Language of document : ECLI:EU:C:2020:170

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

5 maart 2020 (*)

„Hogere voorziening – Uniemerk – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Oppositie – Artikel 8, lid 1, onder b) – Verwarringsgevaar – Beoordelingscriteria – Toepasselijkheid bij ouder collectief merk – Onderlinge samenhang tussen de overeenstemming van conflicterende merken en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop deze merken betrekking hebben”

In zaak C‑766/18 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 5 december 2018,

Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi, gevestigd te Nicosia (Cyprus), vertegenwoordigd door S. Malynicz, QC, S. Baran, barrister, V. Marsland, solicitor, en K. K. Kleanthous,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Gája als gemachtigde,

verweerder in eerste aanleg,

M. J. Dairies EOOD, gevestigd te Sofia (Bulgarije), vertegenwoordigd door D. Dimitrova en I. Pakidanska, advokati,

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Vijfde kamer, I. Jarukaitis, E. Juhász en M. Ilešič (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: M. Longar, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 september 2019,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 oktober 2019,

het navolgende

Arrest

1        Met haar hogere voorziening verzoekt de Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 25 september 2018, Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/EUIPO – M. J. Dairies (BBQLOUMI) (T‑328/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:594; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 16 maart 2017 (zaak R 497/2016‑4) inzake een oppositieprocedure (hierna: „litigieuze beslissing”).

 Toepasselijke bepalingen

2        Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het [Uniemerk] (PB 2009, L 78, blz. 1), waarbij verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het [Uniemerk] (PB 1994, L 11, blz. 1) werd ingetrokken en vervangen, is gewijzigd bij verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 (PB 2015, L 341, blz. 21), die op 23 maart 2016 in werking is getreden. Vervolgens is deze verordening met ingang van 1 oktober 2017 ingetrokken en vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1). Gelet op de datum van de aan het geding ten grondslag liggende feiten moet deze hogere voorziening echter worden behandeld in het licht van verordening nr. 207/2009, in de oorspronkelijke versie ervan.

3        Artikel 7 van verordening nr. 207/2009, met het opschrift „Absolute weigeringsgronden”, bepaalde:

„1.      Geweigerd wordt inschrijving van:

[...]

b)      merken die elk onderscheidend vermogen missen;

c)      merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;

d)      merken die uitsluitend bestaan uit tekens of benamingen die in het normale taalgebruik of in het bonafide handelsverkeer gebruikelijk zijn geworden;

[...]

3.      Lid 1, onder b), c) en d), is niet van toepassing indien het merk als gevolg van het gebruik dat ervan is gemaakt, onderscheidend vermogen heeft verkregen voor de waren of diensten waarvoor inschrijving is aangevraagd.”

4        Artikel 8 van deze verordening, met als opschrift „Relatieve weigeringsgronden”, luidde:

„1.      Na oppositie door de houder van een ouder merk wordt inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd:

[...]

b)      wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan op het grondgebied waarop het oudere merk beschermd wordt; verwarring omvat het gevaar van associatie met het oudere merk.

[...]

5.      Na oppositie door de houder van een ouder merk [...] wordt de inschrijving van het aangevraagde merk eveneens geweigerd, wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en is aangevraagd voor waren of diensten die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het oudere merk ingeschreven is, indien het in geval van een ouder [Uniemerk] een in de [Unie] bekend merk en in geval van een ouder nationaal merk een in de betrokken lidstaat bekend merk betreft, en indien door het gebruik zonder geldige reden van het aangevraagde merk ongerechtvaardigd voordeel getrokken wordt uit of afbreuk gedaan wordt aan het onderscheidende vermogen of de reputatie van het oudere merk. ”

5        Artikel 65 van deze verordening bepaalde:

„1.      Tegen de beslissingen in beroep van de kamer van beroep kan beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie [...].

2.      Beroep kan worden ingesteld wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag, van deze verordening of een uitvoeringsregeling daarvan, of wegens misbruik van bevoegdheid.

3.      Het Hof van Justitie kan de bestreden beslissing vernietigen of herzien.

[...]”

6        Artikel 66 van deze verordening, dat net als de artikelen 67 tot en met 74 van deze verordening onder titel VIII met als opschrift „Collectieve [Uniemerken]” viel, luidde:

„1.      Een collectief [Uniemerk] is een [Uniemerk] dat bij de aanvrage als zodanig wordt aangewezen en op grond waarvan de waren of diensten van de leden van de vereniging die merkhouder is, onderscheiden kunnen worden van die van andere ondernemingen. Verenigingen van fabrikanten, producenten, dienstverrichters of handelaars, die overeenkomstig het daarvoor geldende recht bevoegd zijn om in eigen naam drager te zijn van ongeacht welke rechten en verplichtingen, overeenkomsten aan te gaan of andere rechtshandelingen te verrichten en in rechte op te treden, alsmede publiekrechtelijke rechtspersonen, kunnen collectieve [Uniemerken] aanvragen.

2.      In afwijking van artikel 7, lid 1, onder c), kunnen collectieve [Uniemerken] in de zin van lid 1 ook bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen wijzen op de plaats van herkomst van de waren of diensten. Een collectief merk staat de merkhouder niet toe, een derde te verbieden om in het economische verkeer deze tekens of aanduidingen te gebruiken, voor zover er sprake is van gebruik volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel; met name kan een dergelijk merk niet worden ingeroepen tegen een derde die gerechtigd is een geografische benaming te gebruiken.

3.      Tenzij in de artikelen 67 tot en met 74 anders wordt bepaald, is deze verordening van toepassing op collectieve [Uniemerken]. ”

7        De bewoordingen van artikel 7, lid 1, onder b) tot en met d), artikel 7, lid 3, artikel 8, leden 1 en 5, en de artikelen 65 en 66 van verordening nr. 207/2009 kwamen overeen met de bewoordingen van respectievelijk artikel 7, lid 1, onder b) tot en met d), artikel 7, lid 3, artikel 8, leden 1 en 5, en de artikelen 63 en 64 van verordening nr. 40/94 en zijn zonder substantiële wijziging overgenomen in respectievelijk artikel 7, lid 1, onder b) tot en met d), artikel 7, lid 3, artikel 8, leden 1 en 5, en de artikelen 72 en 74 van verordening 2017/1001.

 Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze beslissing

8        Op 9 juli 2014 heeft M. J. Dairies EOOD, een in Bulgarije gevestigde onderneming, het EUIPO verzocht om inschrijving van het volgende woord- en beeldteken als Uniemerk (hierna: „aangevraagd merk BBQLOUMI”):

Image not found

9        De waren en diensten waarvoor die inschrijving werd aangevraagd, behoren tot de klassen 29, 30 en 43 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd (hierna: „Overeenkomst van Nice”). Zij zijn omschreven als volgt:

–      klasse 29: „Zuivelproducten en vervangingsmiddelen voor zuivel; kaas; [...] kant-en-klare maaltijden, geheel of hoofdzakelijk bestaande uit vlees of zuivelproducten”;

–      klasse 30: „Belegde broodjes; crackers met kaassmaak; [...]”;

–      klasse 43: „Restauratie [het verstrekken van maaltijden]; [...]”.

10      De merkaanvraag is gepubliceerd in het Uniemerkenblad van 12 augustus 2014.

11      Op 12 november 2014 heeft rekwirante oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk BBQLOUMI voor alle in punt 9 van het onderhavige arrest vermelde waren en diensten.

12      Rekwirante baseerde haar oppositie op haar collectief Uniemerk HALLOUMI, dat op 14 juli 2000 is ingeschreven voor waren van klasse 29 die als volgt zijn omschreven: „Kaas”.

13      Ter ondersteuning van de oppositie werden de weigeringsgronden van artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 aangevoerd.

14      Bij beslissing van 15 januari 2016 heeft de oppositieafdeling van het EUIPO de oppositie afgewezen.

15      Het door rekwirante tegen deze beslissing ingestelde beroep is verworpen bij de litigieuze beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO (hierna: „kamer van beroep”).

16      Ter motivering van deze verwerping heeft de kamer van beroep om te beginnen uiteengezet dat oudere collectieve merken in het kader van oppositieprocedures op dezelfde wijze als oudere individuele merken moeten worden behandeld. Het betrokken oudere merk heeft echter een zwak onderscheidend vermogen, aangezien de term „halloumi” slechts een kaassoort aanduidt. Deze term wordt louter gebruikt als soortnaam voor een productsoort. Zelfs wat Cyprus en Griekenland betreft, heeft rekwirante geen bewijs aangedragen waaruit blijkt dat het grote publiek het merk HALLOUMI anders waarneemt dan als de beschrijving van een kaassoort.

17      Vervolgens was de kamer van beroep van mening dat er geenszins verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 tussen het oudere merk en het aangevraagde merk BBQLOUMI bestond.

18      Wat klasse 29 van de Overeenkomst van Nice betreft, zijn de door de conflicterende merken aangeduide waren weliswaar grotendeels hetzelfde of soortgelijk, maar er bestaat slechts een geringe visuele overeenstemming tussen deze merken. Bovendien is er op fonetisch en begripsmatig vlak geen sprake van overeenstemming.

19      Ten slotte heeft de kamer van beroep vastgesteld dat rekwirante had afgezien van haar aan artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 ontleende oppositiegrond.

 Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

20      Bij een op 26 mei 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft rekwirante vernietiging van de litigieuze beslissing gevorderd.

21      Ter ondersteuning van dit beroep heeft zij een middel aangevoerd, ontleend aan schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, dat uit vier onderdelen bestond.

22      Ten eerste verweet rekwirante de kamer van beroep, de draagwijdte en de gevolgen van collectieve Uniemerken onjuist te hebben omschreven door de – eveneens onjuiste – redenering die is gevolgd in het arrest van 13 juni 2012, Organismos Kypriakis Galaktokomikis Viomichanias/BHIM – Garmo (HELLIM) (T‑534/10, EU:T:2012:292), te hebben overgenomen.

23      Ten tweede voerde zij aan dat de kamer van beroep de artikelen 66 en volgende van verordening nr. 207/2009 had geschonden door geen rekening te houden met het feit dat er aan de hand van collectieve merken niet één enkele commerciële herkomst kan worden aangeduid en dat dergelijke merken een plaats van herkomst kunnen aanduiden.

24      Ten derde heeft de kamer van beroep het oudere merk ten onrechte als een soortnaam aangemerkt en aldus het onderscheidend vermogen van dit merk niet erkend.

25      Ten vierde heeft de kamer van beroep ten onrechte geoordeeld dat, gelet op de verschillen tussen de conflicterende merken, elk verwarringsgevaar kan worden uitgesloten.

26      Aangezien geen van de onderdelen van het enige middel werd aanvaard, werd het beroep verworpen.

27      Bij beschikking van 17 september 2019 heeft het Gerecht punt 71 van het bestreden arrest in de versie van de procestaal gerectificeerd. Volgens de aldus gerectificeerde versie heeft het Gerecht, ondanks het feit dat de door de conflicterende merken aangeduide waren deels hetzelfde en deels in zekere mate soortgelijk zijn, geoordeeld dat er bij het relevante publiek geen verwarringsgevaar kan bestaan, aangezien het bestaan van een geringe mate van visuele, fonetische en begripsmatige overeenstemming niet volstaat om tot het bestaan van verwarringsgevaar te concluderen in het geval van een ouder merk dat een beschrijvende betekenis en dus een zwak onderscheidend vermogen heeft.

28      In punt 71 van het bestreden arrest, in de aanvankelijk aan partijen meegedeelde en openbaar gemaakte versie ervan in de procestaal, had het Gerecht geoordeeld dat, hoewel de door de conflicterende merken aangeduide waren deels hetzelfde en deels in zekere mate soortgelijk zijn, bij het relevante publiek geen verwarringsgevaar kan bestaan, aangezien bij een ouder beschrijvend merk met een zwak onderscheidend vermogen het bestaan van een visuele, fonetische en begripsmatige overeenstemming niet volstaat om tot het vermoeden van verwarringsgevaar te concluderen.

 Conclusies van partijen in hogere voorziening

29      Rekwirante verzoekt het Hof:

–      het bestreden arrest te vernietigen,

–      haar beroep tot vernietiging toe te wijzen, en

–      het EUIPO en M. J. Dairies te verwijzen in hun eigen kosten en in die van rekwirante.

30      Het EUIPO verzoekt het Hof:

–      de hogere voorziening af te wijzen, en

–      rekwirante te verwijzen in de kosten.

31      M. J. Dairies verzoekt het Hof:

–      de hogere voorziening af te wijzen, en

–      rekwirante te verwijzen in de kosten van M. J. Dairies.

 Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

32      Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal heeft rekwirante, bij akte neergelegd ter griffie van het Hof op 30 oktober 2019, verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

33      Volgens deze bepaling kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

34      Ter ondersteuning van haar verzoek stelt rekwirante dat de conclusie van de advocaat-generaal berust op een onjuiste lezing van de ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde middelen en argumenten. Een dergelijke foutieve lezing vormt een nieuw feit en brengt bovendien het risico met zich mee dat de zaak wordt beslecht op grond van een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

35      Er moet echter aan worden herinnerd dat de advocaat-generaal overeenkomstig artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak heeft, in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is noch door de conclusie van de advocaat-generaal, noch door de motivering op grond waarvan hij tot die conclusie komt, gebonden (arresten van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C‑126/16, EU:C:2017:489, punt 31, en 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 39).

36      Voorts dient eraan te worden herinnerd dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering niet voorzien in de mogelijkheid om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. Het feit het oneens te zijn met de conclusie van de advocaat-generaal kan derhalve als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren (arresten van 25 oktober 2017, Polbud – Wykonawstwo, C‑106/16, EU:C:2017:804, punten 23 en 24, en 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 40).

37      Aangezien partijen in casu tijdens de schriftelijke en de mondelinge behandeling hun standpunten over de ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde middelen en argumenten voldoende hebben kunnen uitwisselen en het Hof niet gebonden is door de omschrijving van deze middelen en argumenten in de conclusie van de advocaat-generaal, bestaat er, anders dan rekwirante betoogt, geen risico dat de zaak wordt beslecht op grond van een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

38      Bovendien vormen de vaststellingen in die conclusie, daaronder begrepen die betreffende de draagwijdte van de ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde middelen en argumenten, geenszins een nieuw feit dat een partij na afsluiting van de mondelinge behandeling heeft aangebracht in de zin van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering.

39      Het Hof is, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om uitspraak te doen op de hogere voorziening.

40      Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.

 Hogere voorziening

 Argumenten van partijen

41      Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante vier middelen aan.

42      Ter ondersteuning van haar eerste middel, ontleend aan schending van artikel 66 van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 74 van verordening 2017/1001), voert rekwirante aan dat uit deze bepaling blijkt dat collectieve merken wat het onderscheidend vermogen ervan betreft niet op dezelfde wijze kunnen worden beoordeeld als individuele merken. In dit verband benadrukt rekwirante dat uit lid 1 van deze bepaling volgt dat de wezenlijke functie van herkomstaanduiding van collectieve merken erin bestaat de waren of diensten die afkomstig zijn van een of meer leden van een vereniging te onderscheiden van die van andere ondernemingen, en dat uit lid 2 van diezelfde bepaling voortvloeit dat, in afwijking van artikel 7, lid 1, onder c), van deze verordening, dergelijke merken mogen wijzen op de plaats van herkomst van de betrokken waren of diensten.

43      Het Gerecht heeft echter de in artikel 66, leden 1 en 2, van verordening nr. 207/2009 vermelde kenmerken van collectieve merken miskend door de benadering van de kamer van beroep te bevestigen die erin bestond het onderscheidend vermogen van het merk HALLOUMI te laag in te schatten op grond dat de term „halloumi” duidt op een soort kaas die volgens een bijzonder recept op basis van melk uit Cyprus wordt geproduceerd.

44      Door bovendien te eisen dat de houder van een collectief merk in het kader van een oppositieprocedure de mate van onderscheidend vermogen van dit merk aantoont, heeft het Gerecht een ongeschikte bewijslast ingevoerd. Het Gerecht heeft zich hoofdzakelijk gebaseerd op de premisse van een zwak onderscheidend vermogen en heeft geëist dat rekwirante deze premisse weerlegt.

45      Met haar tweede middel, ontleend aan schending van artikel 8, lid 1, onder b), gelezen in samenhang met artikel 66, van verordening nr. 207/2009, herhaalt rekwirante in essentie dezelfde argumenten als die welke zij in het kader van het eerste middel heeft aangevoerd en leidt zij daaruit af dat het Gerecht bij de beoordeling van het in artikel 8, lid 1, onder b), bedoelde criterium van „[gevaar voor] verwarring bij het publiek” geen rekening heeft gehouden met de in dat artikel 66 vermelde kenmerken van collectieve merken.

46      Met haar derde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht bij de toepassing van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 de rechtspraak van het Hof betreffende deze bepaling heeft miskend.

47      Om te beginnen benadrukt rekwirante dat het arrest van 13 juni 2012, Organismos Kypriakis Galaktokomikis Viomichanias/BHIM – Garmo (HELLIM) (T‑534/10, EU:T:2012:292), waarnaar het Gerecht verwijst, door het Hof niet is bevestigd. De hogere voorziening tegen dit arrest werd weliswaar afgewezen bij beschikking van 21 maart 2013, Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/BHIM (C‑393/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:207), maar het Hof heeft zich in deze beschikking beperkt tot de vaststelling dat rekwirante dat arrest onjuist had gelezen, zonder uitspraak te doen over de vraag of het Gerecht de relevante beginselen juist had toegepast.

48      Met betrekking tot het arrest van 20 september 2017, The Tea Board/EUIPO (C‑673/15 P–C‑676/15 P, EU:C:2012:314), dat ook door het Gerecht in het bestreden arrest wordt aangehaald, merkt rekwirante op dat het Hof daarin enkel heeft gepreciseerd dat er bij de beoordeling van het verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 rekening moet worden gehouden met het feit dat de wezenlijke functie van een collectief merk, net zoals die van individuele merken, erin bestaat de commerciële herkomst van de betrokken waren of diensten aan te duiden.

49      Met betrekking tot het eveneens door het Gerecht aangehaalde arrest van 24 mei 2012, Formula One Licensing/BHIM (C‑196/11 P, EU:C:2012:314), voert rekwirante aan dat het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest ten onrechte uit voornoemd arrest heeft afgeleid dat een collectief Uniemerk enkel een zekere mate van onderscheid vermogen kan worden toegekend wanneer de houder van dit merk hiervan het bewijs levert.

50      Bovendien heeft het Gerecht met betrekking tot de globale beoordeling van het verwarringsgevaar de in de rechtspraak van het Hof geformuleerde fundamentele regels inzake artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 miskend. Rekwirante verwijst in dit verband naar het arrest van 8 november 2016, BSH/EUIPO (C‑43/15 P, EU:C:2016:837), en in het bijzonder naar de punten 61 tot en met 64 ervan, waar het Hof deze regels herhaalt door met name te benadrukken dat er zelfs in het geval van een ouder merk met een zwak onderscheidend vermogen sprake kan zijn van verwarringsgevaar wegens de overeenstemming van de conflicterende merken en de soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten.

51      Rekwirante betoogt dat punt 71 van het bestreden arrest duidelijk onverenigbaar is met deze rechtspraak, aangezien het Gerecht in dat punt het bestaan van verwarringsgevaar heeft uitgesloten zonder naar behoren over te gaan tot een globale beoordeling van dat gevaar waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante factoren en met de onderlinge samenhang tussen deze factoren.

52      Met haar vierde middel, ontleend aan schending van artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 65, lid 2, van verordening nr. 207/2009, verwijt rekwirante het Gerecht dat het de zaak niet naar het EUIPO heeft terugverwezen, ondanks het feit dat het heeft vastgesteld dat de kamer van beroep blijk had gegeven van onjuiste opvattingen.

53      Volgens het EUIPO en M. J. Dairies hebben de kamer van beroep en het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het kader van de beoordeling van het in artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 bedoelde verwarringsgevaar te oordelen dat het onderscheidend vermogen van het merk HALLOUMI als zwak moest worden aangemerkt.

54      Zij herinneren eraan dat de wezenlijke functie van een collectief merk, net zoals die van een individueel merk, erin bestaat de commerciële herkomst van de erdoor aangeduide waren en diensten aan te duiden. Het onderscheidend vermogen van een dergelijk collectief merk mag dus niet worden beoordeeld aan de hand van andere criteria dan die welke van toepassing zijn wanneer het oudere merk een individueel merk betreft.

55      Het eerste en het tweede middel van de hogere voorziening moeten bijgevolg worden afgewezen.

56      Het derde middel is eveneens ongegrond. In dit verband merken het EUIPO en M. J. Dairies op dat het Gerecht heeft vastgesteld dat er geen verwarringsgevaar bestond, niet alleen op basis van het zwakke onderscheidend vermogen van het oudere merk, maar ook op basis van andere relevante factoren, in het bijzonder de geringe mate van overeenstemming tussen de conflicterende merken. Het bestreden arrest, daaronder begrepen punt 71 ervan, is dus verenigbaar met de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.

57      Wat het vierde middel betreft, zijn het EUIPO en M. J. Dairies van mening dat het Gerecht mocht vaststellen dat er geen verwarringsgevaar bestond, ondanks de onjuiste opvattingen waarvan de kamer van beroep bij de fonetische en begripsmatige vergelijking van de conflicterende tekens blijk had gegeven.

 Beoordeling door het Hof

58      Hoewel de door rekwirante tegen het aangevraagde merk BBQLOUMI ingestelde oppositie zowel op artikel 8, lid 1, onder b), als op artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 was gebaseerd, staat vast dat deze oppositie, gelet op de later aangevoerde middelen en argumenten, door de kamer van beroep en door het Gerecht uitsluitend kon worden onderzocht tegen de achtergrond van artikel 8, lid 1, onder b).

59      Volgens de bewoordingen van laatstgenoemde bepaling, die bij gebreke van een andersluidende bepaling in de artikelen 67 tot en met 74 van verordening nr. 207/2009 krachtens artikel 66, lid 3, van deze verordening van toepassing is op collectieve Uniemerken (arrest van 20 september 2017, The Tea Board/EUIPO, C‑673/15 P–C‑676/15 P, EU:C:2017:702, punt 46), wordt inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan op het grondgebied waarop het oudere merk beschermd wordt.

60      In casu is het oudere merk het collectieve Uniemerk HALLOUMI, dat rekwirante voor kaas heeft laten inschrijven. De door de kamer van beroep verrichte en door het Gerecht bevestigde beoordeling volgens welke het relevante publiek bestaat uit het grote publiek van de Unie omdat de bedoelde waren gangbare consumptiegoederen zijn, wordt niet betwist.

61      Rekwirante voert echter met het eerste tot en met het derde middel van haar hogere voorziening aan dat het Gerecht de criteria heeft miskend aan de hand waarvan het bestaan van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 moet worden beoordeeld. Deze middelen zien aldus op de algemene rechtsbeginselen die voor de beoordeling van het gevaar voor verwarring van de conflicterende merken gelden, hetgeen een rechtsvraag oplevert die aan het Hof kan worden voorgelegd in het kader van een hogere voorziening (arrest van 8 november 2016, BSH/EUIPO, C‑43/15 P, EU:C:2016:837, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62      Deze drie middelen moeten samen worden behandeld, teneinde eerst te onderzoeken welke criteria gelden, en vervolgens of het Gerecht deze criteria in acht heeft genomen.

63      In zaken betreffende opposities op basis van individuele oudere merken heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat er van verwarringsgevaar sprake is wanneer het publiek kan menen dat de door het oudere merk aangeduide waren of diensten en die waarop het aangevraagde merk betrekking heeft, van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn (arresten van 12 juni 2007, BHIM/Shaker, C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punt 33; 8 mei 2014, Bimbo/BHIM, C‑591/12 P, EU:C:2014:305, punt 19, en 12 juni 2019, Hansson, C‑705/17, EU:C:2019:481, punt 40).

64      In een geval als het onderhavige, waarin het oudere merk een collectief merk is, waarvan de wezenlijke functie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van verordening nr. 207/2009 erin bestaat de waren of diensten van de leden van de vereniging die merkhouder is te onderscheiden van die van andere ondernemingen (arresten van 20 september 2017, The Tea Board/EUIPO, C‑673/15 P–C‑676/15 P, EU:C:2017:702, punt 63, en 12 december 2019, Der Grüne Punkt/EUIPO, C‑143/19 P, EU:C:2019:1076, punt 52), moet verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 worden begrepen als het gevaar dat het publiek kan menen dat de door het oudere merk aangeduide waren of diensten en die waarop het aangevraagde merk betrekking heeft, alle afkomstig zijn van leden van de vereniging die houder van het oudere merk is of, in voorkomend geval, van ondernemingen die economisch verbonden zijn met deze leden of met deze vereniging.

65      Ook al moet er bij oppositie door de houder van een collectief merk rekening worden gehouden met de wezenlijke functie van dit type merk, zoals uiteengezet in artikel 66, lid 1, van verordening nr. 207/2009, teneinde te begrijpen wat onder „verwarringsgevaar” in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van deze verordening moet worden verstaan, dit neemt dus niet weg dat de rechtspraak waarin de criteria worden vastgesteld aan de hand waarvan concreet moet worden beoordeeld of een dergelijk gevaar bestaat, kan worden toegepast op zaken betreffende een ouder collectief merk.

66      Geen van de kenmerken van collectieve Uniemerken rechtvaardigt immers dat er bij oppositie op basis van een dergelijk merk wordt afgeweken van de uit die rechtspraak voortvloeiende criteria voor de beoordeling van het verwarringsgevaar.

67      Volgens deze rechtspraak dient het verwarringsgevaar globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval (arresten van 12 juni 2007, BHIM/Shaker, C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punt 34; 2 september 2010, Calvin Klein Trademark Trust/BHIM, C‑254/09 P, EU:C:2010:488, punt 44, en 8 mei 2014, Bimbo/BHIM, C‑591/12 P, EU:C:2014:305, punt 20).

68      Die beoordeling dient, wat de visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming tussen de betrokken merken betreft, te berusten op de totaalindruk die door deze merken bij het relevante publiek wordt opgeroepen (arresten van 12 juni 2007, BHIM/Shaker, C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punt 35; 2 september 2010, Calvin Klein Trademark Trust/BHIM, C‑254/09 P, EU:C:2010:488, punt 45, en 8 mei 2014, Bimbo/BHIM, C‑591/12 P, EU:C:2014:305, punt 21).

69      Een dergelijke beoordeling veronderstelt bovendien een zekere onderlinge samenhang tussen de in aanmerking te nemen factoren, met name tussen de overeenstemming van de merken en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben. Zo kan een geringe mate van soortgelijkheid van de aangeduide waren of diensten worden gecompenseerd door een hoge mate van overeenstemming van de merken, en omgekeerd (arresten van 18 december 2008, Éditions Albert René/BHIM, C‑16/06 P, EU:C:2008:739, punt 46, en 12 juni 2019, Hansson, C‑705/17, EU:C:2019:481, punt 43).

70      Het is eveneens vaste rechtspraak dat de mate van onderscheidend vermogen van het oudere merk, die bepalend is voor de omvang van de door dit merk verleende bescherming, tot die relevante factoren van het concrete geval behoort. Wanneer het onderscheidend vermogen van het oudere merk sterk is, kan het verwarringsgevaar hierdoor toenemen. Niettemin is het bestaan van verwarringsgevaar niet uitgesloten wanneer het oudere merk een zwak onderscheidend vermogen heeft (zie in die zin arresten van 8 november 2016, BSH/EUIPO, C‑43/15 P, EU:C:2016:837, punten 61 en 62, en 12 juni 2019, Hansson, C‑705/17, EU:C:2019:481, punten 42 en 44).

71      Rekwirantes stelling dat het onderscheidend vermogen van het oudere merk, in het bijzonder gelet op artikel 66, lid 2, van verordening nr. 207/2009, anders moet worden beoordeeld wanneer het oudere merk een collectief Uniemerk is, kan niet worden aanvaard.

72      In dit verband zij erop gewezen dat, bij gebreke van een andersluidende bepaling in de artikelen 67 tot en met 74 van verordening nr. 207/2009, artikel 7, lid 1, onder b), en artikel 7, lid 3, van deze verordening van toepassing zijn op collectieve Uniemerken. Bijgevolg moeten dergelijke merken in elk geval, hetzij intrinsiek hetzij door het gebruik dat ervan is gemaakt, onderscheidend vermogen hebben.

73      Artikel 66, lid 2, van verordening nr. 207/2009 vormt geen uitzondering op dit vereiste van onderscheidend vermogen. Deze bepaling staat weliswaar in afwijking van artikel 7, lid 1, onder c), van deze verordening de inschrijving als collectief Uniemerk toe van tekens die kunnen wijzen op de plaats van herkomst van de waren of diensten, maar zij staat niet toe dat de aldus ingeschreven tekens elk onderscheidend vermogen missen. Wanneer een vereniging verzoekt om inschrijving als collectief Uniemerk van een teken dat een plaats van herkomst kan aanduiden, dient zij er dus voor te zorgen dat dit teken elementen bevat aan de hand waarvan de consument de waren of diensten van haar leden kan onderscheiden van die van andere ondernemingen.

74      Zelfs in de veronderstelling dat het collectieve Uniemerk HALLOUMI impliciet verwijst naar de Cypriotische geografische herkomst van de betrokken waren, zoals rekwirante stelt, moet dit merk derhalve niettemin zijn wezenlijke functie vervullen, namelijk het onderscheiden van de waren of diensten van de leden van de vereniging die merkhouder is van die van andere ondernemingen, en is de mate van onderscheidend vermogen van dit merk overeenkomstig de in punt 70 van dit arrest vermelde rechtspraak een relevante factor voor de beoordeling of er verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 bestaat tussen dit merk en het aangevraagde merk BBQLOUMI.

75      Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de mate van onderscheidend vermogen van het oudere merk HALLOUMI te beoordelen en door deze factor in aanmerking te nemen bij zijn beoordeling van het bestaan van verwarringsgevaar.

76      Anders dan rekwirante betoogt, blijkt bovendien niet dat het Gerecht bij deze beoordeling het onderscheidend vermogen van het oudere merk HALLOUMI „te laag heeft ingeschat” of dat het zich heeft gebaseerd op een premisse van zwak onderscheidend vermogen die rekwirante diende te weerleggen. Integendeel, uit de punten 42 en 70 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht, net als de kamer van beroep na analyse van de door rekwirante aangevoerde bewijzen, objectief heeft vastgesteld dat de term „halloumi”, het enige bestanddeel waaruit dit oudere merk bestaat, een bepaalde soort kaas aanduidt die volgens een bijzonder recept wordt geproduceerd en dat het onderscheidend vermogen van een dergelijk merk, dat zich beperkt tot het aanduiden van een productsoort, zwak is. Deze beoordeling van de mate van onderscheidend vermogen van het oudere merk kan, bij gebreke van een specifieke grief ontleend aan een kennelijk onjuiste opvatting van de bewijselementen, voor het Hof niet worden aangevochten (zie in die zin arrest van 20 september 2017, The Tea Board/EUIPO, C‑673/15 P–C‑676/15 P, EU:C:2017:702, punt 41).

77      Het Gerecht heeft evenmin de draagwijdte miskend van het arrest van 24 mei 2012, Formula One Licensing/BHIM (C‑196/11 P, EU:C:2012:314). In de punten 41 tot en met 47 van dat arrest heeft het Hof gepreciseerd dat bij het onderzoek van een oppositie op basis van een nationaal merk „een zekere mate van onderscheidend vermogen” aan dit merk moet worden toegekend. Los van de vraag of deze rechtspraak op het onderhavige geval kan worden toegepast, blijkt hoe dan ook uit het bestreden arrest dat het Gerecht, door vast te stellen dat het merk HALLOUMI een zwak onderscheidend vermogen heeft, aan dit merk „een zekere mate van onderscheidend vermogen” heeft toegekend en dit arrest van het Hof dus niet heeft miskend.

78      Hoewel uit alle voorgaande overwegingen volgt dat het eerste en het tweede middel van de hogere voorziening ongegrond zijn en dat de in het kader van het derde middel van de hogere voorziening aangevoerde argumenten inzake miskenning van de draagwijdte van de arresten van 24 mei 2012, Formula One Licensing/BHIM (C‑196/11 P, EU:C:2012:314), en 20 september 2017, The Tea Board/EUIPO (C‑673/15 P–C‑676/15 P, EU:C:2017:702), eveneens moeten worden afgewezen, dient niettemin het – eveneens ter ondersteuning van dit derde middel aangevoerde – argument te worden onderzocht dat het Gerecht niet is overgegaan tot een globale beoordeling van het verwarringsgevaar waarbij overeenkomstig de rechtspraak van het Hof rekening wordt gehouden met alle relevante factoren en met de onderlinge samenhang tussen deze factoren.

79      In dit verband moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 62 tot en met 69 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de kamer van beroep ten onrechte had geconcludeerd dat de conflicterende merken op fonetisch en begripsmatig vlak niet overeenstemden. Het Gerecht heeft daarentegen geoordeeld dat deze merken, zij het in geringe mate, zowel visueel als fonetisch en begripsmatig overeenstemmen.

80      Het Gerecht heeft in punt 70 van dat arrest eveneens vastgesteld dat het oudere merk HALLOUMI een zwak onderscheidend vermogen heeft en in punt 71 van dat arrest dat de door de conflicterende merken aangeduide waren deels hetzelfde en deels in zekere mate soortgelijk zijn.

81      Nadat het Gerecht die verschillende factoren aldus had beoordeeld, diende het overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, zoals uitgelegd in de rechtspraak die in de punten 67 tot en met 70 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, deze factoren in een globale beoordeling te betrekken, gelet op de onderlinge samenhang tussen deze factoren, met name tussen de overeenstemming van de merken en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben, waarbij een geringe mate van soortgelijkheid van de aangeduide waren of diensten kan worden gecompenseerd door een hoge mate van overeenstemming van de merken, en omgekeerd.

82      Hieruit volgt dat het Gerecht minstens diende te onderzoeken of het feit dat het merk HALLOUMI en het aangevraagde merk BBQLOUMI volgens zijn beoordeling visueel, fonetisch en begripsmatig slechts in geringe mate overeenstemmen, met name wordt gecompenseerd door het feit dat de door beide merken aangeduide waar, te weten kaas, hetzelfde is. Overeenkomstig de in voornoemde rechtspraak neergelegde beginselen, volgens welke een beoordeling vereist is waarbij rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen de relevante factoren, was een dergelijk onderzoek noodzakelijk om uit te maken of er al dan niet een gevaar bestaat dat het grote publiek ten onrechte kan menen dat de onder het merk BBQLOUMI aangeboden waren of diensten afkomstig zijn van een onderneming die verbonden is met de vereniging die houder is van het merk HALLOUMI.

83      Hoewel het Gerecht deze beginselen in punt 56 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht en in punt 69 daarvan heeft aangekondigd dat het in het resterende deel van dat arrest zou overgaan tot een globale beoordeling van het verwarringsgevaar, heeft het zich in de punten 70 en 71 van datzelfde arrest beperkt tot het formuleren van zijn vaststellingen met betrekking tot de mate van onderscheidend vermogen van het oudere merk en de mate van overeenstemming van de conflicterende merken en van soortgelijkheid van de erdoor aangeduide waren, en heeft het enkel in abstracto geoordeeld dat er bij het relevante publiek geen sprake is van verwarringsgevaar, omdat het bestaan van een zekere – in casu geringe – mate van visuele, fonetische en begripsmatige overeenstemming tussen conflicterende merken niet volstaat om te concluderen tot het bestaan van verwarringsgevaar bij een ouder merk met een zwak onderscheidend vermogen. Louter op die grond heeft het Gerecht in punt 72 van het bestreden arrest geoordeeld dat de kamer van beroep weliswaar de in de punten 62 tot en met 69 van dat arrest vastgestelde fouten had gemaakt, maar dat zij terecht had geoordeeld dat er geen verwarringsgevaar bestond.

84      Uit geen enkele overweging van het bestreden arrest blijkt dus dat het Gerecht de onderlinge samenhang tussen de relevante factoren naar behoren heeft onderzocht. Zelfs indien het Gerecht zou hebben onderzocht of de geringe mate van overeenstemming van de conflicterende merken kon worden gecompenseerd door de duidelijk hogere mate van soortgelijkheid van de door deze merken aangeduide waren, moet worden vastgesteld dat het Gerecht in het bestreden arrest niet heeft uiteengezet waarom het van oordeel was dat dit niet het geval was.

85      Uit punt 71 van het bestreden arrest blijkt veeleer dat het Gerecht zich heeft gebaseerd op de premisse dat het bestaan van verwarringsgevaar bij een ouder merk met een zwak onderscheidend vermogen moet worden uitgesloten zodra er blijkt dat de overeenstemming van de conflicterende merken op zich niet volstaat om een dergelijk gevaar aan te tonen.

86      Zoals volgt uit de in de punten 69 en 70 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, is een dergelijke premisse onjuist, aangezien de omstandigheid dat een ouder merk een zwak onderscheidend vermogen heeft, het bestaan van verwarringsgevaar niet uitsluit. Om te bepalen of er al dan niet sprake was van een dergelijk gevaar, moest er, gelet op het in die rechtspraak geformuleerde criterium van onderlinge samenhang, worden onderzocht of de geringe mate van overeenstemming van de conflicterende merken wordt gecompenseerd door de hogere mate van soortgelijkheid of zelfs de gelijkheid van de door deze merken aangeduide waren. De beoordeling van het Gerecht bevat dienaangaande echter geen enkel concreet onderzoek.

87      Deze lezing van het bestreden arrest dringt zich op, ongeacht of er rekening wordt gehouden met de oorspronkelijke versie van dat arrest dan wel met de versie die voortvloeit uit de rectificatiebeschikking van 17 september 2019. Aangezien de rectificatie waartoe het Gerecht is overgegaan dus geen gevolgen heeft voor de beoordeling van de onderhavige hogere voorziening, behoeft de vraag – waarover partijen ter terechtzitting voor het Hof standpunten hebben uitgewisseld – of een dergelijke rectificatie, die door het Gerecht kort voor die terechtzitting voor het Hof aan partijen ter kennis is gebracht, verenigbaar is met de toepasselijke procedureregels, niet te worden onderzocht.

88      Aangezien de beoordeling van het Gerecht om de in de punten 82 tot en met 87 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen niet voldoet aan het vereiste van een globale beoordeling waarbij er rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang van de relevante factoren, moet worden geoordeeld dat het Gerecht de criteria aan de hand waarvan het bestaan van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 moet worden beoordeeld, heeft miskend, en aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

89      Hieruit volgt dat het bestreden arrest moet worden vernietigd, zonder dat het vierde middel van de hogere voorziening behoeft te worden onderzocht.

 Terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht

90      Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan het Hof in geval van vernietiging van een beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

91      In casu heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet over te gaan tot een globale beoordeling volgens de criteria die zijn vastgesteld in de rechtspraak inzake artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.

92      In die omstandigheden moet de zaak naar het Gerecht worden terugverwezen, zodat het kan overgaan tot een dergelijke beoordeling en aldus tot een nieuw onderzoek van het bestaan van verwarringsgevaar.

 Kosten

93      Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1)      Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 25 september 2018, Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/EUIPO – M. J. Dairies (BBQLOUMI) (T328/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:594), wordt vernietigd.

2)      De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3)      De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.