Language of document : ECLI:EU:T:2020:255

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)

10 juni 2020 (*)

„Gemeenschapsmodel – Nietigheidsprocedure – Ingeschreven gemeenschapsmodel dat een koppeling om koel- of klimaatregelingsapparatuur te verbinden met motorvoertuigen weergeeft – Enige vordering tot herziening – Impliciet verzoek tot vernietiging – Ontvankelijkheid – Nietigheidsgrond – Niet-naleving van de voorwaarden voor bescherming – Artikelen 4 tot en met 9 en artikel 25, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 6/2002 – Omvang van het door de kamer van beroep verrichte onderzoek – Standpuntbepaling van de kamer van beroep over de niet-naleving van een voorwaarde voor bescherming in de loop van de procedure – Afwijkende conclusie in de bestreden beslissing – Motiveringsplicht – Artikel 62 en artikel 63, lid 1, tweede volzin, van verordening (EG) nr. 6/2002”

In zaak T‑100/19,

L. Oliva Torras, S.A., gevestigd te Manresa (Spanje), vertegenwoordigd door E. Sugrañes Coca en D. Caballero Pérez, advocaten,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door J. Crespo Carrillo en H. O’Neill als gemachtigden,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Mecánica del Frío, S.L., gevestigd te Cornellá de Llobregat (Spanje), vertegenwoordigd door J. Torras Toll, advocaat,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO van 19 november 2018 (zaak R 1397/2017‑3) inzake een nietigheidsprocedure tussen L. Oliva Torras en Mecánica del Frío,

wijst

HET GERECHT (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, D. Gratsias (rapporteur) en M. Kancheva, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien het op 19 februari 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 24 mei 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,

gezien de op 20 mei 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,

gezien de beslissing van 14 november 2019 om de zaken T‑100/19 en T‑629/19 niet te voegen,

na de terechtzitting op 16 januari 2020,

het navolgende

Arrest

I.      Voorgeschiedenis van het geding

1        L. Oliva Torras, S.A., verzoekster, en Mecánica del Frío, S.L., interveniënte, zijn twee concurrerende ondernemingen in de sector van kits die koel- of klimaatregelingssystemen verbinden met motorvoertuigen.

2        Op 10 april 2013 heeft interveniënte bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmodel ingediend krachtens verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).

3        Het gemeenschapsmodel waarvoor inschrijving werd aangevraagd (hierna: „litigieus model”), wordt weergegeven als volgt:

Image not found0001.1

Image not found0001.2

Image not found0001.3

Image not found0001.4

Image not found0001.5

Image not found0001.6

Image not found0001.7


4        De voortbrengselen waarop het litigieuze model zal worden toegepast, behoren tot klasse 12.16 in de zin van de Overeenkomst van Locarno van 8 oktober 1968 tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, zoals gewijzigd, en worden omschreven als volgt: „Koppelingen voor vervoermiddelen”.

5        Het litigieuze model wordt in de inschrijvingsaanvraag beschreven als het type koppeling dat wordt gebruikt om koel- en klimaatregelingsapparatuur met een motorvoertuig te verbinden.

6        Het litigieuze model werd op de datum van de aanvraag onder nummer 2217588‑0001 ingeschreven en gepubliceerd in Gemeenschapsmodellenblad nr. 2013/075 van 22 april 2013.

7        Op 22 augustus 2014 heeft verzoekster een aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmodel ingediend (model nr. 2523746‑0006, ingeschreven op dezelfde datum en gepubliceerd op 26 augustus 2014). Na een vordering tot nietigverklaring van interveniënte, die was gebaseerd op het feit dat het litigieuze model ouder is, is model nr. 2523746‑0006 bij beslissing van 17 juni 2016 van de nietigheidsafdeling nietig verklaard wegens het ontbreken van nieuwheid en eigen karakter.

8        Op 15 maart 2016 heeft verzoekster een vordering tot nietigverklaring van het litigieuze model ingediend op grond van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 6/2002.

9        De door verzoekster tot staving van haar vordering tot nietigverklaring aangevoerde grond was die van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, namelijk dat het litigieuze model niet beantwoordde aan de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening.

10      Ter onderbouwing van haar vordering tot nietigverklaring heeft verzoekster het bestaan ingeroepen van een ouder model dat een verbindingskit weergeeft, geïdentificeerd als onderdeel „KC11 080 242”, en heeft zij een reproductie in de vorm van een rendering van dat onderdeel (afbeelding A) en een foto die volgens haar verklaringen overeenkomt met dat onderdeel (afbeelding B), aan het dossier toegevoegd.

11      Bij beslissing van 10 mei 2017 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring van verzoekster afgewezen. In het bijzonder heeft zij geoordeeld dat het enige model waarvan de eerdere beschikbaarstelling voor het publiek was aangetoond, namelijk het model op afbeelding A, niet kon afdoen aan de nieuwheid en het eigen karakter van het litigieuze model, gelet op de verschillen tussen deze twee modellen.

12      Op 27 juni 2017 heeft verzoekster op grond van de artikelen 55 tot en met 60 van verordening nr. 6/2002 beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling bij de kamer van beroep. Naast de afbeeldingen A en B heeft verzoekster een van haar website afkomstige schets van onderdeel „KC11 080 242” (afbeelding C) bij het dossier gevoegd.

13      Op 16 mei 2018 heeft de kamer van beroep op grond van artikel 59, lid 2, van verordening nr. 6/2002 een mededeling aan partijen gezonden (hierna: „mededeling van 16 mei 2018”) waarin werd vermeld dat uit de beweringen van partijen en uit de stukken in het dossier kon worden afgeleid dat het litigieuze model betrekking had op een voortbrengsel dat een bestanddeel (te weten een koppelingsonderdeel) van een samengesteld voortbrengsel (te weten de configuratie motor-koppelingsstuk-compressor) vormde dat, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel was verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste niet meer zichtbaar was. De kamer van beroep concludeerde hieruit dat het litigieuze model daarom niet kon worden geacht nieuw te zijn of een eigen karakter te hebben in de zin van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 6/2002 en dus nietig moest worden verklaard op grond van niet-naleving van dat artikel 4.

14      Op verzoek van de kamer van beroep hebben interveniënte en verzoekster respectievelijk op 16 juli en 17 september 2018 opmerkingen met betrekking tot de inhoud van de mededeling van 16 mei 2018 ingediend.

15      Bij beslissing van 19 november 2018 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de derde kamer van beroep het beroep verworpen op basis van de hiernavolgende gronden. In de eerste plaats heeft zij erop gewezen dat, anders dan interveniënte aanvoert, verzoekster geacht moest worden nietigverklaring van het litigieuze model te vorderen wegens niet-naleving van de voorwaarden als vermeld in de artikelen 5, 6, 8 en 9 van verordening nr. 6/2002 en dat het dus aan de kamer van beroep stond om elk van deze voorwaarden te onderzoeken tegen de achtergrond van de aangevoerde middelen. In de tweede plaats heeft zij de grief afgewezen dat het litigieuze model niet nieuw was. Zij heeft in dit verband geoordeeld dat alleen de beschikbaarstelling van het model op afbeelding A was aangetoond en dat er duidelijke verschillen waren tussen dat model en het litigieuze model. In de derde plaats heeft zij de grief afgewezen dat het litigieuze model geen eigen karakter had. In de vierde plaats heeft zij geoordeeld dat, aangezien verzoekster geen enkel argument inzake de in de artikelen 8 en 9 van verordening nr. 6/2002 neergelegde uitsluitingen van bescherming van het litigieuze model had aangevoerd, zij haar vordering tot nietigverklaring moest afwijzen voor zover deze op deze bepalingen was gebaseerd, gelet op de eisen van artikel 63, lid 1, van deze verordening. Daarentegen is zij in de motivering van de bestreden beslissing niet ingegaan op de vraag naar de toepassing, in het onderhavige geval, van artikel 4, leden 2 en 3, van die verordening, wat het voorwerp uitmaakte van de mededeling van 16 mei 2018 en van de daaropvolgende opmerkingen van partijen als bedoeld in respectievelijk de punten 13 en 14 hierboven.

II.    Conclusies van partijen

16      Verzoekster verzoekt het Gerecht formeel:

–        „[A] [de] conclusies van de kamer van beroep [over de ingeroepen nietigheidsgrond] [te bevestigen] en [vast te stellen] dat de nietigheidsprocedure is gebaseerd op gronden voor nietigheid van een gemeenschapsmodel als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 9 van [verordening nr. 6/2002] (‚beschermingsvoorwaarden’)”;

–        „[B] [over te gaan tot] een vergelijking, rekening houdend met alle verstrekte bewijsstukken en bijzondere omstandigheden van het concrete geval”;

–        „[C] [het litigieuze model] nietig [te verklaren] omdat het nagenoeg identiek is aan het in de handel gebrachte model en dus een bijna identieke nabootsing ervan vormt, zonder dat verzoekster hiervoor toestemming heeft gegeven”;

–        „[D] [het litigieuze model] nietig [te verklaren] wegens het ontbreken van een eigen karakter ten opzichte van de eerder door [verzoekster] beschikbaar gestelde tekeningen”;

–        „[E] [het litigieuze model] nietig [te verklaren], ten eerste omdat het onder het in artikel 8, leden 1 en 2, [van verordening nr. 6/2002] geformuleerde verbod valt, aangezien het uiterlijk ervan uitsluitend wordt bepaald door de technische functie ervan, en ten tweede omdat het onder het in artikel 4 [van verordening nr. 6/2002] geformuleerde absolute verbod valt omdat het een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt”;

–        „[F] de beslissing van de kamer van beroep te bevestigen [voor zover daarbij het litigieuze model in strijd met artikel 9 van verordening nr. 6/2002 is verklaard]”;

–        „[G] de in het ongelijk gestelde partij [te verwijzen] [in de kosten]”.

17      Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

18      Interveniënte verzoekt het Gerecht:

–        de bestreden beslissing te bevestigen;

–        de in het ongelijk gestelde partij te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A.      Ontvankelijkheid

19      Het EUIPO stelt dat het verzoekschrift vorderingen bevat die ertoe strekken de bestreden beslissing te bevestigen. Die vorderingen zijn niet-ontvankelijk. Voorts voert het EUIPO aan dat het aan het Gerecht staat om te beslissen of uit de context van het verzoekschrift kan worden afgeleid dat om vernietiging van de bestreden beslissing wordt verzocht en of bijgevolg de vorderingen tot herziening ervan ontvankelijk kunnen worden verklaard. Ter terechtzitting heeft het EUIPO opgemerkt dat het door verzoekster tijdens haar pleidooi geformuleerde verzoek tot vernietiging van de bestreden beslissing niet in het verzoekschrift was opgenomen.

20      Ter terechtzitting heeft verzoekster op verzoek van het Gerecht gepreciseerd dat zij verzocht om vernietiging van de bestreden beslissing in haar geheel, ook voor zover daarin uitspraak wordt gedaan over de toepassing van de artikelen 8 en 9 van verordening nr. 6/2002.

21      Dienaangaande moet er allereerst aan worden herinnerd dat het Gerecht krachtens artikel 61, lid 3, van verordening nr. 6/2002 slechts bevoegd is om de beslissingen van de kamers van beroep te vernietigen of te herzien. Het staat daarentegen niet aan het Gerecht om declaratoire uitspraken te doen, zodat een daartoe strekkende vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard [zie in die zin en naar analogie arrest van 14 juni 2017, Aydin/EUIPO – Kaporal Groupe (ROYAL & CAPORAL), T‑95/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:388, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

22      In het onderhavige geval moet worden opgemerkt dat verzoekster in het deel van het verzoekschrift dat zij het opschrift „Vorderingen” heeft gegeven, een reeks van zeven verzoeken heeft opgesomd, ingedeeld van A tot en met G, waarvan de inhoud in punt 16 hierboven is weergegeven.

23      Allereerst moet worden vastgesteld dat binnen deze verschillende vorderingen duidelijk en ondubbelzinnig een vordering kan worden geïdentificeerd die ertoe strekt dat het Gerecht het litigieuze model nietig verklaart, alsook een vordering die in wezen strekt tot verwijzing van het EUIPO en interveniënte in de kosten.

24      Vervolgens moet worden vastgesteld dat de andere verzoeken van verzoekster die in het deel van het verzoekschrift met het opschrift „Vorderingen” zijn opgesomd, in werkelijkheid als zodanig geen vorderingen zijn. In het bijzonder kan uit de formulering van de punten A tot en met F van dit deel van het verzoekschrift en uit de herhaling – in alfabetische volgorde – van deze indeling in het deel „Middelen en argumenten” van het verzoekschrift worden afgeleid dat verzoekster er de stappen vermeldt van de redenering die het Gerecht volgens haar in de motivering van het te wijzen arrest dient te volgen en die volgens haar moeten leiden tot de nietigverklaring van het litigieuze model.

25      Ten slotte zij eraan herinnerd dat verzoekster ter terechtzitting in wezen heeft verklaard dat zij verzoekt om vernietiging van de bestreden beslissing in haar geheel.

26      Gelet op deze vaststellingen en deze uitleg moeten de in het verzoekschrift geformuleerde vorderingen als volgt worden uitgelegd.

27      In de eerste plaats volgt uit de in de punten 22 tot en met 24 hierboven verrichte vaststellingen dat verzoekster geen vordering heeft ingesteld die ertoe strekt dat het Gerecht een declaratoire uitspraak doet in de zin van de in punt 21 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak. Door het Gerecht te verzoeken om de bestreden beslissing op bepaalde punten te bevestigen of om de conflicterende modellen te vergelijken, rekening houdend met alle aangevoerde gegevens en omstandigheden, doelt verzoekster immers, zoals in punt 24 hierboven is uiteengezet, op de motivering van het te wijzen arrest, maar niet op de beslissing die in het dictum van dat arrest moet worden uitgesproken. Bijgevolg dienen de overwegingen van het EUIPO die ertoe strekken dat het Gerecht deze verzoeken niet-ontvankelijk verklaart, te worden afgewezen.

28      Gelet op de motivering van de bestreden beslissing en zoals bevestigd door de uitleg van verzoekster ter terechtzitting, mag het verzoek dat zij als punt F van het onderdeel „Vorderingen” van het verzoekschrift heeft ingediend – dat volgens de bewoordingen ervan ertoe strekt dat het Gerecht de bestreden beslissing „bevestigt” voor zover daarbij het litigieuze model in strijd met artikel 9 van verordening nr. 6/2002 is verklaard – bovendien niet letterlijk worden opgevat. Aangezien de kamer van beroep in het onderhavige geval de toepassing van dat artikel juist heeft uitgesloten, moet dit verzoek om „bevestiging”, ondanks de formulering ervan, in werkelijkheid immers als een middel betreffende een onjuiste beoordeling worden uitgelegd, omdat de kamer van beroep niet heeft geoordeeld dat dit model in strijd was met dat artikel.

29      In de tweede plaats zij opgemerkt dat, wat de in het verzoekschrift geformuleerde vordering betreft die strekt tot nietigverklaring van het litigieuze model, deze in werkelijkheid ertoe strekt dat het Gerecht de beslissing neemt die de kamer van beroep volgens verzoekster op het beroep had moeten nemen. Uit artikel 60, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 6/2002 blijkt immers dat de kamer van beroep, nadat zij de voor haar bestreden beslissing heeft vernietigd, de bevoegdheden kan uitoefenen van de instantie van het EUIPO die deze beslissing heeft genomen, en dus in casu het litigieuze model nietig kan verklaren. Deze maatregel behoort dus tot de maatregelen die het Gerecht kan nemen op grond van zijn herzieningsbevoegdheid van artikel 61, lid 3, van deze verordening [zie in die zin en naar analogie arrest van 27 februari 2014, Advance Magazine Publishers/BHIM – Nanso Groep (TEEN VOGUE), T‑509/12, EU:T:2014:89, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

30      Bovendien kan verzoekster in beginsel niet het oorspronkelijke voorwerp van het verzoekschrift wijzigen door een vordering tot herziening te vervangen door een voor het eerst ter terechtzitting geformuleerde vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing [zie in die zin en naar analogie arresten van 27 januari 2000, Mulder e.a./Raad en Commissie, C‑104/89 en C‑37/90, EU:C:2000:38, punt 47, en 21 april 2005, Holcim (Deutschland)/Commissie, T‑28/03, EU:T:2005:139, punt 45].

31      Gelet op de inhoud van het verzoekschrift en zoals de uitleg van verzoekster ter terechtzitting bevestigt, moet evenwel worden geoordeeld dat de vordering tot herziening van verzoekster impliciet een verzoek tot vernietiging van de bestreden beslissing omvat [zie in die zin arrest van 7 november 2013, Budziewska/BHIM – Puma (Weergave van een opspringende katachtige), T‑666/11, EU:T:2013:584, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In het kader van de behandeling van het beroep ten gronde zal het aan het Gerecht staan om bij gegrondheid van een van de middelen van het verzoekschrift te beslissen of dit middel het in staat stelt de bestreden beslissing te herzien op basis van de elementen, feitelijk en rechtens, zoals deze zijn vastgesteld, dan wel, indien dat niet het geval is, of dit middel slechts tot vernietiging van die beslissing kan leiden [zie in die zin en naar analogie arrest van 26 september 2014, Koscher + Würtz/BHIM – Kirchner & Wilhelm (KW SURGICAL INSTRUMENTS), T‑445/12, EU:T:2014:829, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

32      Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat verzoekster het Gerecht verzoekt om, ten eerste, de bestreden beslissing te vernietigen en, ten tweede, die beslissing te herzien door het litigieuze model nietig te verklaren, en dat deze vorderingen ontvankelijk zijn.

B.      Ten gronde

33      Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster in wezen zes middelen aan. Met haar eerste middel betoogt zij dat de nietigheidsprocedure is gebaseerd op de nietigheidsgronden van de artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 6/2002 en dat elk van deze gronden moet worden onderzocht. Met het tweede middel wordt aangevoerd dat de kamer van beroep een onjuiste beoordeling heeft gemaakt door te oordelen dat de eerdere beschikbaarstelling van een model enkel was vastgesteld wat afbeelding A betreft. Het derde en het vierde middel zijn gebaseerd op onjuiste beoordelingen met betrekking tot respectievelijk het ontbreken van nieuwheid van het litigieuze model en het ontbreken van een eigen karakter ervan. Het vijfde middel betreft ontoereikende motivering en onjuiste beoordelingen door de kamer van beroep met betrekking tot het bestaan van gronden voor uitsluiting van het litigieuze model van bescherming. Dit middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft het nalaten van de kamer van beroep om zich uit te spreken over de grond voor uitsluiting van dit model van bescherming die overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 6/2002 voortvloeit uit het feit dat het uiterlijk ervan uitsluitend wordt bepaald door de technische functie ervan. Het tweede onderdeel betreft het nalaten van de kamer van beroep om het model nietig te verklaren op grond van artikel 4, leden 2 en 3, van deze verordening, omdat het een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel is dat na verwerking erin niet zichtbaar is. Het zesde middel betreft in wezen een onjuiste beoordeling door de kamer van beroep doordat zij het bij haar ingestelde beroep heeft verworpen voor zover het was gebaseerd op artikel 9 van deze verordening.

1.      Eerste middel: onjuiste rechtsopvatting van de kamer van beroep doordat zij, ondanks haar overweging dat de nietigheidsprocedure was gebaseerd op de in de artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 6/2002 vastgestelde voorwaarden, heeft geweigerd bepaalde van deze voorwaarden te onderzoeken

34      Verzoekster wijst erop dat de kamer van beroep in de punten 18 tot en met 23 van de bestreden beslissing heeft geoordeeld dat haar vordering tot nietigverklaring in overeenstemming was met artikel 25, lid 1, van verordening nr. 6/2002 en artikel 28, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 2245/2002 van de Commissie van 21 oktober 2002 tot uitvoering van verordening nr. 6/2002 (PB 2002, L 341, blz. 28). Zij verzoekt het Gerecht deze conclusies te bevestigen en elke nietigheidsgrond van de artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 6/2002 te onderzoeken.

35      Het EUIPO heeft dienaangaande geen opmerkingen gemaakt. Interveniënte concludeert tot afwijzing van dit middel.

36      Vooraf zij eraan herinnerd dat interveniënte voor de kamer van beroep heeft aangevoerd dat verzoekster wel het ontbreken van nieuwheid van het litigieuze model had ingeroepen op grond van artikel 5 van verordening nr. 6/2002, maar niet het ontbreken van een eigen karakter op grond van artikel 6 van deze verordening. Daarom heeft deze instantie in het eerste deel van de motivering van de bestreden beslissing de kwestie van de omvang van de vordering tot nietigverklaring van verzoekster en bijgevolg die van de omvang van haar eigen onderzoek onderzocht.

37      In de punten 18 tot en met 23 van de bestreden beslissing, waarnaar verzoekster in het kader van het onderhavige middel verwijst, heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, die ingeroepen werd in de vordering tot nietigverklaring van verzoekster, te weten het feit dat het litigieuze model niet beantwoordt aan de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening, volgens de uitdrukkelijke wil van de wetgever een zelfstandige en ondeelbare nietigheidsgrond is die al deze voorwaarden omvat. Zij heeft hieruit dan ook afgeleid dat deze vordering tot nietigverklaring inhield dat het litigieuze model volgens verzoekster aan geen van de voorwaarden van de artikelen 5, 6, 8 en 9 voldeed en dat het aan haar stond elk van deze voorwaarden te onderzoeken tegen de achtergrond van de aangevoerde feiten, bewijsmiddelen en argumenten, overeenkomstig artikel 63, lid 1, van de betrokken verordening.

38      Hoewel de kamer van beroep ten gronde heeft onderzocht of in casu was voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 6/2002, namelijk de nieuwheid en het eigen karakter van het litigieuze model, heeft zij niettemin geoordeeld dat zij krachtens artikel 63, lid 1, van deze verordening de vordering tot nietigverklaring diende af te wijzen voor zover deze was gebaseerd op de artikelen 8 en 9 van deze verordening omdat verzoekster geen argumenten had aangevoerd betreffende de in die artikelen 8 en 9 gestelde voorwaarden. Zij heeft dus niet onderzocht of het litigieuze model voldeed aan die voorwaarden. Bovendien heeft zij in de motivering van de bestreden beslissing niet verwezen naar de kwestie van de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van deze verordening.

39      In casu heeft verzoekster in het kader van het onderhavige middel geen van die onderdelen van de bestreden beslissing uitdrukkelijk betwist en heeft zij geen onjuiste opvatting van de kamer van beroep aangevoerd. Zij verzoekt het Gerecht evenwel de in punt 37 hierboven bedoelde inleidende overwegingen van de kamer van beroep te bevestigen en elk van de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 6/2002 te onderzoeken. Zij moet dus worden geacht impliciet te stellen dat deze instantie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat zij ondanks die inleidende overwegingen niet is overgegaan tot een onderzoek van elk van deze voorwaarden.

40      Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de uitlegging die de kamer van beroep in de punten 18 tot en met 23 van de bestreden beslissing heeft gegeven aan artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, moeilijk verenigbaar is met de conclusies in de punten 66 en 68 van die beslissing, volgens welke artikel 63, lid 1, tweede volzin, van deze verordening zich ertegen verzet dat zij zich uitspreekt over de toepassing van de artikelen 8 en 9 ervan bij gebreke van argumenten van verzoekster over de niet-naleving van deze artikelen.

41      Gelet op de premisse van de kamer van beroep dat verzoekster zich in het kader van haar vordering tot nietigverklaring, voor zover deze is gebaseerd op de nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, noodzakelijkerwijs beroept op alle voorwaarden van de artikelen 5, 6, 8 en 9 van deze verordening, moet daar immers logischerwijs uit worden afgeleid dat de kamer van beroep die voorwaarden ten gronde dient te onderzoeken. In een dergelijke opvatting wordt verzoekster immers geacht de niet-naleving van elk van deze voorwaarden te hebben aangevoerd als zijnde feiten, bewijsmiddelen en argumenten ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring.

42      De door de kamer van beroep aan artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 gegeven uitlegging is bovendien moeilijk verenigbaar met het feit dat zij – als voorwaarden waarvan verzoekster volgens haar de niet-naleving wilde inroepen – enkel de artikelen 5, 6, 8 en 9 van deze verordening vermeldt en hierbij nalaat de voorwaarden van artikel 4, leden 2 en 3, ervan te vermelden. Zoals in punt 38 hierboven is opgemerkt, heeft de kamer van beroep bovendien niet uitdrukkelijk verwezen naar de kwestie van de toepassing van laatstbedoelde voorwaarden in het onderhavige geval, terwijl dit wel het geval was wat de voorwaarden van de artikelen 5, 6, 8, en 9 betreft om verzoeksters beroep te verwerpen.

43      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de bewoordingen van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 uitdrukkelijk verwijzen naar de artikelen 4 tot en met 9 van die verordening, zonder artikel 4, leden 2 en 3, ervan uit te sluiten. Verder bevatten laatstgenoemde bepalingen specifieke essentiële voorwaarden voor bescherming als model voor onderdelen van samengestelde voortbrengselen in de zin van artikel 3, onder c), van die verordening; deze hebben, ten eerste, betrekking op de zichtbaarheid van dat onderdeel na verwerking ervan in dat samengestelde voortbrengsel bij een normaal gebruik en, ten tweede, op de nieuwheid en het eigen karakter van de zichtbare kenmerken van dat onderdeel [zie in die zin en naar analogie arresten van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C‑361/15 P en C‑405/15 P, EU:C:2017:720, punt 63, en 9 september 2014, Biscuits Poult/BHIM – Banketbakkerij Merba (Koekje), T‑494/12, EU:T:2014:757, punten 20 en 21].

44      Bijgevolg had de kamer van beroep uit haar uitlegging van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 logischerwijs moeten afleiden dat verzoekster zich ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring niet alleen op de artikelen 5, 6, 8 en 9 van deze verordening, maar ook op artikel 4, leden 2 en 3, van deze verordening had willen beroepen.

45      Deze onjuiste opvattingen kunnen evenwel slechts tot het aanvaarden van het onderhavige middel leiden indien de in de punten 18 tot en met 23 van de bestreden beslissing uiteengezette uitlegging van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 zelf geen blijk geeft van een onjuiste opvatting, wat hieronder moet worden nagegaan. In dit verband moet, ten eerste, worden nagegaan of, zoals de kamer van beroep stelt, de wetgever de in deze bepalingen bedoelde nietigheidsgrond uitdrukkelijk een ondeelbaar karakter heeft willen verlenen en, ten tweede, worden nagegaan in welke mate artikel 63, lid 1, tweede volzin, van deze verordening – volgens hetwelk in een procedure inzake nietigverklaring het onderzoek beperkt blijft tot de door de partijen aangevoerde feiten, bewijsmiddelen en argumenten en tot de door hen ingestelde vordering – de omvang van het onderzoek van deze nietigheidsgrond door de instanties van het EUIPO beperkt.

a)      Wilde de wetgever de in artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 bedoelde nietigheidsgrond een ondeelbaar karakter verlenen?

46      Vooreerst moet in herinnering worden gebracht dat krachtens artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 een model nietig moet worden verklaard indien het niet beantwoordt aan de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening. Artikel 52, lid 1, van deze verordening bepaalt dat, onverminderd artikel 25, leden 2, 3, 4 en 5, ieder natuurlijk of rechtspersoon, alsmede een daartoe gemachtigd overheidsorgaan, bij het EUIPO een verzoek tot nietigverklaring van een ingeschreven gemeenschapsmodel kan indienen. Volgens artikel 53, lid 1, van deze verordening onderzoekt het EUIPO, indien het vaststelt dat de vordering ontvankelijk is, of de in artikel 25 ervan genoemde nietigheidsgronden een beletsel vormen voor de instandhouding van het ingeschreven gemeenschapsmodel.

47      Vervolgens moet worden opgemerkt dat het opschrift van artikel 25 van verordening nr. 6/2002, „Nietigheidsgronden”, en de verwijzingen in lid 2 van dat artikel naar de „in lid 1, onder c), vermelde grond” en in lid 4 ervan naar de „in lid 1, onder g), vermelde grond” erop wijzen dat elk van de in lid 1 van dat artikel limitatief opgesomde gevallen van nietigheid een autonome nietigheidsgrond vormt.

48      Ten slotte dient erop te worden gewezen dat artikel 28, lid 1, onder b), van verordening nr. 2245/2002 met name bepaalt:

„Een vordering bij het Bureau tot nietigverklaring van een gemeenschapsmodel overeenkomstig artikel 52 van verordening [...] nr. 6/2002 behelst:

[...]

b)      met betrekking tot de gronden waarop de vordering berust:

i)      een verklaring van de gronden waarop de vordering tot nietigverklaring berust;

[...]

v)      indien als nietigheidsgrond wordt aangevoerd dat het ingeschreven gemeenschapsmodel niet aan de in de artikelen 5 en 6 van verordening [...] nr. 6/2002 bedoelde eisen voldoet, de vermelding en de reproductie van de eerdere modellen die een beletsel kunnen vormen voor de nieuwheid of het eigen karakter van het ingeschreven gemeenschapsmodel en documenten waaruit het bestaan van die oudere modellen blijkt;

vi)      een opgave van de feiten, het bewijsmateriaal en de argumenten die ter staving van deze gronden worden aangevoerd”.

49      Uit de combinatie van deze bepalingen volgt dus dat een vordering tot nietigverklaring die is gebaseerd op artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, voor zover zij in overeenstemming is met de vereisten van artikel 28 van verordening nr. 2245/2002 en met name lid 1, onder b), daarvan, de instanties van het EUIPO in beginsel de bevoegdheid verleent om op basis van de feiten, het bewijsmateriaal en de argumenten die ter staving van deze vordering worden aangevoerd, te onderzoeken of het gemeenschapsmodel al dan niet beantwoordt aan alle voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 6/2002.

50      In casu heeft de kamer van beroep terecht vastgesteld dat verzoeksters vordering tot nietigverklaring werd ingediend door middel van een formulier dat met name een rubriek „Gronden” bevat, waarin verzoekster het vakje heeft aangevinkt dat als volgt is geformuleerd: „het litigieuze gemeenschapsmodel voldoet niet aan de vereisten van de artikelen 4 tot en met 9 van [verordening nr. 6/2002]”. De nietigheidsafdeling en de kamer van beroep waren dus in beginsel bevoegd om te onderzoeken of het litigieuze model voldeed aan deze vereisten, op basis van de feiten, het bewijsmateriaal en de argumenten die ter staving van deze gronden door verzoekster werden aangevoerd.

51      Hieruit volgt evenwel niet dat artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat, telkens op grond daarvan een vordering tot nietigverklaring bij het EUIPO wordt ingesteld, deze vordering systematisch impliceert dat dit Bureau nagaat of het litigieuze model al dan niet alle voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van die verordening naleeft.

52      Het is juist dat de bewoordingen van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 verwijzen naar het geval dat het litigieuze model niet beantwoordt aan „de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9”, en niet naar het geval dat het model niet beantwoordt aan een of meerdere van die voorwaarden, wat erop kan wijzen dat het noodzakelijk is om al die voorwaarden globaal en zonder onderscheid te onderzoeken.

53      Evenwel dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Ook de ontstaansgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante informatie voor de uitlegging ervan verschaffen (zie arrest van 20 december 2017, Acacia en D’Amato, C‑397/16 en C‑435/16, EU:C:2017:992, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Wat in het onderhavige geval vooreerst de context betreft, moet worden opgemerkt dat de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 6/2002 cumulatieve voorwaarden zijn, zodat de niet-naleving van een van die voorwaarden tot de nietigheid van het model in kwestie kan leiden.

55      Zo wordt volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 6/2002 een gemeenschapsmodel slechts beschermd voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft. Indien niet is voldaan aan een van die voorwaarden, waarvan de toepassingscriteria respectievelijk zijn omschreven in de artikelen 5 en 6 van die verordening, kan het model in kwestie bijgevolg niet worden beschermd en moet het dus nietig worden verklaard op grond van artikel 25, lid 1, onder b), van die verordening, zonder dat het nodig is te onderzoeken of de andere voorwaarde al dan niet is vervuld [zie in die zin beschikking van 10 mei 2019, Zott/EUIPO – TSC Food Products (Kant-en-klare rechthoekige cake), T‑517/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:323, punt 60].

56      Ook de in artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 gestelde specifieke beschermingsvoorwaarden voor gemeenschapsmodellen die betrekking hebben op een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel staan er op zich aan in de weg dat een model dat binnen de werkingssfeer ervan valt, wordt gehandhaafd wanneer geen van de kenmerken van het weergegeven onderdeel aan deze voorwaarden voldoet [zie in die zin arresten van 20 januari 2015, Aic/BHIM – ACV Manufacturing (Inzetstukken voor warmtewisselaars), T‑616/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:30, punt 21, en 20 januari 2015, Aic/BHIM – ACV Manufacturing (Inzetstukken voor warmtewisselaars), T‑617/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:32, punt 21].

57      Een soortgelijke vaststelling geldt voor de in artikel 8, leden 1, 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 vastgestelde voorwaarden voor uitsluiting van bescherming als gemeenschapsmodel, die enerzijds betrekking hebben op het feit dat de uiterlijke kenmerken van het voortbrengsel uitsluitend worden bepaald door de technische functie ervan en anderzijds op het feit dat deze kenmerken noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen moeten worden gereproduceerd om als verbinding met andere voortbrengselen te kunnen dienen.

58      Wat ten slotte artikel 9 van verordening nr. 6/2002 betreft – dat stelt dat een model dat strijdig is met de openbare orde of goede zeden, niet vatbaar is voor bescherming als gemeenschapsmodel – blijkt uit de bewoordingen ervan duidelijk dat het erop gericht is om tegemoet te komen aan een specifiek algemeen belang dat losstaat van het algemeen belang dat ten grondslag ligt aan de artikelen 4 tot en met 8 van deze verordening, en om daartoe elke met dat algemeen belang strijdige bescherming van een dergelijk model te verhinderen [zie in die zin en naar analogie arrest van 15 maart 2018, La Mafia Franchises/EUIPO – Italië (La Mafia SE SIENTA A LA MESA), T‑1/17, EU:T:2018:146, punt 25].

59      De artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 6/2002 impliceren bovendien de toepassing van andere juridische criteria [zie in die zin en naar analogie arrest van 14 maart 2018, Gifi Diffusion/EUIPO – Crocs (Schoeisel), T‑424/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:136, punt 48].

60      Zo volgt met name uit de artikelen 5 tot en met 7 van verordening nr. 6/2002 dat de toepassing van de relevante juridische criteria voor de beoordeling van zowel de nieuwheid van het litigieuze model als het eigen karakter ervan, het bestaan veronderstelt van een of meerdere oudere modellen waarvan de beschikbaarstelling voor het publiek door de verzoeker in de nietigheidsprocedure moet worden aangetoond. Zoals in punt 48 hierboven in herinnering is gebracht, volgt in dit verband uit artikel 28, lid 1, onder b), v), van verordening nr. 2245/2002 dat wanneer een vordering tot nietigverklaring is gebaseerd op schending van de in de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 6/2002 uiteengezette voorwaarden, zij de vermelding en de reproductie moet bevatten van de oudere modellen die een beletsel kunnen vormen voor de nieuwheid of het eigen karakter van het ingeschreven gemeenschapsmodel, alsmede documenten waaruit het bestaan van deze oudere modellen blijkt.

61      Het bestaan van een dergelijk ouder model, met de bijhorende vereisten inzake het bewijs daarvan, is daarentegen niet noodzakelijk om te beoordelen of de kenmerken van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel zichtbaar zijn, onder de in artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 vastgestelde voorwaarden. Het bestaan van dergelijk ouder model is evenmin noodzakelijk om te beoordelen of de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie ervan worden bepaald of om te beoordelen of zij noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen moeten worden gereproduceerd voor de verbinding van dat voortbrengsel met een ander voortbrengsel, onder de respectievelijk in artikel 8, lid 1, en artikel 8, leden 2 en 3, van die verordening vastgestelde voorwaarden. Bovendien zijn die vereisten niet relevant voor de toepassing van de voorwaarde van artikel 9 van die verordening.

62      Aan de in de punten 54 tot en met 61 hierboven uiteengezette analyse wordt niet afgedaan door het feit dat de voorwaarden die respectievelijk zijn vastgesteld in artikel 4, leden 2 en 3, in artikel 8, lid 1, en in artikel 8, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 slechts een beletsel vormen voor de bescherming van een of meer van de kenmerken van het voortbrengsel waarop het litigieuze model betrekking heeft of van het uiterlijk ervan, en dat in dat geval moet worden nagegaan of de andere, niet van bescherming uitgesloten kenmerken wel de vereiste nieuwheid en eigen karakter hebben [zie in die zin en naar analogie arresten van 9 september 2011, Kwang Yang Motor/BHIM – Honda Giken Kogyo (Afbeelding van een verbrandingsmotor), T‑10/08, niet gepubliceerd, EU:T:2011:446, punt 19, en 21 mei 2015, Senz Technologies/BHIM – Impliva (Paraplu’s), T‑22/13 en T‑23/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:310, punt 101].

63      In dat geval moet de vraag of deze voorwaarden een beletsel vormen voor de bescherming van een of meer kenmerken van het voortbrengsel waarop het litigieuze model betrekking heeft of van het uiterlijk ervan immers worden beantwoord vóór uitspraak kan worden gedaan over de nieuwheid en het eigen karakter van de kenmerken waarop deze voorwaarden geen betrekking hebben, en is dit dus een voorafgaande vraag [zie in die zin en naar analogie arrest van 12 mei 2016, mobile.international/EUIPO – Rezon (mobile.de), T‑322/14 en T‑325/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:297, punt 76, bevestigd in hogere voorziening bij arrest van 28 februari 2018, mobile.de/EUIPO, C‑418/16 P, EU:C:2018:128, punt 88]. Deze voorafgaande vraag moet bijgevolg afzonderlijk en onafhankelijk van het onderzoek betreffende de nieuwheid en het eigen karakter van de andere kenmerken van het voortbrengsel in kwestie of van het uiterlijk ervan worden onderzocht (zie in die zin en naar analogie arrest van 9 september 2011, Afbeelding van een verbrandingsmotor, T‑10/08, niet gepubliceerd, EU:T:2011:446, punten 19 en 20).

64      Wat vervolgens de doelstellingen van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 betreft, zij opgemerkt – zoals de Commissie had aangegeven in de toelichting bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en van de Raad betreffende gemeenschapsmodellen van 3 december 1993 (PB 1994, C 29, blz. 20) aangaande de artikelen 56 tot en met 58 van dat voorstel (thans de artikelen 52 tot en met 54 van verordening nr. 6/2002) – dat de nietigheidsprocedure het voornaamste instrument voor de geldigheidstoetsing, door de instanties van het EUIPO, van gemeenschapsmodellen na de inschrijving vormt.

65      Artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 speelt dus een doorslaggevende rol bij de verwezenlijking van deze doelstelling, omdat het de instanties van het EUIPO in het kader van het onderzoek van één enkele vordering tot nietigverklaring de bevoegdheid verleent om de naleving te toetsen van de in de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening vastgestelde essentiële voorwaarden voor bescherming als gemeenschapsmodel.

66      Voor de doeltreffendheid van de nietigheidsprocedure is evenwel niet vereist dat de instanties van het EUIPO, wanneer bij hen een vordering tot nietigverklaring is ingesteld op basis van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, ipso facto en systematisch moeten oordelen dat de niet-naleving van alle voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van die verordening bij hen in geding is.

67      Zoals zonet in de punten 54 tot en met 58 hierboven is uiteengezet, volstaat het namelijk dat een van die voorwaarden niet integraal wordt nageleefd door het litigieuze model, opdat het EUIPO het model nietig kan verklaren en dus is voldaan aan het doel van toetsing van de geldigheid van dit model bijgevolg is vervuld, zonder dat dit Bureau de andere voorwaarden hoeft te onderzoeken.

68      Gelet op het feit dat voor deze voorwaarden verschillende juridische criteria worden toegepast, is het onderzoek van de feiten, het bewijsmateriaal en de argumenten die ter staving van de vordering tot nietigverklaring zijn overgelegd om aan te tonen dat niet is voldaan aan een van deze voorwaarden, bovendien niet noodzakelijkerwijs relevant om na te gaan of ook een andere van deze voorwaarden werd miskend. Bovendien kan een dergelijk onderzoek vereisen dat het EUIPO zeer technische beoordelingen verricht (zie in die zin arrest van 20 oktober 2011, PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic, C‑281/10 P, EU:C:2011:679, punt 67). Er zou bijgevolg afbreuk kunnen worden gedaan aan de doeltreffendheid van de nietigheidsprocedure indien het EUIPO systematisch al deze voorwaarden zou moeten onderzoeken, zelfs wanneer de feiten, het bewijsmateriaal en de argumenten die door partijen zijn overgelegd, slechts relevant zijn voor het onderzoek van een van deze voorwaarden of voor een aantal ervan.

69      Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de bewoordingen van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, gelezen in het licht van de context en de doelstellingen ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat dit artikel niet noodzakelijkerwijs een onderzoek naar de naleving van alle voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening impliceert, maar in functie van de feiten, het bewijsmateriaal en de argumenten die door partijen zijn overgelegd, kan impliceren dat uitsluitend wordt onderzocht of één of een aantal van deze voorwaarden is nageleefd.

b)      In welke mate beperkt artikel 63, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 6/2002 de omvang van het onderzoek van de nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder b), van deze verordening door de instanties van het EUIPO?

70      Wat de uitlegging van artikel 63, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 6/2002 betreft, dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de overeenkomstige bepalingen van artikel 95, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) in die zin moeten worden uitgelegd dat de instanties van het EUIPO in het kader van een oppositieprocedure hun beslissing alleen mogen baseren op de relatieve weigeringsgronden die de betrokken partij heeft aangevoerd en op de feiten en bewijzen die de partijen in dit verband hebben aangedragen. Dit sluit evenwel met name niet uit dat de instanties van het EUIPO, behalve met de feiten die door de partijen bij de oppositieprocedure expliciet naar voren zijn gebracht, tevens rekening kunnen houden met algemeen bekende feiten, en evenmin dat zij een rechtskwestie onderzoeken, ook al hebben partijen die niet opgeworpen, wanneer de beslechting van deze kwestie nodig is voor de correcte toepassing van de relevante bepalingen [zie in die zin arrest van 15 oktober 2018, Apple and Pear Australia en Star Fruits Diffusion/EUIPO – Pink Lady America (WILD PINK), T‑164/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:678, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

71      Deze rechtspraak is naar analogie van toepassing op de omvang van het door de instanties van het EUIPO te verrichten onderzoek in het kader van een nietigheidsprocedure inzake gemeenschapsmodellen, zoals omschreven in artikel 63, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 6/2002 [zie in die zin arrest van 23 oktober 2018, Mamas and Papas/EUIPO – Wall-Budden (Stootranden voor kinderbedjes), T‑672/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:707, punten 31, 32 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Op dit punt heeft het Hof in het bijzonder in herinnering gebracht dat de verzoeker in de nietigheidsprocedure, wanneer hij zich beroept op de nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, de bewijselementen dient over te leggen waaruit blijkt dat het litigieuze model niet voldoet aan de in de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening vastgestelde voorwaarden (arrest van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C‑361/15 P en C‑405/15 P, EU:C:2017:720, punt 60).

72      In casu diende de kamer van beroep dus aan de hand van de door verzoekster ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring aangevoerde elementen, feitelijk en rechtens, te bepalen van welke in de artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 6/2002 gestelde voorwaarden de niet-naleving in casu werd aangevoerd en welke voorwaarden door haar onderzocht moesten worden, in voorkomend geval rekening houdend met algemeen bekende feiten en rechtskwesties die door partijen niet waren opgeworpen maar noodzakelijk waren voor de toepassing van de relevante bepalingen.

73      Uit al het voorgaande volgt dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat verzoekster, doordat haar vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, wilde aanvoeren dat het litigieuze model niet voldeed aan alle vereisten van de artikelen 5, 6, 8 en 9 van deze verordening.

74      Anders dan verzoekster in het kader van het onderhavige middel stelt, moest de kamer van beroep bijgevolg niet onderzoeken of het litigieuze model al dan niet voldeed aan alle vereisten van de artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 6/2002 louter omdat verzoeksters vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op artikel 25, lid 1, onder b), van deze verordening.

75      Het feit dat de kamer van beroep zich, ondanks haar premisse dat de nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 ondeelbaar was, onbevoegd heeft geacht om de toepassing van de artikelen 8 en 9 van deze verordening ten gronde te onderzoeken en het feit dat zij geen uitspraak heeft gedaan over de kwestie van de toepassing van de voorwaarden van artikel 4, leden 2 en 3, van deze verordening, zijn voorts niet relevant in het kader van het onderhavige middel. Zoals in punt 73 hierboven is vastgesteld, is deze premisse immers onjuist.

76      Het eerste middel moet dus worden afgewezen.

77      Het onderzoek van het beroep moet worden voortgezet door het tweede onderdeel van het vijfde middel te onderzoeken.

2.      Tweede onderdeel van het vijfde middel: de kamer van beroep heeft nagelaten om het litigieuze model nietig te verklaren op grond van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002, aangezien het een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt dat na verwerking erin niet zichtbaar is

78      Verzoekster verwijst naar de opmerkingen die zij naar aanleiding van de mededeling van 16 mei 2018 heeft ingediend. Zij voert aan dat het litigieuze model – als onderdeel van een samengesteld voortbrengsel dat bij normaal gebruik door de eindgebruiker niet zichtbaar is na verwerking in dat voortbrengsel – onder de definitie van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 valt en dat het dientengevolge nietig moet worden verklaard. Zij betoogt dat, aangezien het onderdeel tussen de motor van het voertuig en de koelinstallatie wordt geïnstalleerd en de motorkap van dat voertuig opnieuw wordt gesloten, dat onderdeel voor de eindgebruiker van dat voertuig, te weten de bestuurder ervan, helemaal niet meer te zien is. Zij voert aan dat deze gegevens aan bod kwamen in die mededeling van 16 mei 2018 en in de beweringen die partijen tijdens de procedure hebben geformuleerd, maar dat de kamer van beroep nergens heeft verwezen naar deze mededeling en beweringen. Zij is van mening dat laatstgenoemde haar motiveringsplicht niet is nagekomen.

79      In antwoord hierop erkent het EUIPO dat partijen in de mededeling van 16 mei 2018 werden uitgenodigd om zich uit te spreken over de vraag of het litigieuze model nietig moest worden verklaard op grond van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 6/2002. Het merkt op dat de kamer van beroep overeenkomstig artikel 10 van verordening (EG) nr. 216/96 van de Commissie van 5 februari 1996 houdende het Reglement voor de procesvoering bij de kamers van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (PB 1996, L 28, blz. 11) niet gebonden is door de mededeling die de rapporteur aan partijen heeft gericht betreffende de vraag of het litigieuze model nietig moest worden verklaard op grond van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 6/2002. Voorts voert het EUIPO aan dat, aangezien verzoekster zich zowel voor de nietigheidsafdeling als voor de kamer van beroep slechts had beroepen op artikel 4, lid 1, van verordening nr. 6/2002, laatstgenoemde zich niet mocht uitspreken over de toepassing in casu van de leden 2 en 3 van dit artikel, omdat anders het voorwerp van het geding zou worden gewijzigd in strijd met artikel 63, lid 1, van deze verordening. Ten slotte betoogt het EUIPO dat de ontoereikende motivering van de bestreden beslissing, doordat de kamer van beroep niet heeft uiteengezet waarom zij zich over deze kwestie niet heeft uitgesproken, van geen belang is, aangezien zij ultra petita zou hebben beslist indien zij dit wel had gedaan.

80      Interveniënte verwijst in wezen naar het betoog dat in het kader van het eerste onderdeel van het vijfde middel is aangevoerd. Dienaangaande had zij erop gewezen dat het met het litigieuze model overeenstemmende onderdeel nog voor andere doeleinden kon worden gebruikt dan de voornaamste commerciële afzetmarkt ervan, zoals zij zelf had aangetoond in het kader van de nietigheidsprocedure. De eisen van verzoeksters klanten met betrekking tot dit onderdeel zijn in dit verband irrelevant. Interveniënte voegt daaraan toe dat als het met het litigieuze model overeenstemmende onderdeel op een andere manier wordt toegepast of gebruikt dan verzoekster aanhaalt, dit onderdeel niet noodzakelijkerwijs onzichtbaar zal zijn. Ten slotte herhaalt zij het reeds in het kader van het eerste onderdeel van het vijfde middel aangevoerde argument dat de kamer van beroep terecht had opgemerkt dat de houding van verzoekster, die vóór de nietigheidsprocedure de inschrijving van een identiek model had aangevraagd, tegenstrijdig was. Concluderend stelt zij dat verzoekster zich in haar vordering tot nietigverklaring niet heeft beroepen op artikel 4, lid 2, van verordening nr. 6/2002 en dat deze bepaling, die niet ambtshalve kan worden opgeworpen, thans niet meer kan worden aangevoerd.

81      In het onderhavige geval moet worden opgemerkt dat in dit onderdeel van het vijfde middel in wezen twee verschillende grieven worden aangevoerd. De eerste grief betreft de niet-nakoming van de motiveringsplicht doordat de kamer van beroep zich in de bestreden beslissing niet heeft uitgesproken over de voorwaarden van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002. De tweede grief betreft een onjuiste beoordeling, aangezien deze instantie niet heeft vastgesteld dat de toepassing van deze voorwaarden leidde tot de nietigheid van het litigieuze model. Deze grieven moeten dus afzonderlijk worden onderzocht.

a)      Eerste grief: niet-nakoming van de motiveringsplicht doordat de kamer van beroep zich in de bestreden beslissing niet heeft uitgesproken over de voorwaarden van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002

82      Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat volgens artikel 62, eerste volzin, van verordening nr. 6/2002 de beslissingen van het EUIPO met redenen moeten worden omkleed. Deze motiveringsplicht heeft dezelfde draagwijdte als die welke voortvloeit uit artikel 296 VWEU [zie arrest van 29 november 2018, Sata/EUIPO – Zhejiang Auarita Pneumatic Tools (Verfspuit), T‑651/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:855, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

83      Volgens vaste rechtspraak moet dienaangaande de door artikel 296 VWEU vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van voornoemd artikel 296 VWEU voldoet, moet bovendien niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 166 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

84      Hoewel de auteur van de bestreden handeling niet verplicht is om in de motivering van die handeling een standpunt in te nemen over duidelijk bijkomstige factoren of argumenten of vooruit te lopen op potentiële bezwaren, moet hij de feiten en juridische overwegingen uiteenzetten die in het bestek van zijn beslissing van wezenlijk belang zijn. Bovendien moet de motivering logisch zijn en mag zij met name geen tegenstrijdigheden bevatten (zie naar analogie arrest van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 169 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien de motiveringsplicht daarentegen een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de kwestie van de juistheid van de gronden, kan de motivering toereikend zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist [zie arrest van 13 juni 2017, Ball Beverage Packaging Europe/EUIPO – Crown Hellas Can (Blikken), T‑9/15, EU:T:2017:386, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

85      In het kader van de onderhavige grief verwijt verzoekster de kamer van beroep dat zij geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of het litigieuze model betrekking had op een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel dat na verwerking ervan in dat voortbrengsel bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar bleef in de zin van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002, terwijl deze vraag in de mededeling van 16 mei 2018 en in de daaropvolgende opmerkingen van partijen ter sprake was gekomen.

86      De gegrondheid van deze grief moet worden onderzocht in het licht van de in de punten 82 tot en met 84 hierboven in herinnering gebrachte beginselen.

87      In casu dient om te beginnen te worden opgemerkt dat, zoals in punt 13 hierboven in herinnering is gebracht en zoals blijkt uit het onderdeel „Samenvatting van de feiten” van de bestreden beslissing, de mededeling van 16 mei 2018 in het kader van het onderzoek van verzoeksters beroep aan partijen werd gericht op basis van artikel 59, lid 2, van verordening nr. 6/2002. In deze mededeling was vermeld dat het litigieuze model nietig moest worden verklaard wegens niet-naleving van de voorwaarden van artikel 4 van verordening nr. 6/2002, aangezien het voortbrengsel waarop dat model betrekking had een bestanddeel (te weten een koppelingsonderdeel) vormde van een samengesteld voortbrengsel (te weten de configuratie motor-koppelingsstuk-compressor) dat, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel was verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste niet meer zichtbaar was. De kamer van beroep merkte immers op dat het betrokken onderdeel is bedekt door de compressor, die veel plaats inneemt, en dat het samengestelde voortbrengsel zelf volledig aan het oog is onttrokken door de motorkap van het voertuig wanneer die gesloten is, dat wil zeggen in de gewone stand.

88      Vervolgens dient erop te worden gewezen dat, zoals ook is vermeld in het deel „Samenvatting van de feiten” van de bestreden beslissing en in punt 14 hierboven in herinnering is gebracht, partijen overeenkomstig artikel 59, lid 2, van verordening nr. 6/2002 in de loop van de nietigheidsprocedure is verzocht om een standpunt in te nemen over deze mededeling, hetgeen zij respectievelijk op 16 juli en 17 september 2018 hebben gedaan. Interveniënte heeft in wezen uiteengezet dat het onderdeel waarop het litigieuze model betrekking heeft, dat werd gebruikt om verschillende bestanddelen te koppelen en niet alleen de motor van een voertuig met een compressor, niet kon worden beschouwd als een bestanddeel van een samengesteld voortbrengsel en dat het bij gebruik ervan gewoonlijk zichtbaar was. Verzoekster heeft daarentegen aangevoerd dat het betrokken onderdeel – wegens de technische kenmerken ervan – uitsluitend was bestemd voor het koppelen van een koelinstallatie en de motor van een voertuig, en dat het bijgevolg helemaal niet meer te zien was door de gebruiker eens de motorkap gesloten was.

89      Ten slotte heeft de kamer van beroep in het deel „Gronden van de beslissing” geen melding gemaakt van de mededeling van 16 mei 2018 en van de daaropvolgende opmerkingen van partijen en heeft in het bijzonder niet aangegeven welke conclusies zij uit deze mededeling en opmerkingen trok. Zoals herhaaldelijk werd opgemerkt, is zij evenmin zelf ingegaan op de vraag naar de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 in het onderhavige geval los van enige verwijzing naar die mededeling en naar die opmerkingen (zie punten 15, 38, 42 tot en met 44 en 75 hierboven).

90      Er zij evenwel aan herinnerd dat de motivering van de bestreden handeling impliciet kan zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom de bestreden beslissing is vastgesteld en de bevoegde rechter over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen. Niet uitdrukkelijk vermelde redenen kunnen dus in aanmerking worden genomen wanneer zij zowel voor de betrokkenen als voor de Unierechter vanzelfsprekend zijn (zie arrest van 14 maart 2018, Schoeisel, T‑424/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:136, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

91      Derhalve rijst de vraag of het standpunt van de kamer van beroep met betrekking tot de kwestie van de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 in het onderhavige geval niet impliciet kan worden afgeleid uit de motivering van de bestreden beslissing.

92      In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat uit de inhoud van de mededeling van 16 mei 2018 blijkt dat daarin tot de conclusie werd gekomen dat het litigieuze model nietig moest worden verklaard op grond van artikel 4, lid 2, onder a), van verordening nr. 6/2002.

93      Aangezien in de bestreden beslissing tot afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van verzoekster wordt besloten, zou hieruit kunnen worden afgeleid dat de kamer van beroep de overwegingen waarop de mededeling van 16 mei 2018 was gebaseerd, alsook de overwegingen in de in punt 88 hierboven bedoelde opmerkingen van verzoekster, heeft afgewezen.

94      Zelfs in dat geval moet worden vastgesteld dat de redenen waarom de kamer van beroep die overwegingen heeft afgewezen, niet duidelijk blijken uit de bestreden beslissing.

95      In de eerste plaats, zoals in punt 42 hierboven is opgemerkt, heeft de kamer van beroep in het eerste deel van de bestreden gronden, waarin de kamer van beroep haar uitlegging van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 heeft uiteengezet, met betrekking tot de voorwaarden waarvan verzoekster volgens haar schending wilde inroepen enkel de artikelen 5, 6, 8 en 9 van deze verordening vermeld en heeft zij op dit punt nagelaten de voorwaarden van artikel 4, leden 2 en 3, van deze verordening te vermelden.

96      Zoals in de punten 42 tot en met 44 hierboven is uiteengezet, is dit moeilijk verenigbaar met de uitlegging die de kamer van beroep aan artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 heeft gegeven, aangezien de bewoordingen van deze bepaling uitdrukkelijk verwijzen naar de artikelen 4 tot en met 9 van die verordening, zonder artikel 4, leden 2 en 3, ervan uit te sluiten, dat specifieke voorwaarden voor de bescherming als model bevat voor onderdelen van samengestelde voortbrengselen in de zin van artikel 3, onder c), van die verordening. De kamer van beroep heeft evenwel geen enkele uitleg verschaft die het mogelijk maakt te begrijpen waarom zij, ondanks deze uitlegging, van oordeel was dat verzoeksters vordering tot nietigverklaring enkel betrekking had op de niet-naleving van de voorwaarden van de artikelen 5, 6, 8 en 9 van de betrokken verordening.

97      In de tweede plaats is de uitleg die het EUIPO in zijn memorie van antwoord en ter terechtzitting heeft gegeven betreffende het impliciete standpunt van de kamer van beroep over de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 in het onderhavige geval, niet overtuigend.

98      Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat het EUIPO stelt dat de kamer van beroep heeft geoordeeld dat – door in het onderhavige geval zich in de mededeling van 16 mei 2018 op de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 te beroepen – zij verder is gegaan dan de door de partijen aangevoerde feiten, bewijsmiddelen en argumenten en de door hen ingestelde vordering in strijd met artikel 63, lid 1 van die verordening, en dat zij deze mededeling niet heeft vermeld in de rechtsgronden van die beslissing om te vermijden ultra petita uitspraak te doen.

99      Dit veronderstelde standpunt van de kamer van beroep kan evenwel niet duidelijk en ondubbelzinnig worden afgeleid uit de bestreden beslissing.

100    Ten eerste volstaat het immers eraan te herinneren dat de kamer van beroep heeft geoordeeld dat artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, dat in casu bij haar werd aangevoerd, betrekking had op alle voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening. Ten tweede dient met betrekking tot de voorwaarden van de artikelen 8 en 9 van deze verordening te worden vastgesteld dat de kamer van beroep uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij – hoewel laatstbedoelde voorwaarden moesten worden geacht te zijn aangevoerd ter ondersteuning van verzoeksters vordering tot nietigverklaring – niet anders kon dan dit deel van die vordering tot nietigverklaring af te wijzen krachtens artikel 63, lid 1, van de betrokken verordening omdat verzoekster op dat punt geen enkel argument had aangevoerd.

101    Het lijkt dan ook logisch om uit deze gronden van de bestreden beslissing de conclusie te trekken dat indien de kamer van beroep, zoals het EUIPO stelt, had geoordeeld dat zij krachtens artikel 63, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 6/2002 niet in staat was zich uit te spreken over de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van deze verordening op het litigieuze model, zij dit uitdrukkelijk zou hebben aangegeven. Een dergelijke uitdrukkelijke motivering zou in dat geval des te noodzakelijker zijn geweest omdat de rapporteur in de mededeling van 16 mei 2018 daarentegen duidelijk had aangegeven dat deze bepalingen onder de bewoordingen van artikel 25, lid 1, onder b), van die verordening vielen en hij van mening leek te zijn dat uit de beweringen van partijen en de documenten ter ondersteuning van die beweringen voortvloeide dat deze bepalingen van toepassing waren en dat het aan hem was om de vraag naar die toepassing op te werpen.

102    In elk geval is de premisse van de stelling van het EUIPO onjuist. Anders dan het EUIPO stelt, verbood artikel 63, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 6/2002 de kamer van beroep immers niet om in de motivering van de bestreden beslissing te verwijzen naar het voorwerp van de mededeling van 16 mei 2018. Zelfs indien wordt aanvaard dat deze instantie had geoordeeld dat die bepaling zich ertegen verzette dat zij artikel 4, leden 2 en 3, van deze verordening toepaste op het litigieuze model, vormde die bepaling voor haar niettemin geen beletsel om de redenen uiteen te zetten waarom zij – in tegenstelling tot de conclusies in bovengenoemde mededeling – een dergelijke toepassing onmogelijk achtte.

103    Derhalve dient te worden vastgesteld dat de gronden die het EUIPO voor de Unierechter aanvoert ter rechtvaardiging van het feit dat de kamer van beroep artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 niet heeft toegepast op het litigieuze model, niet duidelijk en ondubbelzinnig blijken uit de inhoud van de bestreden beslissing.

104    Bovendien kan het Gerecht deze motivering niet in aanmerking nemen als aanvullende motivering van die beslissing. Volgens vaste rechtspraak moet de motivering van een handeling immers aan de door die handeling geraakte persoon worden verstrekt voordat hij beroep tegen die handeling instelt en kan de niet-eerbiediging van het motiveringsvereiste niet worden geregulariseerd door het feit dat de betrokkene tijdens de procedure voor de Unierechter kennisneemt van de motivering van de handeling. Hierdoor zou inbreuk worden gemaakt op de rechten van verdediging van de betrokkene, op zijn recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en op het beginsel van gelijkheid van partijen voor de Unierechter (zie arrest van 14 maart 2018, Schoeisel, T‑424/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:136, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

105    In de derde plaats moet worden opgemerkt dat de bestreden beslissing een beschrijving bevat van het voortbrengsel waarop het litigieuze model wordt toegepast, alsmede van het gebruik ervan, die niet wezenlijk verschilt van die in de mededeling van 16 mei 2018.

106    Zoals blijkt uit punt 38 van de bestreden beslissing, beschrijft de kamer van beroep de conflicterende modellen immers als betrekking hebbend op een onderdeel waarmee de compressor van een koelinstallatie kan worden gekoppeld aan het motorblok van een voertuig. Zij wijst er bovendien op dat het betrokken onderdeel op het motorblok wordt vastgeschroefd en dat de compressor die de koelinstallatie voedt er vervolgens bovenop wordt vastgeschroefd. Uit deze beschrijving kan dus worden afgeleid dat de kamer van beroep geen ander gebruik van het onderdeel waarop het litigieuze model wordt toegepast voor ogen had dan de verbinding van een koel- of klimaatregelingssysteem met het motorblok van het voertuig waarop het moet worden bevestigd. Bovendien wijst niets in deze beschrijving erop dat de kamer van beroep de kwalificatie als samengesteld voortbrengsel in de zin van artikel 3, onder c), van verordening nr. 6/2002, die in de mededeling van 16 mei 2018 is gehanteerd om de configuratie bestaande uit de motor, het onderdeel waarop het litigieuze model betrekking heeft en de compressor te kenmerken, heeft afgewezen.

107    Bijgevolg kan uit de motivering van de bestreden beslissing niet duidelijk worden afgeleid dat het standpunt van de kamer van beroep met betrekking tot de vraag of het voortbrengsel waarop het litigieuze model betrekking heeft als onderdeel van een samengesteld voortbrengsel binnen de werkingssfeer van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 viel, is gewijzigd ten opzichte van de mededeling van 16 mei 2018. In het bijzonder blijkt uit deze beslissing niet dat de kamer van beroep heeft ingestemd met de opmerkingen van interveniënte van 16 juli 2018, waarin deze de kwalificatie als samengesteld voortbrengsel betwistte en zich beriep op vele andere vormen van gebruik dan het in punt 106 hierboven beschreven gebruik.

108    Het is juist dat de kamer van beroep in de punten 39 en 40 van de bestreden beslissing een omschrijving heeft gegeven van de geïnformeerde gebruiker van het litigieuze model in de zin van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 6/2002, uit wiens oogpunt het eigen karakter van dit model moet worden beoordeeld; dit kan bijvoorbeeld de installateur van de koelinstallatie of de verantwoordelijke van een autowerkplaats zijn die het onderdeel kiest om het op het voertuig te monteren. Deze vaststellingen kunnen in tegenspraak lijken met die in de mededeling van 16 mei 2018, volgens welke het onderdeel na montage ervan niet meer zichtbaar is bij normaal gebruik in de zin van artikel 4, lid 3, van deze verordening, dat wil zeggen met uitsluiting van handelingen in verband met onderhoud, service of reparatie.

109    De criteria van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 verschillen evenwel van die van artikel 6, lid 1, van deze verordening. De beoordeling van het eigen karakter van het litigieuze model wordt bepaald door de algemene indruk die het bij een geïnformeerde gebruiker wekt, hetgeen per definitie impliceert dat dit model voor die gebruiker zichtbaar is. Het begrip „normaal gebruik” in de zin van artikel 4, lid 3, van deze verordening is daarentegen niet relevant bij een dergelijke beoordeling. De identificatie van de geïnformeerde gebruiker in de punten 39 en 40 van de bestreden beslissing loopt dus niet vooruit op de analyse die de kamer van beroep heeft verricht aangaande de eerbiediging van de criteria van dat artikel 4, leden 2 en 3, in het onderhavige geval. Het laat hoe dan ook niet toe de redenen te begrijpen waarom de kamer van beroep heeft geoordeeld dat het haar niet toekwam om de toepassing van deze criteria te onderzoeken.

110    Uit een en ander volgt dat de conclusies van de kamer van beroep met betrekking tot de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 in het onderhavige geval niet duidelijk blijken uit de motivering van de bestreden beslissing, noch voor de partijen, noch voor de Unierechter.

111    Bijgevolg moet thans worden onderzocht of deze conclusies betrekking hebben op feiten en juridische overwegingen die in het bestek van de bestreden beslissing van wezenlijk belang zijn in de zin van de in punt 84 hierboven aangehaalde rechtspraak.

112    Om te beginnen dient in herinnering te worden gebracht dat, zoals blijkt uit de punten 56 en 62 hierboven, het gebrek aan zichtbaarheid van de kenmerken van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel, onder de voorwaarden van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002, kan leiden tot de volledige nietigheid van het litigieuze model dat op dat onderdeel is toegepast, of tot de gedeeltelijke nietigheid ervan indien het gebrek aan zichtbaarheid slechts op bepaalde van die kenmerken slaat. Zoals volgt uit de bewoordingen van dat artikel 4, lid 2, is een onderzoek van de nieuwheid en het eigen karakter van het betrokken model, aan de hand van de criteria van de artikelen 5 en 6 van deze verordening, bijgevolg niet meer nodig in het eerste van deze gevallen en moet het worden beperkt tot de kenmerken die zichtbaar blijven in het tweede geval. De vraag of dat artikel 4, leden 2 en 3, in het onderhavige geval van toepassing is, kan dus in beginsel in het bestek van de bestreden beslissing van wezenlijk belang zijn, gelet op de mogelijke invloed ervan op de motivering en het dispositief van deze beslissing, temeer omdat de kamer van beroep heeft geoordeeld dat verzoekster had aangevoerd dat het litigieuze model niet nieuw was en geen eigen karakter had.

113    Voorts zij opgemerkt dat, zoals blijkt uit de bewoordingen van de mededeling van 16 mei 2018, de kamer van beroep in dat stadium van de procedure had geoordeeld dat de beweringen van partijen en de ter ondersteuning van die beweringen overgelegde bewijzen aantoonden dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002. Bovendien hadden partijen hierover een standpunt ingenomen in hun opmerkingen op deze mededeling, die door de kamer van beroep niet als niet-ontvankelijk werden beschouwd.

114    Aangezien, zoals in punt 93 hierboven is vastgesteld, de in het dispositief van de bestreden beslissing uitgesproken verwerping van verzoeksters beroep lijkt te wijzen op een volledige wijziging van het standpunt van de kamer van beroep over de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 op het litigieuze model ten opzichte van het standpunt dat werd ingenomen in de mededeling van 16 mei 2018, stond het aan deze instantie om de redenen van deze wijziging duidelijk uiteen te zetten.

115    Alleen indien de kamer van beroep had beslist om verzoeksters beroep toe te wijzen en het litigieuze model nietig te verklaren om andere redenen dan de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 op dat model, had zij om redenen van proceseconomie die redenen niet moeten uiteenzetten [zie in die zin en naar analogie arrest van 14 december 2006, Mast-Jägermeister/BHIM – Licorera Zacapaneca (VENADO met kader e.a.), T‑81/03, T‑82/03 en T‑103/03, EU:T:2006:397, punt 80].

116    Bij gebreke van een dergelijke motivering is het voor verzoekster moeilijk om voor het Gerecht met succes aan te vechten dat de voorwaarden van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 niet ten gronde zijn onderzocht. Zij kan hooguit, zoals zij overigens in het verzoekschrift doet, de argumenten herhalen die zij reeds in de loop van de beroepsprocedure had aangevoerd in haar opmerkingen van 17 september 2018, strekkende tot goedkeuring van de conclusies van de mededeling van 16 mei 2018. Zij kan daarentegen niet naar behoren opkomen tegen de redenen die de kamer van beroep ertoe hebben gebracht af te wijken van die conclusies.

117    Evenzo is het Gerecht niet in staat om de gegrondheid van deze redenen na te gaan en om de op hem rustende taak naar behoren uit te voeren. In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het Gerecht in het kader van artikel 61, lid 2, van verordening nr. 6/2002 bevoegd is de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep van het EUIPO volledig te toetsen en daarbij, zo nodig, na te gaan of deze kamers de feiten van het geding rechtens correct hebben gekwalificeerd, dan wel of de beoordeling van de aan deze kamers voorgelegde feitelijke elementen fouten vertoont (zie arrest van 18 oktober 2012, Neuman en Galdeano del Sel/Baena Grupo, C‑101/11 P en C‑102/11 P, EU:C:2012:641, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

118    De argumenten van het EUIPO en interveniënte kunnen niet afdoen aan deze vaststelling.

119    Allereerst, zoals reeds is uiteengezet in punt 104 hierboven, kunnen de argumenten van het EUIPO het motiveringsgebrek van de bestreden beslissing niet goedmaken zonder afbreuk te doen aan de rechten van verdediging van verzoekster, haar recht op effectieve rechterlijke bescherming en het beginsel van gelijkheid van partijen voor de Unierechter.

120    Vervolgens is het juist dat volgens artikel 63, lid 1, van verordening nr. 6/2002 de kamer van beroep deze voorwaarde enkel moest onderzoeken indien de niet-naleving van de in artikel 4, leden 2 en 3, van deze verordening gestelde voorwaarde kon worden geacht te zijn aangevoerd door verzoekster gelet op de elementen, feitelijk en rechtens, die haar vordering tot nietigverklaring staafden. Om de in de punten 51 tot en met 72 hierboven uiteengezette redenen kon er immers niet automatisch van worden uitgegaan dat de niet-naleving van die voorwaarde aan het EUIPO was voorgelegd op grond dat die vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op artikel 25, lid 1, onder b), van deze verordening.

121    Zoals in de punten 87 tot en met 110 hierboven is vastgesteld, blijkt het standpunt van de kamer van beroep over de vraag of zij de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 in casu diende te onderzoeken, evenwel niet uit de bestreden beslissing, zelfs niet impliciet, hoewel deze instantie zich in een eerder stadium van de procedure over deze kwestie had uitgesproken.

122    Volgens vaste rechtspraak is het Gerecht in het kader van zijn toetsing van de rechtmatigheid van een beslissing van een kamer van beroep van het EUIPO niet bevoegd om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de kamer van beroep, en a fortiori niet om over te gaan tot een beoordeling waarover die kamer van beroep nog geen standpunt heeft ingenomen (arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM, C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 72). In het bijzonder staat het niet aan het Gerecht om zich in de plaats van de kamer van beroep te stellen bij het onderzoek van de argumenten, feiten en bewijzen die verzoekster tot staving van haar vordering tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dit onderzoek moest door de kamer van beroep gebeuren, in voorkomend geval onverminderd rechtsvragen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de relevante bepalingen en onverminderd algemeen bekende feiten, om te bepalen of de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 in het bij haar aanhangige geding aan de orde was [zie in die zin en naar analogie arrest van 11 december 2014, CEDC International/BHIM – Underberg (Vorm van een grashalm in een fles), T‑235/12, EU:T:2014:1058, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

123    Anders dan het EUIPO betoogt, volstaat de omstandigheid dat verzoekster in haar schrifturen voor de nietigheidsafdeling artikel 4, lid 1, van verordening nr. 6/2002 en niet artikel 4, leden 2 en 3, van deze verordening uitdrukkelijk heeft aangehaald, in elk geval op zich niet om aan te tonen dat de toepassing van deze bepalingen geen deel uitmaakte van het voorwerp van het geding. In het bijzonder kan zonder een onderzoek van alle elementen, feitelijk en rechtens, die verzoekster in het kader van de nietigheidsprocedure heeft aangevoerd, niet worden uitgesloten dat zij kan worden geacht, gelet op die elementen, zich in wezen op deze bepalingen te beroepen.

124    Ten slotte kan de kamer van beroep, zoals het EUIPO terecht stelt, weliswaar niet worden geacht gebonden te zijn door de mededeling van 16 mei 2018, maar diende zij niettemin naar behoren te motiveren waarom zij meende te moeten afwijken van de conclusies van deze mededeling, aangezien deze mededeling en de daaropvolgende opmerkingen van partijen deel uitmaakten van de context waarin zij de bestreden beslissing heeft genomen (zie in die zin en naar analogie arrest van 28 juni 2018, EUIPO/Puma, C‑564/16 P, EU:C:2018:509, punt 66).

125    Wat de argumenten van interveniënte betreft, zij ten eerste opgemerkt dat de bewering dat verzoeksters grief inzake ontoereikende motivering niet-ontvankelijk is omdat verzoekster ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring niet heeft aangevoerd dat het voortbrengsel waarop het litigieuze model betrekking heeft een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel is, in elk geval moet worden verworpen omdat, zoals in punt 122 hierboven is aangegeven, het niet aan het Gerecht staat om een beoordeling te verrichten waarover de kamer van beroep nog geen standpunt heeft ingenomen.

126    Ten tweede kan het feit dat verzoekster in het kader van een andere procedure een aanvraag tot inschrijving van een model heeft ingediend dat identiek is aan het litigieuze model, niet leiden tot afwijzing van de onderhavige grief op grond dat die grief tegenstrijdig is met de argumenten die zij ter ondersteuning van de handhaving van de betrokken inschrijving heeft aangevoerd.

127    Artikel 52, lid 1, van verordening nr. 6/2002 – dat bepaalt dat, onverminderd artikel 25, leden 2 tot en met 5, van deze verordening, iedere natuurlijke of rechtspersoon of een daartoe gemachtigd overheidsorgaan een vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven gemeenschapsmodel kan indienen – eist immers noch voor de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering noch a fortiori voor de ontvankelijkheid van de middelen die deze vordering ondersteunen, dat een procesbelang wordt aangetoond of dat een daadwerkelijk of potentieel economisch belang bij de doorhaling van het litigieuze model wordt aangetoond (zie in die zin en naar analogie arrest van 25 februari 2010, Lancôme/BHIM, C‑408/08 P, EU:C:2010:92, punten 37‑44). In dit verband moet worden gepreciseerd dat, anders dan de nietigheidsgronden van artikel 25, lid 1, onder c) tot en met g), van deze verordening, de onder a) en b) genoemde nietigheidsgronden in beginsel door elke natuurlijke of rechtspersoon kunnen worden aangevoerd [arrest van 13 juni 2019, Visi/one/EUIPO – EasyFix (Informatiebladhouder voor voertuigen), T‑74/18, EU:T:2019:417, punt 64].

128    Dat verzoekster heeft geprobeerd een model te laten inschrijven dat identiek is aan het litigieuze model en in het kader van de door interveniënte ingestelde procedure tot nietigverklaring van dit model de nieuwheid en het eigen karakter van dit model heeft verdedigd, terwijl zij deze thans betwist, heeft bijgevolg geen enkele invloed op de ontvankelijkheid van de onderhavige grief en overigens evenmin op de beoordeling ten gronde ervan.

129    Uit een en ander volgt dat de grief inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht gegrond is.

130    Alvorens te bepalen welke gevolgen de in punt 129 hierboven gedane vaststelling voor het dispositief van de bestreden beslissing heeft, dient de tweede grief te worden onderzocht die verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het vijfde middel heeft aangevoerd en die betrekking heeft op een onjuiste beoordeling doordat het litigieuze model niet nietig is verklaard bij de bestreden beslissing, hoewel het een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt dat na de definitieve verwerking ervan in dat voortbrengsel niet zichtbaar is in de zin van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 6/2002.

b)      Tweede grief: onjuiste beoordeling doordat de kamer van beroep niet heeft vastgesteld dat de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 in het onderhavige geval leidde tot de nietigheid van het litigieuze model

131    Zoals in punt 122 hierboven reeds in herinnering is gebracht, is het Gerecht volgens vaste rechtspraak in het kader van zijn toetsing van de rechtmatigheid van een beslissing van een kamer van beroep van het EUIPO niet bevoegd om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de kamer van beroep, en a fortiori niet om over te gaan tot een beoordeling waarover die kamer van beroep nog geen standpunt heeft ingenomen.

132    Zoals in punt 13 hierboven is vastgesteld, heeft de kamer van beroep in casu in de loop van de beroepsprocedure, te weten in de mededeling van 16 mei 2018, onderzocht of het litigieuze model nietig moest worden verklaard omdat het een onderdeel was van een samengesteld voortbrengsel dat bij normaal gebruik niet zichtbaar was na de definitieve verwerking ervan in dat voortbrengsel, in de zin van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 6/2002. Daarentegen is in punt 110 hierboven geconcludeerd dat het standpunt van de kamer van beroep met betrekking tot deze kwestie niet voldoende duidelijk en ondubbelzinnig uit de bestreden beslissing bleek.

133    Bijgevolg kan het Gerecht zich niet uitspreken over de toepassing van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002 in het onderhavige geval, zodat de grief moet worden afgewezen.

134    Bij aanvaarding van de eerste grief volstaat deze grond evenwel voor de vernietiging van de bestreden beslissing. Het is immers vaste rechtspraak dat, aangezien de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is in de zin van artikel 61, lid 2, van verordening nr. 6/2002 en niet-nakoming ervan overigens ambtshalve kan worden vastgesteld, deze niet-nakoming tot vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden (zie in die zin en naar analogie arresten van 30 maart 1995, Parlement/Raad, C‑65/93, EU:C:1995:91, punt 21, en 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 174). De vordering tot vernietiging moet dus worden toegewezen.

135    Gelet op de in punt 131 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak kan het Gerecht daarentegen de bestreden beslissing niet herzien en moet de daartoe strekkende vordering in het verzoekschrift dus worden afgewezen.

136    Gelet op een en ander dient de bestreden beslissing te worden vernietigd en dienen de overige vorderingen te worden afgewezen, zonder dat het tweede tot en met het vierde middel, het eerste onderdeel van het vijfde middel en het zesde middel van het verzoekschrift behoeven te worden onderzocht.

IV.    Kosten

137    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

138    Volgens artikel 135, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, evenwel beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij, behalve in haar eigen kosten, slechts ten dele wordt verwezen in de kosten van de andere partij of daarin zelfs niet dient te worden verwezen.

139    Aangezien het EUIPO en interveniënte op de wezenlijke punten in het ongelijk zijn gesteld, moet het EUIPO worden verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van verzoekster, overeenkomstig de vordering van laatstgenoemde, en dient voorts te worden beslist dat interveniënte haar eigen kosten zal dragen.

HET GERECHT (Negende kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 19 november 2018 (zaak R 1397/2017‑3) wordt vernietigd.

2)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)      Het EUIPO draagt zijn eigen kosten alsmede die van L. Oliva Torras, S.A.

4)      Mecánica del Frío, S.L., zal haar eigen kosten dragen.

Costeira

Gratsias

Kancheva

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juni 2020.

ondertekeningen


*      Procestaal: Spaans.