Language of document : ECLI:EU:T:2020:89

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

10 maart 2020 (*)

„Visserij – Instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee – Verordening (EU) 2018/120 – Maatregelen inzake de visserij op Europese zeebaars (Dicentrarchus labrax) – Door een vereniging ingesteld beroep tot nietigverklaring – Artikel 263 VWEU – Regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt – Rechtstreekse geraaktheid van de leden van de vereniging – Ontvankelijkheid – Bevoegdheid van de Unie om de recreatievisserij te regelen – Rechtszekerheid – Bescherming van het gewettigd vertrouwen – Gelijke behandeling – Non-discriminatiebeginsel – Evenredigheid – Voorzorgsbeginsel – Vrijheid van vereniging en vrijheid van ondernemerschap”

In zaak T‑251/18,

International Forum for Sustainable Underwater Activities (IFSUA), gevestigd in Barcelona (Spanje), vertegenwoordigd door T. Gui Mori en R. Agut Jubert, advocaten,

verzoekende partij,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door F. Naert en P. Plaza García als gemachtigden,

verwerende partij,

ondersteund door

Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Morales Puerta, F. Moro en A. Stobiecka-Kuik als gemachtigden,

interveniërende partij,

met betrekking tot een krachtens artikel 263 VWEU ingediend verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EU) 2018/120 van de Raad van 23 januari 2018 tot vaststelling, voor 2018, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van verordening (EU) 2017/127 (PB 2018, L 27, blz. 1),

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: V. Valančius, waarnemend voor de president, P. Nihoul (rapporteur) en J. Svenningsen, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 oktober 2019,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoeker, het International Forum for Sustainable Underwater Activities (IFSUA), is een vereniging zonder winstoogmerk naar Spaans recht die een dertigtal entiteiten uit verschillende lidstaten van de Europese Unie bijeenbrengt. Die entiteiten zijn, ten eerste, federaties, verenigingen en sportclubs die actief zijn op het gebied van onderwateractiviteiten en recreatieve zeevisserij en, ten tweede, ondernemingen die uitrusting voor de onderwatervisserij produceren of in de handel brengen.

2        Verzoeker heeft tot taak de belangen van zijn leden te behartigen in het kader van de uitoefening van onderwateractiviteiten in een mariene omgeving. Het is ook een van zijn doelstellingen om, via de kennis en de ervaring van zijn leden, invloed uit te oefenen op de nationale en internationale regelgeving betreffende het duurzame gebruik van het mariene milieu. Hij is eveneens een permanent lid van de werkgroep voor de evaluatie van de recreatievisserij binnen de International Council for the Exploration of the Sea (ICES; Internationale Raad voor het onderzoek van de zee). De ICES, een wetenschappelijke en technische organisatie, voert evaluaties uit betreffende de verschillende vissoorten en groepen van vissoorten en betreffende de visserij. Hij brengt adviezen uit die hoofdzakelijk op biologische criteria zijn gebaseerd en formuleert aanbevelingen op het gebied van de vangstniveaus of de bijbehorende technische maatregelen.

3        Overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU en volgens de modaliteiten zoals vastgesteld in verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad (PB 2013, L 354, blz. 22) (hierna: „GVB-verordening”), worden de vangstmogelijkheden jaarlijks door de Raad van de Europese Unie vastgesteld en toegewezen.

4        Op 23 januari 2018 heeft de Raad verordening (EU) 2018/120 aangenomen tot vaststelling, voor 2018, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van verordening (EU) 2017/127 (PB 2018, L 27, blz. 1) (hierna: „bestreden verordening”).

5        Artikel 2, lid 2, van de bestreden verordening, dat betrekking heeft op het toepassingsgebied van die verordening, bepaalt dat deze van toepassing is op recreatievisserijen indien in de bepalingen ervan uitdrukkelijk naar deze visserijen wordt verwezen.

6        Artikel 3, onder b), van de bestreden verordening definieert „recreatievisserijen” als „niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de mariene biologische hulpbronnen worden geëxploiteerd voor recreatieve, toeristische of sportieve doeleinden”.

7        Artikel 9, leden 1 tot en met 3, van de bestreden verordening stelt maatregelen vast inzake de commerciële visserij op Europese zeebaars.

8        Artikel 9, leden 4 en 5, van de bestreden verordening reglementeert de recreatievisserij op Europese zeebaars in twee gebieden.

9        Het eerste in bovenstaand punt 8 bedoelde gebied, dat zich in het noorden bevindt, omvat de statistische gebieden die door de ICES zijn geïdentificeerd en vastgesteld (hierna: „ICES-sectoren”) als ICES-sectoren 4b, 4c en 7a tot en met 7k, die overeenkomen met het centrale en zuidelijke deel van de Noordzee, de Ierse Zee, het gebied ten westen van Ierland, de Porcupine Bank, het Kanaal, het Bristolkanaal, de Keltische Zee en het gebied ten zuidwesten van Ierland (hierna: „eerste gebied”).

10      In het eerste gebied moet, krachtens artikel 9, lid 4, van de bestreden verordening, Europese zeebaars die wordt gevangen bij recreatievisserij weer worden teruggezet (hierna: „vangen en terugzetten”). Het is recreatievissers derhalve verboden om Europese zeebaars die in die gebieden is gevangen aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

11      Het tweede in bovenstaand punt 8 bedoelde gebied, dat zich in het westen bevindt, omvat de ICES-sectoren 8a en 8b, die overeenkomen met een deel van de Golf van Biskaje (hierna: „tweede gebied”).

12      In het tweede gebied mogen recreatievissers Europese wel zeebaarzen aan boord hebben, maar het aantal ervan is krachtens artikel 9, lid 5, van de bestreden verordening beperkt tot drie exemplaren per dag per visser.

 Procedure en conclusies van partijen

13      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 april 2018, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.

14      Bij afzonderlijke akte van 7 juni 2018 heeft verzoeker een verzoek ingediend om voorlopige maatregelen tot opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 2, lid 2, en artikel 9, leden 4 en 5, van de bestreden verordening. Bij beschikking van 20 augustus 2018, IFSUA/Raad (T‑251/18 R, niet gepubliceerd, EU:T:2018:516), heeft de president van het Gerecht het verzoek in kort geding afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

15      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 augustus 2018, heeft de Europese Commissie verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad. Bij beslissing van 17 september 2018 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. Interveniënte heeft haar memorie in interventie ingediend en de hoofdpartijen hebben binnen de gestelde termijnen hun opmerkingen hierover ingediend.

16      Bij een maatregel tot organisatie van de procesgang op grond van artikel 89, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht verzoeker schriftelijke vragen gesteld en de andere partijen uitgenodigd om hun opmerkingen in te dienen met betrekking tot verzoekers antwoorden.

17      Partijen zijn gehoord tijdens de mondelinge behandeling op 16 oktober 2019.

18      Verzoeker verzoekt het Gerecht:

–        artikel 2, lid 2, en artikel 9, leden 4 en 5, van de bestreden verordening nietig te verklaren;

–        de overwegingen van die verordening met betrekking tot die bepalingen nietig te verklaren.

19      In zijn opmerkingen over de memorie in interventie heeft verzoeker zijn betwisting van artikel 2, lid 2, van de bestreden verordening ingetrokken.

20      Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker verklaard dat het beroep niet tegen de overwegingen van de bestreden verordening was gericht, in tegenstelling tot wat in de tweede alinea van de eerste bladzijde van het verzoekschrift was vermeld. Van deze verklaring is akte genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

21      De Raad verzoekt het Gerecht:

–        het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond te verklaren;

–        verzoeker in de kosten te verwijzen.

22      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren;

–        verzoeker in de kosten te verwijzen.

 In rechte

23      Allereerst moet worden opgemerkt dat verzoeker tijdens de procedure voor het Gerecht zijn vorderingen heeft ingetrokken voor zover zij waren gericht tegen artikel 2, lid 2, van de bestreden verordening en tegen de overwegingen van die verordening met betrekking tot artikel 2, lid 2, en artikel 9, leden 4 en 5, van de verordening, zodat over die vorderingen geen uitspraak hoeft te worden gedaan.

 Ontvankelijkheid

 Scheidbaarheid van de bestreden bepalingen

24      Volgens de Commissie is het beroep niet-ontvankelijk voor zover het strekt tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden verordening. Artikel 9, leden 4 en 5, van die verordening, waarvan verzoeker de nietigverklaring vordert (hierna: „bestreden bepalingen”) kan namelijk niet, zoals de rechtspraak vereist, worden gescheiden van de rest van de bestreden verordening.

25      Ook al kan de Commissie in haar hoedanigheid van interveniënte, overeenkomstig artikel 142, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, niet op eigen initiatief een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpen (zie in die zin arrest van 20 juni 2019, a&o hostel en hotel Berlin/Commissie, T‑578/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:437, punt 36), het Gerecht dient de kwestie hoe dan ook te onderzoeken, aangezien de ontvankelijkheid van het beroep van openbare orde is (zie in die zin beschikking van 25 januari 2017, Internacional de Productos Metálicos/Commissie, T‑217/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:37, punt 24, en arrest van 20 juni 2019, a&o hostel en hotel Berlin/Commissie, T‑578/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:437, punt 36).

26      In dit verband zij eraan herinnerd dat een rechter van de Unie de gedeeltelijke nietigverklaring van een Unierechtelijke handeling alleen dan kan gelasten wanneer de elementen waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd van de rest van die handeling kunnen worden gescheiden. Dit is niet het geval wanneer de gedeeltelijke nietigverklaring van een handeling van de Unie tot gevolg heeft dat de kern ervan wordt gewijzigd (zie arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C‑540/03, EU:C:2006:429, punten 27 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      In casu hebben de bestreden bepalingen betrekking op een specifiek onderwerp, te weten de recreatievisserij op Europese zeebaars in welbepaalde gebieden, waardoor zij verschillen van de andere bepalingen in de bestreden verordening, met name artikel 9, leden 1 tot en met 3, ervan, die betrekking hebben op de commerciële visserij op die vissoort, ook al betreffen die laatste bepalingen dezelfde geografische gebieden.

28      Met andere woorden, de door verzoeker gevorderde nietigverklaring van de bestreden bepalingen zou, indien het Gerecht die vordering zou toewijzen, geen gevolgen hebben voor de kern van de andere bepalingen van de bestreden verordening waarop de vordering geen betrekking heeft, in het bijzonder artikel 9, leden 1 tot en met 3, van de verordening, aangezien de aan de commerciële visserij op Europese zeebaars opgelegde beperkingen, die in die laatste bepalingen aan de orde zijn, niet zouden worden aangetast.

29      Derhalve moet worden vastgesteld dat de bestreden bepalingen kunnen worden gescheiden van de andere bepalingen van de bestreden verordening en dat het verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van die verordening ontvankelijk is.

 Procesbevoegdheid

30      Volgens de Raad en de Commissie moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard omdat verzoeker niet voldoet aan de in artikel 263, vierde alinea, VWEU vastgestelde voorwaarden waaronder een natuurlijke of rechtspersoon beroep kan instellen.

31      Allereerst moet eraan worden herinnerd dat, volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU „[i]edere natuurlijke of rechtspersoon [...] onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep [kan] instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen”.

32      Verzoeker stelt dat zijn situatie overeenkomt met die welke in het laatste geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU is beschreven, aangezien de bestreden bepalingen volgens hem van regelgevende aard zijn, geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen en zijn leden rechtstreeks raken.

33      In dit verband moet, ten eerste, worden opgemerkt dat, zoals alle partijen in het geding hebben erkend, de bestreden bepalingen van regelgevende aard zijn in de zin van artikel 263, vierde alinea, in fine, VWEU.

34      Het begrip „regelgevingshandeling” in de zin van die bepaling ziet immers op elke handeling van algemene strekking met uitzondering van wetgevingshandelingen (arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 60 en 61).

35      De bestreden bepalingen hebben een algemene strekking aangezien zij van toepassing zijn op objectief vastgestelde situaties en rechtsgevolgen hebben voor op algemene en abstracte wijze omschreven categorieën van personen.

36      Verder zijn zij niet van wetgevende aard, aangezien zij, net als de bestreden verordening waarvan zij deel uitmaken, op artikel 43, lid 3, VWEU zijn gebaseerd en door de Raad op voorstel van de Commissie zijn vastgesteld, zonder tussenkomst van het Europees Parlement, volgens een procedure die geen wetgevingsprocedure is (beschikking van 10 februari 2017, Acerga/Raad, T‑153/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:73, punt 33).

37      Ten tweede moet worden vastgesteld, zoals partijen in het geding erkennen, dat de bestreden bepalingen zelf de beperkingen vastleggen die van toepassing zijn op de recreatievisserij op Europese zeebaars in de twee betrokken gebieden en dus met name ten aanzien van recreatievissers van kracht zijn zonder dat uitvoeringsmaatregelen op het niveau van de Unie of op het niveau van de lidstaten zijn vereist.

38      Ten derde raken de bestreden bepalingen een aantal leden van verzoeker rechtstreeks, te weten de Fédération nautique de pêche sportive en apnée (FNPSA), de Fédération chasse sous-marine passion (FCSMP) en Emerald Water Normandie Spearfishing.

39      De FNPSA is een in Pau (departement Pyrénées-Atlantiques, Frankrijk) gevestigde vereniging zonder winstoogmerk die, zoals uit haar statuten blijkt, tot doel heeft het sportvissen zonder zuurstofmasker te bevorderen, te organiseren en te ontwikkelen, en het mariene milieu te observeren, te leren kennen, te verdedigen en te herstellen. De leden van deze vereniging zijn entiteiten en natuurlijke personen die in het bezit zijn van een vergunning om te sportvissen zonder zuurstofmasker. De FNPSA heeft onder haar leden dus personen die de onderwatervisserij uitoefenen.

40      De FCSMP, gevestigd in Ollioules (departement Var, Frankrijk), is eveneens een vereniging zonder winstoogmerk. Zij verenigt onderwatervissers, zoals in haar statuten is vermeld, en heeft met name tot doel om op te komen voor het voortbestaan van de recreatieve onderwaterjacht als cultureel en sportief erfgoed, voor de vrije toegang en uitoefening voor zoveel mogelijk personen, in het bijzonder jongeren, en voor de gelijkheid van behandeling ten opzichte van andere soorten van visserij.

41      Emerald Water Normandie Spearfishing is een vereniging die tot doel heeft de onderwaterjacht op lokaal, regionaal en nationaal niveau te bevorderen door middel van informatiecampagnes op allerlei soorten dragers en via verschillende media, de organisatie van wedstrijden en evenementen, en alle andere beschikbare wettelijke middelen. Zij is gevestigd in Le Havre (departement Seine-Maritime, Frankrijk) en haar actieve leden zijn personen van minstens zestien jaar oud die een medisch attest hebben voorgelegd waaruit blijkt dat er voor hen geen contra-indicaties zijn voor het duiken zonder zuurstofmasker of voor de onderwaterjacht.

42      De Commissie stelt dat de tot die drie verenigingen behorende vissers niet actief zijn in de geografische gebieden die onder de bestreden bepalingen vallen, hetgeen volgens haar tot niet-ontvankelijkheid van het beroep zou moeten leiden.

43      In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals in bovenstaande punten 8 tot en met 11 is uiteengezet, de bestreden bepalingen betrekking hebben op de recreatievisserij op Europese zeebaars in twee welbepaalde geografische gebieden, te weten het eerste gebied en het tweede gebied.

44      In casu heeft verzoeker voor de drie betrokken verenigingen een door hun voorzitter ondertekende verklaring overgelegd waarin wordt gesteld dat hun leden actief waren in het eerste gebied, waar zij de onderwatervisserij uitoefenden. Die verklaring is door de Raad niet betwist. In die omstandigheden kan, na onderzoek van de door die verenigingen verstrekte documenten, worden geoordeeld dat de ontvankelijkheidsvoorwaarde met betrekking tot de op dat gebied toepasselijke bepalingen voor hen is vervuld.

45      Bovendien heeft verzoeker in zijn antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht erop gewezen dat een van de verenigingen, de FNPSA, in het tweede gebied het Franse kampioenschap onderwatervisserij voor 2018 heeft georganiseerd, zodat ook voor dat gebied de ontvankelijkheidsvoorwaarde is vervuld.

46      In dit verband heeft verzoeker ter terechtzitting een verklaring van de voorzitter van de FNPSA overgelegd waarin deze stelt dat de vangst van Europese zeebaars in het tweede gebied tijdens het kampioenschap 2018 overeenkomstig de bestreden bepalingen was beperkt tot drie exemplaren.

47      De voorzitter van de FNPSA stelt in die verklaring voorts dat de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen heeft geleid tot een vermindering van het aantal inschrijvingen voor de door deze vereniging georganiseerde wedstrijden, met name in het tweede gebied.

48      De Raad en de Commissie betogen dat die verklaring niet in aanmerking kan worden genomen omdat zij te laat is ingediend.

49      In dit verband moet worden opgemerkt dat het effect van de bestreden bepalingen op het aantal inschrijvingen voor de door de FNPSA georganiseerde wedstrijden na de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen pas geleidelijk aan merkbaar is geworden, hetgeen verklaart waarom verzoeker dit effect niet vóór de terechtzitting heeft kunnen vaststellen, zodat het pas in de loop van het geding ter kennis van het Gerecht kon worden gebracht.

50      Om die redenen moet de betrokken verklaring, die door verzoeker ter terechtzitting is overgelegd, ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, dat de overlegging van nieuwe stukken aan het Gerecht regelt.

51      In het licht van die elementen stelt het Hof vast dat de drie entiteiten waarvan de situatie hierboven is onderzocht leden hebben die de recreatievisserij uitoefenen of viswedstrijden organiseren in de gebieden waarop de bestreden bepalingen betrekking hebben, en dat de rechtspositie van de betrokken entiteiten en vissers door die bepalingen rechtstreeks is geraakt, aangezien zij bij de uitoefening van hun activiteiten zijn geconfronteerd met de in de bepalingen vastgestelde beperkingen.

52      In dit verband zij eraan herinnerd dat verenigingen bij de Unierechter beroep kunnen instellen, met name wanneer zij leden hebben die, elk voor zich, voldoen aan de in artikel 263 VWEU vastgestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden (zie in die zin arrest van 15 september 2016, Molinos Río de la Plata e.a./Raad, T‑112/14–T‑116/14 en T‑119/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:509, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      Bijgevolg wordt verzoeker, die entiteiten samenbrengt waarin de door de bestreden bepalingen geraakte vissers zich hebben gegroepeerd, door die bepalingen rechtstreeks geraakt.

54      Gelet op het voorgaande moet het beroep ontvankelijk worden verklaard.

 Ten gronde

55      Tot staving van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan, respectievelijk ontleend aan:

–        onbevoegdheid van de Unie om door middel van de bestreden bepalingen op te treden op het gebied van de recreatievisserij;

–        schending van het rechtszekerheids‑ en het vertrouwensbeginsel;

–        schending van de beginselen van gelijke behandeling en van non-discriminatie;

–        schending van het evenredigheidsbeginsel en van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van ondernemerschap.

56      Het derde en het vierde middel hebben uitsluitend betrekking op artikel 9, lid 4, van de bestreden verordening.

 Eerste middel: onbevoegdheid van de Unie

57      Verzoeker stelt dat de Unie niet bevoegd was om, zoals zij in de bestreden bepalingen heeft gedaan, de recreatievisserij op Europese zeebaars te regelen.

58      De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist verzoekers argumenten.

59      In dit verband moet worden opgemerkt dat de bestreden verordening, zoals blijkt uit de considerans ervan, is vastgesteld op grond van artikel 43, lid 3, VWEU, dat deel uitmaakt van het derde deel, titel III, van het VWEU, betreffende landbouw en visserij, en dat bepaalt dat „[d]e Raad [...] op voorstel van de Commissie de maatregelen [vaststelt] voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden”.

60      Krachtens artikel 4, lid 2, onder d), VWEU, hebben de aan de Unie op het gebied van landbouw en visserij toegekende bevoegdheden een gedeeld karakter.

61      Aan het gedeelde karakter van de aan de Unie toegekende bevoegdheden op het gebied van landbouw en visserij wordt echter in artikel 4, lid 2, onder d), VWEU een beperking gesteld, aangezien de in het kader van dat beleid vastgestelde maatregelen niet onder een gedeelde maar onder een exclusieve bevoegdheid vallen wanneer zij betrekking hebben op de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee, een gebied waarop de Unie, krachtens artikel 3, lid 1, onder d), VWEU, exclusief bevoegd is.

62      De bestreden bepalingen zijn, in het kader van de maatregelen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden in de zin van artikel 43, lid 3, VWEU, vastgesteld om de doelstelling van de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee te realiseren.

63      De bestreden verordening is immers, zoals blijkt uit overweging 1 ervan, vastgesteld om voor het jaar 2018 de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden of groepen visbestanden in de Uniewateren vast te stellen.

64      In dit verband heeft de Raad, zoals blijkt uit de overwegingen 7 en 8 van de bestreden verordening, de sterfte van de Europese zeebaars willen verminderen, nadat hij van de ICES alarmerende berichten over de evolutie van het bestand van die vissoort en aanbevelingen voor de vaststelling van instandhoudingsmaatregelen had ontvangen.

65      In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de Uniewetgever, door de bestreden bepalingen in het kader van de maatregelen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden in de zin van artikel 43, lid 3, VWEU vast te stellen, is opgetreden in het kader van de exclusieve bevoegdheid die hem door artikel 3, lid 1, onder d), VWEU is toegekend.

66      De argumenten van verzoeker doen niets af aan deze beoordeling.

67      Verzoeker betoogt, ten eerste, dat de Unie op het gebied van de visserij en de landbouw enkel bevoegd is met betrekking tot commerciële activiteiten, en niet met betrekking tot de recreatievisserij, zodat de bestreden bepalingen volgens hem niet in het kader van dat beleid konden worden vastgesteld.

68      Krachtens artikel 43, lid 3, VWEU stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, de maatregelen vast voor de prijsbepaling, de heffingen, de steun en de kwantitatieve beperkingen, alsook voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.

69      Artikel 43, lid 3, VWEU, maakt voor visserijactiviteiten dus geen onderscheid naargelang zij al dan niet commercieel van aard zijn, aangezien enkel de activiteit zelf, te weten het onttrekken van vis aan de beschikbare hulpbronnen, in aanmerking wordt genomen.

70      In casu blijkt uit de inhoud van de bestreden bepalingen dat zij zijn vastgesteld krachtens artikel 43, lid 3, in fine, VWEU, dat de Raad de bevoegdheid toekent om, op voorstel van de Commissie, de vangstmogelijkheden vast te stellen.

71      Artikel 43, lid 3, VWEU, strekt ertoe om de vangstmogelijkheden onder de vissers te verdelen, maar ook om het beschikbare visbestand te beheren teneinde het duurzame karakter van die activiteit te waarborgen.

72      Om de realisatie van het door artikel 43, lid 3, VWEU nagestreefde doel te waarborgen, was het derhalve toegestaan, nuttig en zelfs noodzakelijk voor de Raad om bij de vaststelling van de bestreden bepalingen alle activiteiten in aanmerking te nemen die van invloed konden zijn op de toestand van het Europese zeebaarsbestand en het herstel daarvan, ongeacht of die activiteiten al dan niet commercieel van aard waren.

73      Verzoeker stelt, ten tweede, dat de recreatievisserij niet kon worden geregeld in het kader van het landbouw‑ en visserijbeleid, aangezien die activiteit onder sport en toerisme valt, waarvoor de bevoegdheid van de Unie krachtens artikel 6, onder d) en e), VWEU, beperkt is tot de coördinatie van nationale maatregelen.

74      In dit verband verwijst verzoeker naar overweging 3 van de GVB-verordening, die volgens hem de bevoegdheid om de activiteiten van de recreatievisserij te regelen toekent aan de lidstaten.

75      Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de door verzoeker aangehaalde overweging 3 van de GVB-verordening niet de strekking heeft die hij eraan toekent.

76      Overweging 3 van de GVB-verordening bestaat namelijk uit twee nevengeschikte deelzinnen, waarvan de eerste stelt dat „[r]ecreatievisserij [...] een significante impact [kan] hebben op de visbestanden”, en de tweede dat „de lidstaten [...] er daarom op [moeten] toezien dat zij wordt uitgevoerd op een wijze die strookt met de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid”.

77      De eerste deelzin van overweging 3 van de GVB-verordening benadrukt dus de gevolgen die de recreatievisserij kan hebben voor de visbestanden, en dus het belang van maatregelen voor de instandhouding van de biologische rijkdommen zoals die welke ten uitvoer worden gelegd door de in het onderhavige beroep bestreden bepalingen.

78      De tweede deelzin van overweging 3 van de GVB-verordening vereist dat de lidstaten er nauwlettend op toezien dat visserijactiviteiten worden uitgeoefend op een wijze die in overeenstemming is met het gemeenschappelijk visserijbeleid.

79      Een dergelijk vereiste stemt in het algemeen overeen met de bevoegdheid die aan de nationale overheden wordt toegekend bij de tenuitvoerlegging van het Unierecht en mag niet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten een bijzondere regelgevende bevoegdheid toekent op het gebied van de recreatievisserij.

80      Integendeel, door te benadrukken dat er moet worden toegezien op de naleving van de in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid vastgelegde doelstellingen, veronderstelt overweging 3 van de GVB-verordening dat er maatregelen zijn genomen om die doelstellingen vast te stellen, wat overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU, het optreden van de instellingen van de Unie impliceert, waarbij elke instelling optreedt in het kader van de bevoegdheden die haar door de Verdragen zijn toegekend.

81      Overweging 3 van de GVB-verordening waarop verzoeker zich beroept, ondersteunt dus geenszins het standpunt dat de lidstaten bevoegd zijn om de recreatievisserij op Europese zeebaars te reglementeren, maar versterkt veeleer het standpunt van de Raad en de Commissie dat er maatregelen moeten worden genomen voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee, waarbij artikel 3, lid 1, onder d), en artikel 43, lid 3, VWEU, de rechtsgrondslag van die maatregelen vormen.

82      Verzoeker betoogt, ten derde, dat de bestreden bepalingen, aangezien zij vaststellen hoe de recreatievisserij op de Europese zeebaars mag worden uitgeoefend, neerkomen op een harmonisatie die de wens van de Raad uitdrukt om een bepaalde economische sector te reglementeren.

83      Een dergelijk optreden zou in strijd zijn met het VWEU, zoals het Hof heeft geoordeeld in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 5 oktober 2000, Duitsland/Parlement en Raad (C‑376/98, EU:C:2000:544), waarbij een richtlijn tot harmonisatie van nationale maatregelen die van toepassing waren op verschillende activiteiten met betrekking tot tabak nietig is verklaard op grond dat de Uniewetgever zijn bevoegdheid had overschreden.

84      Om dit betoog te verwerpen volstaat het erop te wijzen dat het Hof, in het arrest van 5 oktober 2000, Duitsland/Parlement en Raad (C‑376/98, EU:C:2000:544), de richtlijn waarvan de rechtmatigheid werd betwist, nietig heeft verklaard op grond dat, in wezen, een uitdrukkelijke uitsluiting van harmonisatie op het betrokken gebied was omzeild, terwijl er in casu geen sprake is van een dergelijke uitsluiting en in elk geval uit de bovenstaande punten 57 tot en met 65 blijkt dat de bestreden verordening op een uitdrukkelijke en geschikte rechtsgrondslag is vastgesteld.

85      Het eerste middel moet dus ongegrond worden verklaard.

 Tweede middel: schending van het rechtszekerheids en het vertrouwensbeginsel

86      Verzoeker betoogt dat de Uniewetgever, door de recreatievisserij op de Europese zeebaars te beperken, de regels betreffende die visserij op radicale en onvoorzienbare wijze heeft veranderd en afbreuk heeft gedaan aan de rechtszekerheid en aan het gewettigd vertrouwen dat deze wetgever door zijn eerdere handelingen had gewekt.

87      De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist verzoekers argumenten.

88      In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het rechtszekerheidsbeginsel volgens vaste rechtspraak vereist dat rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn voor de justitiabelen (zie in die zin arrest van 11 september 2019, Călin, C‑676/17, EU:C:2019:700, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89      Volgens de rechtspraak vloeit uit het rechtszekerheidsbeginsel voort dat de administratie van de Unie het gewettigd vertrouwen dient te beschermen wanneer zij bij een verzoeker gegronde verwachtingen heeft gewekt (zie in die zin arrest van 29 november 2016, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, T‑103/12, niet gepubliceerd, EU:T:2016:682, punt 150).

90      Uit de rechtspraak blijkt echter dat er geen sprake kan zijn van gewettigd vertrouwen in de handhaving van een bestaande situatie die binnen een gebied valt waarin zij kan worden gewijzigd (zie in die zin arrest van 18 juni 2014, Spanje/Commissie, T‑260/11, EU:T:2014:555, punt 87).

91      De mogelijkheid om de regels inzake visserijactiviteiten te wijzigen is inherent aan het gemeenschappelijk visserijbeleid, dat een gebied is waarop de instellingen van de Unie over beoordelingsbevoegdheid beschikken om de geldende maatregelen aan te passen aan de wijzigende economische situatie (zie in die zin arrest van 18 juni 2014, Spanje/Commissie, T‑260/11, EU:T:2014:555, punt 87) en, in elk geval, aan de evolutie van het betreffende visbestand [zie in die zin arresten van 30 april 2019, Italië/Raad (Vangstquota voor mediterrane zwaardvis), C‑611/17, EU:C:2019:332, punt 30 en punten 58-61, en 11 januari 2017, Spanje/Raad, C‑128/15, EU:C:2017:3, punten 50-52].

92      Zoals blijkt uit bovenstaand punt 64 werd de Uniewetgever in casu geconfronteerd met een situatie waarin ten eerste de toestand van het Europese zeebaarsbestand verontrustend was, ten tweede de recreatievisserij bijdroeg aan de sterfte van deze vis en ten derde het voorzorgsbeginsel volgens de ICES vereiste dat de vangst van die vis via deze vorm van visserij in het eerste gebied werd verboden en in het tweede gebied aanzienlijk werd verminderd.

93      In dergelijke omstandigheden was het voor de Uniewetgever gerechtvaardigd om gebruik te maken van de bevoegdheid die hem door artikel 3, lid 1, onder d), VWEU is toegekend om op grond van artikel 43, lid 3, VWEU bepalingen vast te stellen, temeer daar, volgens de rechtspraak, het gewettigd vertrouwen niet kan worden ingeroepen wanneer, zoals in het geval van het gemeenschappelijk visserijbeleid, in de mogelijkheid om de bestreden maatregelen te nemen is voorzien in een bepaling van de Unie (zie in die zin arrest van 17 maart 2011, AJD Tuna, C‑221/09, EU:C:2011:153, punt 75).

94      De argumenten van verzoeker doen niets af aan deze beoordeling.

95      Verzoeker betoogt ten eerste dat de maatregelen die eerder zijn genomen voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee, niet de recreatievisserij reglementeerden, waaruit hij afleidt dat dit soort activiteit buiten de bevoegdheid valt die de Raad thans wil uitoefenen.

96      In dit verband moet worden opgemerkt dat de bestreden bepalingen voortzetting geven aan het bestaande regelgevingskader, aangezien soortgelijke maatregelen ter beperking van het aantal exemplaren van de Europese zeebaars dat recreatievissers aan boord mogen hebben ook reeds waren vastgesteld in 2015, en wel bij verordening (EU) 2015/523 van de Raad van 25 maart 2015 tot wijziging van de verordeningen (EU) nr. 43/2014 en (EU) 2015/104 met betrekking tot bepaalde vangstmogelijkheden (PB 2015, L 84, blz. 1).

97      Hetzelfde soort maatregelen werd in 2016 vastgesteld bij verordening (EU) 2016/72 van de Raad van 22 januari 2016 tot vaststelling, voor 2016, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Uniewateren en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van verordening (EU) 2015/104 (PB 2016, L 22, blz. 1), alsook in 2017 bij verordening (EU) 2017/127 van de Raad van 20 januari 2017 tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB 2017, L 24, blz. 1).

98      Anders dan verzoeker stelt, zijn de bestreden bepalingen dus niet de eerste maatregelen die tot doel hebben de recreatievisserij in de Europese wateren of, in het bijzonder, de recreatievisserij op Europese zeebaars in die wateren te beperken.

99      Er kan slechts sprake zijn van gewettigd vertrouwen wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan, waaronder met name de voorwaarde dat van de administratie van de Unie nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen zijn verkregen, die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn (zie arrest van 15 november 2018, Deutsche Telekom/Commissie, T‑207/10, EU:T:2018:786, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100    Gelet op het bestaan van eerdere maatregelen kan in casu niet worden gesteld dat aan verzoeker nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende informatie is verstrekt op basis waarvan hij ten tijde van de vaststelling van de bestreden bepalingen kon denken dat de Unie niet of niet langer voornemens was de recreatievisserij op Europese zeebaars in de betrokken gebieden te reglementeren.

101    Verzoeker stelt ten tweede dat bij hem een gewettigd vertrouwen is gewekt door een verklaring die de commissaris voor Maritieme Zaken en Visserij in 2011 heeft afgelegd.

102    Het is inderdaad zo dat, zoals verzoeker stelt, het lid van de Commissie dat destijds op die gebieden verantwoordelijk was, in 2011 tijdens een debat in het Europees Parlement het volgende heeft verklaard:

„De recreatievisserij is [...] geen bevoegdheid van de Unie. De Europese Commissie is [...] niet verantwoordelijk en de nationale regeringen moeten al die problemen aanpakken [...]. De enige verantwoordelijkheid van de Commissie bestaat erin dat zij bij de recreatievisserij erop toeziet dat het product niet kan worden verkocht. Al het overige valt onder de bevoegdheid van de nationale regeringen.”

103    Volgens de in bovenstaand punt 99 genoemde rechtspraak is het om bij de betrokkene een gewettigd vertrouwen te wekken echter noodzakelijk dat laatstgenoemde van de administratie nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen heeft verkregen, die afkomstig zijn uit bevoegde en betrouwbare bronnen.

104    In casu zijn minstens twee van die voorwaarden niet vervuld.

105    De betrokken verklaring kan geen „onderling overeenstemmende” toezeggingen doen ontstaan, aangezien het slechts om een geïsoleerd en informeel standpunt van een lid van de Commissie gaat, elk voorstel voor een verordening ter zake door het college van die instelling moet worden goedgekeurd en die verklaring hoe dan ook kennelijk in strijd is met de in de bovenstaande punten 96 en 97 genoemde regelgeving van de Unie.

106    Voorts heeft de betrokken verklaring niet het „bevoegde” karakter dat vereist is om een gewettigd vertrouwen te doen ontstaan, aangezien de maatregelen voor de vaststelling en de verdeling van de vangstmogelijkheden moeten worden vastgesteld door de Raad en het Parlement, waarbij de rol van de Commissie beperkt is tot het wetgevingsinitiatief en de uitvoering van de door de wetgever genomen besluiten.

107    Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

 Derde middel: schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie

108    Verzoeker betoogt dat een van de bestreden bepalingen, te weten artikel 9, lid 4, van de bestreden verordening, in strijd is met het „gelijkheidsbeginsel, doordat die bepaling leidt tot verboden discriminatie”.

109    De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist verzoekers argumenten.

110    In dit verband zij eraan herinnerd dat de verplichting om een gelijke behandeling te verzekeren een algemeen beginsel van het Unierecht vormt dat is neergelegd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

111    Volgens de rechtspraak vereist het beginsel van gelijke behandeling dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling gerechtvaardigd is op grond van een objectief en redelijk criterium en evenredig is aan het nagestreefde doel (zie in die zin arresten van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie, C‑550/07 P, EU:C:2010:512, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 maart 2004, Afari/ECB, T‑11/03, EU:T:2004:77, punt 65).

112    Wanneer de Uniewetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, zoals het geval is op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid, moet de evenredigheidstoetsing beperkt blijven tot het nagaan of het verschil in behandeling kennelijk ongeschikt of willekeurig is ten opzichte van het door de wetgever nagestreefde doel, ongeacht of de bestreden maatregel de enig mogelijke of de best mogelijke maatregel was (zie in die zin arrest van 15 september 1982, Kind/EEG, 106/81, EU:C:1982:291, punt 24).

113    Met het derde middel, dat uit twee onderdelen bestaat, stelt verzoeker dat de bestreden bepalingen in casu hebben geleid tot verboden discriminatie tussen, enerzijds, de commerciële en de recreatieve visserij, en anderzijds, de verschillende vormen van recreatieve visserij.

–       Eerste onderdeel van het derde middel: discriminatie tussen de commerciële en de recreatieve visserij

114    Verzoeker betoogt, ten eerste, dat de Uniewetgever twee activiteiten die zo verschillend zijn als de commerciële en de recreatieve visserij niet aan hetzelfde regelgevingskader kan onderwerpen.

115    In dit verband moet worden opgemerkt dat er voor de vaststelling van een schending van het non-discriminatiebeginsel wegens de gelijke behandeling van verschillende situaties wordt verondersteld dat de betrokken situaties, gelet op alle kenmerken ervan, niet vergelijkbaar zijn. Die kenmerken moeten worden bepaald en beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de betrokken handeling van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met de beginselen en de doelstellingen van het gebied waaronder de betrokken handeling valt (zie in die zin arrest van 18 juni 2014, Spanje/Commissie, T‑260/11, EU:T:2014:555, punt 93).

116    In casu kunnen de commerciële en de recreatieve visserij in het licht van de wezenlijke doelstelling die door de bestreden bepalingen wordt nagestreefd als vergelijkbaar worden beschouwd, aangezien beide visserijvormen gevolgen hebben voor de populatie van de Europese zeebaars, die door deze bepalingen moet worden beschermd. Verzoekers betoog kan derhalve niet slagen.

117    Ten tweede stelt verzoeker dat, indien de commerciële en de recreatieve visserij als vergelijkbaar kunnen worden beschouwd, die twee activiteiten op onaanvaardbare wijze verschillend worden behandeld, aangezien in de bestreden bepalingen aan de commerciële visserij een tijdelijk verbod wordt opgelegd met specifieke uitzonderingen voor elk type commerciële visserij, terwijl de beperkingen die aan de recreatieve visserij worden opgelegd, gelden voor alle vormen van recreatieve visserij op Europese zeebaars.

118    In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals verzoeker aangeeft, artikel 9 van de bestreden verordening een verschil in behandeling invoert tussen de recreatievisserij en de commerciële visserij, aangezien voor de recreatievisserij in het eerste gebied enkel het vangen en terugzetten is toegestaan, terwijl het voor de commerciële visserij gedurende een bepaalde periode van het jaar onder bepaalde voorwaarden is toegestaan Europese zeebaars aan boord te hebben.

119    Ook moet overeenkomstig de in bovenstaand punt 111 genoemde rechtspraak worden vastgesteld of dit verschil in de behandeling van de twee betrokken activiteiten wordt gerechtvaardigd door een objectief en redelijk criterium.

120    Dienaangaande zij opgemerkt dat de commerciële visserij wordt uitgeoefend door beroepsvissers, en dat die visserij, althans potentieel, gevolgen heeft voor alle consumenten. De recreatievisserij daarentegen is een vrijetijdsactiviteit, die echter wel indirect gevolgen kan hebben voor ondernemingen, met name ondernemingen die de bij deze activiteit gebruikte uitrusting in de handel brengen.

121    Het blijkt dus dat het verschil in behandeling tussen de twee betrokken activiteiten, zoals dat in de bestreden bepalingen is vastgesteld, verband houdt met de respectieve aard van die activiteiten en in overeenstemming is met de door het gemeenschappelijk visserijbeleid nagestreefde doelstellingen. Zoals in artikel 2, lid 1, van de GVB-verordening is bepaald, heeft het beleid van de Unie op dat gebied immers tot doel ervoor borg te staan dat „de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur [...] worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden”.

122    De economische aard van de commerciële visserij kan dus rechtvaardigen dat de Uniewetgever aandacht besteedt aan de gevolgen die de beperkingen die hij wil invoeren zullen hebben voor elke vorm van commerciële visserij, en dat hij die beperkingen aanpast door in bepaalde gevallen slechts onvermijdelijke bijvangsten toe te staan en in andere gevallen de gerichte vangst van Europese zeebaars in bepaalde hoeveelheden toe te staan.

123    Voorts moet worden opgemerkt dat, overeenkomstig de in bovenstaande punten 111 en 112 aangehaalde rechtspraak, het verschil in behandeling tussen de twee betrokken activiteiten niet kennelijk ongeschikt of willekeurig is ten aanzien van een vrijetijdsactiviteit, wanneer de betrokken regeling tot doel heeft de biologische rijkdommen van de zee in stand te houden en uiteindelijk ervoor te zorgen dat die activiteit ongehinderd kan worden hervat zodra de bestanden zich hebben hersteld.

124    Het eerste onderdeel van het derde middel moet dus worden afgewezen.

–       Tweede onderdeel van het derde middel: discriminatie tussen verschillende vormen van recreatievisserij

125    Volgens verzoeker leiden de bestreden bepalingen binnen de recreatievisserij tot discriminatie tussen de onderwatervisserij en de andere activiteiten die tot de recreatievisserij behoren.

126    In dit verband stelt verzoeker in wezen dat de regels voor de commerciële visserij rekening houden met de verschillende vismethoden die in de visserijsector worden gebruikt en dat zij een zodanige verdeling van het door de Uniewetgever getolereerde sterftecijfer hanteren dat geen enkele methode door de in artikel 9, leden 1 tot en met 3, van de bestreden verordening opgelegde beperkingen in het bijzonder wordt benadeeld.

127    Volgens verzoeker verschilt de situatie voor de recreatievisserij, aangezien de wetgever, door enkel het vangen en terugzetten toe te staan – wat betekent dat de vis wel mag worden gevangen maar vervolgens in zee moet worden teruggezet – in feite een verbod heeft opgelegd aan de onderwatervisserij, die door haar aard het gebruik impliceert van een geweer of in elk geval van projectielen, waardoor de vis wordt gedood en dus niet levend in zee kan worden teruggezet.

128    Toestaan van het vangen en terugzetten zou dus tot een ongelijke behandeling van de verschillende vormen van recreatievisserij leiden, die des te minder gerechtvaardigd is omdat het effect van de onderwatervisserij op het visbestand beperkt is en die vorm van recreatievisserij naar haar aard bijzonder selectief is.

129    Uit een door verzoeker overgelegde studie blijkt immers dat de onderwatervisserij in de praktijk minder vangsten oplevert dan andere vormen van recreatievisserij: zij is slechts verantwoordelijk voor ongeveer 5,5 % van het totale aantal door de recreatievisserij gerealiseerde vangsten van Europese zeebaars.

130    Bovendien vereist de onderwatervisserij volgens verzoeker dat de visser op zijn doel mikt vooraleer te schieten, zodat hij vooraf vaststelt of de vis tot de betreffende soort behoort en of hij voldoet aan de wettelijke vereisten inzake de minimumlengte.

131    In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals de Raad terecht opmerkt, de onderwatervisserij door de aard ervan bijna onvermijdelijk tot de dood van de vis leidt, aangezien de vis wordt geraakt door een projectiel dat hem immobiliseert, terwijl het vangen en terugzetten voor de vis enkel een risico inhoudt, aangezien de sterftekans in een dergelijk geval volgens de schatting van de ICES in zijn advies van 24 oktober 2017 beperkt is tot 15 %.

132    Derhalve moet worden vastgesteld dat de onderwatervisserij, enerzijds, en de andere vormen van recreatievisserij, die op basis van het principe van het vangen en terugzetten kunnen worden uitgeoefend, anderzijds, op verschillende wijze mogen worden behandeld, aangezien zij objectief gezien van elkaar verschillen wat betreft hun dodelijk effect op het visbestand.

133    Bijgevolg kunnen de twee betrokken situaties, gelet op het door de bestreden bepalingen nagestreefde doel, niet objectief met elkaar worden vergeleken, zodat het argument van verzoeker niet kan slagen.

134    Derhalve moet het tweede onderdeel van het derde middel, en dus het derde middel in zijn geheel, worden afgewezen.

 Vierde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel en van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van ondernemerschap

135    Het vierde middel van het beroep bestaat uit twee onderdelen. Verzoeker betoogt dat artikel 9, lid 4, van de bestreden verordening in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Voorts stelt hij dat die bepaling in strijd is met de vrijheid van vereniging en de vrijheid van ondernemerschap.

136    De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist verzoekers argumenten.

–       Eerste onderdeel van het vierde middel: schending van het evenredigheids en het voorzorgsbeginsel

137    Verzoeker stelt dat de in artikel 9, lid 4, van de bestreden verordening vastgestelde maatregelen niet evenredig zijn uit het oogpunt van het voorzorgsbeginsel, dat in casu moet worden toegepast.

138    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, volgens de rechtspraak, het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene Unierechtelijke beginselen, ten eerste vereist dat de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, ten tweede dat zij voor het bereiken van het beoogde doel die maatregelen kiezen die de minste belasting met zich brengen, en ten derde dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel (zie in die zin arrest van 11 januari 2017, Spanje/Raad, C‑128/15, EU:C:2017:3, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

139    Voorts kan aan de rechtmatigheid van een maatregel op een gebied, zoals het gemeenschappelijk visserijbeleid, waar de Uniewetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, slechts worden afgedaan wanneer de vastgestelde maatregel kennelijk ongeschikt of willekeurig blijkt ten opzichte van het nagestreefde doel, ongeacht of die maatregel de enig mogelijke of de best mogelijke maatregel was (zie in die zin arresten van 23 maart 2006, Unitymark en North Sea Fishermen’s Organisation, C‑535/03, EU:C:2006:193, punten 57 en 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 11 januari 2017, Spanje/Raad, C‑128/15, EU:C:2017:3, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

140    In zijn betoog betwist verzoeker niet dat het Europese zeebaarsbestand in de gebieden die onder de bestreden bepalingen vallen reeds vóór de vaststelling van de bestreden verordening werd bedreigd, noch dat in die gebieden maatregelen moesten worden genomen om de sterfte van de zeebaars te verminderen en de biomassa ervan te vergroten.

141    Verzoeker betoogt evenwel dat de in artikel 9, lid 4, van de bestreden verordening vastgestelde beperkingen niet hadden mogen worden vastgesteld, aangezien er geen afdoende wetenschappelijke gegevens waren over de gevolgen van de recreatievisserij voor het Europese zeebaarsbestand.

142    In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals in het ICES-advies van 24 oktober 2017 is bekendgemaakt, de vangst van zeebaars in het eerste gebied in het kader van de recreatievisserij voor 2016 werd geraamd op 1 627 ton, en daarmee de vangst van zeebaars in het kader van de commerciële visserij, die op 1 295 ton werd geraamd, overschreed.

143    Zelfs nadat deze raming in 2018, rekening houdend met het effect van de door de Raad opgelegde vangstbeperkingen en ervan uitgaande dat die beperkingen volledig werden nageleefd, was bijgewerkt, zijn de gevolgen van de recreatievisserij op de sterfte van Europese zeebaars in het eerste gebied aanzienlijk gebleven, aangezien die visserijvorm verantwoordelijk was voor ongeveer 14 % van de vangsten van Europese zeebaars, zoals blijkt uit de in het ICES-advies van 29 juni 2018 vermelde gegevens.

144    Artikel 2, lid 2, van de GVB-verordening vereist dat op het vaststellen van de vangstmogelijkheden het voorzorgsbeginsel wordt toegepast.

145    In die omstandigheden kan de Raad het noodzakelijk hebben geacht de betrokken beperkingen vast te stellen, teneinde de sterfte als gevolg van de recreatievisserij tegen te gaan. In weerwil van de aanbeveling van de ICES om alle vangsten te verbieden, heeft de Raad de praktijk van het vangen en terugzetten toegelaten, waardoor de recreatievissers de meeste vormen van recreatievisserij konden blijven uitoefenen. Voorts heeft de Raad met het toestaan van de praktijk van het vangen en terugzetten voorzien in een regel waarvan het niet onredelijk is de toepassing ervan te beperken tot een vrijetijdsactiviteit.

146    Dergelijke maatregelen kunnen niet als kennelijk ongeschikt of willekeurig in het licht van het te bereiken doel worden beschouwd, zodat niet kan worden gesteld dat de wetgever door het vaststellen ervan de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden of het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het vierde middel worden afgewezen.

–       Tweede onderdeel van het vierde middel: schending van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van ondernemerschap

147    Verzoeker stelt dat het verbod op onderwatervisserij in strijd is met de in de artikelen 12 en 16 van het Handvest neergelegde vrijheid van vereniging en vrijheid van ondernemerschap, aangezien het gevolgen heeft voor de infrastructuur in de jachthavens, de productie van speciale uitrusting voor die havens en de hiermee verband houdende toeristische diensten.

148    Allereerst moet worden vastgesteld dat verzoeker geen enkel bewijs levert voor zijn stelling dat de vrijheid van vereniging is geschonden. Volgens de rechtspraak voldoet de louter abstracte vermelding van een middel niet aan de in artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering vastgestelde vereisten (arrest van 29 maart 2012, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, T‑336/07, EU:T:2012:172, punt 59). Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het vierde middel niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het is ontleend aan schending van de vrijheid van vereniging.

149    De vrijheid van ondernemerschap, zoals erkend door artikel 16 van het Handvest, omvat het recht om een economische of commerciële activiteit uit te oefenen, de contractuele vrijheid en de vrije mededinging.

150    In casu moet worden opgemerkt dat een schending van de vrijheid van ondernemerschap gevolgen kan hebben voor ondernemingen die een commerciële activiteit op het gebied van de onderwatervisserij uitoefenen, zoals de verkoop van uitrusting. Een dergelijke schending kan daarentegen geen gevolgen hebben voor de recreatievissers zelf, aangezien zij, zoals blijkt uit artikel 3, onder b), van de bestreden verordening, geen commerciële activiteit uitoefenen, omdat zij de door hen gevangen vis niet mogen verkopen.

151    Met betrekking tot ondernemingen die een commerciële activiteit in verband met de onderwatervisserij uitoefenen, moet worden opgemerkt dat de betrokken maatregel inderdaad economische gevolgen kan hebben voor hun activiteiten, die van invloed kunnen zijn op hun beslissing om die activiteiten al dan niet voort te zetten, waardoor er mogelijk sprake is van een beperking op hun vrijheid van ondernemerschap.

152    In dit verband heeft verzoeker onderzoeken overgelegd waaruit blijkt dat de Europese zeebaars de meest gewilde vissoort is bij recreatievissers die de onderwatervisserij uitoefenen en voor sommigen onder hen de soort is die de uitoefening van die activiteit rechtvaardigt. Indien dit de realiteit weergeeft, heeft dit noodzakelijkerwijs gevolgen voor de omzet van de ondernemingen die in deze sector actief zijn.

153    In artikel 52, lid 1, van het Handvest wordt echter erkend dat aan de uitoefening van de rechten en vrijheden beperkingen kunnen worden gesteld, voor zover die beperkingen bij wet zijn vastgesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

154    Dat is in casu het geval, ten eerste omdat de betrokken maatregel is vastgesteld bij de bestreden verordening. Ten tweede bevat die maatregel geen enkel verbod voor ondernemingen die een commerciële activiteit in verband met de onderwatervisserij uitoefenen, zodat hij de wezenlijke inhoud van de vrijheid van ondernemerschap eerbiedigt. Ten derde is hij, zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste onderdeel van het vierde middel van het beroep, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, aangezien het nagestreefde doel erin bestaat dat, in het algemeen belang, de biologische rijkdommen van de zee in stand worden gehouden.

155    Deze conclusie wordt betwist door verzoeker, die stelt dat de uitvoering van de bestreden verordening niet is verzacht door een tijdscriterium of door te voorzien in een niet-automatisch mechanisme. De verordening is daarentegen onmiddellijk in werking getreden, zonder „enige aanpassing”.

156    Dienaangaande zij opgemerkt dat de stelling van verzoeker dat de betrokken maatregel niet tijdelijk van aard is, wordt tegengesproken door de aard van de bestreden verordening, die bedoeld was om slechts gedurende één jaar, in casu 2018, te worden toegepast.

157    Bovendien is de betrokken maatregel, anders dan verzoeker stelt, in de praktijk niet onmiddellijk en voor het eerst opgelegd, aangezien in het eerste gebied reeds een identieke maatregel van toepassing was op grond van artikel 9, lid 4, van de eerder toepasselijke verordening, te weten verordening 2017/127.

158    Bijgevolg moet het vierde middel worden afgewezen en moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

159    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

160    Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Raad worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Raad, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.

161    Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. De Commissie zal dus haar eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Het International Forum for Sustainable Underwater Activities (IFSUA) wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Raad van de Europese Unie, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.

3)      De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.

Valančius

Nihoul

Svenningsen

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 maart 2020.

ondertekeningen


*      Procestaal: Spaans.