Language of document : ECLI:EU:C:2020:167

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

5 maart 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 2008/48/EG – Consumentenkredietovereenkomsten – Artikel 8 – Verplichting voor de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument na te gaan – Nationale regeling – Tegenwerpbaarheid van de verjaring van de door de consument opgeworpen exceptie van nietigheid van de overeenkomst – Artikel 23 – Sancties – Doeltreffende, evenredige en afschrikkende werking – Nationale rechter – Ambtshalve te verrichten onderzoek naar de naleving van voornoemde verplichting”

In zaak C‑679/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Okresní soud v Ostravě (rechter voor het district Ostrava, Tsjechië) bij beslissing van 25 oktober 2018, ingekomen bij het Hof op 5 november 2018, in de procedure

OPR-Finance s. r. o.

tegen

GK,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz en A. Kumin (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: M. Longar, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 september 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en S. Šindelková als gemachtigden,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, P. Barros da Costa, M. J. Marques en C. Farto als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin en P. Němečková als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 8 en 23 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificaties in PB 2009, L 207, blz. 14; PB 2010, L 199, blz. 40, en PB 2011, L 234, blz. 46).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen OPR-Finance s. r. o. en GK over een vordering tot betaling van de uitstaande bedragen van een kredietovereenkomst die voormelde vennootschap aan laatstgenoemde had verstrekt.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 7, 9, 26, 28 en 47 van richtlijn 2008/48 luiden als volgt:

„(7)      Teneinde de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken, moet op een aantal kerngebieden een geharmoniseerd communautair kader worden geschapen. [...]

[...]

(9)      Volledige harmonisatie is nodig om te waarborgen dat alle consumenten in de Gemeenschap een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een echte interne markt te creëren. Het mag de lidstaten derhalve niet worden toegestaan andere nationale bepalingen te handhaven of in te voeren dan er in deze richtlijn zijn vastgelegd. Deze beperking moet echter alleen gelden voor door deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen. Deze beperking moet echter alleen gelden voor door deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen. Wanneer zulke geharmoniseerde bepalingen niet bestaan, moeten de lidstaten de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren. [...] Een ander voorbeeld van deze mogelijkheid voor de lidstaten is het handhaven of invoeren van nationale bepalingen over het annuleren van een koop- of dienstverleningsovereenkomst indien de consument gebruikmaakt van zijn recht van herroeping van de kredietovereenkomst. [...]

[...]

(26)      [...] In de zich uitbreidende kredietmarkt is het met name belangrijk dat kredietgevers zich niet inlaten met onverantwoordelijke leningpraktijken of kredieten toestaan zonder de kredietwaardigheid vooraf te hebben beoordeeld, en de lidstaten moeten het nodige toezicht uitvoeren om dergelijk gedrag te vermijden en de noodzakelijke middelen bepalen om de kredietgever te sanctioneren wanneer dat toch het geval is. [...] [Kredietgevers moeten] de verantwoordelijkheid hebben om de kredietwaardigheid van elke consument te beoordelen. Daartoe zouden zij de mogelijkheid moeten hebben om gebruik te maken van informatie die door de consument is verstrekt, niet alleen bij de voorbereiding van de betrokken kredietovereenkomst, maar ook in de loop van een reeds lang bestaande commerciële relatie. De autoriteiten van de lidstaten zouden kredietgevers ook goede aanwijzingen en richtsnoeren kunnen geven. Consumenten moeten ook bedachtzaam te werk gaan en hun contractuele verplichtingen nakomen.

[...]

(28)      Om de krediettoestand van een consument te beoordelen, dient de kredietgever ook de relevante gegevensbestanden te raadplegen; de wettelijke en feitelijke omstandigheden kunnen vereisen dat die raadpleging in wisselende mate plaatsvindt. [...]

[...]

(47)      De lidstaten moeten vaststellen welke sancties gelden voor overtredingen van ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en erop toezien dat deze worden toegepast. Hoewel de keuze van de sancties bij de lidstaten blijft berusten, moeten de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

4        Artikel 8 van deze richtlijn, met als opschrift „Verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen”, bepaalt in lid 1:

„De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument voor het sluiten van de kredietovereenkomst beoordeelt op basis van toereikende informatie die, in voorkomend geval, is verkregen van de consument en, waar nodig, op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand. Lidstaten van wie de wetgeving van kredietgevers vereist dat zij de kredietwaardigheid van consumenten op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand beoordelen, kunnen dit vereiste behouden.”

5        Artikel 23 van voornoemde richtlijn, „Sancties”, luidt:

„De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

 Tsjechisch recht

 Wet nr. 257/2016 op consumentenkrediet

6        Richtlijn 2008/48 is in Tsjechisch recht omgezet bij zákon č. 257/2016 Sb., o spotřebitelském úvěru (wet nr. 257/2016 op consumentenkrediet).

7        § 86 van deze wet, „Beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument”, luidt:

„(1)      Voor het sluiten van een consumentenkredietovereenkomst of het wijzigen van een verplichting in de overeenkomst waarbij het totale kredietbedrag aanzienlijk wordt verhoogd, moet de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument beoordelen op basis van essentiële, betrouwbare, toereikende en evenredige informatie die is verkregen van de consument en, waar nodig, via raadpleging van een gegevensbestand op basis waarvan de kredietwaardigheid van de consument kan worden beoordeeld, of via andere bronnen. De kredietgever verstrekt het consumentenkrediet alleen indien uit de beoordeling van de kredietwaardigheid blijkt dat er geen gerede twijfel bestaat dat de consument het consumentenkrediet kan terugbetalen.

(2)      Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument gaat de kredietgever in het bijzonder na of de consument in staat is de overeengekomen regelmatige terugbetalingen van het consumentenkrediet uit te voeren, door de inkomsten van de consument te vergelijken met zijn uitgaven en middelen om eventuele bestaande schuldverplichtingen na te komen. Bovendien houdt hij rekening met de waarde van eventuele goederen indien de kredietovereenkomst tot gevolg heeft dat het consumentenkrediet, geheel of gedeeltelijk, wordt terugbetaald met de opbrengst van de verkoop van deze goederen van de consument en niet door middel van regelmatige terugbetalingen, of indien uit de financiële toestand van de consument blijkt dat hij het consumentenkrediet kan terugbetalen ongeacht zijn inkomen.”

8        § 87 van die wet, „Gevolgen van niet-nakoming van de verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen” bepaalt in lid 1:

„Als een kredietgever een consumentenkrediet verstrekt aan een consument zonder te voldoen aan de verplichting uit hoofde van § 86, lid 1, tweede zin, is de overeenkomst nietig. De consument kan een exceptie van nietigheid inroepen binnen een verjaringstermijn van drie jaar vanaf de datum van sluiting van de overeenkomst. De consument moet de hoofdsom van het verstrekte consumentenkrediet terugbetalen binnen een termijn die is afgestemd op zijn financiële draagkracht.”

 Wet nr. 89/2012 tot vaststelling van het burgerlijk wetboek

9        § 586 van de zákon č. 89/2012 Sb. občanský zákoník (wet nr. 89/2012 tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) luidt als volgt:

„(1)      Wanneer de nietigheid van een rechtshandeling de belangen van een bepaalde persoon beschermt, kan alleen die persoon een exceptie van nietigheid in verband met die rechtshandeling inroepen.

(2)      Indien een persoon die een exceptie van nietigheid in verband met een rechtshandeling mag inroepen, dit niet doet, wordt die rechtshandeling geacht geldig te zijn.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10      Op 21 april 2017 heeft GK op afstand een doorlopende kredietovereenkomst gesloten met OPR-Finance, op basis waarvan laatstgenoemde aan GK een bedrag van 4 900 Tsjechische kronen (CZK) (ongeveer 192 EUR) heeft verstrekt.

11      Aangezien GK de verschuldigde krediettermijnen niet terugbetaalde, heeft OPR-Finance op 7 juni 2018 bij de Okresní soud v Ostravě (rechter voor het district Ostrava, Tsjechië) een vordering tegen GK ingesteld tot betaling van een bedrag van 7 839 CZK (ongeveer 307 EUR), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf 1 oktober 2017 tot aan de volledige betaling van dat bedrag.

12      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt enerzijds dat OPR-Finance in de loop van het hoofdgeding niet heeft gesteld, laat staan bewezen, dat zij voorafgaand aan het sluiten van de betrokken kredietovereenkomst de kredietwaardigheid van de kredietnemer heeft beoordeeld.

13      Anderzijds heeft GK zich niet beroepen op de uit dat feit voortvloeiende nietigheid van de overeenkomst. Krachtens § 87, lid 1, van wet nr. 257/2016 op consumentenkrediet is de sanctie van nietigheid van de kredietovereenkomst alleen van toepassing indien de consument deze inroept. De verwijzende rechter meent dat een dergelijke regel indruist tegen de door richtlijn 2008/48 gewaarborgde consumentenbescherming.

14      In dit verband merkt deze rechter ten eerste op dat, volgens vaste rechtspraak van de Tsjechische rechters en volgens de Tsjechische rechtsleer, de nationale rechter de sanctie van relatieve nietigheid die voortvloeit uit § 87, lid 1, van wet nr. 257/2016 op consumentenkrediet niet ambtshalve mag toepassen. Ten tweede komt het volgens voornoemde rechter zeer zelden voor dat consumenten, die in de meeste consumentenkredietgeschillen niet worden vertegenwoordigd door een advocaat, een exceptie van nietigheid van de overeenkomst opwerpen op grond dat de kredietgever hun kredietwaardigheid niet had beoordeeld.

15      Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af of een met richtlijn 2008/48 conforme uitlegging van het nationale recht, op grond waarvan de nationale rechter de sanctie van § 87, lid 1, van wet nr. 257/2016 op consumentenkrediet ambtshalve zou moeten toepassen, niet zou leiden tot een uitlegging contra legem.

16      Daarop heeft de Okresní soud v Ostravě de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Staan de gecombineerde bepalingen van artikel 8 en artikel 23 van [richtlijn 2008/48] in de weg aan nationale wetgeving die bepaalt dat indien de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument niet beoordeelt vóór het sluiten van een kredietovereenkomst, de kredietovereenkomst nietig is en de consument verplicht is de hoofdsom aan de kredietgever terug te betalen binnen een termijn die op zijn financiële draagkracht is afgestemd, waarbij voornoemde sanctie (de nietigheid van de kredietovereenkomst) echter alleen van toepassing is indien de consument deze inroept (en zich dus op een exceptie van nietigheid van de overeenkomst beroept) binnen een vervaltermijn van drie jaar?

2)      Moet een nationale rechter op grond van de gecombineerde bepalingen van artikel 8 en artikel 23 van [richtlijn 2008/48] de sanctie die in de nationale wetgeving is vastgelegd voor het geval dat de kredietgever zijn verplichting om de kredietwaardigheid van de consument vóór het sluiten van de kredietovereenkomst te beoordelen niet nakomt, ambtshalve toepassen (dat wil zeggen indien de consument de sanctie zelf niet inroept)?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

17      Met zijn prejudiciële vragen, die gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8 juncto artikel 23 van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het, ten eerste, een nationale rechter verplicht om ambtshalve te onderzoeken of de uit dat artikel 8 voortvloeiende precontractuele verplichting voor de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen is nagekomen, en om aan de niet-nakoming van die verplichting de consequenties te verbinden die naar nationaal recht daaruit voortvloeien, en, ten tweede, zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een dergelijke niet-nakoming enkel op voorwaarde dat de consument de nietigheid inroept, en wel binnen een verjaringstermijn van drie jaar, met nietigheid van de kredietovereenkomst wordt bestraft, met daaraan gekoppeld de verplichting voor die consument om de hoofdsom binnen een op zijn financiële draagkracht afgestemde termijn aan de kredietgever terug te betalen.

18      In dit verband moet worden vastgesteld dat het Hof herhaaldelijk heeft gewezen op de verplichting van de nationale rechter om ambtshalve te onderzoeken of een aantal bepalingen van het Unierecht inzake consumentenbescherming zijn geschonden (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19      Die eis is gerechtvaardigd door de overweging dat het beschermingsstelsel volgens vaste rechtspraak van het Hof op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper vooraf opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20      Uit artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van overweging 28 ervan, volgt dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument moet beoordelen alvorens een kredietovereenkomst te sluiten, in voorkomend geval door het relevante gegevensbestand te raadplegen. In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat deze verplichting, overeenkomstig overweging 26 van die richtlijn, tot doel heeft om kredietgevers op hun verantwoordelijkheid te wijzen en te voorkomen dat zij krediet verstrekken aan consumenten die niet kredietwaardig zijn.

21      Voor zover een dergelijke verplichting ertoe strekt de consument te beschermen tegen de risico’s van een bovenmatige schuldenlast en insolvabiliteit, draagt deze bovendien bij tot de verwezenlijking van het doel van richtlijn 2008/48, dat – zoals blijkt uit de overwegingen 7 en 9 ervan – erin bestaat om ter zake van het consumentenkrediet op een aantal kerngebieden een volledige harmonisatie tot stand te brengen die nodig is om te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie een grondige en gelijkwaardige bescherming van hun belangen genieten en om de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken (arrest van 27 maart 2014, LCL Le Crédit Lyonnais, C‑565/12, EU:C:2014:190, punt 42). Die verplichting is dan ook van wezenlijk belang voor de consument.

22      Voorts bestaat er een niet te verwaarlozen gevaar dat de consument, met name uit onwetendheid, zich niet zal beroepen op een rechtsregel die ertoe strekt hem te beschermen (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Uit het voorgaande volgt dat, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot de nakoming van de informatieplicht van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48, die eveneens bijdraagt tot de verwezenlijking van het in punt 21 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doel van deze richtlijn, een effectieve consumentenbescherming niet kan worden bereikt indien de nationale rechter niet verplicht is om, zodra hij over de daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens beschikt, ambtshalve te beoordelen of de in artikel 8 van voornoemde richtlijn neergelegde verplichting van de kredietgever is nagekomen (zie naar analogie arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punten 66 en 70).

24      Bovendien moet de nationale rechter, wanneer hij ambtshalve een schending van die verplichting heeft vastgesteld, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, daaraan alle consequenties verbinden die naar nationaal recht uit die schending voortvloeien, zonder te wachten tot de consument een verzoek in die zin indient, mits de sancties waarin het nationaal recht voorziet voldoen aan de vereisten van artikel 23 van richtlijn 2008/48, zoals uitgelegd door het Hof (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punten 71, 73 en 74). In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat artikel 23 van die richtlijn ten eerste bepaalt dat de sanctieregeling die geldt voor inbreuken op overeenkomstig artikel 8 van de richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, op zodanige wijze moet worden opgezet dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, en ten tweede dat de lidstaten alle maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. Binnen deze grenzen zijn de lidstaten vrij in de keuze van de sancties (zie in die zin arrest van 27 maart 2014, LCL Le Crédit Lyonnais, C‑565/12, EU:C:2014:190, punt 43).

25      Volgens vaste rechtspraak met betrekking tot het beginsel van loyale samenwerking, dat is vastgelegd in artikel 4, lid 3, VEU, zijn de lidstaten weliswaar vrij in de keuze van de sancties, maar moeten zij er met name op toezien dat de materiële en formele voorwaarden waaronder overtredingen van het Unierecht worden bestraft, overeenstemmen met die waaronder vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht worden bestraft, en moeten zij hoe dan ook ervoor zorgen dat de sanctie doeltreffend, evenredig en afschrikkend is (arrest van 27 maart 2014, LCL Le Crédit Lyonnais, C‑565/12, EU:C:2014:190, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de strengheid van de sancties in verhouding dient te staan tot de ernst van de strafbaar gestelde feiten, met name door te verzekeren dat deze sancties een reële afschrikkende werking hebben, waarbij tevens het algemene evenredigheidsbeginsel in acht dient te worden genomen (arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C‑42/15, EU:C:2016:842, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      Hieraan dient te worden toegevoegd dat het aan de nationale rechters – die bij uitsluiting bevoegd zijn om het nationale recht uit te leggen en toe te passen – staat om na te gaan of die sancties, gelet op alle omstandigheden van het geval, aan deze vereisten voldoen en doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

28      Het Hof kan in zijn prejudiciële beslissing echter preciseringen geven teneinde die rechters bij hun beoordeling te leiden (zie naar analogie arrest van 21 november 2018, de Diego Porras, C‑619/17, EU:C:2018:936, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      In het onderhavige geval volgt uit de aanwijzingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de niet-nakoming van de bij § 86 van wet nr. 257/2016 op consumentenkrediet opgelegde precontractuele verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de kredietnemer te beoordelen, overeenkomstig § 87 van die wet wordt bestraft met de nietigheid van de kredietovereenkomst, met daaraan gekoppeld de verplichting voor de consument om aan de kredietgever – enkel – de hoofdsom terug te betalen binnen een op zijn financiële draagkracht afgestemde termijn, op voorwaarde dat de consument die nietigheid inroept, en wel binnen een verjaringstermijn van drie jaar vanaf het sluiten van de overeenkomst. Bij toepassing van de in die wet vastgelegde sanctie, te weten de nietigheid van de kredietovereenkomst, verliest de kredietgever dus zijn recht op betaling van de overeengekomen rente en kosten.

30      In dit verband moet worden opgemerkt dat een dergelijke sanctie, aangezien deze ertoe leidt dat de kredietgever geen recht meer heeft op de overeengekomen rente en kosten, in verhouding lijkt te staan tot de ernst van de inbreuken die ermee worden bestraft, en in het bijzonder een reële afschrikkende werking heeft (zie in die zin arresten van 27 maart 2014, LCL Le Crédit Lyonnais, C‑565/12, EU:C:2014:190, punten 52 en 53, en 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C‑42/15, EU:C:2016:842, punt 69).

31      Gelet op het belang van het doel – te weten de bescherming van de consument – dat inherent is aan de verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de kredietnemer te beoordelen, moet worden gepreciseerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat indien de sanctie van verlies van het recht op rente in de praktijk zou worden afgezwakt, of zelfs zonder meer teniet zou worden gedaan, daaruit noodzakelijkerwijs zou voortvloeien dat deze sanctie geen reële afschrikkende werking heeft (zie in die zin arrest van 27 maart 2014, LCL Le Crédit Lyonnais, C‑565/12, EU:C:2014:190, punten 52 en 53).

32      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de toepassing van de sanctie van nietigheid van de kredietovereenkomst afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat de consument die nietigheid – binnen een verjaringstermijn van drie jaar – inroept. Ten aanzien van dit laatste punt dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak, bij ontbreken van een Unieregeling ter zake, de procedurevoorschriften ter verzekering van de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen op grond van het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat zijn, met dien verstande echter dat zij niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 18 december 2014, CA Consumer Finance, C‑449/13, EU:C:2014:2464, punt 23).

33      Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, dient te worden opgemerkt dat het Hof niet beschikt over gegevens die twijfel doen rijzen over de overeenstemming van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verjaringstermijn met dit beginsel.

34      Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, volstaat het eraan te herinneren dat, zoals volgt uit de punten 23 en 24 van het onderhavige arrest, in een situatie waarin de kredietgever een op de kredietovereenkomst gebaseerde vordering instelt tegen de consument, een doeltreffende consumentenbescherming vereist dat de nationale rechter ambtshalve onderzoekt of de kredietgever de verplichting van artikel 8 van richtlijn 2008/48 is nagekomen en, indien hij vaststelt dat deze verplichting niet is nagekomen, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor daaraan de consequenties verbindt die in het nationaal recht zijn voorzien, zonder te wachten tot de consument een verzoek in die zin indient.

35      Met betrekking tot een sanctie zoals de nietigheid van de kredietovereenkomst, met daaraan gekoppeld de verplichting om de hoofdsom terug te betalen, moet worden gepreciseerd dat wanneer de consument zich uitspreekt tegen de toepassing van een dergelijke sanctie, daar rekening mee moet worden gehouden (zie naar analogie arresten van 4 juni 2009, Pannon GSM, C‑243/08, EU:C:2009:350, punt 33, en 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C‑472/11, EU:C:2013:88, punt 35).

36      Uit deze elementen volgt dat het doeltreffendheidsbeginsel zich verzet tegen de voorwaarde dat de sanctie van nietigheid van de kredietovereenkomst, met daaraan gekoppeld de verplichting om de hoofdsom terug te betalen, die van toepassing is ingeval de kredietgever de verplichting van artikel 8 van richtlijn 2008/48 niet nakomt, moet worden ingeroepen door de consument en binnen een verjaringstermijn van drie jaar.

37      Aan deze slotsom kan niet worden afgedaan door het door de Tsjechische regering in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerde argument dat de nationale bepalingen inzake het prudentiële toezicht op kredietinstellingen ook voorzien in een administratieve sanctie in de vorm van een geldboete van maximaal 20 miljoen CZK (ongeveer 783 000 EUR) voor het geval dat er krediet wordt verstrekt zonder dat er is voldaan aan de verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen.

38      De Europese Commissie heeft immers, zonder te zijn tegensproken, ter terechtzitting verklaard dat de bevoegde toezichthoudende Tsjechische autoriteit, te weten de Tsjechische nationale bank, nooit beslissingen heeft medegedeeld waarin geldboeten werden opgelegd wegens niet-nakoming van die verplichting door de kredietgever. Bovendien kunnen dergelijke sancties, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 82 van haar conclusie, op zichzelf de door richtlijn 2008/48 nagestreefde bescherming van de consument tegen de risico’s van een bovenmatige schuldenlast en insolvabiliteit niet op voldoende doeltreffende wijze waarborgen, aangezien zij niet van invloed zijn op de situatie van een consument aan wie in strijd met artikel 8 van die richtlijn een kredietovereenkomst is verstrekt.

39      Aangezien de nationale wetgever, zoals in casu, ter sanctionering van een dergelijke schending niet alleen heeft voorzien in een bestuursrechtelijke sanctie, maar ook in een civielrechtelijke sanctie die aan de betrokken consument ten goede kan komen, moet die sanctie in ieder geval – gelet op het bijzondere belang dat richtlijn 2008/48 aan consumentenbescherming hecht – ten uitvoer worden gelegd met inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel.

40      Tot slot blijkt uit de aanwijzingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het volgens vaste rechtspraak van de Tsjechische rechters verboden is voor de nationale rechter om ambtshalve de sanctie toe te passen van nietigheid van de kredietovereenkomst, met daaraan gekoppeld de verplichting om de hoofdsom terug te betalen, waarin is voorzien voor het geval dat er niet wordt voldaan aan de precontractuele verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen.

41      Wat dat verbod betreft moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de nationale rechter, wanneer hij het nationale recht toepast, dit recht zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van richtlijn 2008/48, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is namelijk inherent aan het systeem van het VWEU, aangezien de nationale rechterlijke instanties daardoor in staat worden gesteld binnen het kader van hun bevoegdheden de volle werking van het Unierecht te verzekeren bij de beslechting van de bij hen aanhangige gedingen (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 79).

42      Voorts heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat het beginsel van conforme uitlegging vereist dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (zie in die zin arrest van 24 januari 2012, Dominguez, C‑282/10, EU:C:2012:33, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43      Hieraan moet worden toegevoegd dat de nationale rechterlijke instanties, met inbegrip van de hoogste rechters, verplicht zijn om in voorkomend geval vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een richtlijn onverenigbare uitlegging van het nationale recht (zie in die zin arrest van 5 september 2019, Pohotovosť, C‑331/18, EU:C:2019:665, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Hieruit volgt dat de verwijzende rechter in het hoofdgeding niet op goede gronden kan oordelen dat hij de betrokken nationale bepalingen niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen op de enkele grond dat deze bepaling door de Tsjechische rechters is uitgelegd op een wijze die niet met dit recht verenigbaar is. Aldus staat het aan de verwijzende rechter om te zorgen voor de volle werking van richtlijn 2008/48 door zo nodig, op eigen gezag, de uitlegging van de Tsjechische rechters buiten toepassing te laten omdat deze uitlegging niet verenigbaar is met het Unierecht (zie naar analogie arrest van 8 november 2016, Ognyanov, C‑554/14, EU:C:2016:835, punten 69 en 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht wordt evenwel begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel, in die zin dat zij niet kan dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht.

46      Gelet op al het voorgaande moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat de artikelen 8 en 23 van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij een nationale rechter verplichten om ambtshalve te onderzoeken of de uit dat artikel 8 voortvloeiende precontractuele verplichting voor de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen is nagekomen, en om aan de niet-nakoming van die verplichting de consequenties te verbinden die naar nationaal recht daaruit voortvloeien, op voorwaarde dat de sancties voldoen aan de vereisten van voornoemd artikel 23. De artikelen 8 en 23 van richtlijn 2008/48 moeten tevens aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de niet-nakoming, door de kredietgever, van zijn precontractuele verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, enkel en alleen op voorwaarde dat de consument de nietigheid inroept, en wel binnen een verjaringstermijn van drie jaar, met nietigheid van de kredietovereenkomst wordt bestraft, met daaraan gekoppeld de verplichting voor de consument om de hoofdsom binnen een op zijn financiële draagkracht afgestemde termijn aan de kredietgever terug te betalen.

 Kosten

47      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 8 en 23 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad moeten aldus worden uitgelegd dat zij een nationale rechter verplichten om ambtshalve te onderzoeken of de uit dat artikel 8 voortvloeiende precontractuele verplichting voor de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen is nagekomen, en om aan de niet-nakoming van die verplichting de consequenties te verbinden die naar nationaal recht daaruit voortvloeien, op voorwaarde dat de sancties voldoen aan de vereisten van voornoemd artikel 23. De artikelen 8 en 23 van richtlijn 2008/48 moeten tevens aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de niet-nakoming, door de kredietgever, van zijn precontractuele verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, enkel en alleen op voorwaarde dat de consument de nietigheid inroept, en wel binnen een verjaringstermijn van drie jaar, met nietigheid van de kredietovereenkomst wordt bestraft, met daaraan gekoppeld de verplichting voor de consument om de hoofdsom binnen een op zijn financiële draagkracht afgestemde termijn aan de kredietgever terug te betalen.

ondertekeningen


*      Procestaal: Tsjechisch.