Language of document : ECLI:EU:C:2020:321

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

30 april 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Artikel 108 VWEU – Steunregeling die onverenigbaar is met de interne markt – Besluit van de Europese Commissie waarbij de terugvordering van onrechtmatige steun wordt gelast – Verordening (EU) 2015/1589 – Artikel 17, lid 1 – Verjaringstermijn van tien jaar – Toepassing op de bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen – Artikel 16, leden 2 en 3 – Nationale regeling die voorziet in een kortere verjaringstermijn – Doeltreffendheidsbeginsel”

In zaak C‑627/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Administrativo e Fiscal de Coimbra (bestuurs‑ en belastingrechter Coimbra, Portugal) bij beslissing van 31 juli 2018, ingekomen bij het Hof op 5 oktober 2018, in de procedure

Nelson Antunes da Cunha Lda

tegen

Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP),

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, P. G. Xuereb (rapporteur) en T. von Danwitz, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 september 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        het Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP), vertegenwoordigd door J. Saraiva de Almeida en P. Estevão, advogados,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, P. Barros da Costa, H. Almeida en A. Gameiro als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. França, B. Stromsky en G. Braga da Cruz als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 16, leden 2 en 3, en artikel 17, lid 1, van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Nelson Antunes da Cunha Lda en het Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP) (instituut voor de financiering van landbouw en visserij, Portugal) over de gedwongen terugvordering van Nelson Antunes da Cunha van onrechtmatige steun voor een totaalbedrag van 14 953,56 EUR na een terugvorderingsbeschikking van de Europese Commissie.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        In de overwegingen 25 en 26 van verordening 2015/1589 staat te lezen:

„(25)      In gevallen van niet met de interne markt verenigbare onrechtmatige steun, dient de daadwerkelijke mededinging te worden hersteld. Het is hiertoe noodzakelijk dat de steun, met inbegrip van de rente, onverwijld wordt teruggevorderd. Het is passend de terugvordering overeenkomstig de procedures van nationaal recht te doen geschieden. De toepassing van die procedures mag, door verhindering van de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van het besluit van de Commissie, het herstel van daadwerkelijke mededinging niet beletten. De lidstaten moeten daartoe dan ook alle nodige maatregelen treffen om de effectiviteit van dat besluit te verzekeren.

(26)      Ter wille van de rechtszekerheid dient een termijn van tien jaar te worden bepaald, na het verstrijken waarvan geen terugvordering van onrechtmatige steun meer kan worden bevolen.”

4        Artikel 16 van verordening 2015/1589, met als opschrift „Terugvordering van steun”, luidt:

„1.      Indien negatieve besluiten worden genomen in gevallen van onrechtmatige steun besluit de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen (,terugvorderingsbesluit’). De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het Unierecht.

2.      De op grond van een terugvorderingsbesluit terug te vorderen steun omvat rente tegen een door de Commissie vastgesteld passend percentage. De rente is betaalbaar vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling van de steun.

3.      Onverminderd een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig artikel 278 VWEU, dient terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het besluit van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechterlijke instantie alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd het Unierecht.”

5        Artikel 17 van verordening 2015/1589, met als opschrift „Verjaringstermijn voor de terugvordering van steun”, bepaalt in lid 1:

„De bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen verjaren na een termijn van tien jaar.”

6        De voorgaande bepalingen zijn overgenomen uit verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB 1999, L 83, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 734/2013 van de Raad van 22 juli 2013 (PB 2013, L 204, blz. 15), die is ingetrokken bij verordening 2015/1589.

 Portugees recht

7        Krachtens artikel 306, lid 1, van de Código Civil (burgerlijk wetboek) begint de verjaringstermijn te lopen wanneer het recht kan worden uitgeoefend.

8        Artikel 309 van de Código Civil, met als opschrift „Gewone termijn”, luidt:

„De gewone verjaringstermijn is twintig jaar.”

9        Artikel 310 van dat wetboek bepaalt:

„Na vijf jaar verjaren:

[...]

d)      contractuele en wettelijke rente, ook nog niet verschuldigde rente, en dividenden van vennootschappen;

[...]”

10      Krachtens artikel 323, lid 1, van de Código Civil wordt de verjaring gestuit door een dagvaarding of gerechtelijke kennisgeving van om het even welk stuk dat rechtstreeks of indirect de intentie om van dat recht gebruik te maken tot uiting brengt.

11      In artikel 40 van decreto‑lei no 155/92 (wetsdecreet nr. 155/92) van 28 juli 1992 (Diário da República, serie I‑A, nr. 172/1992 van 28 juli 1992) is de regeling voor het financieel beheer van de staat vastgesteld. Dit artikel, met als opschrift „Verjaring”, bepaalt:

„1 – De verplichting om de ontvangen bedragen terug te betalen verjaart vijf jaar na de ontvangst ervan.

2 – Voormelde termijn wordt gestuit of geschorst wanneer zich algemene gronden voor stuiting of schorsing van de verjaring voordoen.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12      Op 8 april en 7 juli 1993 heeft Nelson Antunes da Cunha, verzoekster in het hoofdgeding, met de Caixa de Crédito Agrícola Mútuo – Coimbra (CCAM Coimbra) kredietovereenkomsten gesloten in het kader van een kredietlijn voor het herstel van landbouw‑ en veeteeltactiviteiten.

13      Bij decreto‑lei n. 146/94 (wetsdecreet nr. 146/94) van 24 mei 1994 (Diário da República, serie I‑A, nr. 120 van 24 mei 1994) is een regeling ingesteld voor de toekenning van kredietlijnen die is bestemd voor het wegwerken van de schulden van intensieve veehouderijbedrijven en het stimuleren van de varkenshouderij. In strijd met het in artikel 88, lid 3, EG opgelegde vereiste heeft de Portugese Republiek deze regeling niet aangemeld bij de Commissie.

14      In het kader van die kredietovereenkomsten heeft de rechtsvoorganger van het IFAP op grond van decreto‑lei n. 146/94 tussen 1994 en 1996 aan Nelson Antunes da Cunha betalingen in de vorm van rentesubsidies gedaan ten bedrage van in totaal 7 526,90 EUR (4 189,90 EUR is betaald op 12 juli 1994, 2 513,94 EUR op 12 juli 1995 en 823,06 EUR op 30 april 1996; hierna: „steun in kwestie”).

15      Op 25 november 1999 heeft de Commissie beschikking 2000/200/EG vastgesteld met betrekking tot de door Portugal ingestelde steunregeling voor het wegwerken van de schulden van intensieve veehouderijbedrijven en het stimuleren van de varkenshouderij (PB 2000, L 66, blz. 20; hierna: „beschikking van de Commissie van 25 november 1999”).

16      Uit het dispositief van die tot de Portugese Republiek gerichte beschikking blijkt in wezen dat de bij decreto‑lei n. 146/94 ingestelde regeling voor de toekenning van kredietlijnen een steunregeling is die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Uit dat dispositief blijkt tevens dat de Portugese Republiek deze steunregeling moet intrekken en alle nodige maatregelen moet nemen om de reeds onrechtmatig ter beschikking gestelde steun terug te vorderen van de begunstigden. Gepreciseerd wordt dat de terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures dient te geschieden en dat de terug te vorderen steun rente omvat vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigden beschikbaar was tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling van de steun. Ook wordt erop gewezen dat de Portugese Republiek de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van die beschikking moet meedelen welke maatregelen zij heeft genomen om hieraan te voldoen.

17      Op 23 juli 2002 heeft de rechtsvoorganger van het IFAP Nelson Antunes da Cunha een brief gezonden met verzoek de steun in kwestie terug te betalen. Nelson Antunes da Cunha heeft geen gevolg gegeven aan die brief.

18      Op 12 augustus 2009 heeft het IFAP die vennootschap opnieuw een brief gezonden, die zij heeft ontvangen op 13 augustus 2009, met verzoek de steun in kwestie terug te betalen binnen tien werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van die brief.

19      Op 7 juli 2013 heeft de Serviço de Finanças de Cantanhede (belastingdienst van Cantanhede, Portugal) tegen Nelson Antunes da Cunha een fiscale executieprocedure ingeleid met het oog op de inning van de schuldvorderingen van het IFAP ter waarde van 7 526,90 EUR voor de steun in kwestie, vermeerderd met de vertragingsrente ten bedrage van 7 426,66 EUR.

20      Nelson Antunes da Cunha heeft in die procedure verzet aangetekend bij de verwijzende rechter, te weten de Tribunal Administrativo e Fiscal de Coimbra (bestuurs‑ en belastingrechter Coimbra, Portugal). Zij stelt dat op grond van artikel 40 van decreto‑lei n. 155/92 de verplichting tot terugbetaling van de ontvangen bedragen vervalt na het verstrijken van een termijn van vijf jaar na ontvangst van die bedragen, zodat de verplichting tot terugbetaling van de steun in kwestie is verjaard. Wat de vertragingsrente betreft betoogt zij dat op grond van artikel 310, onder d), van de Código Civil ook deze rente is verjaard, aangezien meer dan vijf jaar zijn verstreken sinds de datum van opeisbaarheid van de verplichting waarop die rente betrekking heeft.

21      De verwijzende rechter merkt op dat het nationale recht niet voorziet in een specifieke verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van het bevel tot terugvordering van onrechtmatige steun en dat hogere nationale rechterlijke instanties bijgevolg hebben geoordeeld dat voor schulden jegens het IFAP als gevolg van de terugvordering van door de Portugese Staat toegekende financiële steun die de Commissie in een beschikking onverenigbaar met de interne markt heeft geacht, de in artikel 309 van de Código Civil vastgelegde gewone verjaringstermijn van twintig jaar geldt.

22      De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat wat betreft de rente die betrekking heeft op de eigenlijke steun, de hogere nationale rechterlijke instanties van oordeel zijn dat niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat voor die rente de in artikel 309 van de Código Civil gestelde verjaringstermijn van twintig jaar geldt. Volgens die rechters verjaren contractuele en wettelijke rente, ook nog niet verschuldigde rente, op grond van artikel 310, onder d), van de Código Civil immers na het verstrijken van een termijn van vijf jaar, die volgens de regel van artikel 306 van datzelfde wetboek begint te lopen vanaf de datum van opeisbaarheid van de verplichting.

23      Gelet op de vaste rechtspraak van het Hof inzake staatssteun, volgens welke de toepassing van nationale procedures, door verhindering van de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van het terugvorderingsbesluit van de Commissie, het herstel van daadwerkelijke mededinging niet mag beletten, en voorts op de intentie van de Uniewetgever die blijkt uit overweging 26 van verordening 2015/1589, vraagt de verwijzende rechter zich af of de in artikel 17, lid 1, van verordening 2015/1589 vastgestelde verjaringstermijn van tien jaar enkel van toepassing is op de betrekkingen tussen de Europese Unie en de lidstaat die de steun heeft toegekend, of eveneens op de betrekkingen tussen die lidstaat en de begunstigde van de onrechtmatige steun.

24      De verwijzende rechter vraagt zich tevens af of artikel 16, lid 2, van verordening 2015/1589 – waarin is bepaald dat de terug te vorderen steun rente omvat – en het doeltreffendheidsbeginsel zich ertegen verzetten dat de in artikel 310, onder d), van de Código Civil vastgestelde verjaringstermijn van vijf jaar wordt toegepast voor de invordering van rente die betrekking heeft op dergelijke staatssteun.

25      Wanneer de verjaring wordt geacht te zijn ingetreden voor de rente die verschuldigd is over het tijdvak van vóór de vijf jaar die voorafgaan aan de in artikel 323, lid 1, van de Código Civil bedoelde handeling die de verjaring stuit, is het volgens de verwijzende rechter mogelijk dat de schuldvordering betreffende de rente die betrekking heeft op staatssteun verjaard is voordat het recht zelf van de Commissie om de terugvordering van die steun te gelasten verjaard is.

26      In antwoord op een verzoek om verduidelijking dat het Hof op grond van artikel 101 van zijn Reglement voor de procesvoering tot de verwijzende rechter had gericht, heeft die rechter gepreciseerd dat wat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie betreft, de verjaringstermijn van vijf jaar pas was gestuit door de gewone aangetekende brief van 26 juli 2013, zodat alle rente die vóór 26 juni 2008 was vervallen verjaard is.

27      De verwijzende rechter heeft daaraan toegevoegd dat de in artikel 310, onder d), van de Código Civil vastgestelde verjaringstermijn van vijf jaar in het licht van het nationaal recht niet kan worden geacht te worden gestuit door om het even welke soort van brief die door de Commissie naar de Portugese autoriteiten dan wel door de Portugese autoriteiten naar de begunstigde van de steun wordt gezonden, wanneer die brief geen dagvaarding of kennisgeving van een gerechtelijk stuk in de zin van artikel 323, lid 1, van de Código Civil is.

28      Tegen die achtergrond heeft de Tribunal Administrativo e Fiscal de Coimbra de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Is de verjaringstermijn voor de uitoefening van de bevoegdheden [van de Commissie] om steun terug te vorderen als bedoeld in artikel 17, lid 1, van [verordening 2015/1589] enkel van toepassing op de betrekkingen tussen de Europese Unie en de lidstaat tot welke het besluit tot terugvordering van de steun is gericht, of eveneens op de betrekkingen tussen die lidstaat en eiseres in verzet als begunstigde van de met de [interne] markt onverenigbaar geachte steun?

2)      Indien wordt geoordeeld dat de bovenvermelde verjaringstermijn van toepassing is op de betrekkingen tussen de lidstaat tot welke het besluit tot terugvordering van de steun is gericht en de begunstigde van de met de [interne] markt onverenigbaar geachte steun, dient dan te worden aangenomen dat die verjaringstermijn enkel van toepassing is op de procedurele fase, of eveneens bij de tenuitvoerlegging van het terugvorderingsbesluit?

3)      Indien wordt geoordeeld dat de bovenvermelde verjaringstermijn van toepassing is op de betrekkingen tussen de lidstaat tot welke het besluit tot terugvordering van de steun is gericht en de begunstigde van de met de [interne] markt onverenigbaar geachte steun, dient dan te worden aangenomen dat die verjaringstermijn wordt gestuit door om het even welke handeling van de Commissie of van de [betrokken] lidstaat in verband met de onrechtmatige steun, ook al is de begunstigde van de terug te betalen steun van die handelingen daarvan nog niet in kennis gesteld?

4)      Staan artikel 16, lid 2, van [verordening 2015/1589] en de [algemene Unierechtelijke rechtsbeginselen], met name het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel dat staatssteun onverenigbaar is met de [interne] markt, in de weg aan de toepassing van een verjaringstermijn die korter is dan de in artikel 17 van die verordening gestelde verjaringstermijn, zoals de verjaringstermijn die in artikel 310, [...] onder d), van de Código Civil is opgelegd voor rente waarmee die terug te vorderen steun wordt vermeerderd?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste prejudiciële vraag

29      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 17, lid 1, van verordening 2015/1589 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde verjaringstermijn van tien jaar voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen enkel van toepassing is op de betrekkingen tussen de Commissie en de lidstaat tot welke het van die instelling afkomstige terugvorderingsbesluit is gericht, of eveneens op de betrekkingen tussen die lidstaat en de begunstigde van de met de interne markt onverenigbaar geachte steun.

30      Artikel 17, lid 1, van verordening 2015/1589, dat voorziet in een verjaringstermijn van tien jaar, heeft enkel betrekking op de bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen (zie in die zin arrest van 23 januari 2019, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C‑387/17, EU:C:2019:51, punt 52).

31      Die termijn kan dus niet worden toegepast op de procedure voor de terugvordering van onrechtmatige steun door de bevoegde nationale autoriteiten (zie in die zin arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punten 108 en 109).

32      Uit de rechtspraak van het Hof blijkt immers dat verordening 2015/1589, voor zover deze procedurele voorschriften bevat die van toepassing zijn op alle bij de Commissie aanhangige administratieve procedures inzake staatssteun, de praktijk van de Commissie inzake het onderzoek van staatssteun zowel codificeert als versterkt en geen voorschriften bevat inzake de bevoegdheden en verplichtingen van de nationale rechterlijke instanties, die nog steeds worden geregeld door de Verdragsbepalingen, zoals die door het Hof worden uitgelegd (zie naar analogie arresten van 23 januari 2019, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C‑387/17, EU:C:2019:51, punt 66, en 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 110). Deze overwegingen gelden eveneens voor de bevoegdheden en verplichtingen van de nationale administratieve autoriteiten (arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 111).

33      Gelet op het bovenstaande dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 17, lid 1, van verordening 2015/1589 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde verjaringstermijn van tien jaar voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen enkel van toepassing is op de betrekkingen tussen de Commissie en de lidstaat tot welke het van die instelling afkomstige terugvorderingsbesluit is gericht.

 Tweede en derde prejudiciële vraag

34      Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft op de tweede en de derde vraag niet te worden geantwoord.

 Vierde prejudiciële vraag

35      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 16, lid 2, van verordening 2015/1589, waarin is bepaald dat de terug te vorderen steun rente omvat, en het in lid 3 van datzelfde artikel neergelegde doeltreffendheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de toepassing van een nationale verjaringstermijn die korter is dan de in artikel 17, lid 1, van die verordening gestelde verjaringstermijn van tien jaar voor de invordering van die rente.

 Opmerkingen vooraf

36      Zowel het IFAP als de Portugese regering bestrijdt de uitlegging van de verwijzende rechter dat de in artikel 310, onder d), van de Código Civil vastgestelde verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing kan zijn op de inning van de rente die betrekking heeft op de terug te vorderen steun, en de invordering van die rente kan beletten.

37      Het IFAP is van mening dat het in casu pas na afsluiting van de met het oog op terugvordering van de steun geopende administratieve procedure zijn vorderingsrecht jegens Nelson Antunes da Cunha kan uitoefenen, dat wil zeggen op de datum van de brief van 23 juli 2002, waarnaar is verwezen in punt 17 van dit arrest. Volgens het IFAP is het recht op invordering van de rente die betrekking heeft op de steun in kwestie, dan ook niet verjaard. De Portugese regering betoogt op haar beurt dat aangezien het Portugese recht niet voorziet in een specifieke verjaringstermijn voor de terugvordering van onrechtmatig ontvangen staatssteun, zowel voor de terugvordering van de steun zelf als voor de invordering van de vertragingsrente die betrekking heeft op die steun, de gewone nationale verjaringstermijn van twintig jaar van toepassing is.

38      In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat het Hof, wanneer het uitspraak moet doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, zich dient te houden aan de uitlegging die deze rechter aan het nationale recht heeft gegeven (zie in die zin arrest van 14 juni 2017, Online Games e.a., C‑685/15, EU:C:2017:452, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg moet de onderhavige prejudiciële verwijzing, ongeacht de kritiek van de partijen in het hoofdgeding en de belanghebbenden op de uitlegging van het nationale recht door de verwijzende rechter, worden onderzocht in het licht van de uitlegging die deze rechter aan dit recht heeft gegeven (zie in die zin arrest van 21 juni 2016, New Valmar, C‑15/15, EU:C:2016:464, punt 25).

 Beantwoording van de vraag

39      Vast staat dat de Portugese Republiek de in de beschikking van de Commissie van 25 november 1999 bedoelde steun, met inbegrip van de rente, overeenkomstig het dispositief van die beschikking en artikel 16, lid 2, van verordening 2015/1589 diende terug te vorderen.

40      Volgens artikel 16, lid 3, van die verordening dient dergelijke steun in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures te worden teruggevorderd, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van het besluit van de Commissie toelaten.

41      De nationale verjaringsregels zijn immers weliswaar in beginsel van toepassing op de terugvordering van onrechtmatig toegekende steun, maar deze regels moeten aldus worden toegepast dat de door het Unierecht vereiste terugvordering niet nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt en het belang van de Unie daarbij ten volle in aanmerking wordt genomen (zie in die zin arrest van 26 juni 2003, Commissie/Spanje, C‑404/00, EU:C:2003:373, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      Eveneens moet worden benadrukt dat het hoofddoel van de terugbetaling van onrechtmatig betaalde staatssteun bestaat in de opheffing van de verstoring van de mededinging, die voortkomt uit het concurrentievoordeel ten gevolge van de onrechtmatige steun (arrest van 7 maart 2018, SNCF Mobilités/Commissie, C‑127/16 P, EU:C:2018:165, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het herstel van de situatie van vóór de betaling van onrechtmatige of met de interne markt onverenigbare steun vormt een noodzakelijk vereiste voor de handhaving van de nuttige werking van de Verdragsbepalingen inzake staatssteun (arrest van 19 december 2019, Arriva Italia e.a., C‑385/18, EU:C:2019:1121, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43      De verplichting tot terugvordering is pas nagekomen wanneer de betrokken lidstaat het bedrag van de onverenigbare steun daadwerkelijk heeft teruggekregen, met inbegrip van de rente (zie in die zin arresten van 12 februari 2008, CELF en Ministre de la Culture et de la Communication, C‑199/06, EU:C:2008:79, punt 54, en 3 september 2015, A2A, C‑89/14, EU:C:2015:537, punt 42).

44      Tevens dient in herinnering te worden gebracht dat uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat verjaringstermijnen in het algemeen dienen om de rechtszekerheid te waarborgen (arrest van 23 januari 2019, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C‑387/17, EU:C:2019:51, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      Hoewel ervoor moet worden gezorgd dat de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel worden geëerbiedigd, is het echter eveneens van belang de eerbiediging van deze vereisten af te wegen tegen het openbaar belang waarmee wordt beoogd te voorkomen dat de werking van de markt wordt vervalst door staatssteun die schadelijk is voor de mededinging, hetgeen volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist dat onrechtmatige staatssteun wordt terugbetaald teneinde de vroegere toestand te herstellen (zie in die zin arrest van 14 januari 1997, Spanje/Commissie, C‑169/95, EU:C:1997:10, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      Eveneens moet eraan worden herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat, gelet op het dwingende karakter van het door de Commissie op grond van artikel 108 VWEU uitgeoefende toezicht op de steunmaatregelen van de staten, ten eerste ondernemingen die steun genieten in beginsel enkel een gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun kunnen hebben wanneer deze steun met inachtneming van de procedure van dat artikel is toegekend, en ten tweede een behoedzame marktdeelnemer normaal gesproken in staat zal zijn zich ervan te vergewissen of deze procedure is gevolgd. Met name kan de begunstigde van steun, wanneer de steun op grond van artikel 108, lid 3, VWEU onrechtmatig is omdat hij zonder voorafgaande aanmelding bij de Commissie ten uitvoer is gelegd, op dat tijdstip geen gewettigd vertrouwen hebben in de rechtmatigheid van de toekenning van de steun (arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals de advocaat-generaal in punt 67 van zijn conclusie heeft opgemerkt, geldt dit zowel voor individuele steun als voor steun die is toegekend op grond van een steunregeling.

47      Uit de door de verwijzende rechter verstrekte toelichtingen blijkt dat in het hoofdgeding de in artikel 310, onder d), van de Código Civil vastgestelde verjaringstermijn van vijf jaar die van toepassing is op de rente die betrekking heeft op de steun in kwestie, pas is gestuit op 26 juli 2013 en dat alle rente die verschuldigd is over het tijdvak van vóór 26 juni 2008 op grond van die bepaling is verjaard. Hieruit volgt dus dat de toepassing van die verjaringstermijn eraan in de weg zou staan dat een deel van de rente die betrekking heeft op de steun in kwestie wordt ingevorderd en bijgevolg zou beletten dat deze steun volledig wordt teruggevorderd.

48      Bovendien heeft de verwijzende rechter opgemerkt dat wanneer de verjaring wordt geacht te zijn ingetreden voor de rente die verschuldigd is over het tijdvak van vóór de vijf jaar die voorafgaan aan de handeling die de verjaring stuit, het mogelijk is dat de schuldvordering betreffende de rente die betrekking heeft op steun verjaard is nog voordat het recht van de Commissie om de terugvordering van die steun te gelasten verjaard is. Ter terechtzitting voor het Hof heeft de Commissie eveneens benadrukt dat de toepassing van een dergelijke nationale verjaringstermijn in casu zou leiden tot verjaring van een deel van de rente die betrekking heeft op de eerste betaling van de steun in kwestie, aangezien meer dan vijf jaar zijn verstreken tussen de eerste betaling die is verricht in 1994 en de beschikking van de Commissie van 25 november 1999.

49      Aangaande in de eerste plaats de verjaring van een deel van de rente met betrekking tot de steun in kwestie vóór de vaststelling van de beschikking van de Commissie van 25 november 1999, moet worden opgemerkt dat een dergelijke verjaring de door het Unierecht vereiste volledige terugvordering onmogelijk zou maken.

50      Zoals de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de Commissie altijd binnen de in artikel 17, lid 1, van verordening 2015/1589 gestelde termijn van tien jaar de terugvordering van onrechtmatige steun gelasten, en wel ongeacht het eventuele verstrijken van de in de nationale procedure toegepaste verjaringstermijn (zie in die zin arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 114).

51      Bovendien, zoals blijkt uit de in punt 46 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, kan Nelson Antunes da Cunha zich in casu niet op goede gronden beroepen op een gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun in kwestie, aangezien deze steun door de Portugese Republiek ten uitvoer is gelegd zonder voorafgaande aanmelding bij de Commissie.

52      Een voor de terugvordering van steun geldende nationale verjaringstermijn die is verstreken nog voordat het terugvorderingsbesluit van de Commissie is vastgesteld, moet dus buiten toepassing worden gelaten door de verwijzende rechter.

53      Aangaande in de tweede plaats de verjaring van een deel van de rente die betrekking heeft op de steun in kwestie die is ingetreden nadat de Commissie de beschikking van 25 november 1999 had vastgesteld, dient te worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 16, lid 3, van verordening 2015/1589 een terugvorderingsbesluit van de Commissie onverwijld ten uitvoer moet worden gelegd.

54      Uit de schriftelijke opmerkingen van het IFAP blijkt dat zijn rechtsvoorganger, om gevolg te geven aan de beschikking van de Commissie van 25 november 1999, op 23 juli 2002 – dus bijna drie jaar na de vaststelling van die beschikking – een brief aan Nelson Antunes da Cunha heeft gestuurd met verzoek om terugbetaling van het bedrag van 7 526,90 EUR, vermeerderd met de bijbehorende rente. Omdat Nelson Antunes da Cunha geen gevolg heeft gegeven aan dat verzoek, heeft het IFAP haar op 12 augustus 2009 – dus bijna tien jaar na de vaststelling van die beschikking – opnieuw een brief gestuurd waarin het de terugbetaling van de steun in kwestie eiste. Na enkele contacten tussen Nelson Antunes da Cunha en het IFAP is er ten slotte op 26 juli 2013 een procedure voor de inning van die schuldvordering ingeleid waardoor de verjaringstermijn is gestuit.

55      De verjaring van een deel van de rente die betrekking heeft op de steun in kwestie die is ingetreden nadat de Commissie de beschikking van 25 november 1999 had vastgesteld, vloeit dus hoofdzakelijk voort uit het feit dat de rechtsvoorganger van het IFAP en het IFAP zelf hebben getalmd met de tenuitvoerlegging van die beschikking, aangezien bijna 14 jaar zijn verstreken tussen de vaststelling van die beschikking en de stuiting van de verjaringstermijn, zoals de Commissie ter terechtzitting voor het Hof heeft benadrukt.

56      Wanneer ervan wordt uitgegaan dat de rente met betrekking tot onrechtmatige steun is verjaard omdat de nationale autoriteiten zich laat hebben gevoegd naar de terugvorderingsbeschikking van de Commissie van 25 november 1999, zou de volledige terugvordering van die steun nagenoeg onmogelijk zijn en zou de Unieregelgeving inzake staatssteun elk nuttig effect worden ontnomen (zie in die zin arrest van 20 maart 1997, Alcan Deutschland, C‑24/95, EU:C:1997:163, punt 37).

57      Ingeval van door de Commissie onverenigbaar verklaarde staatssteun is de rol van de nationale autoriteiten bovendien beperkt tot het uitvoeren van de besluiten van de Commissie. Die autoriteiten hebben dus geen enkele beoordelingsbevoegdheid inzake de terugvordering van die steun (zie in die zin arrest van 20 maart 1997, Alcan Deutschland, C‑24/95, EU:C:1997:163, punt 34).

58      Aangezien de nationale autoriteit geen beoordelingsbevoegdheid heeft, verkeert de ontvanger van onrechtmatig toegekende individuele steun niet langer in onzekerheid, wanneer de Commissie een besluit heeft vastgesteld waarbij deze steun onverenigbaar wordt verklaard en terugvordering van die steun wordt gelast (zie in die zin arrest van 20 maart 1997, Alcan Deutschland, C‑24/95, EU:C:1997:163, punt 36). Zoals de advocaat-generaal in de punten 77 en 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt, geldt die beoordeling eveneens voor de op grond van een steunregeling toegekende steun.

59      In casu kan de situatie van Nelson Antunes da Cunha dus niet worden gelijkgesteld met de situatie waarin een marktdeelnemer niet weet of de bevoegde instantie een besluit zal nemen en het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat binnen een bepaalde termijn aan die onzekerheid een einde komt (zie in die zin arrest van 20 maart 1997, Alcan Deutschland, C‑24/95, EU:C:1997:163, punt 35).

60      In die omstandigheden kan het rechtszekerheidsbeginsel, dat de verjaringstermijnen beogen te waarborgen, niet in de weg staan aan de terugvordering van met de interne markt onverenigbaar verklaarde steun, zoals de advocaat-generaal heeft benadrukt in punt 81 van zijn conclusie.

61      Gelet op het bovenstaande dient op de vierde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 16, lid 2, van verordening 2015/1589, waarin is bepaald dat de terug te vorderen steun rente omvat, en het doeltreffendheidsbeginsel, dat is neergelegd in lid 3 van datzelfde artikel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de toepassing van een nationale verjaringstermijn op de terugvordering van steun wanneer deze verjaringstermijn is verstreken nog voordat het besluit van de Commissie is vastgesteld waarbij deze steun onrechtmatig wordt verklaard en terugvordering van die steun wordt gelast, of wanneer deze verjaringstermijn hoofdzakelijk is verstreken omdat de nationale autoriteiten met de tenuitvoerlegging van dat besluit hebben getalmd.

 Kosten

62      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 17, lid 1, van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde verjaringstermijn van tien jaar voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Europese Commissie om steun terug te vorderen enkel van toepassing is op de betrekkingen tussen de Commissie en de lidstaat tot welke het van die instelling afkomstige terugvorderingsbesluit is gericht.

2)      Artikel 16, lid 2, van verordening 2015/1589, waarin is bepaald dat de terug te vorderen steun rente omvat, en het doeltreffendheidsbeginsel, dat is neergelegd in lid 3 van datzelfde artikel, moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de toepassing van een nationale verjaringstermijn op de terugvordering van steun wanneer deze verjaringstermijn is verstreken nog voordat het besluit van de Commissie is vastgesteld waarbij deze steun onrechtmatig wordt verklaard en terugvordering van die steun wordt gelast, of wanneer deze verjaringstermijn hoofdzakelijk is verstreken omdat de nationale autoriteiten met de tenuitvoerlegging van dat besluit hebben getalmd.

ondertekeningen


*      Procestaal: Portugees.