Language of document : ECLI:EU:T:2020:120

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

26 maart 2020 (*)

„Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Auditverslag van het HR-management bij EACEA – Weigering van toegang – Uitzondering betreffende de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits”

In zaak T‑646/18,

Laurence Bonnafous, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door A. Blot en S. Rodrigues, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Ehrbar en K. Herrmann als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek van verzoekster krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2018) 6753 final van de Commissie van 9 oktober 2018, waarbij het verzoek om toegang tot het eindverslag van de audit van 2018 betreffende het HR-management bij het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) van 21 januari 2018 is afgewezen,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, N. Półtorak (rapporteur) en M. Stancu, rechters,

griffier: E. Coulon,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, Laurence Bonnafous, was arbeidscontractant bij het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA).

2        Op 30 juli 2018 heeft verzoekster een e-mail gestuurd aan de dienst Interne Audit van de Europese Commissie, waarin zij op grond van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43) heeft verzocht om toegang tot het document dat door die dienst was aangeduid als „Final audit report – IAS Audit on HR Management in the Education, Audiovisual and Cultural Executive Agency [Ares(2018) 361356]” (Eindverslag van de audit – Audit van de dienst Interne Audit van de Commissie betreffende het HR-management bij EACEA; hierna: „opgevraagd document”).

3        Bij brief van 9 augustus 2018 heeft de dienst Interne Audit van de Commissie verzoekster de toegang tot het opgevraagde document geweigerd. Deze weigering was in wezen gebaseerd op de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, volgens welke een instelling van de Unie de toegang tot een document kan weigeren wanneer de openbaarmaking ervan de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits kan ondermijnen, tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt. Die dienst was namelijk van oordeel dat de openbaarmaking van het opgevraagde document in dat stadium de bescherming van het doel van de inspecties, onderzoeken en audits die in dit document aan de orde waren zou ondermijnen, aangezien daardoor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de daarin vervatte aanbevelingen zou worden belemmerd en de daarmee verband houdende vervolgmaatregelen niet volledig zouden kunnen worden voltooid.

4        Bij brief van 29 augustus 2018 heeft verzoekster een confirmatief verzoek om toegang tot het opgevraagde document ingediend.

5        Bij e-mail van 19 september 2018 heeft de Commissie verzoekster meegedeeld dat de oorspronkelijke termijn om het door haar ingediende confirmatieve verzoek om toegang te beantwoorden met 15 werkdagen moest worden verlengd en dat daarvoor dus een nieuwe termijn moest worden vastgesteld, die op 10 oktober 2018 zou verstrijken.

6        Op 9 oktober 2018 heeft de Commissie besluit C(2018) 6753 final (hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld, waarbij zij verzoeksters confirmatieve verzoek om toegang tot het document heeft afgewezen. Zij stelde zich in wezen op het standpunt dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, uitgelegd in het licht van artikel 99, lid 6, van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement”), in de weg stond aan de voortijdige openbaarmaking van een auditverslag waardoor het ongestoorde verloop en de onafhankelijkheid van de audit in het gedrang zou kunnen komen, en dat er geen hoger openbaar belang was dat de niet-toepassing van die uitzondering rechtvaardigde.

 Procedure en conclusies van partijen

7        Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 oktober 2018, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

8        Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op dezelfde dag, heeft verzoekster verzocht om voeging van zaak T‑614/17, Bonnafous/EACEA, met de onderhavige zaak. Op 5 december 2018 heeft de Commissie zich verzet tegen de voeging van de twee zaken.

9        Op 21 december 2018 heeft verzoekster een nieuw bewijsaanbod neergelegd ter griffie van het Gerecht.

10      Bij beslissing van 7 januari 2019 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht beslist de onderhavige zaak niet te voegen met zaak T‑614/17.

11      Op 31 januari 2019 heeft de Commissie haar verweerschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht.

12      Op 7 maart 2019 heeft verzoekster haar repliek neergelegd ter griffie van het Gerecht.

13      Op 17 april 2019 heeft de Commissie haar dupliek neergelegd ter griffie van het Gerecht.

14      Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht als bedoeld in artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Eerste kamer, waaraan de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

15      Aangezien partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verzocht om een pleitzitting heeft het Gerecht, dat zich voldoende voorgelicht achtte door de stukken in het dossier, overeenkomstig artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering besloten om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling.

16      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

17      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

18      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan. Het eerste middel betreft schending van artikel 15, lid 3, VWEU, artikel 42 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en verordening nr. 1049/2001. Het tweede middel betreft niet-nakoming van de uit artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest voortvloeiende motiveringsplicht. Het derde middel ten slotte betreft schending van het evenredigheidsbeginsel.

19      Het Gerecht acht het zinvol om in dit beroep eerst het tweede middel te onderzoeken.

 Tweede middel: schending van artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest

20      Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd. Zij stelt in het bijzonder dat de geïdentificeerde risico’s in de voorwaardelijke wijs zijn vermeld, zonder enige verwijzing naar de specifieke redenen aan de hand waarvan deze risico’s kunnen worden bepaald of zelfs maar in grote lijnen geschetst. Zo klaagt zij over het feit dat die abstracte motivering berust op zeer vage overwegingen. Bovendien voert zij aan dat er tegenstrijdigheden zijn tussen de motivering van dat besluit en de inhoud van de brief van 19 september 2018 die haar is toegezonden door de secretaris-generaal van de Commissie en waarin redenen worden gegeven voor het uitstel van het antwoord op haar confirmatieve verzoek. Volgens verzoekster werd in deze brief namelijk uiteengezet dat de vertraging te wijten was aan het feit dat het nodig was om alle gegevens te verzamelen die vereist waren om te kunnen antwoorden op haar verzoek om toegang. Dat besluit bevat evenwel geen enkel spoor van die gegevens. In het stadium van de repliek voert verzoekster in het kader van het tweede middel tevens aan dat de Commissie hoe dan ook haar uit artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 voortvloeiende verplichting tot bijstand en voorlichting van het publiek niet is nagekomen.

21      De Commissie betwist dit betoog.

22      Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat de door artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest vereiste motivering volgens vaste rechtspraak dient te beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling, en de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting moet komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 147 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context ervan en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 150 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien de betrokken instelling een verzoek om toegang tot documenten afwijst, moet zij in elk concreet geval aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, aantonen dat de documenten waarvoor toegang wordt gevraagd, werkelijk onder de in verordening nr. 1049/2001 genoemde uitzonderingen vallen (arresten van 10 september 2008, Williams/Commissie, T‑42/05, EU:T:2008:325, punt 95, en 7 juli 2011, Valero Jordana/Commissie, T‑161/04, niet gepubliceerd, EU:T:2011:337, punt 49).

24      Volgens de rechtspraak staat het dan ook aan de instelling die toegang tot een document heeft geweigerd om deze weigering zodanig te motiveren dat duidelijk wordt en controleerbaar is of het opgevraagde document werkelijk onder de aangevoerde uitzondering valt, en de behoefte aan bescherming met betrekking tot deze uitzondering reëel is (zie arrest van 4 mei 2012, In ’t Veld/Raad, T‑529/09, EU:T:2012:215, punt 118 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Bovendien is de Commissie weliswaar verplicht om de redenen te vermelden die rechtvaardigen dat in de onderhavige zaak één van de in verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzonderingen op het recht op toegang wordt toegepast, maar zij is er niet toe gehouden inlichtingen te verstrekken die verder gaan dan nodig is om degene die om toegang verzoekt, in staat te stellen de redenen voor haar besluit te begrijpen en om het Gerecht in staat te stellen de rechtmatigheid van dat besluit te toetsen (zie in die zin arrest van 30 januari 2008, Terezakis/Commissie, T‑380/04, niet gepubliceerd, EU:T:2008:19, punt 119).

26      In het licht van deze elementen moet worden nagegaan of de Commissie in casu heeft voldaan aan de vereisten van artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest.

27      In de eerste plaats betoogt verzoekster dat de risico’s waarnaar de Commissie in het bestreden besluit verwijst ter rechtvaardiging van haar weigering om het opgevraagde document openbaar te maken, louter op hypothetische wijze zijn uiteengezet, zonder enige verwijzing naar de specifieke redenen aan de hand waarvan die risico’s zouden kunnen worden bepaald.

28      Dienaangaande zij opgemerkt dat de motivering die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, daarin duidelijk is uiteengezet.

29      In het bestreden besluit heeft de Commissie namelijk in wezen opgemerkt dat de eventuele openbaarmaking van het opgevraagde document, gelet op een algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid, afbreuk kon doen aan het doel van de betrokken audit. Zo heeft zij zich op het standpunt gesteld dat een dergelijke openbaarmaking de sereniteit en de onafhankelijkheid van die audit in gevaar kon brengen, met name wat betreft het daaraan te geven gevolg en de goedkeuring ervan door haar dienst Interne Audit. Zij meende dus dat er een voorzienbaar risico bestond dat het wederzijdse vertrouwen tussen EACEA en de dienst Interne Audit zou worden ondermijnd door bekendmaking van het opgevraagde document, hetgeen een negatieve invloed zou kunnen hebben op de tenuitvoerlegging van de relevante aanbevelingen.

30      Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de Commissie in het bestreden besluit duidelijk de risico’s heeft uiteengezet in het licht waarvan zij van mening was dat de openbaarmaking van het opgevraagde document het doel van de betrokken audit in het gedrang kon brengen.

31      In dit verband dient te worden gepreciseerd dat in dit stadium geen uitspraak hoeft te worden gedaan over de gegrondheid van de motivering van het bestreden besluit. Het onderzoek van het bestaan en de omvang van de motivering van een besluit van de Commissie valt namelijk onder het toezicht op de naleving van wezenlijke vormvoorschriften en betreft dus de formele rechtmatigheid van dit besluit. Dat onderzoek moet worden onderscheiden van het onderzoek van de gegrondheid van de motivering van dat besluit, dat betrekking heeft op het toezicht op de rechtmatigheid ten gronde (zie arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en in casu zal plaatsvinden in het kader van de beoordeling van verzoeksters eerste middel.

32      In de tweede plaats voert verzoekster aan dat de motivering van het bestreden besluit te abstract is, aangezien deze berust op zeer vage overwegingen.

33      In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie, zoals blijkt uit de in punt 29 hierboven uiteengezette samenvatting, in het bestreden besluit met name heeft overwogen dat de openbaarmaking van het opgevraagde document niet enkel het doel van de betrokken audit in het gedrang zou kunnen brengen, maar dat een dergelijke openbaarmaking eveneens werd verhinderd door het feit dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 moest worden uitgelegd in het licht van artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement. Bovendien heeft de Commissie in herinnering gebracht dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de administratieve activiteiten en de wetgevingsprocedures, in die zin dat het transparantievereiste voor laatstgenoemde procedures een grotere rol speelt, hetgeen verzoekster niet betwist.

34      Opgemerkt zij dat de in punt 33 hierboven uiteengezette motivering verzoekster voldoende aanwijzingen gaf om te kunnen nagaan of het bestreden besluit gegrond was dan wel een gebrek vertoonde op grond waarvan de geldigheid ervan kon worden betwist. Die gronden stelden verzoekster immers in staat te begrijpen waarom de Commissie in casu van mening was dat het opgevraagde document onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 viel. In dit verband moet overigens worden opgemerkt dat de door verzoekster aangevoerde onmogelijkheid om ervan uit te gaan dat die uitzondering aldus moest worden uitgelegd, de kern vormt van het betoog dat zij in het kader van haar eerste middel heeft ontwikkeld. Bovendien moet eveneens worden vastgesteld dat die gronden volstaan om het Gerecht in staat te stellen zijn rechterlijk toezicht op de rechtmatigheid van het bestreden besluit uit te oefenen.

35      Derhalve kan niet worden betwist dat het bestreden besluit voldoet aan de in de rechtspraak geformuleerde voorwaarden, zoals die in de punten 22 tot en met 25 hierboven in herinnering zijn gebracht. Derhalve moet verzoeksters argument dat de motivering van het bestreden besluit te abstract is eveneens worden afgewezen.

36      In de derde plaats geeft verzoekster te kennen dat de motivering van het bestreden besluit niet overeenstemt met de motivering die was opgenomen in een e-mail die haar op 19 september 2018 was toegezonden.

37      Opgemerkt zij echter dat de betreffende e-mail enkel tot doel had verzoekster erop te wijzen dat de Commissie niet in staat was om binnen de aanvankelijk gestelde termijn te antwoorden op haar confirmatieve verzoek om toegang tot het opgevraagde document. Deze e-mail was dus geenszins bedoeld om uiteen te zetten waarom dat verzoek in voorkomend geval moest worden afgewezen.

38      Hieruit volgt dat dat argument van verzoekster er niet aan kan afdoen dat de motivering van het bestreden besluit toereikend was, zodat het om die reden moet worden afgewezen.

39      In de vierde plaats voert verzoekster in haar repliek aan dat de Commissie de overeenkomstig artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 op haar rustende verplichting tot bijstand en voorlichting van het publiek niet is nagekomen.

40      Er zij aan herinnerd dat artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 bepaalt dat „[d]e instellingen voorzien in voorlichting van de burger over hoe en waar verzoeken om toegang tot documenten kunnen worden ingediend en in bijstand ter zake”.

41      In dit verband moet worden vastgesteld dat verzoekster geen enkel element aanvoert waaruit blijkt dat de Commissie in casu de krachtens artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, of waaruit blijkt dat het door haar aangevoerde motiveringsgebrek van het bestreden besluit een dergelijke niet-nakoming van de in deze bepaling neergelegde verplichting tot bijstand en voorlichting oplevert.

42      Dienaangaande moet worden opgemerkt, zoals in de punten 2 tot en met 6 hierboven reeds in herinnering is gebracht, dat verzoekster om te beginnen heeft verzocht om toegang tot het opgevraagde document door op 30 juli 2018 een e-mail te sturen naar de dienst Interne Audit van de Commissie. Deze dienst heeft die e-mail naar behoren beantwoord bij brief van 9 augustus 2018. Vervolgens heeft verzoekster de door die dienst meegedeelde beoordeling betwist door op 29 augustus 2018 een confirmatief verzoek om toegang in te dienen. De Commissie heeft naar behoren gereageerd op dit confirmatieve verzoek om toegang door de vaststelling van het bestreden besluit op 9 oktober 2018, nadat zij verzoekster op 19 september 2018 ervan in kennis had gesteld dat de termijn om op dat verzoek te antwoorden met 15 dagen moest worden verlengd.

43      Ook moet worden gepreciseerd dat verzoekster niet betwist dat de procedure na afloop waarvan het bestreden besluit is vastgesteld, regelmatig was. Uit de voorgaande overwegingen blijkt overigens dat verzoekster voldoende vertrouwd was met de modaliteiten voor de indiening van verzoeken om toegang tot documenten om het betreffende verzoek om toegang te kunnen indienen. Bovendien staat vast dat de Commissie deze met de vereiste spoed heeft beantwoord.

44      In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat verzoeksters betoog geen elementen bevat waaruit blijkt dat de Commissie de krachtens artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 op haar rustende bijstandsplicht niet is nagekomen of dat een dergelijke niet-nakoming de rechtmatigheid van het bestreden besluit kan aantasten. Bovendien voert verzoekster geen enkel element aan ter verklaring van het verband dat zij ziet tussen deze gestelde niet-nakoming en de motivering van dat besluit, die nochtans het voorwerp van het onderhavige middel vormt.

45      Bijgevolg is verzoeksters argument dat de Commissie niet heeft voldaan aan de uit artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 voortvloeiende verplichting tot bijstand en voorlichting van het publiek ongegrond. Dat argument kan dan ook niet worden aanvaard.

46      Het tweede middel dient derhalve in zijn geheel te worden afgewezen.

 Eerste middel: schending van artikel 15, lid 3, VWEU, artikel 42, lid 2, van het Handvest en verordening nr. 1049/2001

47      Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie in het bestreden besluit ten onrechte de openbaarmaking van het opgevraagde document heeft geweigerd op grond van de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001. Dit middel bestaat uit vier onderdelen.

48      In het eerste onderdeel stelt verzoekster dat de audit in het kader waarvan het opgevraagde document is opgesteld, was afgerond toen zij verzocht om toegang tot dit document. In dit verband blijkt uit de titel van dat document, te weten „Final audit report – IAS Audit on HR Management in the Education, Audiovisual and Cultural Executive Agency [Ares(2018)361356]”, en uit de overwegingen in het bestreden besluit dat „[EACEA] op basis van het definitieve auditverslag [ermee heeft] ingestemd de voorgestelde aanbevelingen uit te voeren”, dat de betrokken audit voltooid was. Bovendien worden deze beweringen bevestigd door het document met de titel „HR Annual Plan” (jaarlijks plan voor personeelszaken), dat door EACEA zelf is opgesteld, aangezien dit document voorziet in corrigerende maatregelen waaruit blijkt dat de eindfase van de audit is bereikt. Bovendien blijkt uit dat „HR Annual Plan” dat zeven van de in het opgevraagde document voorgestelde acties volledig zijn uitgevoerd, terwijl redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de twee laatste acties die in het opgevraagde document zijn voorgesteld, volledig zijn uitgevoerd, aangezien zij bij de opstelling van het „HR Annual Plan” reeds voor respectievelijk 70 % en 80 % waren uitgevoerd. Verzoekster voert in haar repliek aan dat er tien belangrijke acties volledig zijn uitgevoerd op basis van de aanbevelingen van het auditverslag. Ter ondersteuning van dit betoog heeft zij een samenvattende nota opgesteld die een analyse bevat van de mate waarin EACEA de uitvoeringsmaatregelen ten uitvoer heeft gelegd. Zij betoogt in dit verband echter dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 slechts kan worden ingeroepen om de toegang tot een document te weigeren indien de openbaarmaking ervan zou leiden dat het doel van een audit in het gedrang komt, zodat deze uitzondering in casu niet van toepassing is, aangezien de betrokken audit is voltooid.  Het is hoe dan ook onaanvaardbaar om de toegang tot het opgevraagde document afhankelijk te stellen van een onzekere, toekomstige en verre gebeurtenis.

49      In het tweede onderdeel betoogt verzoekster dat het argument van de Commissie dat met de mededeling aan het publiek van de aanbevelingen in het opgevraagde document moet worden gewacht totdat zij deze aanbevelingen als afgedaan beschouwt nadat zij door EACEA zijn uitgevoerd, zowel in strijd is met de doelstelling van verordening nr. 1049/2001 als met het in artikel 15 VWEU en artikel 42 van het Handvest neergelegde recht op transparantie. Dit heeft het Gerecht overigens reeds vastgesteld in zijn arrest van 9 juni 2010, Éditions Jacob/Commissie (T‑237/05, EU:T:2010:224). Hoe dan ook betoogt verzoekster dat de algemene strekking die de Commissie heeft gegeven aan het begrip „doel van onderzoeken”, voortvloeit uit het gegeven dat de Commissie het recht op transparantie uitlegt op een wijze die dit recht teniet doet, hetgeen niet kan worden aanvaard. Voorts voert verzoekster aan dat bepaalde algemene aannames niet systematisch kunnen worden ingeroepen in elke onderzoeks- of auditprocedure, aangezien de uitzonderingen op het transparantiebeginsel restrictief moeten worden uitgelegd en beperkt moeten worden tot het specifieke karakter van de betrokken procedure, zoals blijkt uit punt 123 van het arrest van 9 juni 2010, Éditions Jacob/Commissie (T‑237/05, EU:T:2010:224).

50      In het derde onderdeel betoogt verzoekster dat een bepaling van afgeleid recht niet zonder rechtvaardiging een beperking mag opleggen aan een grondrecht dat dezelfde juridische waarde heeft als het primaire recht. Bijgevolg moet het argument van de Commissie dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 moet worden uitgelegd in het licht van artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement, dat bepaalt dat „[d]e verslagen en de bevindingen van de intern controleur [...] slechts voor het publiek toegankelijk [zijn] nadat de intern controleur de maatregelen voor uitvoering ervan heeft gevalideerd”, worden verworpen. Verzoekster stelt in haar repliek dat zij er kennis van neemt dat die uitzondering moet kunnen worden uitgelegd op een wijze die consistent is met artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement. Zij is evenwel van mening dat de inroepbaarheid van een dergelijke vertrouwelijkheidsplicht de Commissie in casu niet kon ontslaan van de verplichting om het opgevraagde document concreet en individueel te onderzoeken, aangezien de Commissie, voor zover dit document voltooid was, noch de uitzondering van artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement noch een algemeen vermoeden van bescherming van audits mocht toepassen.

51      In het vierde onderdeel betoogt verzoekster dat het bestreden besluit de toets van het redelijkerwijs voorzienbare risico niet met succes doorstaat. Het risico van aantasting van de sereniteit en de onafhankelijkheid van het betrokken onderzoek wordt in dat besluit immers louter hypothetisch geformuleerd. Daarentegen is daarin noch aangetoond dat het noodzakelijk is om de betrokken uitzondering toe te passen, noch dat het noodzakelijk is om de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 toe te passen op het volledige opgevraagde document. Derhalve kan geen algemeen vermoeden van niet-openbaarmaking worden aangevoerd ter rechtvaardiging van dat besluit. Gelet op deze overwegingen is verzoekster van mening dat er in casu geen reden was om aan te voeren dat er een hoger openbaar belang bestond dat de openbaarmaking van dat document rechtvaardigde. Hoe dan ook en subsidiair wijst zij er evenwel op dat dat besluit een kennelijke beoordelingsfout bevat. Zij is namelijk van mening dat daarin ten onrechte wordt opgemerkt dat haar argumenten om toegang te verkrijgen tot dat document „eerder van persoonlijke aard” zijn. De Commissie had echter moeten aangeven om welke persoonlijke overwegingen het ging en moeten onderzoeken of het aanvoeren van algemene beginselen van transparantie volstond om de noodzaak van bescherming van dit document uit te sluiten.

52      De Commissie betwist dit betoog.

53      Het Gerecht acht het nuttig eerst het eerste tot en met het derde onderdeel samen te onderzoeken en vervolgens het vierde onderdeel te onderzoeken.

 Eerste tot en met derde onderdeel

54      Met betrekking tot, om te beginnen, het recht op toegang van het publiek tot documenten van de instellingen van de Unie zij eraan herinnerd dat volgens artikel 42 van het Handvest „[i]edere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat [...] een recht van inzage [heeft] in de documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht het medium waarop zij zijn vastgelegd”. Uit artikel 15, lid 3, eerste volzin, VWEU volgt eveneens dat „[i]edere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat [...] recht op toegang [heeft] tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht de informatiedrager waarop zij zijn vastgelegd [...]”.

55      Daarnaast heeft verordening nr. 1049/2001, die is vastgesteld op grond van artikel 255, lid 2, EG, blijkens artikel 1 ervan, gelezen in samenhang met overweging 4, tot doel het recht op toegang van het publiek tot documenten van de instellingen maximaal zijn beslag te geven (arrest van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punt 40).

56      Evenwel moet eraan worden herinnerd dat in bijzondere omstandigheden beperkingen kunnen worden gesteld aan dit recht op toegang. In artikel 15, lid 3, tweede alinea, VWEU is met name bepaald dat „[h]et Europees Parlement en de Raad [...] bij verordeningen volgens de gewone wetgevingsprocedure de algemene beginselen en de beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen betreffende dit recht op toegang tot documenten [bepalen]”. Uit de bewoordingen ervan blijkt dus duidelijk dat die beperkingen kunnen worden vastgesteld bij verordening.

57      Artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 bevat een uitzonderingsregeling op grond waarvan de instellingen de toegang tot een document mogen weigeren wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot de ondermijning van een van de in dit artikel beschermde belangen (zie arrest van 22 maart 2018, De Capitani/Parlement, T‑540/15, EU:T:2018:167, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58      In dit verband heeft de rechtspraak voorts in herinnering gebracht dat aan het recht op toegang tot documenten bepaalde beperkingen worden gesteld die gebaseerd zijn op redenen van openbaar of particulier belang, waarbij wordt gepreciseerd dat dergelijke uitzonderingen strikt moeten worden uitgelegd en toegepast, aangezien zij afwijken van het beginsel van de ruimst mogelijke toegang van het publiek tot documenten (arrest van 1 februari 2007, Sison/Raad, C‑266/05 P, EU:C:2007:75, punten 62 en 63).

59      Een van de uitzonderingen op het recht op toegang tot documenten is neergelegd in artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, volgens hetwelk de instellingen de toegang tot een document weigeren wanneer de openbaarmaking ervan afbreuk zou doen aan de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits, tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking van het betrokken document gebiedt.

60      De uitzonderingsregeling van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001, en met name lid 2 ervan, berust op een afweging tussen in een bepaalde situatie tegengestelde belangen, namelijk enerzijds de belangen die door de openbaarmaking van de betrokken documenten worden gediend, en anderzijds de belangen die daardoor worden bedreigd. De beslissing over een verzoek om toegang tot documenten hangt af van het antwoord op de vraag welk belang in een specifiek geval de voorrang moet krijgen (arrest van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punt 42).

61      Voorts is een instelling, wanneer wordt verzocht om openbaarmaking van een document, verplicht om in elk individueel geval te beoordelen of dit document valt onder de in artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 genoemde uitzonderingen op het recht op toegang van het publiek tot documenten van de instellingen (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, Zweden en Turco/Raad, C‑39/05 P en C‑52/05 P, EU:C:2008:374, punt 35).

62      In casu moet in het licht van de voorgaande overwegingen uitspraak worden gedaan over de vraag of het gerechtvaardigd was, zoals de Commissie betoogt, om verzoekster de toegang tot het opgevraagde document te weigeren op basis van de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, uitgelegd in het licht van artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement, in wezen omdat er een voorzienbaar risico bestond dat de openbaarmaking van dit document afbreuk zou doen aan het doel van de betrokken audit doordat de uitvoering door EACEA van de daarin opgenomen aanbevelingen in het gedrang wordt gebracht.

63      Uit verzoeksters betoog blijkt in wezen dat zij zich ertegen verzet dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 en de uitlegging ervan in het licht van artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement, worden toegepast op het opgevraagde document op grond dat de audit in het kader waarvan dit document is opgesteld, voltooid was toen zij haar verzoek om toegang tot dat document indiende. Volgens verzoekster is het immers in strijd met het doel van verordening nr. 1049/2001 en het transparantiebeginsel om te wachten tot de in een eindverslag over de audit opgenomen aanbevelingen zijn uitgevoerd alvorens de daarmee verband houdende documenten openbaar kunnen worden gemaakt zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van deze audit.

64      Ten eerste moet met betrekking tot het stadium waarin de betrokken audit zich bevond toen het bestreden besluit werd vastgesteld, in herinnering worden gebracht dat het opgevraagde document een eindverslag van de dienst Interne Audit van de Commissie is dat deel uitmaakt van het administratieve dossier betreffende een audit van het HR-management bij EACEA.

65      In dit verband moet om te beginnen worden vastgesteld dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 mei 2015, Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie (T‑480/11, EU:T:2015:272), dat de Commissie in het bestreden besluit met name heeft aangevoerd ter illustratie. In punt 66 van dat arrest heeft het Gerecht immers geoordeeld dat „er op het ogenblik van de vaststelling van het besluit [in kwestie] nog geen eindverslag [was] waarmee de auditprocedure werd beëindigd en [...] bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot die audit mogelijk en denkbaar [bleven]”. In casu staat vast dat het eindverslag was goedgekeurd op het ogenblik dat het bestreden besluit werd vastgesteld.

66      Zoals blijkt uit de gegevens in het dossier, met name uit de samenvattende nota die verzoekster zelf heeft opgesteld, waren op 24 oktober 2018 slechts bepaalde in het opgevraagde document opgenomen aanbevelingen uitgevoerd, hetgeen betekent dat nog niet alle in dit document opgenomen aanbevelingen waren uitgevoerd toen het bestreden besluit werd vastgesteld.

67      Uit de voorgaande overwegingen volgt dus dat er op het ogenblik dat het verzoek om toegang tot het litigieuze document werd ingediend weliswaar reeds een eindverslag was dat een einde stelde aan de auditprocedure, maar dat de uitvoeringsmaatregelen betreffende die auditprocedure nog lopende waren op het ogenblik dat het bestreden besluit werd vastgesteld.

68      Ten tweede moet, voor zover verzoekster betoogt dat het in strijd is met zowel de doelstelling van verordening nr. 1049/2001 als het door artikel 15 VWEU en artikel 42 van het Handvest erkende recht op transparantie om te wachten tot de Commissie de in het opgevraagde document opgenomen aanbevelingen als afgehandeld beschouwt alvorens de openbaarmaking van dit document aan het publiek toe te staan, het volgende worden opgemerkt.

69      De Commissie heeft zich in het bestreden besluit met name op het standpunt gesteld dat de in artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 vervatte uitzondering op het recht op toegang tot documenten moest worden uitgelegd in het licht van artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement. Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1), waarvan artikel 281, lid 1, bepaalt dat het Financieel Reglement sinds 2 augustus 2018 is ingetrokken, in artikel 118, lid 9, een bepaling bevat die artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement in wezen overneemt.

70      In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement bepaalt dat „[d]e verslagen en de bevindingen van de intern controleur evenals het verslag van de instelling [...] slechts voor het publiek toegankelijk [zijn] nadat de intern controleur de maatregelen voor uitvoering ervan heeft gevalideerd”.

71      Tevens moet worden vastgesteld dat verordening nr. 1049/2001 en het Financieel Reglement verschillende doelstellingen hebben. Verordening nr. 1049/2001 beoogt de uitoefening van het recht op toegang tot documenten zo veel mogelijk te vergemakkelijken en goede administratieve praktijken te bevorderen (arrest van 28 juni 2012, Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑404/10 P, EU:C:2012:393, punt 109). Het Financieel Reglement beoogt op zijn beurt de financiële regels vast te stellen die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie. Meer in het bijzonder worden in hoofdstuk 9 ervan de taken en de concrete werkwijzen uiteengezet die van toepassing zijn op de interne controleur die in elke instelling van de Unie moet zijn aangesteld.

72      Daarnaast moet worden opgemerkt dat verordening nr. 1049/2001 en het Financieel Reglement geen bepaling bevatten waarin uitdrukkelijk wordt voorgeschreven dat de ene regeling voorrang heeft op de andere. Uit vaste rechtspraak volgt dat in beginsel niet kan worden uitgesloten dat de in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzonderingen moeten worden uitgelegd in het licht van bepaalde specifieke Unierechtelijke regelingen. In dat geval moet elk van deze regelingen dus worden toegepast op een wijze die verenigbaar is met de toepassing van de andere en een coherente toepassing ervan mogelijk maakt (zie in die zin arresten van 28 juni 2012, Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑404/10 P, EU:C:2012:393, punt 123; 29 januari 2013, Cosepuri/EFSA, T‑339/10 en T‑532/10, EU:T:2013:38, punt 85, en 21 september 2016, Secolux/Commissie, T‑363/14, EU:T:2016:521, punt 43).

73      Het doel van artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement is juist om de toegang tot de verslagen en de bevindingen van de interne controleur te beperken door die documenten te beschermen tegen de openbaarmaking aan het publiek totdat de daarin vervatte uitvoeringsmaatregelen door deze controleur zijn gevalideerd. In die omstandigheden zou een veralgemeende toegang op grond van verordening nr. 1049/2001 tot de verslagen van de interne controleur waarvan deze controleur de uitvoeringsmaatregelen nog niet heeft gevalideerd, het evenwicht in gevaar brengen dat de Uniewetgever in het Financieel Reglement heeft willen verzekeren tussen het recht van het publiek op een zo ruim mogelijke toegang tot documenten van de instellingen en de mogelijkheid voor de interne controleur om zijn audits tot een goed einde te brengen.

74      Voor de uitlegging van de in artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering moet bijgevolg worden uitgegaan van een algemeen vermoeden dat de openbaarmaking van de bevindingen en verslagen van de interne controleur vóór de validatie van de daarin vervatte uitvoeringsmaatregelen door deze controleur afbreuk kan doen aan de doelstellingen van zijn audits (zie in die zin arresten van 28 juni 2012, Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑404/10 P, EU:C:2012:393, punt 123; 29 januari 2013, Cosepuri/EFSA, T‑339/10 en T‑532/10, EU:T:2013:38, punt 85, en 21 september 2016, Secolux/Commissie, T‑363/14, EU:T:2016:521, punt 43), met dien verstande dat dit vermoeden van afbreuk de belanghebbenden geenszins de mogelijkheid ontneemt om met name aan te tonen dat een bepaald document waarvan om openbaarmaking wordt verzocht, niet onder dit vermoeden valt (zie in die zin arrest van 27 februari 2014, Commissie/EnBW, C‑365/12 P, EU:C:2014:112, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75      Hoe dan ook moet worden gepreciseerd dat het feit dat de documenten betreffende een interne audit onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 vallen, voor zover de uitvoeringsmaatregelen van de betrokken audit niet door de interne controleur zijn gevalideerd, er slechts op een in twee opzichten beperkte wijze toe leidt dat het grondrecht van het publiek op toegang tot documenten wordt beperkt.

76      Ten eerste heeft deze uitlegging, wat de inspecties, onderzoeken en audits betreft, immers slechts betrekking op de specifieke categorie van audits die door de interne controleur worden verricht. Ten tweede is zij beperkt in de tijd, aangezien de instellingen van de Unie de toegang tot de verslagen en bevindingen betreffende dergelijke interne audits slechts mogen weigeren totdat de interne controleur de uitvoeringsmaatregelen daarvan heeft gevalideerd. De uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, zoals uitgelegd in het licht van artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement, is met andere woorden beperkt tot de duur van de procedure aan het einde waarvan de interne controleur de vervolgmaatregelen van dergelijke verslagen goedkeurt.

77      Gelet op een en ander, en gelet op de noodzaak om een coherente toepassing van verordening nr. 1049/2001 en het Financieel Reglement te waarborgen, betoogt verzoekster dus ten onrechte dat de Commissie, doordat zij haar de toegang tot het opgevraagde document heeft geweigerd op grond dat het aan de betrokken audit te geven gevolg nog niet door de interne controleur was gevalideerd, het recht op transparantie heeft uitgelegd op een wijze die dit recht teniet doet.

78      Ten derde, voor zover verzoekster aanvoert dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 in casu niet van toepassing was, aangezien de openbaarmaking van het opgevraagde document het doel van de betrokken audit niet in gevaar kon brengen omdat deze audit was afgerond, dient eraan te worden herinnerd dat op het ogenblik dat het bestreden besluit werd vastgesteld, nog niet alle in dat document geformuleerde aanbevelingen waren uitgevoerd, zoals in punt 66 hierboven is vastgesteld.

79      In dit verband moet worden gepreciseerd dat de relevante bepalingen van het Financieel Reglement met betrekking tot de toegang tot documenten in het kader van een procedure van interne audit nog niet in werking waren getreden ten tijde van de feiten in de zaak die tot het – door verzoekster in haar schrifturen aangevoerde – arrest van 6 juli 2006, Franchet en Byk/Commissie (T‑391/03 en T‑70/04, EU:T:2006:190), hebben geleid, en dat het Financieel Reglement in de destijds toepasselijke versie geen regels bevatte die de toegang van het publiek tot de auditverslagen beperkten. Sinds de inwerkingtreding van artikel 99, lid 6, van het Financieel Reglement in de versie van 2012 moeten de bepalingen ervan, om de in de punten 68 tot en met 77 uiteengezette redenen, evenwel noodzakelijkerwijs in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Bijgevolg kunnen de in casu aan de orde zijnde uitvoeringsmaatregelen niet worden beschouwd als een onzekere, toekomstige en verre gebeurtenis waarvan de toegang tot het opgevraagde document afhankelijk is gesteld in de zin van de door verzoekster aangehaalde rechtspraak.

80      Gelet op het voorgaande moeten het eerste, het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel dus worden afgewezen.

 Vierde onderdeel

81      Verzoekster betoogt ten eerste dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de Commissie het opgevraagde document concreet heeft onderzocht alvorens vast te stellen dat het „vertrouwelijk” was. Ten tweede betoogt verzoekster dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat het belang van verzoekster bij openbaarmaking van het opgevraagde document eerder van persoonlijke aard was.

82      In dit verband moet ten eerste in herinnering worden gebracht dat een instelling, wanneer zij een verzoek krachtens verordening nr. 1049/2001 ontvangt, in beginsel verplicht is een concreet en individueel onderzoek te verrichten van de inhoud van de in het verzoek bedoelde documenten (arrest van 13 april 2005, Verein für Konsumenteninformation/Commissie, T‑2/03, EU:T:2005:125, punt 74).

83      Dit principiële uitgangspunt betekent echter niet dat een dergelijk onderzoek onder alle omstandigheden vereist is. Aangezien het concrete en individuele onderzoek dat de instelling in beginsel moet verrichten in antwoord op een verzoek om toegang krachtens verordening nr. 1049/2001, tot doel heeft de betrokken instelling in staat te stellen te beoordelen in hoeverre een uitzondering op het recht op toegang van toepassing is, en of gedeeltelijke toegang kan worden verleend, is het immers mogelijk dat een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk is wanneer het, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, overduidelijk is dat toegang moet worden geweigerd of integendeel moet worden verleend. Dit is met name het geval wanneer bepaalde documenten ofwel overduidelijk volledig onder een uitzondering op het recht op toegang vallen, ofwel daarentegen overduidelijk volledig toegankelijk zijn, ofwel door de Commissie reeds concreet en individueel zijn onderzocht in soortgelijke omstandigheden (arrest van 13 april 2005, Verein für Konsumenteninformation/Commissie, T‑2/03, EU:T:2005:125, punt 75).

84      In casu staat vast dat de Commissie zich om de in punt 29 hierboven genoemde redenen in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat het doel van de betrokken audit in het gedrang zou komen in geval van openbaarmaking van het opgevraagde document. Deze overwegingen zijn overigens duidelijk uiteengezet in dat besluit.

85      Derhalve moet worden vastgesteld dat het in casu duidelijk was dat een concrete en individuele beoordeling van de inhoud van het in het verzoek bedoelde document niet noodzakelijk was, aangezien dit document onder een algemeen vermoeden viel dat de openbaarmaking van de door de interne controleur opgestelde bevindingen en verslagen vóór de goedkeuring van de daarin vervatte uitvoeringsmaatregelen door deze controleur afbreuk kan doen aan de doelstellingen van de audits waarop die bevindingen en verslagen betrekking hebben.

86      Bijgevolg moet verzoeksters argument dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de Commissie het opgevraagde document concreet heeft onderzocht, worden afgewezen.

87      Ten tweede, voor zover verzoekster de Commissie verwijt dat zij een kennelijke fout heeft gemaakt door vast te stellen dat de belangen die ten grondslag lagen aan haar verzoek om toegang tot het opgevraagde document eerder van persoonlijke aard waren, moet worden vastgesteld dat de Commissie terecht benadrukt dat verzoekster, toen zij verzocht om voeging van de onderhavige zaak met de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 juni 2019, Bonnafous/EACEA (T‑614/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:381), uitdrukkelijk dergelijke redenen van persoonlijke aard heeft aangevoerd teneinde haar belang bij het verkrijgen van toegang tot het opgevraagde document te rechtvaardigen.

88      Zo heeft verzoekster in het betrokken verzoek om voeging met name gesteld dat lezing van het opgevraagde document haar „bijgevolg in staat zou moeten stellen om verschillende grieven die zij in zaak T‑614/17 had opgeworpen, te staven en/of te documenteren”.

89      Het particuliere belang waarop een verzoeker zich kan beroepen voor toegang tot een document dat hem persoonlijk betreft, kan niet gelden als hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001. Bijgevolg vormt de verdediging van zijn belangen met het oog op instelling van een beroep geen hoger openbaar belang in de zin van voormelde bepaling (zie in die zin arrest van 24 mei 2011, NLG/Commissie, T‑109/05 en T‑444/05, EU:T:2011:235, punt 148).

90      Verder dient nogmaals in herinnering te worden gebracht dat de weigering om verzoekster inzage te verlenen en het aan deze weigering ten grondslag liggende algemene vermoeden dat de openbaarmaking van het opgevraagde document afbreuk zou kunnen doen aan het doel van de betrokken audit, voorlopig zijn. Uit de aard zelf van dat vermoeden volgt immers dat het slechts kan worden tegengeworpen zolang de dienst Interne Audit van de Commissie de in het opgevraagde document vervatte uitvoeringsmaatregelen niet heeft goedgekeurd. Bijgevolg is de verwijzing naar de arresten van 12 oktober 2000, JT’s Corporation/Commissie (T‑123/99, EU:T:2000:230, punt 50), en 6 juli 2006, Franchet en Byk/Commissie (T‑391/03 en T‑70/04, EU:T:2006:190, punt 112), die in de repliek is opgenomen ter ondersteuning van het argument dat het bestreden besluit de burgers de mogelijkheid ontneemt om na te gaan of het openbaar gezag rechtmatig is uitgeoefend, in casu niet relevant.

91      Gelet op het voorgaande moet dus worden geoordeeld dat verzoekster geen enkel argument heeft aangevoerd waaruit blijkt dat er in casu sprake was van een hoger openbaar belang dat openbaarmaking van het opgevraagde document kon rechtvaardigen.

92      Bijgevolg moet het vierde onderdeel, en daarmee het eerste middel in zijn geheel, worden afgewezen.

 Derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel

93      Verzoekster betoogt dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende algemene vermoeden van niet-openbaarmaking van het opgevraagde document niet gerechtvaardigd is. Zij is van mening dat de weigering om dit document ook maar gedeeltelijk over te leggen, moet worden uitgelegd als een weigering om dat document concreet en individueel te onderzoeken, hetgeen een kennelijke schending van het evenredigheidsbeginsel vormt.

94      De Commissie betwist dit betoog.

95      Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat de Commissie, om dezelfde redenen als in de punten 82 tot en met 85 hierboven zijn uiteengezet, in casu niet verplicht was het opgevraagde document concreet en individueel te onderzoeken.

96      Bijgevolg moet het derde middel worden afgewezen en moet het beroep dus in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

97      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Laurence Bonnafous wordt verwezen in de kosten.

Kanninen

Półtorak

Stancu

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 26 maart 2020.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.