mij tot het vereiste dat de rekening slechts één doel in de zin van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 heeft.

b)      Vereiste van het „enige doel” in de zin van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17

55.      Staat de omstandigheid dat kredietnemers de betaalrekening in de zin van artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht kunnen gebruiken om betalingstransacties uit te voeren, niet in de weg aan de toepasselijkheid van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17, dat vereist dat een dergelijke rekening een van de drie in deze bepaling genoemde doelen als enige doel heeft?

56.      Op basis van een letterlijke, teleologische en contextuele uitlegging van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 ben ik met de Commissie van mening dat dit het geval is.

57.      Om te beginnen vereisen de bewoordingen van artikel 12, lid 2, onder a), van deze richtlijn immers dat de rekening uitsluitend een van de drie in deze bepaling genoemde doelen nastreeft.

58.      In dit verband blijkt duidelijk uit de bewoordingen waarin de eerste twee doelen zijn geformuleerd dat de betaalrekening enkel kan worden gebruikt om geldmiddelen op te bouwen of samen te voegen, hetgeen het opnemen van geld en het uitvoeren van transacties uitsluit. Het laatste in artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 genoemde doel houdt een overeenkomstige uitsluiting in, aangezien het betrekking heeft op „zekerheid [...] in geval van wanbetaling” voor kredietgevers. Een rekening die als zekerheid dient in geval van wanbetaling wordt per definitie niet geacht door de kredietnemers voor andere doeleinden te kunnen worden gebruikt.

59.      Vervolgens kan het gebruik van de betaalrekening voor het verrichten van betalingstransacties, zoals ik in punt 53 van deze conclusie heb uiteengezet, afbreuk doen aan de doelen van de betaalrekening als bedoeld in artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17, die de uitzondering op het verbod van koppelverkoop rechtvaardigen.

60.      Zoals blijkt uit de overwegingen 24 en 25 van richtlijn 2014/17, kan koppelverkoop immers afbreuk doen aan de mobiliteit van de consument en aan zijn vermogen om met kennis van zaken keuzes te maken. Daarom verbiedt deze richtlijn koppelverkoop in het algemeen en staat zij deze slechts toe in bepaalde welomschreven situaties waarin de Europese wetgever van mening was dat een dergelijk risico niet aanwezig is. Het toestaan van andere vormen van gebruik van de betaalrekening, zoals die waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling betrekking heeft, kan afbreuk doen aan het doel van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17.

61.      Ik ben het dus niet eens met het standpunt van de Franse regering, die ter terechtzitting heeft opgemerkt dat de uitsluiting van bepaalde vormen van gebruik van de rekening, zoals die waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling voorziet, erop neerkomt dat het gebruik door de consument van zijn betaalrekening zonder reden wordt beperkt, waardoor diens belangen worden geschonden.

62.      Ik wijs er in dit verband op dat in de praktijk uit de door mij voorgestelde uitlegging voortvloeit dat kredietgevers verplicht zijn om de inkomsten die verplicht op de betaalrekening moeten worden gestort, te beperken tot het deel van de inkomsten dat nodig is om de lening af te lossen, om het krediet te verkrijgen of om de kredietgever bijkomende zekerheid te verschaffen in geval van wanbetaling. Deze beperking is gunstig voor de bankmobiliteit van de consument, aangezien deze hierdoor de rest van zijn inkomsten kan onderbrengen bij andere kredietinstellingen dan die van de hypothecaire kredietverstrekker.  

63.      Ten slotte vindt de door mij voorgestelde uitlegging steun in een contextuele uitlegging van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17.

64.      Ik herinner er namelijk aan dat artikel 12, lid 2, onder a), van deze richtlijn een uitzondering vormt op het verbod van koppelverkoop in artikel 12, lid 1, van deze richtlijn en dat het derhalve strikt moet worden uitgelegd.(23)

65.      Bovendien wordt de door mij voorgestelde uitlegging gesteund door de wijze waarop richtlijn 2014/17 zich verhoudt tot richtlijn 2014/92 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties.

66.      Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, valt een betaalrekening die kan worden gebruikt voor geldopname immers onder de regels van richtlijn 2014/92 betreffende het overstappen naar een andere rekening. Een rekening die uitsluitend bestemd is voor de aflossing van een lening is daarentegen uitdrukkelijk uitgesloten van de werkingssfeer van deze regeling(24), naar ik veronderstel omdat een dergelijke rekening is toegestaan als koppelverkoop op grond van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17.

67.      Uit het voorgaande volgt dat artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover die regeling koppelverkoop in de zin van artikel 4, punt 26, van die richtlijn toestaat, hetgeen de verwijzende rechter in het hoofdgeding dient na te gaan.

2.      Toepasselijkheid van artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/17

68.      Artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/17 vereist dat de kredietgever aan zijn bevoegde autoriteit kan aantonen dat de koppelverkoop een duidelijk voordeel voor de consument biedt. Bovendien stelt deze bepaling vast hoe dit moet worden nagegaan: bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de beschikbaarheid en de prijzen van dergelijke producten op de markt.

69.      In dit verband merk ik op dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof voor de omzetting van een bepaling van een richtlijn in nationaal recht niet is vereist dat deze bepaling formeel en letterlijk wordt overgenomen in een uitdrukkelijke en specifieke wettelijke bepaling, en dat een algemene juridische context daartoe voldoende kan zijn. Die context moet evenwel daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze verzekeren. Elke lidstaat moet aan richtlijnen immers uitvoering geven op een wijze die ten volle voldoet aan de door de Europese wetgever gestelde vereisten van rechtsduidelijkheid en rechtszekerheid, in het belang van de in de lidstaten gevestigde betrokken personen. Daartoe moeten de bepalingen van een richtlijn worden uitgevoerd met een onbetwistbare dwingende kracht en met de vereiste specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid.(25)

70.      Wat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling betreft, stel ik vast dat uit deze regeling niet blijkt dat het geïndividualiseerde voordeel moet worden beoordeeld in het licht van de beschikbaarheid en de prijs van de andere op de markt aangeboden producten. Overigens blijkt uit de opmerkingen van de Franse regering dat het in de hypotheekovereenkomst opgenomen beding inzake de verplichte storting van inkomsten op een rekening bij de kredietgever voortvloeit uit vrije onderhandelingen tussen de kredietgever en de consument.

71.      Vanuit dit oogpunt ben ik van mening, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, dat deze regeling niet met de vereiste specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid waarborgt dat het geïndividualiseerde voordeel voor de consument duidelijke voordelen biedt ten opzichte van de prijs van de andere op de markt aangeboden producten.(26) Dit geldt temeer daar artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/17 een uitzondering vormt op het verbod van koppelverkoop en dus strikt moet worden uitgelegd.(27)

72.      Hieruit volgt dat artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat het zich eveneens verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, voor zover deze regeling koppelverkoop toestaat in de zin van artikel 4, punt 26, van deze richtlijn, hetgeen de verwijzende rechter in het hoofdgeding dient na te gaan.

B.      Uitlegging van artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64, artikel 55, lid 2, van richtlijn 2015/2366 en artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/92 (tweede vraag)

73.      Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, ten eerste, artikel 45 van richtlijn 2007/64 en artikel 55 van richtlijn 2015/2366, dat de eerstgenoemde bepaling met ingang van 13 januari 2018 heeft vervangen, en, ten tweede, de artikelen 9 tot en met 14 van richtlijn 2014/92 zich verzetten tegen een nationale regeling, op grond waarvan het beëindigen van een rekening die de kredietnemer bij de kredietgever heeft geopend om daar zijn inkomsten te laten storten, als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel in het kader van een kredietovereenkomst, leidt tot verlies van dat voordeel indien de rekening wordt beëindigd vóór het verstrijken van de in die overeenkomst bepaalde periode, ook als de beëindiging meer dan een jaar na opening van de rekening plaatsvindt, en of die bepalingen zich ertegen verzetten dat die periode tien jaar kan bedragen of even lang kan zijn als de volledige looptijd van het krediet.

74.      De verwijzende rechter heeft niet gepreciseerd welke aspecten van bovengenoemde bepalingen hem ertoe hebben gebracht te twijfelen over de uitlegging ervan.

75.      Uit de formulering van de prejudiciële vraag blijkt evenwel dat er wordt gepreciseerd dat de betrokken Unierechtelijke bepalingen betrekking hebben op „de kosten voor beëindiging van een betaalrekening” en dat er wordt aangegeven dat de betrokken nationale regeling onder bepaalde voorwaarden toestaat dat een geïndividualiseerd voordeel verdwijnt bij beëindiging van een rekening.

76.      Ik begrijp de prejudiciële vraag dan ook in die zin dat de Conseil d’État in wezen wenst te vernemen of een dergelijk verlies van het geïndividualiseerde voordeel kosten vormt voor de beëindiging van een betaalrekening in de zin van de richtlijnen 2007/64, 2015/2366 en 2014/92, en, in voorkomend geval, of de omstandigheden van dat verlies voldoen aan de voorwaarden die deze richtlijnen daaraan stellen.

77.      Daarom vat ik deze prejudiciële vraag, ook al heeft haar formulering betrekking op artikel 45 van richtlijn 2007/64 en artikel 55 van richtlijn 2015/2366 in hun geheel, alsook op alle bepalingen van de artikelen 9 tot en met 14 van richtlijn 2014/92, aldus op dat zij in werkelijkheid betrekking heeft op artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64, dat is vervangen door artikel 55, lid 2, van richtlijn 2015/2366, en op artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/92, die betrekking hebben op de kosten bij beëindiging van een rekening.

78.      Derhalve moet worden nagegaan of deze bepalingen zich verzetten tegen een regeling als die waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft.

79.      In dit verband stel ik vast dat, in tegenstelling tot de eerste prejudiciële vraag, die is gebaseerd op de premisse dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling koppelverkoop in de zin van richtlijn 2014/17 toestaat(28), de tweede vraag niet even duidelijk aangeeft of zij ook op die premisse is gebaseerd. Gezien de formulering van de tweede vraag lijkt het mij echter dat de betrokken regeling betrekking heeft op gebundelde verkoop in de zin van richtlijn 2014/17.(29) Vanuit dat oogpunt zal ik de tweede prejudiciële vraag dan ook onderzoeken.(30)

80.      Wat in de eerste plaats richtlijn 2007/64 betreft, die de betalingsdiensten in de interne markt harmoniseert, lijkt deze richtlijn mij in casu van toepassing te zijn.(31)

81.      Artikel 45 van richtlijn 2007/64 maakt deel uit van hoofdstuk 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Raamcontracten”, dat van toepassing is op betalingstransacties die onder een raamcontract vallen.(32)

82.      In deze context bepaalt artikel 45, met als opschrift „Opzegging”, in lid 1 dat de betalingsdienstgebruiker het raamcontract te allen tijde kan beëindigen, tenzij door de partijen een opzegtermijn is overeengekomen, die niet langer mag zijn dan een maand. Lid 2 voegt hieraan toe dat de beëindiging van een dergelijke overeenkomst met een looptijd van meer dan twaalf maanden of voor onbepaalde duur na twaalf maanden voor de gebruiker geen kosten mag meebrengen. Deze bepaling beoogt de mobiliteit van cliënten te vergemakkelijken.(33)

83.      In casu moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, indien zij gebundelde verkoop in de zin van richtlijn 2014/17 toestaat, de voorwaarden voor een geïndividualiseerd voordeel met betrekking tot het verkrijgen van een lening vaststelt.

84.      Het verlies van het voordeel is dus het gevolg van de toepassing van een beding in de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst, dat de toekenning van dat voordeel afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de kredietnemer zijn loon en inkomsten op een bepaalde rekening laat storten.

85.      Zoals de Franse en de Tsjechische regering en de Commissie in dit verband betogen, is het verlies van dit voordeel slechts het gevolg van het niet meer laten storten van de inkomsten op een bepaalde rekening, en vormt het dus geen kosten voor beëindiging van een raamcontract in de zin van artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64.

86.      Bovenstaande opmerkingen gelden ook voor artikel 55, lid 2, van richtlijn 2015/2366, dat, wat het hoofdgeding betreft, dezelfde werkingssfeer heeft als richtlijn 2007/64.(34) Deze bepaling is in wezen identiek aan artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64, behalve dat de betrokken periode van twaalf tot zes maanden is verkort.

87.      Wat in de tweede plaats richtlijn 2014/92 betreft; deze vormt een aanvulling op de richtlijnen 2007/64 en 2015/2366 doordat zij onder meer regels vaststelt betreffende het overstappen naar een andere betaalrekening in een lidstaat en regels ter vergemakkelijking van het grensoverschrijdend openen van een betaalrekening voor consumenten.(35)

88.      In dit verband zorgen de lidstaten er krachtens artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/92 voor dat eventuele vergoedingen die de consument door de overdragende betalingsdienstaanbieder in rekening worden gebracht voor het beëindigen van de betaalrekening, worden bepaald in overeenstemming met artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64 en artikel 55, lid 2, van richtlijn 2015/2366.(36)

89.      Richtlijn 2014/92 is krachtens artikel 1, lid 6, uitgelegd in het licht van overweging 12 ervan, van toepassing op een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.(37)

90.      Gelet op hetgeen hierboven is opgemerkt over artikel 55, lid 2, van richtlijn 2014/92 en artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64, moet worden vastgesteld dat het verlies van het voordeel geen kosten voor beëindiging van de betaalrekening vormt in de zin van richtlijn 2014/92.

91.      Uit het voorgaande volgt dat artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64, artikel 55, lid 2, van richtlijn 2015/2366 en artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/92 zich niet verzetten tegen een regeling als die waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft.

V.      Conclusie

92.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de Conseil d’État te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan koppelverkoop in de zin van artikel 4, punt 26, van deze richtlijn mogelijk is, waarbij de kredietgever de kredietnemer, als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel, kan verplichten om al zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten gedurende een door de kredietovereenkomst bepaalde termijn, op een betaalrekening te laten storten, voor zover die rekening door de kredietnemer kan worden gebruikt voor dagelijkse betalingstransacties zoals storting, overmaking en geldopname.

Artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/17 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan koppelverkoop in de zin van artikel 4, punt 26, van deze richtlijn mogelijk is, voor zover die regeling niet waarborgt dat de koppelverkoop voor de consument duidelijke voordelen oplevert, noch dat bij die beoordeling naar behoren rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid en de prijs van de op de markt aangeboden producten in kwestie.

2)      Artikel 45, lid 2, van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG, artikel 55, lid 2, van richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG, alsmede artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties, dienen aldus te worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling, op grond waarvan het beëindigen van een rekening die de kredietnemer bij de kredietgever heeft geopend om daarop zijn inkomsten te laten storten, als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel in het kader van een kredietovereenkomst, leidt tot verlies van dat voordeel indien de rekening wordt beëindigd vóór het verstrijken van de in die overeenkomst bepaalde periode, ook als de beëindiging meer dan een jaar na opening van de rekening plaatsvindt, en waarbij die periode tien jaar kan bedragen of even lang kan zijn als de volledige looptijd van het krediet.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34, met rectificaties in PB 2015, L 246, blz. 11, en PB 2017, L 166, blz. 82).


3      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1, met rectificatie in PB 2009, L 187, blz. 5).


4      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG (PB 2015, L 337, blz. 35, met rectificatie in PB 2018, L 102, blz. 97).


5      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB 2014, L 257, blz. 214).


6      Krachtens artikel 114 van richtlijn 2015/2366 geldt elke verwijzing naar richtlijn 2007/64 als een verwijzing naar richtlijn 2015/2366. Bijgevolg verwijst artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/92 vanaf 13 januari 2018 naar artikel 55, leden 2, 4 en 6, van richtlijn 2015/2366, dat in de plaats is gekomen van artikel 45, leden 2, 4 en 6, van richtlijn 2007/64.


7      L. 312‑1‑2 van het monetair en financieel wetboek, aangehaald in punt 14 van deze conclusie, bevat in wezen een verbod op koppelverkoop in de zin van artikel 4, punt 26, van richtlijn 2014/17 en een toestemming voor gebundelde verkoop in de zin van artikel 4, punt 27, van deze richtlijn. Zie dienaangaande voetnoot 15 van deze conclusie.


8      Antwoord van 23 oktober 2019 op het verzoek om verduidelijking van het Hof van 26 september 2019.


9      De verwijzende rechter heeft in zijn antwoord op het verzoek van het Hof om verduidelijking (zie voetnoot 8 van deze conclusie) gepreciseerd dat uitvoeringsbesluit nr. 2017‑1090 van 1 juni 2017 is ingetrokken bij artikel 206, punt XV, van loi n° 2019‑486 du 22 mai 2019 relative à la croissance et à la transformation des entreprises (wet nr. 2019‑486 van 22 mei 2019 betreffende de groei en de transformatie van ondernemingen), maar dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit niettemin is toegepast, zodat de aan het Hof voorgelegde vragen relevant blijven.


10      Artikel 1 van richtlijn 2014/17.


11      Overweging 15 van richtlijn 2014/17.


12      De begrippen „koppelverkoop” en „gebundelde verkoop” worden gedefinieerd in artikel 4, punt 26, respectievelijk punt 27, van richtlijn 2014/17. Zie voor deze definities punt 8 van deze conclusie.


13      Hoewel de werkingssfeer van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling valt onder de uitlegging van het nationale recht, waarvoor de nationale rechter verantwoordelijk is (zie met name arresten van 26 september 2000, Mayeur, C‑175/99, EU:C:2000:505, punt 22; 1 juni 2006, innoventif, C‑453/04, EU:C:2006:361, punt 29, en 8 juli 2010, Sjöberg en Gerdin, C‑447/08 en C‑448/08, EU:C:2010:415, punt 54), erken ik, gelet op het dossier waarover het Hof beschikt, dat het standpunt van de Franse regering mij op het eerste gezicht overtuigend voorkomt. In het bijzonder blijkt uit de bewoordingen van artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht dat kredietinstellingen een kredietaanbieding afhankelijk kunnen stellen van de eis dat de kredietnemer zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten laat storten op een betaalrekening als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel.  In dat verband wijs ik erop dat, voor zover die eis en daarmee het hebben van een betaalrekening geen voorwaarde is voor het verkrijgen van het krediet op zich maar uitsluitend voor het verkrijgen van het individuele voordeel, het in mijn ogen gaat om een gebundelde verkoop in de zin van artikel 4, punt 27, van richtlijn 2014/17. In dit geval vormt de lening namelijk de kredietovereenkomst, terwijl de betaalrekening het andere financiële product in de zin van artikel 4, punt 27, van richtlijn 2014/17 vormt. In ruil voor die eis dat de inkomsten op een betaalrekening bij de kredietgever worden gestort, wordt de kredietovereenkomst aangeboden „onder andere voorwaarden” in de zin van die bepaling, namelijk in de vorm van een geïndividualiseerd voordeel.


14      Zie voetnoot 8 van deze conclusie.


15      In deze context wijs ik er ten eerste op dat uit het antwoord op het verzoek om verduidelijking van het Hof (zie voetnoot 8 van deze conclusie) volgt dat de verwijzende rechter twijfels heeft op dit punt, niettegenstaande het feit dat het nationale rechtskader waarop het bestreden uitvoeringsbesluit is gebaseerd, namelijk artikel 67 van loi n° 2016‑1691, vereist dat artikel L. 312‑1‑2 van het monetair en financieel wetboek wordt nageleefd, welk artikel volgens de Conseil d’État gebundelde verkoop in de zin van artikel 4, punt 27, van richtlijn 2014/17 toestaat en koppelverkoop in de zin van artikel 4, punt 26, van diezelfde richtlijn verbiedt. In dit verband stel ik ten tweede vast dat de twijfels van de verwijzende rechter over de strekking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met name lijken voort te vloeien uit het feit dat kredietinstellingen het verkrijgen van de lening in de praktijk afhankelijk kunnen stellen van een beding inzake het laten storten van de inkomsten bij hen en dus van de verkrijging van een betaalrekening, hetgeen koppelverkoop vormt. In zijn antwoord op het verzoek om verduidelijking van het Hof haalt de Conseil d’État, onder verwijzing naar een verslag van januari 2019 over het laten storten van inkomsten op een betaalrekening, dat is opgesteld door de voorzitter van de comité consultatif du secteur financier (adviescommissie voor de financiële sector) op verzoek van de minister van Economie en Financiën, namelijk twee belanghebbenden aan die dit standpunt innemen. De vertegenwoordigers van de tussenpersonen zijn van mening dat „de tegenprestatie in werkelijkheid geen tegenprestatie is, aangezien de tot dusver waargenomen gevallen tot stand komen door het standaardtariefschema aan te merken als zijnde ,met verplichte storting van inkomsten op een bepaalde rekening’, en de toevoeging van een ander schema met veel slechtere voorwaarden dat ,zonder verplichte storting van inkomsten op een bepaalde rekening’ wordt genoemd, of de toevoeging van een zeer hoog rentepercentage.  Ook de vertegenwoordigers van particuliere klanten betogen dat „het openen van een bankrekening en het afnemen van diverse producten (pakketten, auto- en woningverzekering) vaak een voorwaarde zijn voor de verlening van hypothecair krediet”. Ik voeg hieraan toe dat de kredietinstellingen daarentegen aangeven dat de klant er altijd voor kan kiezen om zijn inkomsten niet op een rekening van die instelling te laten storten en dus aan het geïndividualiseerde voordeel te verzaken. Mijns inziens moet echter een onderscheid worden gemaakt tussen de kwestie van de eventuele niet-naleving van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling door de kredietinstellingen en de vraag naar de verenigbaarheid van die regeling als zodanig met het Unierecht.


16      Ik merk evenwel op dat de Commissie ter terechtzitting heeft benadrukt dat overweging 24 van richtlijn 2014/17 een precisering bevat met betrekking tot de werkingssfeer van de in artikel 12, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde toestemming voor gebundelde verkoop. Die overweging preciseert dat het niet dienstig is de gebundelde verkoop van producten, die gunstig kan zijn voor de consument, aan banden te leggen, maar dat de lidstaten niettemin nauwlettend moeten blijven toezien op de detailhandelsmarkt voor financiële diensten, teneinde te waarborgen dat praktijken aangaande gebundelde verkoop de keuze van de consument niet inperken en de concurrentie op de markt niet verstoren. Bijgevolg moet de toestemming voor een dergelijke verkoop altijd worden gegeven in het belang van de consument en de vrije mededinging, en dient de wetgever in deze context situaties te voorkomen die in strijd zijn met de belangen van de consument.


17      Aangezien de prejudiciële vraag daardoor irrelevant zou zijn, wijs ik er volledigheidshalve op dat de gestelde vraag toch ontvankelijk is. Immers, met name omdat niet kan worden uitgesloten dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling als koppelverkoop wordt gekwalificeerd, moet worden geoordeeld dat het antwoord op de gestelde vraag nuttig is voor de verwijzende rechter voor de beslechting van het hoofdgeding en dat de vraag bijgevolg ontvankelijk is. Zie in die zin met name arresten van 27 oktober 1993, Enderby (C‑127/92, EU:C:1993:859, punten 11 en 12); 7 december 2010, VEBIC (C‑439/08, EU:C:2010:739, punten 44 tot en met 48), en 2 mei 2019, A-Fonds (C‑598/17, EU:C:2019:352, punten 34 tot en met 40).


18      Overeenkomstig de definitie van koppelverkoop in de zin van artikel 4, punt 26, van richtlijn 2014/17 houdt dit in dat de kredietovereenkomst niet los van de betaalrekening aan de consument wordt aangeboden en dat de verplichting om de inkomsten op die rekening te laten storten dus een voorwaarde is voor het verkrijgen van het krediet.


19      Ik wijs erop dat de bepaling van artikel 12 van richtlijn 2014/17 geen deel uitmaakte van het door de Commissie ingediende voorstel voor een richtlijn, COM(2011) 142 definitief, maar is ingevoegd bij de eerste lezing door het Europees Parlement.


20      Ik herinner eraan dat de Franse regering primair betoogt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling gebundelde verkoop mogelijk maakt (zie punt 37 van deze conclusie).


21      Zie punt 21 van deze conclusie.


22      In dit verband merk ik ook op dat uit het rapport van januari 2019 over verplichte storting van inkomsten dat is opgesteld door de voorzitster van de adviescommissie voor de financiële sector op verzoek van de minister van Economische Zaken en Financiën, waarnaar de verwijzende rechter verwijst in zijn antwoord op het verzoek om verduidelijking, blijkt dat „verplichte storting van de inkomsten in het bijzonder een nuttige aanvullende garantie kan vormen bij de beoordeling van de kredietaanvraag”. Uit deze opmerking kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de vraag of de betrokken regeling een van de in artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17 genoemde doelstellingen nastreeft.


23      Zie in die zin met name arrest van 10 september 2014, Kušionová (C‑34/13, EU:C:2014:2189, punt 77).


24      Artikel 1, lid 6, van richtlijn 2014/92, gelezen in samenhang met overweging 12 van deze richtlijn.


25      Zie in dit verband met name arrest van 4 juni 2009, SALIX Grundstücks-Vermietungsgesellschaft (C‑102/08, EU:C:2009:345, punten 40‑42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ik benadruk dat deze rechtspraak ook van toepassing is wanneer het gaat om de omzetting van een facultatieve uitzondering, zoals artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/17. Zie in die zin met name arrest van 21 oktober 2010, Accardo e.a. (C‑227/09, EU:C:2010:624, punt 55).


26      Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling vereist dat de aanbieding het mogelijk maakt het geïndividualiseerde voordeel te identificeren door vermelding van de voorwaarden, de rente of andere elementen op basis waarvan deze is vastgesteld, en die door de kredietgever zouden worden toegepast indien de kredietnemer niet langer zijn inkomsten zou laten storten op een bepaalde rekening (artikel L. 313‑25 van het wetboek consumentenrecht).


27      Zie dienaangaande voetnoot 23 van deze conclusie.


28      Zie punt 36 van deze conclusie.


29      Voor zover de beëindiging van een rekening die de kredietnemer bij de kredietgever heeft geopend om er zijn inkomsten op te laten storten als tegenprestatie voor een geïndividualiseerd voordeel, slechts het verlies van dat voordeel met zich meebrengt, gaat het mijns inziens namelijk om een gebundelde verkoop in de zin van richtlijn 2014/17; zie voetnoot 13 van deze conclusie.


30      Aangezien uit mijn antwoord op de eerste prejudiciële vraag volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling op grond van richtlijn 2014/17 verboden is, voor zover deze regeling koppelverkoop in de zin van deze richtlijn toestaat, is het bovendien overbodig om ook de verenigbaarheid van deze regeling met de in de tweede prejudiciële vraag genoemde bepalingen te onderzoeken.


31      Volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2007/64, is deze richtlijn van toepassing op „betalingsdiensten” uitgevoerd in de Europese Unie. Het begrip „betalingsdiensten” wordt in artikel 4, punt 3, van de richtlijn gedefinieerd als elke bedrijfswerkzaamheid als vermeld in de bijlage. Punt 1 van de bijlage verwijst naar „[d]iensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten op een betaalrekening te plaatsen alsook alle verrichtingen die voor het exploiteren van een betaalrekening vereist zijn”.


32      Artikel 40 van richtlijn 2007/64. Een raamcontract wordt in artikel 4, punt 12, van deze richtlijn gedefinieerd als een betalingsdienstencontract dat de toekomstige uitvoering beheerst van afzonderlijke en opeenvolgende betalingstransacties en dat de verplichtingen en voorwaarden voor de opening van een betaalrekening kan omvatten.


33      Zie overweging 29 van richtlijn 2007/64.


34      Zie artikel 2, lid 1, van richtlijn 2015/2366, gelezen in samenhang met artikel 4, punt 3, van deze richtlijn en de bijlage erbij.


35      Zie overweging 2 van richtlijn 2014/92 en artikel 1 van deze richtlijn.


36      Zie voetnoot 6 van deze conclusie.


37      Ik herinner er namelijk aan dat het begrip „betaalrekening” in de zin van artikel L. 313‑25‑1 van het wetboek consumentenrecht ook slaat op rekeningen die kredietnemers gebruiken om dagelijkse betalingstransacties uit te voeren. In dit verband preciseert overweging 12 van richtlijn 2014/92, aangehaald in punt 10 van deze conclusie, de werkingssfeer van de richtlijn zoals bepaald in artikel 1, lid 6. Uit deze precisering vloeit in wezen voort dat de richtlijn van toepassing is op een betaalrekening die uitsluitend bestemd is voor de aflossing van een hypothecair krediet, wanneer die rekening ook wordt gebruikt voor dagelijkse betalingstransacties.