Language of document : ECLI:EU:C:2020:561

Voorlopige editie

BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF

16 juli 2020 (*)

„Hogere voorziening – Interventie – Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – Artikel 40 – Belang bij de beslechting van het geding”

In zaak C‑883/19 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 3 december 2019,

HSBC Holdings plc, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

HSBC Bank plc, gevestigd te Londen,

HSBC France, gevestigd te Parijs (Frankrijk),

vertegenwoordigd door K. Bacon, QC, D. Bailey, barrister, M. Simpson, solicitor, en C. Angeli en M. Giner, avocats,

verzoeksters,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Berghe, M. Farley en F. van Schaik als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

geeft

DE PRESIDENT VAN HET HOF

gelet op het voorstel van K. Jürimäe, rechter-rapporteur,

gehoord de advocaat-generaal, M. Bobek,

de navolgende

Beschikking

1        Met hun hogere voorziening verzoeken HSBC Holdings plc, HSBC Bank plc en HSBC France (hierna samen: „HSBC-vennootschappen”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 24 september 2019, HSBC Holdings e.a./Commissie (T‑105/17, EU:T:2019:675; hierna: „bestreden arrest”), waarbij artikel 2, onder b), van besluit C(2016) 8530 final van de Commissie van 7 december 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak AT.39914 – Rentederivaten in euro) (hierna: „litigieus besluit”) nietig is verklaard en hun beroep is verworpen voor het overige.

2        Bij een op 20 maart 2020 ter griffie van het Hof neergelegde akte hebben JPMorgan Chase & Co., JPMorgan Chase Bank, National Association en J.P. Morgan Services LLP (hierna samen: „JPMC-vennootschappen”) krachtens artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van de Justitie van de Europese Unie verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de HSBC-vennootschappen.

3        Bij op 22 en 30 april 2020 ter griffie neergelegde akten hebben de Europese Commissie en de HSBC-vennootschappen hun schriftelijke opmerkingen over dit verzoek ingediend. Bij een op 18 mei 2020 ter griffie neergelegde akte heeft HSBC, vóór het verstrijken van de termijn voor de indiening van haar opmerkingen, haar oorspronkelijke opmerkingen aangevuld in het licht van de beschikking van de president van het Hof van 30 april 2020, Commissie/HSBC Holdings e.a. (C‑806/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:364), en is deze akte, gelet op deze omstandigheden, aan het dossier toegevoegd.

 Verzoek tot interventie

4        Ter ondersteuning van hun verzoek stellen de JPMC-vennootschappen in wezen dat zij tegen het litigieuze besluit, dat mede tot hen is gericht, beroep hebben ingesteld, dat ter griffie van het Gerecht is ingeschreven onder nummer T‑106/17, en dat dit beroep betrekking heeft op dezelfde problematiek als in deze hogere voorziening aan de orde is. Zij benadrukken dat het Gerecht op grond van artikel 69, lid 1, onder b), van zijn Reglement voor de procesvoering heeft besloten om de behandeling van die zaak te schorsen in afwachting van het arrest van het Hof in deze hogere voorziening. Uit die beslissing blijkt duidelijk dat zaak T‑106/17 is geschorst omdat er sprake was van middelen die gemeenschappelijk waren met de in zaak T‑105/17 aangevoerde middelen, en dus ook met de in de onderhavige zaak aangevoerde middelen. Het bestaan van gemeenschappelijke middelen wordt ook bevestigd door het bestreden arrest. Zij leiden hieruit af dat het in deze hogere voorziening te wijzen arrest rechtstreeks van invloed zal zijn op de uitkomst van hun eigen beroep tot nietigverklaring. De JPMC-vennootschappen wijzen er derhalve op dat het onrechtvaardig zou zijn als het Hof zich zou uitspreken over vragen die beslissend zullen zijn voor de beslechting van hun beroep zonder dat zij over deze vragen worden gehoord.

5        De JPMC-vennootschappen menen dus een rechtstreeks belang te hebben bij de beslissing van het geding als bedoeld in artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

6        In dit verband volgt uit dat artikel dat iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht heeft om zich te voegen in een geding dat bij de rechterlijke instanties van de Europese Unie aanhangig is gemaakt, behalve in een geding tussen lidstaten, tussen instellingen van de Unie of tussen lidstaten enerzijds en instellingen van de Unie anderzijds, indien deze persoon aannemelijk kan maken belang te hebben bij de beslissing van dat geding.

7        Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het begrip „belang bij de beslissing van het rechtsgeding” als bedoeld in voornoemde bepaling worden gedefinieerd met inachtneming van het voorwerp van het geding zelf en moet daaronder worden verstaan een rechtstreeks en daadwerkelijk belang bij de toe- of afwijzing van de conclusies zelf, en niet een belang ten aanzien van de aangevoerde middelen of argumenten. De woorden „beslissing van het [...] rechtsgeding” verwijzen namelijk naar de gevraagde eindbeslissing zoals deze haar beslag zou vinden in het dictum van de beslissing waarmee een einde wordt gemaakt aan het geding. Meer in het bijzonder betreft het dus een rechtstreeks en daadwerkelijk belang bij de toewijzing van de conclusies van de partij die de indiener van het interventieverzoek wenst te steunen (beschikking van de president van het Hof van 30 april 2020, Commissie/HSBC Holdings e.a., C‑806/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:364, punt 7 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

8        In dit verband moet met name worden nagegaan of de indiener van het verzoek tot interventie rechtstreeks wordt geraakt door de bestreden handeling en of hij een stellig belang heeft bij de beslissing van het geding. In beginsel kan van een voldoende rechtstreeks belang bij de beslissing van het rechtsgeding slechts sprake zijn wanneer die beslissing de rechtspositie van de indiener kan wijzigen (beschikking van de president van het Hof van 30 april 2020, Commissie/HSBC Holdings e.a., C‑806/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:364, punt 8 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

9        Er zij tevens aan herinnerd dat een partij die krachtens artikel 40 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is toegelaten tot interventie in een voor het Hof aanhangig geding, volgens de rechtspraak van het Hof het voorwerp van dit geding zoals dat is omschreven in de conclusies en de middelen van de partijen ten principale niet mag wijzigen. Derhalve zijn alleen die argumenten van een interveniënt ontvankelijk die passen binnen het door die conclusies en die middelen afgebakende kader. Zo moet voor de beoordeling van het belang dat een indiener van een interventieverzoek bij de beslissing van dit geding heeft met name rekening worden gehouden met het voorwerp van het geding in hogere voorziening zoals dit blijkt uit de conclusies van de partijen ten principale en met de ter ondersteuning van die conclusies aangevoerde middelen (beschikking van de president van het Hof van 30 april 2020, Commissie/HSBC Holdings e.a., C‑806/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:364, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

10      In casu blijkt uit punt 42 van het bestreden arrest dat de HSBC-vennootschappen in het kader van hun beroep bij het Gerecht dat tot het bestreden arrest heeft geleid, nietigverklaring van artikel 1 en artikel 2, onder b), van het litigieuze besluit en herziening van de hun bij artikel 2, onder b) opgelegde geldboete hebben gevorderd.

11      In artikel 1 van het bestreden besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de daarin genoemde vennootschappen, waaronder de JPMC- en de HSBC-vennootschappen, inbreuk hadden gemaakt op artikel 101 VWEU door deel te nemen aan „één enkele en voortdurende” inbreuk bestaande uit „overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekten het normale verloop van prijscomponenten in de sector van rentederivaten in euro te verstoren”. In artikel 2, onder b), van dat besluit heeft de Commissie de HSBC-vennootschappen hoofdelijk veroordeeld tot een geldboete van 33 606 000 EUR voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk.

12      In het bestreden arrest heeft het Gerecht de middelen van de HSBC-vennootschappen, die primair strekten tot nietigverklaring van artikel 1 van het litigieuze besluit, afgewezen. Het Gerecht heeft daarentegen de derde grief van het eerste onderdeel van het middel strekkende tot nietigverklaring van artikel 2, onder b), van dat besluit gegrond verklaard en deze bepaling nietig verklaard.

13      In dit verband verzoeken de HSBC-vennootschappen met hun hogere voorziening om vernietiging van punt 2 van het dictum van het bestreden arrest, waarbij het Gerecht hun beroep heeft verworpen voor zover dit strekte tot nietigverklaring van artikel 1 van het litigieuze besluit, en om nietigverklaring van artikel 1, onder b), van dit besluit.

14      Derhalve moet worden nagegaan of de JPMC-vennootschappen in het kader van deze hogere voorziening een rechtstreeks en daadwerkelijk belang hebben bij de toewijzing van de conclusies van de HSBC-vennootschappen in de zin van de in punt 7 van deze beschikking aangehaalde rechtspraak.

15      In dit verband moet worden opgemerkt dat deze hogere voorziening in het bijzonder betrekking heeft op de vraag of het Gerecht een rechtmatige beoordeling heeft verricht van de motivering van het dictum van het bestreden besluit waarbij de Commissie een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU heeft vastgesteld. De HSBC-vennootschappen stellen in dit verband dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hun middelen tot nietigverklaring inzake de onjuiste kwalificatie van deze inbreuk als inbreuk naar strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU en als één enkele voortdurende inbreuk af te wijzen. Bovendien menen zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hun middel tot nietigverklaring inzake schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, van het beginsel van goed bestuur en van het beginsel van de rechten van de verdediging af te wijzen omdat dit besluit is vastgesteld na een schikkingsbesluit waarin de Commissie reeds een standpunt over de deelname van de HSBC-vennootschappen aan de betrokken inbreuk had ingenomen.

16      Volgens vaste rechtspraak van het Hof wordt een besluit zoals het litigieuze besluit weliswaar opgesteld en bekendgemaakt als één besluit, maar moet het worden gezien als een bundel individuele besluiten waarbij met betrekking tot elk van de adressaten de hem verweten inbreuk(en) geconstateerd wordt of worden en eventueel een boete wordt opgelegd (arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien het Hof in het kader van deze hogere voorziening de vorderingen van de HSBC-vennootschappen zou toewijzen, zou het dus het bestreden arrest vernietigen en – wanneer het zelf de zaak afdoet overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het beroep in eerste aanleg gegrond acht – artikel 1, onder b), van het bestreden besluit, dat alleen op deze vennootschappen van toepassing is, vernietigen.

17      Ten eerste moet echter worden vastgesteld dat de JPMC-vennootschappen, als medeadressaten van het litigieuze besluit, in casu behoren tot de vennootschappen die zijn aangeduid als vennootschappen die samen met de HSBC-vennootschappen hebben deelgenomen aan de in artikel 1 van dat besluit bedoelde inbreuk. Ten tweede is artikel 1, onder c), van dat besluit, dat de JPMC-vennootschappen in zaak T‑106/17 nietig willen laten verklaren, weliswaar alleen op hen van toepassing, maar de door hen aangevoerde gronden voor nietigverklaring inzake de aard en het bestaan van de in dat besluit vastgestelde inbreuk zijn vergelijkbaar met de gronden die door de HSBC-vennootschappen zijn aangevoerd. Zo zijn de besluiten tot vaststelling van de deelname van de HSBC-vennootschappen en de JPMC-vennootschappen aan dezelfde „overeenkomsten en/of [...] onderling afgestemde feitelijke gedragingen” als bedoeld in artikel 101, lid 1, VWEU, in weerwil van de in het vorige punt genoemde rechtspraak, weliswaar verschillend maar toch nauw met elkaar verbonden, zo niet van elkaar afhankelijk.

18      Gelet daarop en op het feit dat de HSBC-vennootschappen met hun hogere voorziening het bestaan en de aard van de inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU betwisten, zal het in deze zaak te wijzen arrest – ongeacht of het Hof de vorderingen van de HSBC-vennootschappen toewijst en het bestreden arrest vernietigt dan wel de door deze vennootschappen aangevoerde middelen in hogere voorziening afwijst – noodzakelijkerwijs rechtstreekse gevolgen hebben voor de beoordeling door het Gerecht van het door de JPMC-vennootschappen ingestelde beroep voor zover dat strekt tot nietigverklaring van artikel 1, onder c), van het litigieuze besluit.

19      Onverminderd de beoordeling van de middelen die ter ondersteuning van deze hogere voorziening zijn aangevoerd, dient dus te worden opgemerkt dat het Hof zich bij het in deze zaak te wijzen arrest definitief zal uitspreken over de juridische gegrondheid van de door de HSBC-vennootschappen aangevoerde middelen in hogere voorziening inzake de vaststelling door de Commissie van het bestaan en de aard van de in artikel 1 van het litigieuze besluit bedoelde inbreuk, waarvan de juridische inhoud ten dele gelijk is aan die van de middelen die de JPMC-vennootschappen in eerste aanleg in zaak T‑106/17 hebben aangevoerd.

20      Indien de JPMC-vennootschappen dus niet zouden worden toegelaten tot interventie in deze zaak aan de zijde van de HSBC-vennootschappen, zou hun de mogelijkheid worden ontnomen om in de praktijk te worden gehoord over de juridische gegrondheid van hun middelen, terwijl het in deze zaak te wijzen arrest een antwoord zal geven dat mogelijk beslissend is voor de beoordeling door het Gerecht van de juridische gegrondheid van die middelen.

21      Gelet hierop moet het begrip „belang bij de beslissing van het geding” als bedoeld in artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een verzoek tot interventie als dat van de JPMC-vennootschappen kan worden ingewilligd.

22      In dit verband zij eraan herinnerd dat het beginsel van wapengelijkheid, dat integraal deel uitmaakt van het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, als logisch uitvloeisel van het begrip eerlijk proces (net zoals met name het beginsel van hoor en wederhoor), inhoudt dat de rechter elke partij een redelijke mogelijkheid moet bieden om haar zaak onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij tegenover de tegenpartij niet wezenlijk wordt benadeeld (zie in die zin de arresten van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a., C‑89/08 P, EU:C:2009:742, punt 54, en 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C‑189/18, EU:C:2019:861, punt 61).

23      Hieruit volgt dat een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de adressaten van een besluit als het (geschorste) litigieuze besluit, die in eerste aanleg beroep hebben ingesteld, trachten tussenbeide te komen in een geding betreffende het bestaan van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU, waarvan zij als mededaders zijn aangeduid, dan wel trachten tussenbeide te komen in een geding dat uitsluitend betrekking heeft op de rechtmatigheid of het bedrag van de geldboete die wegens die inbreuk aan een andere van die mededaders is opgelegd.

24      In de eerste hypothese kunnen de indieners van het interventieverzoek immers op grond van de omstandigheid dat zij zijn aangewezen als ondernemingen die aan een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU hebben deelgenomen, aannemelijk maken dat zij een rechtstreeks belang hebben bij de toe- of afwijzing van de vorderingen van een andere deelnemer aan die inbreuk in een geding dat ertoe strekt het bestaan van die inbreuk te betwisten, mits zij zelf een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld tegen het besluit met betrekking tot hun eigen deelname aan die inbreuk, op basis van middelen tot nietigverklaring die in wezen gelijk of soortgelijk zijn aan de middelen die in dat geding zijn aangevoerd. In de tweede hypothese daarentegen maken de indieners van het verzoek tot interventie, gelet op het individuele karakter van de krachtens artikel 101, lid 1, VWEU opgelegde geldboeten, slechts aannemelijk dat zij een indirect belang hebben bij de beslissing van het geding waarin zij wensen tussen te komen (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 30 april 2020, Commissie/HSBC Holdings e.a., C‑806/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:364, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      In casu valt het onderhavige verzoek tot interventie, anders dan het door de JPMC-vennootschappen in zaak C‑806/19 P ingediende verzoek, Commissie/HSBC Holdings e.a., onder de eerste van deze twee hypothesen.

26      Bijgevolg maken de JPMC-vennootschappen aannemelijk belang te hebben bij de beslissing van het geding als bedoeld in artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

27      Er moet evenwel aan worden herinnerd dat een partij die tot interventie wordt toegelaten volgens de in punt 9 van deze beschikking aangehaalde rechtspraak van het Hof het voorwerp van het geding, zoals dat is omschreven in de conclusies en de middelen van de partijen ten principale, niet mag wijzigen. Derhalve zijn alleen die argumenten van de interveniënt ontvankelijk die passen binnen het door die conclusies en die middelen afgebakende kader.

28      Aangaande de procedurele rechten van de JPMC-vennootschappen moet worden vastgesteld dat het verzoek tot interventie is ingediend binnen de in artikel 190, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering gestelde termijn van één maand, zodat zij in beginsel recht hebben op mededeling van alle aan de partijen betekende processtukken overeenkomstig artikel 131, lid 4, van dat Reglement, dat krachtens artikel 190, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening.

29      Daarom moet de HSBC-vennootschappen en de Commissie een korte termijn worden gesteld om eventueel een verzoek tot vertrouwelijke behandeling voor de dossierstukken van deze zaak in te dienen.

30      Uit een en ander volgt dat de JPMC-vennootschappen moeten worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de HSBC-vennootschappen.

 Kosten

31      Volgens artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding.

32      Aangezien in casu het verzoek tot interventie van de JPMC-vennootschappen is toegewezen, dient de beslissing omtrent de kosten in verband met hun interventie te worden aangehouden.

De president van het Hof beschikt:

1)      JPMorgan Chase & Co., JPMorgan Chase Bank, National Association en J.P. Morgan Services LLP worden toegelaten tot interventie in zaak C883/19 P aan de zijde van HSBC Holdings plc, HSBC Bank plc en HSBC France.

2)      Onder voorbehoud van het bepaalde in punt 3 zal de griffier een kopie van alle processtukken betekenen aan JPMorgan Chase & Co., JPMorgan Chase Bank, National Association en J.P. Morgan Services LLP.

3)      HSBC Holdings plc, HSBC Bank plc en HSBC France alsook de Europese Commissie wordt een termijn gesteld om eventueel een verzoek tot vertrouwelijke behandeling van de dossierstukken in deze zaak ten aanzien van JPMorgan Chase & Co., JPMorgan Chase Bank, National Association en J.P. Morgan Services LLP in te dienen.

4)      JPMorgan Chase & Co., JPMorgan Chase Bank, National Association en J.P. Morgan Services LLP wordt een termijn gesteld om de middelen ter ondersteuning van hun conclusies schriftelijk over te leggen.

5)      De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.