Language of document : ECLI:EU:C:2020:188

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

11 maart 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Leenovereenkomst in valuta – Artikel 4, lid 1 – Inaanmerkingneming van alle andere bedingen van de overeenkomst bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van het bestreden beding – Artikel 6, lid 1 – Ambtshalve onderzoek door de nationale rechter van het oneerlijke karakter van de bedingen van de overeenkomst – Omvang”

In zaak C‑511/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 18 juli 2017, ingekomen bij het Hof op 21 augustus 2017, in de procedure

Györgyné Lintner

tegen

UniCredit Bank Hungary Zrt.,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, L. S. Rossi, J. Malenovský en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: R. Șereș, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 september 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        UniCredit Bank Hungary Zrt., vertegenwoordigd door Z. Lajer, A. Szőke en J. Pettkó-Szandtner, ügyvédek,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Havas en N. Ruiz García als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 december 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Györgyné Lintner en UniCredit Bank Hungary Zrt. (hierna: „UniCredit Bank”) over het oneerlijke karakter van bepaalde bedingen in een hypothecaire leenovereenkomst in vreemde valuta.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        In de eenentwintigste overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen:

„Overwegende dat de lidstaten de nodige maatregelen dienen te treffen om te voorkomen dat in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument oneerlijke bedingen worden opgenomen; dat, als toch dergelijke bedingen zijn opgenomen, deze de consument niet binden en de overeenkomst de partijen blijft binden indien zij zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan”.

4        Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn luidt:

„Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.”

5        Artikel 6, lid 1, van die richtlijn is als volgt verwoord:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

6        In artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 is bepaald:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

7        Artikel 8 van deze richtlijn luidt:

„Ter verhoging van het beschermingsniveau van de consument kunnen de lidstaten op het onder deze richtlijn vallende gebied strengere bepalingen aannemen of handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Verdrag.”

 Hongaars recht

8        § 3, lid 2, van de Polgári perrendtartásról szóló 1952. évi III. törvény (wet nr. III van 1952 betreffende de burgerlijke rechtsvordering), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wet burgerlijke rechtsvordering”), bepaalt:

„Behoudens een andersluidende wettelijke bepaling is de rechter gebonden aan de vorderingen en juridische argumenten van de partijen. Bij de behandeling van de vorderingen en argumenten van de partijen houdt de rechter geen rekening met de gebruikte formele benaming, maar wel met de inhoud ervan. […]”

9        In § 23, lid 1, van de wet burgerlijke rechtsvordering is bepaald:

„Tot de bevoegdheid van de törvényszék [(rechter in eerste aanleg, Hongarije)] behoren:

[…]

k)      verzoeken tot ongeldigverklaring van oneerlijke bedingen in overeenkomsten;

[…].”

10      § 73/A, lid 1, van deze wet is als volgt verwoord:

„Vertegenwoordiging door een advocaat is verplicht:

[…]

b)      in zaken die in eerste aanleg tot de bevoegdheid van de törvényszék behoren, in alle fasen van de procedure, en ook in hoger beroep […]”.

11      § 215 van de wet op de burgerlijke rechtsvordering luidt:

„De rechterlijke beslissing gaat niet verder dan het voorwerp van de hoofdvordering en de vordering in reconventie. Deze regel geldt ook voor nevenvorderingen (rente, kosten enzovoort).”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12      Op 13 december 2007 heeft Lintner met UniCredit Bank een hypothecaire leenovereenkomst in vreemde valuta gesloten. Deze overeenkomst bevat een aantal bedingen waarbij aan UniCredit Bank het recht wordt toegekend om die overeenkomst eenzijdig te wijzigen.

13      Op 18 juli 2012 heeft Lintner bij de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije) beroep ingesteld tot ongeldigverklaring van die bedingen met terugwerkende kracht. Dat beroep was met name gebaseerd op richtlijn 93/13 en is door die rechter verworpen bij vonnis van 29 augustus 2013.

14      Nadat Lintner hoger beroep had ingesteld bij de Fővárosi Ítélőtábla (rechter in tweede aanleg Boedapest, Hongarije), heeft deze rechter dat vonnis bij beschikking van 1 april 2014 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Fővárosi Törvényszék. De Fővárosi Ítélőtábla heeft er in die beschikking aan herinnerd dat het Hof in zijn rechtspraak over richtlijn 93/13 stelselmatig heeft verwezen naar het beginsel dat de rechter in zaken betreffende consumentenovereenkomsten ambtshalve moet onderzoeken of de bedingen in deze overeenkomsten oneerlijk zijn. In dit verband heeft de Fővárosi Ítélőtábla gepreciseerd dat hij richtlijn 93/13, de daarop betrekking hebbende rechtspraak en het toepasselijke nationale recht aldus opvat dat die richtlijn slechts op doeltreffende wijze kan worden toegepast indien de nationale rechter ambtshalve de litigieuze overeenkomst in haar geheel onderzoekt. De Fővárosi Ítélőtábla heeft de Fővárosi Törvényszék dan ook gelast om verzoekster te vragen of zij zich wenste te beroepen op het oneerlijke karakter van de in de bovengenoemde beschikking vermelde bedingen of van andere, niet in haar aanvankelijke beroep genoemde bedingen van de overeenkomst, en of zij zich aan deze overeenkomst gebonden zou achten indien de betreffende bedingen buiten toepassing werden gelaten.

15      Bij beschikking van 7 december 2015 heeft de Fővárosi Törvényszék de procedure, na hervatting van het onderzoek van de zaak, beëindigd omdat Lintner geen gevolg had gegeven aan de tot haar gerichte uitnodiging om te verzoeken om „toepassing van de rechtsgevolgen van de ongeldigheid”, overeenkomstig ad-hocwetgeving die betrekking heeft op leenovereenkomsten in vreemde valuta – zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst – en die in 2014 is vastgesteld nadat de onder deze wetgeving vallende leenovereenkomsten waren gesloten. Tot die wetgeving behoren onder meer de Kúriának a pénzügyi intézmények fogyasztói kölcsönszerződéseire vonatkozó jogegységi határozatával kapcsolatos egyes kérdések rendezéséről szóló 2014. évi XXXVIII. törvény (wet nr. XXXVIII van 2014 tot regeling van bepaalde kwesties die verband houden met de beslissing die de Kúria [(hoogste rechterlijke instantie, Hongarije)] heeft gewezen met het oog op de harmonisatie van de rechtspraak betreffende leenovereenkomsten die kredietinstellingen hebben gesloten met consumenten) en de Kúriának a pénzügyi intézmények fogyasztói kölcsönszerződéseire vonatkozó jogegységi határozatával kapcsolatos egyes kérdések rendezéséről szóló 2014. évi XXXVIII. törvényben rögzített elszámolás szabályairól és egyes egyéb rendelkezésekről szóló 2014. évi XL. törvény (wet nr. XL van 2014 betreffende de regels voor de vereffening van rekeningen als bedoeld in wet nr. XXXVIII van 2014 tot regeling van bepaalde kwesties die verband houden met de beslissing die de Kúria heeft gewezen met het oog op de harmonisatie van de rechtspraak betreffende leenovereenkomsten die kredietinstellingen hebben gesloten met consumenten, en betreffende overige bepalingen) (hierna respectievelijk: „wetten DH1 en DH2”). Deze wetten bevatten bepalingen die zien op de vaststelling van het oneerlijke karakter en de daaruit te trekken consequenties als het gaat om bepaalde bedingen van die overeenkomsten, te weten die welke betrekking hebben op de bevoegdheid om de overeenkomst eenzijdig te wijzigen en op het verschil tussen de verkoopkoers en de aankoopkoers van de valuta in kwestie.

16      Op 29 maart 2016 heeft de Fővárosi Ítélőtábla – waarbij Lintner opnieuw hoger beroep had ingesteld – de bovengenoemde beschikking bevestigd wat de in de wetten DH1 en DH2 bedoelde bedingen van de overeenkomst betreft, maar die beschikking voor het overige vernietigd en de Fővárosi Törvényszék gelast een nieuwe beslissing te geven.

17      In dit verband was de Fővárosi Ítélőtábla van oordeel dat over de in de wetten DH1 en DH2 bedoelde bedingen weliswaar niet langer een rechterlijke beslissing kon worden gegeven, maar dat de Fővárosi Törvényszék – gelet op de vorderingen van Lintner – de bedingen van diezelfde overeenkomst moest onderzoeken die betrekking hadden op de notariële akte, op de opzeggingsgronden en op bepaalde kosten die de consument dient te dragen.

18      De Fővárosi Törvényszék, die zich over de betrokken bedingen dient uit te spreken, merkt op dat hij dus verplicht is om door Lintner in eerste aanleg niet bekritiseerde contractuele bedingen ambtshalve te onderzoeken, terwijl Lintner in haar verzoekschrift evenmin feiten heeft aangevoerd waaruit had kunnen worden afgeleid dat zij tevens verzocht om vast te stellen dat de door de Fővárosi Ítélőtábla genoemde bedingen oneerlijk zijn.

19      Bijgevolg vraagt de verwijzende rechter zich af in hoeverre hij voor elk beding van een overeenkomst waarvan bepaalde bedingen het voorwerp zijn van een door een consument ingesteld beroep, moet onderzoeken of dat beding oneerlijk is, en in hoeverre hij bij dit onderzoek gebonden is aan de vordering van de verzoekende partij. Hij verwijst in dit verband naar de rechtspraak van het Hof, met name het arrest van 4 juni 2009, Pannon GSM (C‑243/08, EU:C:2009:350), waaruit blijkt dat de verplichting om ambtshalve te onderzoeken of bedingen oneerlijk zijn, gerechtvaardigd wordt door het feit dat de consument zijn rechten niet kent of dat de kosten van een eventuele gerechtelijke procedure hem afschrikken om zijn rechten te doen gelden. De verwijzende rechter preciseert dat de procedures tot vaststelling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen naar Hongaars recht enkel kunnen worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

20      In deze omstandigheden heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 6, lid 1, van [richtlijn 93/13] – mede in het licht van de nationale regeling die verplichte procesvertegenwoordiging voorschrijft – aldus worden uitgelegd dat het mogelijk oneerlijke karakter van elk beding van de overeenkomst afzonderlijk onderzocht dient te worden, ongeacht of het werkelijk noodzakelijk is alle bedingen van de overeenkomst te onderzoeken om uitspraak te doen over de in het kader van het beroep ingestelde vordering?

2)      Of moet, anders dan in de eerste vraag is gesteld, artikel 6, lid 1, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat slechts tot de oneerlijkheid van het aan de vordering ten grondslag liggende beding kan worden geconcludeerd indien ook alle andere bedingen van de overeenkomst zijn onderzocht?

3)      Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, kan dit dan betekenen dat, om te kunnen vaststellen dat het betrokken beding oneerlijk is, de gehele overeenkomst moet worden onderzocht, zodat niet zelfstandig, los van het met het beroep bestreden beding, hoeft te worden onderzocht of elk onderdeel van de overeenkomst oneerlijk is?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste prejudiciële vraag

21      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter bij wie een consument beroep heeft ingesteld om te doen vaststellen dat bepaalde bedingen van een door deze consument met een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk zijn, verplicht is om alle andere contractuele bedingen waartegen die consument niet is opgekomen, ambtshalve en individueel te onderzoeken teneinde na te gaan of zij als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.

22      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het aanvankelijke beroep van Lintner enkel strekte tot vaststelling van het oneerlijke karakter van de contractuele bedingen op grond waarvan UniCredit Bank de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leenovereenkomst eenzijdig kon wijzigen. In de huidige stand van het geding dient de verwijzende rechter zich evenwel uit te spreken over de vraag of hij krachtens richtlijn 93/13 gehouden is om het bij hem aanhangige geding ambtshalve uit te breiden – waartoe de in hoger beroep gewezen beslissing van de Fővárosi Ítélőtábla hem verplicht – tot de beoordeling van het mogelijkerwijs oneerlijke karakter van de bedingen van die overeenkomst die betrekking hebben op de notariële akte, de opzeggingsgronden van die overeenkomst en bepaalde door Lintner te dragen kosten, hoewel verzoekster in het hoofdgeding tegen deze laatste bedingen niet was opgekomen in haar aanvankelijke beroep.

23      In dit verband is het vaste rechtspraak van het Hof dat het in richtlijn 93/13 uitgewerkte beschermingsstelsel berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (zie met name arresten van 4 juni 2009, Pannon GSM, C‑243/08, EU:C:2009:350, punt 22, en 17 mei 2018, Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen, C‑147/16, EU:C:2018:320, punt 26).

24      Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat, gelet op die zwakke positie, artikel 6, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. Volgens de rechtspraak gaat het om een dwingende bepaling die tot doel heeft het in de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen deze partijen herstelt (arrest van 17 mei 2018, Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen, C‑147/16, EU:C:2018:320, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Teneinde de met die richtlijn beoogde bescherming te waarborgen, heeft het Hof benadrukt dat de situatie van ongelijkheid tussen consument en verkoper enkel kan worden opgeheven door een positief ingrijpen buiten de partijen bij de overeenkomst om (arresten van 9 november 2010, VVB Pénzügyi Lízing, C‑137/08, EU:C:2010:659, punt 48, en 17 mei 2018, Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen, C‑147/16, EU:C:2018:320, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      In de eerste plaats is de nationale rechter volgens vaste rechtspraak dan ook gehouden om – zodra hij over de daartoe noodzakelijke juridische en feitelijke gegevens beschikt – ambtshalve te beoordelen of een binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallend contractueel beding oneerlijk is, en om aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper te compenseren (arresten van 17 mei 2018, Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen, C‑147/16, EU:C:2018:320, punt 29, en 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      Derhalve is het onderzoek dat de aangezochte nationale rechter krachtens richtlijn 93/13 gehouden is ambtshalve te verrichten, in eerste instantie beperkt tot de contractuele bedingen waarvan het oneerlijke karakter kan worden vastgesteld aan de hand van de juridische en feitelijke gegevens in het dossier waarover die nationale rechter beschikt. Indien hij niet over al die gegevens beschikt, zal hij immers niet in staat zijn om dat onderzoek te verrichten (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punten 46 en 47).

28      In tweede instantie moet dat onderzoek binnen de grenzen van het voorwerp van het geding blijven, waarbij dit voorwerp wordt begrepen als het resultaat dat een partij met haar aanspraken nastreeft, rekening houdend met de daartoe ingestelde vorderingen en aangevoerde middelen.

29      Om te beginnen vereist de met richtlijn 93/13 beoogde bescherming van de consument weliswaar een positief ingrijpen van de aangezochte nationale rechter, maar kan deze bescherming niettemin slechts worden verleend indien een van de contractpartijen een gerechtelijke procedure heeft ingesteld (zie in die zin arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary, C‑32/14, EU:C:2015:637, punt 63).

30      Vervolgens kan de doeltreffendheid van de bescherming die de betrokken nationale rechter de consument op grond van die richtlijn wordt geacht te bieden door ambtshalve in te grijpen, niet zo ver gaan dat de grenzen van het voorwerp van het geding – zoals dat door de partijen is omschreven in hun vorderingen, gelezen in het licht van de door hen aangevoerde middelen – buiten beschouwing worden gelaten of worden overschreden. Derhalve is die nationale rechter niet verplicht om dat geding zodanig uit te breiden dat het verder gaat dan de voor hem ingestelde vorderingen en aangevoerde middelen, door alle andere bedingen van een overeenkomst waarvan slechts bepaalde bedingen het voorwerp uitmaken van het bij hem ingestelde beroep, individueel te onderzoeken om na te gaan of zij mogelijkerwijs oneerlijk zijn.

31      Zoals in wezen eveneens is opgemerkt door de advocaat-generaal in de punten 43 en 51 van zijn conclusie, wordt deze beoordeling met name gerechtvaardigd door de omstandigheid dat er, indien de nationale rechterlijke instanties krachtens richtlijn 93/13 verplicht waren de in de vorderingen en middelen van de partijen vastgestelde grenzen van het voorwerp van het geding buiten beschouwing te laten of te overschrijden, inbreuk zou dreigen te worden gemaakt op het lijdelijkheidsbeginsel, volgens hetwelk de partijen het voorwerp van het geding bepalen, en op het beginsel „ne ultra petita”, volgens hetwelk de rechter geen uitspraak mag doen die verder gaat dan de vorderingen van de partijen, naar welke beginselen de Hongaarse regering ter terechtzitting ook heeft verwezen.

32      Bijgevolg moet de nationale rechter met inachtneming van de grenzen van het voorwerp van het bij hem aanhangige geding een contractueel beding ambtshalve onderzoeken in het kader van de bescherming die krachtens richtlijn 93/13 aan de consument moet worden geboden, om te voorkomen dat de vorderingen van de consument zijn afgewezen bij een beslissing die in voorkomend geval in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl die vorderingen hadden kunnen worden toegewezen indien de consument niet uit onwetendheid had nagelaten zich te beroepen op het oneerlijke karakter van dat beding.

33      Tevens moet worden gepreciseerd dat, opdat de consument de hem bij richtlijn 93/13 geboden bescherming ten volle kan genieten en opdat er geen afbreuk wordt gedaan aan het nuttige effect van deze bescherming, de nationale rechter de bij hem aanhangige vorderingen niet formalistisch mag opvatten, maar de inhoud van deze vorderingen juist moet begrijpen in het licht van de ter ondersteuning daarvan aangevoerde middelen.

34      Uit de overwegingen in de punten 27 tot en met 33 van dit arrest volgt dat de verplichting tot ambtshalve onderzoek die op de aangezochte nationale rechter rust, zich enkel uitstrekt tot contractuele bedingen waarop het beroep van de consument geen betrekking heeft maar die wel verband houden met het voorwerp van het geding zoals dat door de partijen is omschreven in het kader van hun vorderingen en middelen, en dat die rechter – zodra hij over de daartoe noodzakelijke juridische en feitelijke gegevens beschikt – alleen die bedingen moet onderzoeken om na te gaan of zij mogelijkerwijs oneerlijk zijn.

35      Wat in de tweede plaats de nakoming van die verplichting tot ambtshalve onderzoek betreft, zij opgemerkt dat deze verplichting weliswaar beperkt is tot de in het vorige punt bedoelde bedingen, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de aangezochte nationale rechter bij dat onderzoek in alle omstandigheden uitsluitend de door de partijen aangevoerde juridische en feitelijke gegevens in aanmerking dient te nemen en dat onderzoek dient te beperken tot de bedingen waarvan het oneerlijke karakter definitief kan worden beoordeeld aan de hand van die gegevens alleen.

36      Het Hof heeft immers herhaaldelijk geoordeeld dat de nationale rechter ambtshalve maatregelen van instructie moet nemen om vast te stellen of een beding dat is opgenomen in de overeenkomst die ten grondslag ligt aan het bij hem aanhangige geding, binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt (zie in die zin arresten van 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C‑137/08, EU:C:2010:659, punt 56, en 7 november 2019, Profi Credit Polska, C‑419/18 en C‑483/18, EU:C:2019:930, punt 66).

37      Evenzo staat het – zoals ook de advocaat-generaal in de punten 61 tot en met 64 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt – aan de nationale rechter om, indien nodig ambtshalve, maatregelen van instructie te nemen teneinde het aan hem overgelegde dossier aan te vullen en de partijen te verzoeken om hem, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, de daartoe benodigde opheldering en documenten te verstrekken, wanneer de juridische en feitelijke gegevens in dat dossier ernstige twijfels doen rijzen over het oneerlijke karakter van bepaalde bedingen waartegen de consument niet is opgekomen maar die wel verband houden met het voorwerp van het geding, zonder dat het evenwel mogelijk is om ter zake definitieve beoordelingen te verrichten.

38      Hieruit volgt dat de nationale rechter ambtshalve maatregelen van instructie moet nemen zoals die welke in het vorige punt van dit arrest zijn vermeld, voor zover de reeds in het bovengenoemde dossier opgenomen juridische en feitelijke gegevens ernstige twijfels doen rijzen over het oneerlijke karakter van bepaalde bedingen waartegen de consument weliswaar niet is opgekomen maar die verband houden met het voorwerp van het geding, en het door die rechter ambtshalve te verrichten onderzoek dus vereist dat dergelijke maatregelen van instructie worden genomen.

39      In casu lijkt uit de overwegingen in punt 22 van dit arrest te volgen dat de verwijzende rechter uitgaat van de premisse dat de bedingen waartegen Lintner niet is opgekomen, geen verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding, omdat het geenszins van een beslissing over deze bedingen afhangt welk gevolg moet worden gegeven aan Lintners vorderingen, die specifiek betrekking hebben op de bedingen op grond waarvan UniCredit Bank de overeenkomst eenzijdig kan wijzigen. In dat geval geldt de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende verplichting tot ambtshalve onderzoek niet voor de bedingen waartegen Lintner niet is opgekomen, onder voorbehoud van de verificaties die de verwijzende rechter in voorkomend geval zal moeten verrichten met betrekking tot het precieze voorwerp van het geding, in het licht van de door Lintner ingestelde vorderingen en aangevoerde middelen. Deze vaststelling doet echter niet af aan de mogelijkheid waarvan Lintner in voorkomend geval op grond van het toepasselijke nationale recht zou kunnen gebruikmaken om een nieuw beroep in te stellen tegen de bedingen van de overeenkomst waarop haar aanvankelijke beroep geen betrekking had, of om het voorwerp van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding op verzoek van deze rechter of op eigen initiatief uit te breiden.

40      Voorts is het feit dat Lintner vertegenwoordigd wordt door een advocaat, niet van invloed op de voorgaande analyse, aangezien bij de beantwoording van de algemene vraag naar de omvang van het onderzoek dat de aangezochte nationale rechter ambtshalve dient te verrichten, geen rekening mag worden gehouden met de concrete omstandigheden van elke procedure (zie naar analogie arrest van 4 oktober 2007, Rampion en Godard, C‑429/05, EU:C:2007:575, punten 62 en 65).

41      Ten slotte moet er ten eerste aan worden herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 8 van richtlijn 93/13 „[t]er verhoging van het beschermingsniveau van de consument […] op het onder deze richtlijn vallende gebied strengere bepalingen [kunnen] aannemen of handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Verdrag”. Bijgevolg staat het de lidstaten nog steeds vrij om in hun nationale recht te voorzien in een ambtshalve te verrichten onderzoek dat ruimer is dan het onderzoek dat hun rechterlijke instanties krachtens die richtlijn ambtshalve moeten verrichten overeenkomstig de overwegingen in de punten 28 tot en met 38 van dit arrest.

42      Ten tweede is een nationale rechter die op grond van de feitelijke en juridische gegevens waarover hij beschikt of die hem na daartoe ambtshalve genomen maatregelen van instructie zijn meegedeeld, heeft vastgesteld dat een beding binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt en die vervolgens na de door hem ambtshalve verrichte beoordeling constateert dat dit beding oneerlijk is, in de regel verplicht om de procespartijen daarvan in kennis te stellen en hun te verzoeken daarover op tegenspraak hun standpunt kenbaar te maken overeenkomstig de naar nationaal recht geldende procesregels (zie in die zin arresten van 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C‑472/11, EU:C:2013:88, punten 31 en 32, en 7 november 2019, Profi Credit Polska, C‑419/18 en C‑483/18, EU:C:2019:930, punt 70).

43      Ten derde is de nationale rechter op grond van richtlijn 93/13 niet gehouden om dergelijke contractuele bedingen buiten toepassing te laten wanneer de consument, na in kennis te zijn gesteld door die rechter, voornemens is het oneerlijke en niet-bindende karakter daarvan niet in te roepen (arrest van 4 juni 2009, Pannon GSM, C‑243/08, EU:C:2009:350, punt 33).

44      Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter bij wie een consument beroep heeft ingesteld om te doen vaststellen dat bepaalde bedingen van een door deze consument met een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk zijn, niet verplicht is om alle andere contractuele bedingen waartegen die consument niet is opgekomen, ambtshalve en individueel te onderzoeken teneinde na te gaan of zij als oneerlijk kunnen worden aangemerkt, maar enkel de bedingen moet onderzoeken die verband houden met het voorwerp van het geding zoals dat door de partijen is afgebakend, zodra hij beschikt over de daartoe noodzakelijke juridische en feitelijke gegevens, die in voorkomend geval worden aangevuld door middel van maatregelen van instructie.

 Tweede en derde prejudiciële vraag

45      Met zijn tweede en zijn derde prejudiciële vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat voor zover bij de beoordeling of het aan de vorderingen van een consument ten grondslag liggende contractuele beding oneerlijk is, de verplichting bestaat om rekening te houden met alle andere bedingen van de door die consument met een verkoper gesloten overeenkomst, deze verplichting als zodanig impliceert dat de aangezochte nationale rechter voor al die bedingen ambtshalve moet onderzoeken of zij mogelijkerwijs oneerlijk zijn.

46      In dit verband heeft het Hof eraan herinnerd dat de nationale rechter volgens artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 bij de beoordeling of het contractuele beding dat de grondslag vormt voor de bij hem ingestelde vordering mogelijkerwijs oneerlijk is, rekening dient te houden met alle andere bedingen van de overeenkomst in kwestie (arrest van 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C‑472/11, EU:C:2013:88, punt 41).

47      Deze verplichting om alle andere bedingen van de tussen een verkoper en een consument gesloten overeenkomst in aanmerking te nemen wordt verklaard door het feit dat er bij het onderzoek van het bestreden beding rekening moet worden gehouden met alle gegevens die relevant kunnen zijn om dit beding in zijn context te begrijpen, aangezien het – naargelang van de inhoud van de betreffende overeenkomst – bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding noodzakelijk kan zijn om na te gaan wat het cumulatieve effect van alle bedingen van die overeenkomst is (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 95).

48      Zoals blijkt uit de overwegingen in het kader van de analyse van de eerste prejudiciële vraag en zoals ook de advocaat-generaal in punt 75 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt daaruit echter niet dat de nationale rechter bij de beoordeling die hij verricht op grond van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 verplicht is om ambtshalve te onderzoeken of die andere contractuele bedingen afzonderlijk beschouwd mogelijkerwijs oneerlijk zijn.

49      Gelet op een en ander dient op de tweede en de derde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat bij de beoordeling of het aan de vorderingen van een consument ten grondslag liggende contractuele beding oneerlijk is, weliswaar rekening moet worden gehouden met alle andere bedingen van de door die consument met een verkoper gesloten overeenkomst, maar dat deze verplichting als zodanig niet impliceert dat de aangezochte nationale rechter voor al die bedingen ambtshalve moet onderzoeken of zij mogelijkerwijs oneerlijk zijn.

 Kosten

50      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter bij wie een consument beroep heeft ingesteld om te doen vaststellen dat bepaalde bedingen van een door deze consument met een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk zijn, niet verplicht is om alle andere contractuele bedingen waartegen die consument niet is opgekomen, ambtshalve en individueel te onderzoeken teneinde na te gaan of zij als oneerlijk kunnen worden aangemerkt, maar enkel de bedingen moet onderzoeken die verband houden met het voorwerp van het geding zoals dat door de partijen is afgebakend, zodra hij beschikt over de daartoe noodzakelijke juridische en feitelijke gegevens, die in voorkomend geval worden aangevuld door middel van maatregelen van instructie.

2)      Artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moeten aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of het aan de vorderingen van een consument ten grondslag liggende contractuele beding oneerlijk is, weliswaar rekening moet worden gehouden met alle andere bedingen van de door die consument met een verkoper gesloten overeenkomst, maar dat deze verplichting als zodanig niet impliceert dat de aangezochte nationale rechter voor al die bedingen ambtshalve moet onderzoeken of zij mogelijkerwijs oneerlijk zijn.

ondertekeningen


*      Procestaal: Hongaars.