Language of document : ECLI:EU:C:2020:142

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

3 maart 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel – Artikel 2, lid 2 – Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel – Geen toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit – Voorwaarden – Strafbaar feit waarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste drie jaar – Wijziging van de strafwetgeving van de uitvaardigende lidstaat tussen de datum van de feiten en de datum van uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel – Versie van de wet die in aanmerking moet worden genomen ter toetsing van de drempel van een maximumstraf van ten minste drie jaar”

In zaak C‑717/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het hof van beroep te Gent (België) bij beslissing van 7 november 2018, ingekomen bij het Hof op 15 november 2018, in de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen

X,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, E. Regan, P. G. Xuereb, L. S. Rossi (rapporteur) en I. Jarukaitis, kamerpresidenten, M. Ilešič, J. Malenovský, L. Bay Larsen, T. von Danwitz, C. Toader, K. Jürimäe en C. Lycourgos, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 september 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Procureur-generaal, vertegenwoordigd door I. De Tandt,

–        X, vertegenwoordigd door S. Bekaert en P. Bekaert, advocaten, en G. Boye, abogado,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Van Lul, C. Pochet en J.‑C. Halleux als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Sampol Pucurull, vervolgens door S. Centeno Huerta als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en R. Troosters als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 november 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in België van een Europees aanhoudingsbevel dat de Audiencia Nacional (nationaal hof, Spanje) heeft uitgevaardigd tegen X.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 5 en 6 van kaderbesluit 2002/584 luiden als volgt:

„(5)      De opdracht van de [Europese] Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks‑ als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

(6)      Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.”

4        Artikel 2 van dit kaderbesluit, met het opschrift „Toepassingsgebied van het Europees aanhoudingsbevel”, luidt:

„1.      Een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of een maatregel is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden.

2.      Tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel kunnen leiden, onder de voorwaarden van dit kaderbesluit en zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit, de navolgende feiten, indien daarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat:

–        [...],

–        terrorisme,

–        [...]

[...]

4.      Ten aanzien van andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde strafbare feiten kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat het Europees aanhoudingsbevel berust op een naar het recht van de uitvoerende lidstaat strafbaar feit, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan.”

5        In artikel 8 van dit kaderbesluit, met het opschrift „Inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel”, is in lid 1 het volgende bepaald:

„In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:

[...]

f)      de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;

[...]”

6        Artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 luidt als volgt:

„Europese aanhoudingsbevelen worden met spoed behandeld en ten uitvoer gelegd.”

7        De bijlage bij dit kaderbesluit bevat een model van een Europees aanhoudingsbevel. Volgens rubriek c) van dit model hebben de „[g]egevens betreffende de duur van de straf”, zoals verwoord in punt 1 onder deze rubriek, betrekking op de „maximumduur van de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die voor het strafbare feit/de strafbare feiten kan worden opgelegd” en, zoals verwoord in punt 2 van deze rubriek c), op de „[d]uur van de opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel”.

8        In dit model is tevens onder rubriek e), met het opschrift „Strafbare feiten”, bepaald dat informatie moet worden verstrekt over de strafbare feiten waarop het Europees aanhoudingsbevel „betrekking [heeft]” en met name een „[b]eschrijving” moet worden gegeven „van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd/de strafbare feiten zijn gepleegd, met inbegrip van het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit/de strafbare feiten”.

 Spaans recht

9        Artikel 578 van de Código Penal (wetboek van strafrecht) in de versie die van toepassing was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, stelde op verheerlijking van terrorisme en vernedering van de slachtoffers ervan een gevangenisstraf van maximaal twee jaar.

10      Op 30 maart 2015 is artikel 578 van dit wetboek gewijzigd. Sindsdien wordt dat strafbare feit bestraft met in het bijzonder een gevangenisstraf van maximaal drie jaar.

 Hoofdgeding en de prejudiciële vragen

11      Bij arrest van 21 februari 2017 heeft de Audiencia Nacional X veroordeeld tot de maximale gevangenisstraf van twee jaar, met name wegens tussen 1 januari 2012 en 31 december 2013 begane feiten die in artikel 578 van de Código Penal, zoals van toepassing op het moment van deze feiten, strafbaar werden gesteld met de delictomschrijving verheerlijking van terrorisme en vernedering van de slachtoffers ervan. Dit arrest is onherroepelijk geworden aangezien de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij arrest van 15 februari 2018 de ertegen ingestelde hogere voorziening heeft verworpen.

12      Omdat X vanuit Spanje naar België was vertrokken, heeft de Audiencia Nacional op 25 mei 2018 een Europees aanhoudingsbevel – en op 27 juni 2018 een aanvullend Europees aanhoudingsbevel – tegen hem uitgevaardigd wegens het strafbare feit „terrorisme” in de zin van artikel 2, lid 2, tweede streepje, van kaderbesluit 2002/584, met het oog op de uitvoering van de straf die deze rechterlijke instantie in haar arrest van 21 februari 2017 had opgelegd.

13      De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (België), heeft als uitvoerende rechterlijke autoriteit nagegaan of het betrokken strafbare feit naar Spaans recht werd bestraft met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar, en dus overeenkomstig artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 kon leiden tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit. Zij is daarbij uitgegaan van artikel 578 van de Código Penal in de versie die van toepassing was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding. Nadat deze rechterlijke instantie had vastgesteld dat er geen sprake was van dubbele strafbaarheid van het feit, heeft zij bij beschikking van 17 september 2018 de tenuitvoerlegging van het aanvullend Europees aanhoudingsbevel van 27 juni 2018 geweigerd.

14      Het hof van beroep te Gent, bij welke rechterlijke instantie de Procureur-generaal hoger beroep tegen deze beschikking heeft ingesteld, vraagt zich af welke versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling of is voldaan aan de voorwaarde betreffende de drempel van een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaar waarin artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 voorziet. Deze rechterlijke instantie is van mening dat de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, gelet op artikel 578 van de Código Penal in de versie die van kracht was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, terecht de dubbele strafbaarheid van het feit heeft getoetst en op goede gronden heeft geweigerd het aanvullend Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, aangezien deze versie van artikel 578 van dit wetboek voorzag in een gevangenisstraf van maximaal twee jaar. Indien echter de versie van dit artikel in aanmerking moet worden genomen die van kracht was ten tijde van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, dan moet, zo merkt deze rechterlijke instantie op, worden geoordeeld dat de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de dubbele strafbaarheid van het feit niet had mogen toetsen en dat deze rechtbank dus niet had mogen weigeren het aanvullend Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, aangezien in deze nieuwe versie van dit artikel inmiddels een gevangenisstraf van maximaal drie jaar is bepaald.

15      In deze omstandigheden heeft het hof van beroep te Gent de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Laat artikel 2.2. van het Kaderbesluit [2002/584], zoals omgezet in Belgisch recht door middel van de [wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel (Belgisch Staatsblad, 22 december 2003, blz. 60075)], toe dat voor de beoordeling door de uitvoerende lidstaat van de daarin opgelegde maximale minimale strafdrempel van drie jaar beroep wordt gedaan op de strafwet die in de uitvaardigende lidstaat van toepassing is op het ogenblik van het uitvaardigen van het Europees aanhoudingsbevel?

2)      Laat artikel 2.2. van het Kaderbesluit [2002/584], zoals omgezet in Belgisch recht door middel van [deze wet van 19 december 2003], toe dat voor de beoordeling door de uitvoerende lidstaat van de daarin opgelegde maximale minimale strafdrempel van drie jaar beroep wordt gedaan op een op het ogenblik van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel geldende strafwet die de strafmaat verzwaarde, dit in vergelijking met de strafwet die geldig was in de uitvaardigende lidstaat op het ogenblik van de feiten?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

16      Met zijn prejudiciële vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit bij het onderzoek of op het strafbare feit waarvoor een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat, de versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking moet nemen die van toepassing was op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de zaak waarin het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd dan wel de versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat die van kracht was ten tijde van de uitvaardiging van dit aanhoudingsbevel.

17      Voor de beantwoording van deze vragen zij erop gewezen dat volgens artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 de in deze bepaling opgesomde strafbare feiten tot overlevering kunnen leiden, onder de voorwaarden van dit kaderbesluit en zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit, indien daarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat.

18      Uit deze bepaling blijkt dus dat de omschrijving van deze strafbare feiten en de toepasselijke straffen die van het recht „van de uitvaardigende lidstaat” zijn (arrest van 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld, C‑303/05, EU:C:2007:261, punt 52).

19      De bewoordingen van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 geven evenwel niet aan welke versie van dit recht de uitvoerende rechterlijke autoriteit in aanmerking moet nemen om na te gaan of is voldaan aan de in deze bepaling opgenomen voorwaarde betreffende de drempel van een maximumstraf van ten minste drie jaar wanneer dit recht is gewijzigd tussen de datum waarop de feiten zich voordeden die aanleiding hebben gegeven tot de zaak waarin het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en de datum van uitvaardiging of zelfs tenuitvoerlegging van dit aanhoudingsbevel.

20      Anders dan de Belgische en Spaanse regering en de Procureur-generaal aanvoeren, kan de omstandigheid dat in artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 de tegenwoordige tijd van de aantonende wijs is gebruikt, niet tot de slotsom leiden dat hiertoe de versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking moet worden genomen die van kracht is ten tijde van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel. Zoals de advocaat-generaal in de punten 33 en 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt immers om te beginnen de tegenwoordige tijd van de aantonende wijs in wet‑ en regelgeving gewoonlijk gebruikt om uit te drukken dat een bepaling een verplichting bevat, en heeft voorts dit artikel 2, lid 2, zowel betrekking op Europese aanhoudingsbevelen die zijn uitgevaardigd ten behoeve van vervolging, en die dus zijn uitgevaardigd op een moment waarop het betrokken strafbare feit nog niet was bestraft, als op Europese aanhoudingsbevelen die zijn uitgevaardigd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Uit het gebruik van de tegenwoordige tijd van de aantonende wijs in deze bepaling kan dus geen aanwijzing worden afgeleid over de versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat die relevant is wat de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling betreft.

21      In deze omstandigheden moet volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 19 december 2013, Koushkaki, C‑84/12, EU:C:2013:862, punt 34; 16 november 2016, Hemming e.a., C‑316/15, EU:C:2016:879, punt 27, en 25 januari 2017, Vilkas, C‑640/15, EU:C:2017:39, punt 30).

22      Wat in de eerste plaats de context van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 betreft, moet worden opgemerkt dat bedoeld artikel 2, zoals het opschrift ervan aangeeft, het toepassingsgebied van het Europees aanhoudingsbevel definieert. Volgens artikel 2, lid 1, van dit kaderbesluit kan „een Europees aanhoudingsbevel [...] worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of een maatregel is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden”. Zoals de advocaat-generaal in de punten 22 en 24 van zijn conclusie heeft opgemerkt, maken de leden 2 en 4 van artikel 2, indien eenmaal is voldaan aan de in lid 1 van dit artikel gestelde alternatieve voorwaarde voor de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel, een onderscheid tussen de strafbare feiten waarvoor het aldus uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer moet worden gelegd zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit en die waarvoor deze tenuitvoerlegging onderworpen kan worden aan een dergelijke toetsing.

23      Uit de bewoordingen van lid 1 van dit artikel volgt met betrekking tot de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel voor de tenuitvoerlegging van een sanctie, zoals in casu het geval is, dat het minimum van ten minste vier maanden slechts kan verwijzen naar de straf die in de betreffende veroordelende beslissing daadwerkelijk is opgelegd op grond van het in de uitvaardigende lidstaat geldende recht dat van toepassing was op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot deze beslissing, en niet naar de straf die had kunnen worden opgelegd krachtens het recht van deze lidstaat dat van toepassing was ten tijde van de uitvaardiging van dit aanhoudingsbevel.

24      Dit kan niet anders zijn met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel volgens artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584.

25      Indien om te beginnen deze bepaling aldus werd uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit op een verschillende datum toepasselijke versies van het recht van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking moet nemen naargelang zij nagaat of het Europees aanhoudingsbevel volgens artikel 2, lid 1, van dit kaderbesluit mocht worden uitgevaardigd dan wel overeenkomstig artikel 2, lid 2, van dat kaderbesluit ten uitvoer moet worden gelegd zonder dat de dubbele strafbaarheid van de betrokken feiten wordt getoetst, zou immers de consistente toepassing van deze twee bepalingen in gevaar komen.

26      De omstandigheid dat artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 verwijst naar „feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld” terwijl artikel 2, lid 2, van dit kaderbesluit gewaagt van „strafbare feiten [waarop] in de uitvaardigende lidstaat [een straf of maatregel] staat” kan, anders dan de Belgische en Spaanse regering en de Procureur-generaal stellen, niet dienen ter onderbouwing van die uitlegging. Ongeacht de reden waarom de Uniewetgever deze twee verschillende formuleringen heeft gehanteerd, kan uit dit verschil immers geenszins worden afgeleid dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit bij de toepassing van artikel 2, lid 2, van dit kaderbesluit de versie van het recht van deze uitvaardigende lidstaat in aanmerking moet nemen die van kracht was ten tijde van de uitvaardiging van dit aanhoudingsbevel.

27      Evenzo is artikel 2, lid 4, van kaderbesluit 2002/584, anders dan de Procureur-generaal tijdens de terechtzitting voor het Hof heeft betoogd, niet relevant om vast te stellen welke versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking moet worden genomen ten behoeve van artikel 2, lid 2, van dit kaderbesluit, temeer daar deze bepaling enkel en alleen verwijst naar het recht van de uitvoerende lidstaat.

28      De uitlegging volgens welke de door de uitvoerende rechterlijke autoriteit voor de toepassing van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 in aanmerking te nemen versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat, de versie is die van toepassing is op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de zaak waarin het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, wordt ook bevestigd door artikel 8 van dit kaderbesluit. Dit artikel geeft aan met welke gegevens de minimale formele inlichtingen moeten worden verstrekt die de uitvoerende rechterlijke autoriteiten nodig hebben om het Europees aanhoudingsbevel snel ten uitvoer te leggen door met spoed een beslissing over de overlevering te nemen (zie in die zin arrest van 23 januari 2018, Piotrowski, C‑367/16, EU:C:2018:27, punt 59).

29      In het bijzonder bevat het Europees aanhoudingsbevel met name de volgens artikel 8, lid 1, onder f), van dit kaderbesluit te vermelden gegevens over de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of over de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat, en moeten deze gegevens worden vermeld „overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model”, waarmee dus rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van deze bepaling (arrest van 1 juni 2016, Bob‑Dogi, C‑241/15, EU:C:2016:385, punt 44).

30      In dit verband wordt in rubriek c) van dit model gepreciseerd dat de door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te verschaffen gegevens betreffende de duur van de straf, zoals verwoord in punt 1 van deze rubriek, betrekking hebben op de „maximumduur van de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die voor het strafbare feit/de strafbare feiten kan worden opgelegd” en, zoals verwoord in punt 2 van deze rubriek, op de „[d]uur van de opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel”.

31      Derhalve volgt uit de bewoordingen van rubriek c) van dit model en in het bijzonder uit de term „opgelegd[e]”, waarmee de straf is omschreven waaromtrent gegevens moeten worden verstrekt, dat dit de straf is die, naargelang het geval, kan worden opgelegd of in de veroordelende beslissing daadwerkelijk is opgelegd en dus voortvloeit uit de versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat die van toepassing is op de betrokken feiten.

32      Zoals de advocaat-generaal in de punten 58 en 59 van zijn conclusie heeft opgemerkt, hebben de gegevens die het in de bijlage bij kaderbesluit 2002/584 opgenomen model moet bevatten, bovendien betrekking op concrete gegevens van de zaak waarin het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zoals in het bijzonder blijkt uit rubriek e) van dit model waar is bepaald dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de omstandigheden moet beschrijven waaronder het strafbare feit is gepleegd.

33      In deze omstandigheden kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit bij haar onderzoek of is voldaan aan de strafdrempel van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 geen andere versie van het recht van de uitvoerende lidstaat in overweging nemen dan die welke van toepassing is op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de zaak waarin een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.

34      In de tweede plaats wordt deze uitlegging van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 ook bevestigd door het doel van dit kaderbesluit.

35      Zoals uit overweging 5 van dit kaderbesluit volgt, beoogt dit besluit namelijk via de invoering van een nieuwe, vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daarmee bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan (arresten van 16 juli 2015, Lanigan, C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 28; 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 76, en 25 januari 2017, Vilkas, C‑640/15, EU:C:2017:39, punt 31).

36      Indien het recht van de uitvaardigende lidstaat dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit overeenkomstig het model in de bijlage bij kaderbesluit 2002/584 moet vermelden en dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in aanmerking moet nemen voor haar verificatie of het Europees aanhoudingsbevel volgens artikel 2, lid 2, van dit kaderbesluit ten uitvoer moet worden gelegd zonder dat zij de dubbele strafbaarheid van het feit kan toetsen, niet het recht zou zijn dat van toepassing is op de feiten die hebben geleid tot de zaak waarin dit aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zou het voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit moeilijk kunnen worden om te bepalen welke versie van dit recht relevant is wanneer dit recht is gewijzigd tussen de datum van de feiten en de datum waarop deze laatste autoriteit moet beslissen om het betrokken Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

37      Derhalve moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich bij de toepassing van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 kunnen baseren op gegevens over de duur van de straf die, overeenkomstig het model in de bijlage bij dit kaderbesluit, in het Europees aanhoudingsbevel zelf zijn opgenomen. Aangezien een Europees aanhoudingsbevel overeenkomstig artikel 17, lid 1, van dit kaderbesluit immers met spoed dient te worden behandeld en ten uitvoer gelegd, moet noodzakelijkerwijs snel, en dus aan de hand van gegevens die uit het Europees aanhoudingsbevel zelf blijken, kunnen worden onderzocht van welk recht van de uitvaardigende lidstaat deze autoriteit dient uit te gaan wanneer zij artikel 2, lid 2, toepast. Indien van deze autoriteit zou worden verlangd dat zij ter uitvoering van dit bevel nagaat of het recht van de uitvaardigende lidstaat dat van toepassing is op de betrokken feiten is gewijzigd nadat deze feiten zich hebben voorgedaan, zou dit vereiste indruisen tegen het doel van kaderbesluit 2002/584 zoals dit in punt 35 van dit arrest in herinnering is gebracht.

38      Elke andere uitlegging zou bovendien tot grote onzekerheid leiden, gelet op de moeilijkheden die de uitvoerende rechterlijke autoriteit zou kunnen ondervinden bij het vaststellen van de verschillende mogelijkerwijs relevante versies van dit recht, hetgeen bijgevolg in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. De tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel laten afhangen van de wet die van toepassing is op het moment van de uitvaardiging van dat bevel, ondergraaft bovendien het vereiste van voorzienbaarheid dat uit voornoemd rechtszekerheidsbeginsel voortvloeit.

39      Daarenboven kan artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 niet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling een uitvaardigende lidstaat in staat zou stellen om, door middel van een wijziging van de in zijn wet‑ en regelgeving opgenomen straffen, personen onder het toepassingsgebied van deze bepaling te doen vallen die ten tijde van de strafbare feiten aanspraak hadden kunnen maken op de toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit.

40      Wat voorts de stelling van de Belgische en de Spaanse regering betreft dat de aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit opgelegde verplichting om bij de toepassing van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 de versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking te nemen die van kracht was op het moment waarop het Europees aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd, in casu bijdraagt aan de nagestreefde vereenvoudiging van de overlevering van de betrokken persoon aangezien de voorwaarde dat de dubbele strafbaarheid van het feit moet worden getoetst, niet meer van toepassing is wanneer rekening wordt gehouden met deze versie, moet worden opgemerkt dat de aan deze bepaling te geven uitlegging niet afhankelijk mag zijn van de specifieke feitelijke omstandigheden van een specifiek geval.

41      Ten slotte moet eraan worden herinnerd dat op het onder kaderbesluit 2002/584 vallende gebied het beginsel van wederzijdse erkenning, dat, zoals met name uit overweging 6 van dit kaderbesluit blijkt, de „hoeksteen” van de justitiële samenwerking in strafzaken vormt, toepassing vindt in artikel 1, lid 2, van dit kaderbesluit, volgens hetwelk de lidstaten in beginsel gehouden zijn gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel. Hieruit volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel alleen mag weigeren in de limitatief opgesomde gevallen van verplichte niet-tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 3 van kaderbesluit 2002/584, of van facultatieve niet-tenuitvoerlegging als bedoeld in de artikelen 4 en 4 bis van dat kaderbesluit. Bovendien kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel enkel afhankelijk worden gesteld van een van de in artikel 5 van dat kaderbesluit limitatief opgesomde voorwaarden [zie in die zin arrest van 12 december 2019, Openbaar Ministerie (Procureur des Konings te Brussel), C‑627/19 PPU, EU:C:2019:1079, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

42      Dat het betrokken strafbare feit niet tot overlevering kan leiden zonder dat volgens artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 de dubbele strafbaarheid ervan wordt getoetst, betekent op zich dan ook geenszins dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel moet worden geweigerd. Het staat immers aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om de in artikel 2, lid 4, van dit kaderbesluit opgenomen voorwaarde van dubbele strafbaarheid van het feit te onderzoeken ten aanzien van dit strafbare feit.

43      Gelet op een en ander moet op de gestelde prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat, bij het onderzoek of op het strafbare feit waarvoor een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat, de uitvoerende rechterlijke autoriteit de versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking moet nemen die van toepassing was op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de zaak waarin het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.

 Kosten

44      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, moet aldus worden uitgelegd dat, bij het onderzoek of op het strafbare feit waarvoor een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat, de uitvoerende rechterlijke autoriteit de versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking moet nemen die van toepassing was op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de zaak waarin het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.

Lenaerts

Silva de Lapuerta

Bonichot

Arabadjiev

Regan

Xuereb

Rossi

Jarukaitis

Ilešič

Malenovský

Bay Larsen

von Danwitz

Toader

Jürimäe

Lycourgos

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 maart 2020.

De griffier

 

De president

A. Calot Escobar

 

K. Lenaerts


*      Procestaal: Nederlands.